Verlichting voor dummy's >
Citaten >
Cultuur > Literatuur
Deze pagina: Citaten over niet weten uit de literatuur.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.
Inhoud
- 1 Bernlef, J.
- 2 Camus, Albert (1913 - 1960)
- 3 Canetti, Elias
- 4 Celan, Paul
- 5 Dement, Iris
- 6 Gide, André
- 7 Goethe
- 8 Hermans, Willem Frederik
- 9 Herzberg, Judith
- 10 Kafka
- 11 Komrij, Gerrit
- 12 K. Schippers
- 13 Multatuli
- 14 Otten, Willem Jan
- 15 Pink Floyd
- 16 Rilke, Rainer Maria
- 17 Schierbeek, Bert
- 18 Shakespeare
- 19 Toorn, Willem van
- 20 Verhelst, Peter
- 21 Wilmink, Willem
- 22 Winkler, Kees
Bernlef, J.
titels origineel
uit
Bernlefs Beste / Volgens Bernlef, Querido, 2000:
KeerzijdeDe gunst der goden:
zij houden het weefgetouw
voor ons verborgen
Soms lichten hun vingers op
in een half herkend gezicht
een voorbijrazende droom.
Wij zijn wakker en in het heden
ons lichaam zwijgt in alle talen
behalve één: de gunst der goden.
Wij bevinden ons in een schimmenspel
schering en inslag sturen onze vrijheid
aan de keerzijde van het tapijt.
(205)
Bal tegen balMisschien is de grootste verleiding
bal te zeggen tegen bal, tak te laten
rijmen op tak, merel op merel
Om kaalgesleten als een oud tapijt
kleuren te laten schieten, de laatste draad
kwijt te raken - de op een na laatste.
Laat los, zegt de mond tegen
de hand die vasthoudt en
niet eens weet hoe zij heet.
[...] (209)
Niet hierWaar alles om voorkeur strijdt
maar het niet krijgt
net niet
een wilde flikkering van vlindervleugels
alleen maar dit betekent: boven een diep
en vochtiggroen gazon voortdurend
veranderen de gedachten
Kleur tegen kleur gezet om dit gebied
te verdedigen tegen iedere naderende betekenis
zodat men in en uit kan gaan
vrijuit als een briesje.
(241)
uit
Zwijgende man, 1976:
Het wapen van de mus
Mus-onkruid onder de vogels
zo huishoudelijk
gewoon en kleurloos
de grond van ons bestaan
zijn orgeltoon
Zijn jingle weerklinkt
overal waar kruimels
een speldeprik eten
een vingerhoed water en zand
Omdat hij zin heeft trekt hij
gauw nog even een sprintje
hipt - zit dan stil.
Er is maar één mus en
die is een embleem: spring -
levend bewijs van hak op
tak dat er geen grond
dan om te zitten geen
lucht dan om er dwarsdoorheen.
Camus, Albert (1913 - 1960)
Uit
[De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:
Fundamenteel onbegrijpelijkZowel de stap naar de eeuwigheid van de dood als de hoop op een eeuwigheid waarin alles goed is, is volgens Camus een onredelijke ontkenning van de absurditeit. Tegen het onstuitbaar verlangen naar eenheid en helderheid in, moet men blijven erkennen dat het leven voor de mens fundamenteel onbegrijpelijk is. (120)
Niets funderen[Camus zegt:] 'Als ik er geen negatieve conclusie uit trek, dan wil ik toch op zijn minst niets funderen op het onbegrijpelijke.' (120)
Canetti, Elias
Uit
Het pantheon
van vergeten dingen, Elias Canetti, 1995:
DomoorHij
leert maar en leert maar en kan niets vergeten, de aartsdomoor. (8)
Het
'hogere'Hij moet zich almaar rekken, het 'hogere' gunt hem geen
rust. (8)
AfwezigheidDe
gezwindheid van de
geest - alles wat er meer over wordt gezegd, zijn uitvluchten om de
afwezigheid ervan te camoufleren. (8)
DefiniërenIemand
wil hem ertoe overhalen in ruil voor geld te
definiëren. Maar
zelfs gratis definieert hij niet. (15)
VerklarenWaarom
wil je altijd verklaren? Waarom wil je altijd
achter iets komen?
En daar weer achter, altijd maar ergens achter? (20)
Aan de
oppervlakteHoe zou een leven aan de oppervlakte zijn? Gelukkig?
En zou het enkel daarom verachtelijk zijn? Misschien is er aan de
oppervlakte veel meer - misschien is alles vals wat geen oppervlakte is,
misschien leef je in onophoudelijk wisselende waanvoorstellingen, niet
in zulke mooie als die van de goden, maar in hol gewordene, zoals die
van de filosofen. (20)
BetekenisMisschien zou je beter
woorden aan elkaar kunnen rijgen (omdat het toch woorden moeten zijn),
maar jij bent altijd op een
betekenis uit, alsof wat jij bedenkt
de wereld een betekenis kan geven die ze niet heeft. (21)
StamelenOnbegrijpelijk
worden voor jezelf, stamelen. (25)
UitwissenDe sporen
van je werk uitwissen (27)
OndermijnenJe hebt een
leger
termieten nodig, die al je betrekkingen en gewoonten van
binnen uit ondermijnen. (29)
Nooit gezienEen mens die
zichzelf nog nooit heeft gezien. (30)
LallenOnverstaanbaar
worden, desnoods lallen als engelen. (30)
Zonder te wetenIk
wil heel losjes worden, alles heeft bij mij te veel samenhang, er is
altijd richting en doel bespeurbaar. Nergens bij mij kan er vrij worden
geademd, ik heb een eigen wereld, maar het is een benauwende, je stikt
erin, wat is dat voor een wereld. Ik moet me weer door mijn
vindingrijkheid laten voortstuwen zonder te weten waar ik terechtkom.
(30)
WonderIk kan mezelf niet opgeven, zelfs in het
grootste ongeluk hoop ik, ongelovige, nog op een wonder.
Van alle
dingen waar vroeger in werd geloofd is er één onaantastbaar voor me
gebleven: het wonder. Maar ik wil niet weten waar het vandaan komt, ik
wil het niet dichterbij halen, het moet geheel en al wonder blijven,
onverklaarbaar en onbeïnvloedbaar. (31)
Wit papierAlleen
boven wit papier adem ik vrij. Mijn
âtman zit in het papier, de
wereldziel. (31)
GelijkhebberijJe zou weer vrij en
onbekommerd door de wereld willen gaan, alsof je nooit iets hebt
beweerd. Wat moet je met die holle gelijkhebberij? Wil je dingen
ondervinden of wil je gelijk krijgen? Het ontbreekt je bepaald niet aan
gevoelens en je
haat berekeningen die sluiten als een bus.
Geen
naamHet komt hem voor dat niemand een naam heeft of dat
iedereen dezelfde naam heeft. (34)
GelijkOmdat hij
vaak zegt: 'Het is mij gelijk' of 'Ieder mens is gelijk' wordt Gelijk
zijn naam. (35)
OnschuldigIk wil weer onschuldig
worden, alsof ik geen enkel boek bezit en er nog geen heb geschreven.
(43)
Korte mettenOpnieuw leren spreken, op
vijfenvijftigjarige leeftijd, niet een nieuwe taal leren, maar het
spreken leren. Korte metten maken met vooroordelen, ook als er niets
anders overblijft. (44)
GeheimenHet is verrukkelijk om
te denken dat je doordrenkt bent van geheimen. Het mooiste van leren is
dat het de geheimen vermenigvuldigt. (44)
SamenhangZijn
grootste voldoening is samenhang; die ontzegt hij zich voortdurend.
(49)
WilIk wil niets meer
genoeg. Ik wil het
een beetje, en nauwelijks heb ik de eerste stap in die richting gezet of
ik wil het niet meer. (51)
De gelegenheid voorbij laten gaanIk
schaam me ervoor om van een gelegenheid gebruik te maken. Het is al zo
mooi dat ze zich voordoet, dat ze er is - hoe kun je haar aangrijpen?
Wie er zeker van is, grijpt haar niet aan. Wie haar aangrijpt, is haar
kwijt. (51)
Alles billijkenIk ben te oud. Ik haat
bijna niets. Ik ben in het stadium gekomen dat je van alles houdt wat er
is. Voor het eerst begin ik te begrijpen dat er filosofen zijn die al
het bestaande billijken. (51)
Mijn stropMijn strop,
dat zijn mijn eigen zinnen. (52)
KraterEen boek! Daar
zit driekwart van je leven in, je hoop, je begeerte, je somberheid, je
verdriet en je twijfel. Je bent het nu allemaal kwijt. Waar ben je? Wat
blijft er voor je over? De krater van je boek. (58)
Waarom?Waarom,
vraagt hij zich af, waarom loop ik hier op deze straat terwijl er
honderdduizend andere zijn? Of is deze straat zo bijzonder dat ik op
iedere andere mijn doel zou missen? - Hij zal het nooit weten, maar hij
zal nog vijftig jaar over die straat lopen, doelbewust, zeker, een man
die beent. (65)
Het zwijgen bijbrengenEen man die door
iedereen wordt verlaten om hem het zwijgen bij te brengen. (65)
Ik
weet nietsIk weet niets, en het minst van al weet ik wat ik
zelf heb ontdekt.
Wat betekent dat? Dat ik het opnieuw moet
ontdekken? Of dat het alleen maar zin heeft als
anderen het nu
opnieuw ontdekken? (68)
GodDe meeste mensen zeggen
'God' om zich voor zichzelf verborgen te houden. (73)
LabyrintEen labyrint, bestaande uit alle gangen die iemand is
gegaan. (73)
Don QuichotDat is natuurlijk de grootheid van Don Quichot: de
idee en het ideaal als waan, waarvan alle gevolgen worden opgespoord en
aan de kaak gesteld. (75)
Tussen anderenIk ben de gesprekken met mezelf zat. Ik wil
gesprekken tussen anderen voeren. (82)
VernietigendJe moet jezelf zo vernietigend aanvallen dat het
plezier erin je vergaat. Zonder ernstige verwondingen die littekens
achterlaten, zou je niet meer overeind mogen krabbelen. (83)
Alle partijenHij ontpopt zich als een aanhanger van alle
partijen, hij verzamelt ze en ontdekt steeds nieuwe. (88)
Maar waarvan?En als het nu eens allemaal pas de ouverture zou
blijken te zijn, en niemand zou weten waarvan? (89)
OrakelsIk heb in Wales mensen vele uren horen praten. Alles
wat ik verstond, was nu en dan een naam. ... Het kolossale rijk van
vermoedens binnen het bereik van een geheel vreemde taal. Verkeerde
interpretaties, vergissingen, onzinnige overwegingen. Maar ook
verwachtingen, overschattingen, beloften.
Vreemde talen als orakels. (92)
Deze zinloze chaos
Het moet dus een pijn om God zijn die jou raakt, om het taaie,
hartstochtelijke, nooit vermoeiende streven een schepper te scheppen en
in leven te houden die verantwoordelijk is voor ons ongeluk.
Want het is onverdraaglijk te denken dat deze zinloze chaos in niemand
wordt geplooid, geordend en geduld. (94)
Het absolute
Het was onbehaaglijk, ik verwaardigde me iets over het 'absolute' te
zeggen om uit te leggen waarom ik alles wat werkelijk onbekend is, nooit
een naam zou geven. Maar omdat ik - wat ik normaal nooit zou doen - het
woord 'absoluut' had gebruikt, was al het andere wat ik erover kon
zeggen, bij voorbaat waardeloos. (95)
Ik weet niets
Hij slaagt erin niemand te herkennen, en zo wordt hij rechtvaardig. Hij
begrijpt zichzelf niet altijd, maar hij wordt altijd door de anderen
begrepen. 'U hebt gezegd...' 'Ik heb niets gezegd.' 'Maar weet u dat dan
niet meer?' 'Ik weet niets.' (98)
Onvooringenomenheid
De zekerheid die van hem uitgaat, is die van de onvooringenomenheid.
Niets van wat daar vroeger voor door is gegaan, vindt hij mooi. (98)
Wirwar
Er is een grote wirwar in hem, daar is hij trost op, in hem zullen
toekomstige generaties niet verstarren. (100)
Niets was voorbestemd
Adam lag nog als klei op de aarde. God dacht na: Laat Ik hem zo? De
welgevormde klomp beviel Hem. Zou die slecht doen als hij ademde?
Misschien verdient hij het niet dat Ik hem adem inblaas. Want God was
onwetend, en alles wat Hij schiep, stond los van Hem. Niets was
voorbestemd, alles werd zoals het zelf wilde worden. Geen luis die niet
zijn eigen behaaglijke gang ging. (101)
Jeukende vingers
De vingers van die man jeuken om zinnen te vermengen, tot geen ervan nog
iets betekent. (105)
Niets meer verdedigen
De oude kleren verbranden, de woordenkraam terzijde leggen. Niets meer
verdedigen, het oude laten voor wat het is, ontdekken wat je nu bent.
(109)
Onzinnigheid
Het boeiende van filosofieën is hun onzinnigheid.
Ze tonen diverse mogelijkheden van de wereld. Je hoeft er geen van te
kiezen, maar ze moeten er zijn. Kinderachtig is het spelletje om zich er
tevreden mee te stellen hun onzinnigheid te bewijzen. Het onzinnige is
er nu juist de essentie van, je zou bijna zeggen hun vitaalste element.
(109)
De nevel
De nevel, zei ze acht jaar geleden - je moet de nevel terugvinden om te
kunnen schrijven.
Toen verdween ze zelf onbereikbaar in de nevel. (110)
In het niets
Er zijn mensen die denken dat de vooruitziende blik het voorziene tot
gevolg heeft. Anderen hebben vertrouwen in een vrije keus,
tegen het
voorziene. Ik doe alsof ik beide dingen geloof. Zo ben ik tegelijk
gebonden en vrij.
Zo kan ik me, zeer ten koste van mezelf, inbeelden meer van de mens te
weten, terwijl ik dan pas echt in het niets tast. (110)
Onvindbaar
Om voor iedereen onvindbaar te zijn, zou hij graag van nevel willen
worden. (110)
Woest
Een voorhoofd zo hard als een straatsteen, dat woest op de twijfel
hamert. (112)
Verhongeren
Hij kauwde op wat hij was, viel af en verhongerde. (112)
Mislukt
Zijn aankomst mislukt, hij is een meester in het voortgaan. (112)
Verdwijnen
Het gesprek met jezelf is zo insipide, leeg, steriel, vervelend,
kletserig, smakeloos, kleurloos en reukloos geworden dat het beter zou
zijn met
de eerste de beste te praten. Die zou ook verzonnen
kunnen zijn, alleen 'ik' en 'jij' moeten nu uiteindelijk eens
verdwijnen, verrotten, verdampen. (114)
Eén
Sommige menen zich als mystici te redden door 'Eén! Eén! Eén!' te
zeggen.
Anderen redden zich door versnippering: ze doen er alles aan om nooit
één te zijn. (116)
In die droom
Een slaap die zo lang duurt dat je alleen nog maar in een droom
ontwaakt. Maar in die droom dan het volle leven. (116)
Prachtig
Prachtig de gesprekken die je niet voert. (117)
Memento mori
Een goedaardige man vroeg me om de weg. Mag ik jou niet zeggen, was mijn
antwoord. ... Onzeker liep hij verder en uit de manier van lopen kon ik
afleiden dat hij niemand meer naar de weg zou vragen. Ik keek hem
treurig na. Had ik hem de waarheid moeten vertellen? Ik wist dat hij
moest sterven, op elke weg die ik hem had kunnen wijzen wachtte hem de
dood. Als hij het wist, zou hij kunnen blijven staan, zijn enige redding
was blijven staan. (125)
De verbazing groeit
Maar in werkelijkheid is het zo dat er naarmate je meer hebt meegemaakt,
meer dingen zijn om je over te verbazen. De verbazing
groeit met
de ervaring en wordt
dringender. (169)
Orde
Verzot op het niets schept hij aldoor orde. Zonder orde kan hij het
niets niet verdragen. Hij nestelt zich behaaglijk in het geordende
niets.
Daar hokt hij, een spin in het net van zijn orde, en hij hoeft zich niet
af te vragen wat er gaat komen.
Want wat er gaat komen, is het niets, en dat heeft hij in zijn macht.
(170)
Celan, Paul
Uit
Spreek als laatste, over de poëzie van Paul Celan, Maurice Blanchot 1988:
De vraagWe staan, als we zo met de dingen spreken,
altijd voor de vraag naar het "waarvandaan" en het "waarheen": voor een
"openblijvende", "niet tot een einde komende", op het opene en het lege
en het vrije wijzende vraag - we staan ver buiten. (29)
Eén vlees met de nachtHet sneeuwbed onder ons beiden,
het sneeuwbed.
Kristal om kristal,
diep in de tijd getralied, wij vallen,
wij vallen en liggen en vallen.
En vallen:
Wij waren. Wij zijn.
Wij zijn één vlees met de nacht.
In de gangen, de gangen.
(33)
De niemandsroosO dit zwervende lege
gastvrije midden. Gescheiden,
val ik je toe, val
jij mij toe...
Een niets
waren wij, zijn wij, zullen
we blijven, bloeiend:
de niets-, de
niemandsroos
(43)
Niet dat wij leefden... Het is,
ik weet het, niet waar
dat wij leefden, er ging
slechts blind een adem tussen
Ginds en Niet-daar en Soms.
ik weet,
ik weet en jij weet, wij wisten,
wij wisten niets, wij
waren toch daar en niet ginds,
en soms, wanneer
slechts het niets tussen ons stond,
vielen wij elkaar geheel en al toe.
(45)
Deining van dwalende woordenSpreek ook jij,
spreek als laatste,
spreek je uit.
Spreek -
Maar scheid het nee niet van het ja.
Geef je spreken ook zin:
geef het de schaduw
Geef het schaduw genoeg,
geef het zoveel,
als je om je verdeeld weet tussen
midnacht en midden en midnacht.
Kijk om je heen:
zie hoe het levendig wordt rondom -
Bij de dood! Levendig!
Waar spreekt wie schaduw spreekt.
Nu echter krimpt te plaats waar je staat:
Waarheen nu, van schaduw beroofde, waarheen?
Stijg op. Tast omhoog.
Dunner word je, onherkenbaarder, fijner!
Fijner: een draad,
waarlangs zij omlaag wil, de ster:
om beneden te zwemmen, beneden,
waar zij zich schijnen ziet: in de
deining van dwalende woorden.
(55)
Dement, Iris
Liedtekst van
Let the Mystery Be Album: Infamous Angel
Everybody's wonderin' what and where they all came from.
Everybody's worryin' 'bout where they're gonna go when the whole thing's done.
But no one knows for certain and so it's all the same to me.
I think I'll just let the mystery be.
Some say once you're gone you're gone forever, and some say you're gonna come back.
Some say you rest in the arms of the Saviour if in sinful ways you lack.
Some say that they're comin' back in a garden, bunch of carrots and little sweet peas.
I think I'll just let the mystery be.
Everybody's wonderin' what and where they all came from.
Everybody's worryin' 'bout where they're gonna go when the whole thing's done.
But no one knows for certain and so it's all the same to me.
I think I'll just let the mystery be.
Instrumental break.
Some say they're goin' to a place called Glory and I ain't saying it ain't a fact.
But I've heard that I'm on the road to purgatory and I don't like the sound of that.
Well, I believe in love and I live my life accordingly.
But I choose to let the mystery be.
Everybody's wonderin' what and where they all came from.
Everybody's worryin' 'bout where they're gonna go when the whole thing's done.
But no one knows for certain and so it's all the same to me.
I think I'll just let the mystery be.
I think I'll just let the mystery be.
Gide, André
Uit het
Journal, geciteerd door Gabriel Marcel in
De mens zichzelf een vraagstuk,1956:
Een onpersoonlijke gestalte
Zal ik mij altijd zo blijven kwellen, o Heer, en zal mijn geest
voortaan in geen enkele zekerheid rust vinden? ... Het maakt mij
onrustig dat ik niet weet, wie ik zijn zal. Ik weet zelfs niet hoe ik
zou willen zijn; maar ik weet heel goed dat ik een keus moet doen. Ik
zou willen trekken langs veilige wegen, of zelfs enkel maar langs wegen
gaan die ik graag betreden zou hebben. Maar ik weet het niet; ik weet
niet wat ik zou moeten willen. Ik voel duizend mogelijkheden in mij;
maar ik kan niet berusten in het besluit, slechts een daarvan te willen
zijn. En elk ogenblik ben ik verschrikt over elk woord dat ik schrijf,
over elk gebaar dat ik maak, bij de gedachte dat dit alweer een
onuitwisbare trek toevoegt aan mijn gestalte, die zich vastlegt; een
aarzelende, onpersoonlijke gestalte, een laffe gestalte, omdat ik geen
keus heb kunnen doen en fier haar trekken heb kunnen aangeven. (142)
Goethe
Uit
Faust I, J.W. von Goethe, 1808 in
Luisterend denken: moderne westerse ideeëngeschiedenis, E.L. Kuypers, 2002:
Zo wijs als in 't begin helaas![citaat uit Faust, 1808]
Nu heb ik dan filosofie, Rechten en artsenij, en ach!
Helaas ook nog
theologie Terdege beoefend, nacht en dag.
Daar sta ik nu, ik arme
dwaas,
Zo wijs als in 't begin helaas!
Ik heet Magister, heet Doctor
zowaar,
En leid nu reeds bijna een tien jaar
Omhoog, omlaag en schuins
en krom
Mijn leerlingen bij de neus rondom -
En merk: wij blijven toch
eeuwig leken!
Dat doet mij schier het harte breken.
Wel ben ik
verstandiger dan al die schapen,
Doctoren, Magisters, schrijvers en
papen;
Geen vertwijfeldheden die mij komen plagen,
Ik zou me aan de
hel en de duivel wagen -
Daarom mag ik ook niet gelukkig heten,
Ik
beeld mij niet in, wat waars te weten,
ik beeld mij niet in, iemand wat te leren,
De mensen beter te maken en te bekeren.
(67)
uit
Goethe's Faust, Johannes Diderik Bierens de Haan, 1914, Gutenberg project, 2007:
Het licht blijkt duisternisDe klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven, waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt duisternis.
Het onbegrepeneTevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende: het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen.
Raadsels
Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes tot raadsels; de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der aantrekkingskracht.
Kracht is mysterie
Ge noemt het algemeene: de aantrekkingskracht. Kracht beteekent mysterie.
Wij zijn eraan gewoon
Wij zijn er aan gewoon; maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.
Berusting
Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij “dat wij niets kunnen weten.”
Het deel des gemaks
De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht het wijsheid. Zijn karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het leven.
Socrates en PaulusOok de groote zoekers van ons geslacht, Socrates zoowel als Paulus, hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt: ik, daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten.
InsluimeringDe tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet: veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd, terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt.
In eigen boezemIs de beschouwing over de wereld, natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan zal nu de aandacht, van deze “buiten”-wereld afgeleid, zich tot den denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastlooze onzekerheid versplinterd is: “gij hebt haar verwoest de schoone wereld, in eigen boezem bouw haar op”.
Hermans, Willem Frederik
uit
[De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:
Chaotische werkelijkheidVolgens Hermans heeft de roman
een andere functie dan het beschrijven van de werkelijkheid: 'Het is
namelijk een eigenaardigheid van de mens dat hij de chaotische
werkelijkheid die hem omringt, toch beschrijven moet. Hij beschrijft
haar alsof ze geordend was. Hij wil er een orde in leggen. Misschien
weet hij dat het zijn hoogst persoonlijke orde is die hij erin legt,
maar hij kan het niet laten.' (74)
Herzberg, Judith
titels origineel
GroeiZo veel wordt bij het winnen ook verloren
lerend liefdes heel te houden vergeet je
hoe ze horen.
Eerlijkheid, in volle bloei bij de geboorte,
ontrijpt bij het volwassen worden
tot een knop. (Winnicot)
O rare makreel die je bent schreef je een keer
en kijk eens wat er is gebeurd
makreel niet meer.
Groei, wat zullen we met je doen
we kunnen je niet snoeien het beste is misschien alweer
niet mee bemoeien.
Tenslotte kraakt toch elk bestaan zich een bestaan door
de bestaande lagen. En bonen doppen zelfs
hun eigen boontjes.
(uit
Beemdgras, 1968)
OuderdomLater, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.
(uit
Zeepost, 1964)
Kafka
uit:
Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?, Rüdiger Safranski, 2004:
Naakt
[schrijft Milena Jesenská, de geliefde van Kafka, over Kafka:]
Ongetwijfeld is het zo dat wij allen ogenschijnlijk in staat zijn om te
leven, omdat we ooit onze toevlucht hebben genomen tot de leugen, tot
blindheid, tot enthousiasme, tot optimisme, tot een overtuiging, tot
pessimisme of tot wat dan ook. Maar
hij heeft nooit zijn toevlucht
gezocht in een beschermend asiel, in geen enkel (...). Hij is als een
naakt iemand te midden van gekleden. (159)
Nulpunt
Kafka voelt zich onbeschut, omdat hij iedere keer als hij zich onder de mensen waagt bij een nulpunt moet beginnen. Het ontbreekt hem, zegt hij, aan alles wat tot de 'normaliteit' behoort: een gemeenschappelijke taal, een gemeenschappelijke mentaliteit, gemeenschappelijke begrippen over het ware en het valse, over goed en kwaad. (160)
Levensdienende ficties
[Kafka geniet van] zijn eigen onbepaaldheid, de oneindige mogelijkheden van het imaginaire, die hij kan uitspreiden zonder ze door onherroepelijke beslissingen te moeten inperken; hij geniet van zijn eigen veelzinnigheid [...]. In het schrijven, dit 'aarzelen voor de geboorte', geniet hij van het ogenblik waarop hij nog niet onder de suggestieve invloed staat van de levensdienende ficties van het ware, het goede en het nuttige. In het schrijven ligt alles nog open en hangt alles nog van jezelf af. Het is het ogenblik vóór de val in de ideologische en sociale 'waarheden', waar elk 'normaal' leven vroeger of later de beschutting van opzoekt. (180)
Het algemene
Maar wie onder de suggestieve invloed staat van het algemene, wie verlost wil worden in plaats van zichzelf te verlossen, mist de ingang die alleen voor hém bestemd is. (188)
Komrij, Gerrit
titel origineel
uit
Tutti frutti, 1972
Een gedicht
De eerst regel is om te beginnen.
De tweede is de elfde van beneden.
De derde is om wat terrein te winnen.
De vierde moet dus rijmen op de tweede.
De vijfde draait u plotseling een loer.
De zesde heeft de vijfde weer versjteerd.
De zevende schijnt wat geouwehoer,
De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.
De negende vertelt nog eens hetzelfde.
De tiende is misschien een desillusie.
De elfde is niets anders dan de elfde.
De twaalfde is van niets de eindkonclusie.
K. Schippers
uit
Een vis zwemt uit zijn taalgebied, 1976
titel origineel
WitHet wit tussen regels
Ook het wit tussen woorden
Dat is iets anders dan
'daar staat niets'
of
'daar gebeurt niets'
Wit wordt gezien
omdat het op papier
niet alleen is
Vergezeld wit geeft richting aan ogen
Richting lijkt er ook altijd
te zijn als je gewoon
om je heen kijkt: toch hoeft
er niet speciaal iets te gebeuren
Dat is het verschil met papier:
zolang er wit is
volgen er meestal wel
scènes of gebeurtenissen
Wit is een oude meester
Multatuli
Alle citaten van
Multatuli zijn ontleend aan de website
http://nl.wikisource.org/wiki/Eduard_Douwes_Dekker, tenzij anders vermeld.
Geloofsbelydenis,
verschenen in het vrijdenkerstijdschrift De Dageraad, 1859:
GeloofsbelijdenisEen
vader zou voor 'n oogenblik het huis verlaten. Om de scherpzinnigheid
zyner kinderen op de proef te stellen, gaf hy hun te raden wat hy zou
gedaan hebben gedurende z'n afwezigheid. Een der kinderen die een blauw
buisje droeg, zeide:
- Ik weet het al. Vader is naar den kleermaker,
om zich 'n blauw buisje te laten aanmeten.
Het tweede kind, dat
gaarne zoetigheid at, werd boos op BLAUWBUIS, die zoo dom kon zyn te
gelooven dat de vader een blauw buisje droeg, als hy.
- Ik weet
beter, zeide het. Vader eet zoeten koek met stroop.
Het derde kind,
dat in 'n donker hoekje zat, kneep 'n kat in den staart, en schold
KOEKETER uit, die zoo dom was te denken dat vader koek at als hy.
-
Ik zoek beter, zeide het. Vader slacht 'n os.
Het vierde kind dat
zeer twistziek was, trok KATTENKNYPER de haren uit, omdat hy zoo dom was
te gelooven dat de vader 'n osch slachtte.
- Ik weet beter, zeide
het. Vader is naar buurman Pieterse gegaan om dien eens flink af te
ranselen.
Het laatste kind verpleegde een lyster die haar pootje had
gebroken, en had hiermee zooveel te doen dat het verzuimde aan 't
raadsel te denken.
Toen nu de vader thuis kwam, bleek er, dat noch
BLAUWBUIS, noch KOEKETER, noch KATTENKNYPER, noch HAARTREKKER goed
gegischt hadden. Maar 't laatste kind had nog niet gesproken.
- Ik
weet het waarlyk niet, zei LYSTERMANNETJE. Zie daar richt zy zich op, en
ziet ons dankbaar aan...
- Juist, riep de vader... dat deed de zieke
weduw die ik bezocht!
Niemand had getroffen. Maar LYSTERMANNETJE was
het naast aan de waarheid, zonder te hebben meegeraden.
Het gebed van den onwetende (1861)Ik weet niet of we zyn geschapen met 'n doel,
Of
maar by toeval daar zyn. Ook niet of een God
Of... Goden zich
vermaken met ons leed, en schimpen
Op de onvolkomenheid van ons
bestaan. Als dit zo waar'
Zou 't vreeselyk zyn! Aan wien de schuld
Dat
zwakken zwak zyn, kranken krank en dommen dom?
Wanneer we zyn
gemaakt met opzet, met 'n doel.
En door onze onvolkomenheid dat niet
bereiken...
Dan valt de blaam van al 't verkeerde op ons niet,
Op
't
maaksel niet... maar op den
Maker ! Noem hem ZEUS,
Of
JUPITER, JEHOVAH, BAAL, DJAU... om 't even:
Hy is er niet, of hy
moet GOED zyn, en vergeven,
Dat wy hem niet begrypen. 't Stond aan
hem
Zich te openbaren, en dit deed hy
niet ! Had hy 't gedaan,
Hy
hadde 't zoo gedaan, dat niemand twyflen kon,
Dat ieder zeide: ik
ken hem, voel hem, en versta hem.
Wat anderen nu beweren van dien
God te weten,
Baat
my niet. Ik versta hem
niet ! Ik
vraag waarom
Hy zich aan anderen openbaarde, en niet aan my?
Is 't
eene kind den vader meer naby dan 't andre?
Zoolang een menschenzoon
dien God niet kent,
Zoolang is 't laster te geloven aan dien God!
't
Kind dat vergeefs den vader aanroept doet geen kwaad...
De vader die
vergeefs zyn kind laat roepen, handelt wreed.
En schooner is 't
geloof: daar is
geen vader,
Dan dat hy doof zou zyn voor z'n
kind!
Misschien zyn we eenmaal wyzer! Eens misschien
Zien we
in dat Hy er is. dat Hy ons gadesloeg,
En dat z'n zwygen oorzaak had,
en grond. Welnu,
Zoodra wy 't
weten, is de tyd van
loven daar,
Maar
eerder niet...
thans niet! 't Zou God verdrieten,
Te
ontwaren dat we hem aanbaden zonder grond,
En dwaasheid is 't, de
donkere onwetendheid van heden
Te willen helder maken met een
licht... dat nog niet schynt.
Hem
dienen ? Dwaasheid : Had
Hy dienst begeerd,
Hy hadde ons geopenbaard op
welke wys,En
ongerymd is 't, dat Hy van den mensch verwacht:
Aanbidding, dienst
en lof... terwyl Hyzelf
Omtrent de wyze
hoe, ons in 't
onzekere liet.
Wanneer wy God niet dienen naar zyn zin...
Dan is
't
Zyn schuld,
Zyn schuld, en onze schuld is 't NIET!
Intusschen
- tot we wyzer zyn - is goed en kwaad dan een?
Ik zie niet in
waartoe een God ons dient, in 't scheiden
Van 't booze en 't goede.
Integendeel! Wie 't goede doet
Opdat een God hem loonen zou, maakt
juist daardoor
Het goede tot iets kwaads, tot handel. En wie boosheid
vliedt,
Uit vrees voor de ongenade van dien God is... laf!
Ik
ken u niet, o God! Ik riep U aan, ik zocht,
Ik smeekte om antwoord,
en Gy zweegt! Ik wou zo graag
Uw wil doen... niet uit vrees voor
straf, uit hoop op loon,
Maar zoals 't kind den wil zyns vader
doet... uit liefde!
Gy zweegt... en alty zweegt Ge!
En ik dool
rond, en hyg
Naar 't uur, waarop ik weten zal dat Gy bestaat...
Dan
zal ik vragen: "Vader, waarom nu voor 't eerst
Uw kind getoond dat
het een vader had,
En dat het niet alleen stond in den stryd,
Of
waart Ge er zeker van, dat ik Uw wil zou doen
Ook zonder dien te
kennen? Dat ik, onbewust
Van uw bestaan, U dienen zou, zoals Ge wilt
gediend?
Zou 't waar zyn?
Antwoord, Vader, als Ge daar zyt,
antwoord !
Laat niet Uw kind vertwyflen, Vader! Blyf niet stom
Op
't bloedig afgeperst
lama sabacthani !Zo kermt de
onwetende aan z'n zelfgekozen kruis,
En krimpt van pyn, en jammert
dat hem dorst...
De wyze - hy die wel weet... wel God kent -
bespot den dwaas,
En rykt hem gal, en jubelt: "hoor, hy roept z'n
vader!"
En prevelt:
"dank, o Heer, dat ik niet ben als hy!"En
zingt 'n psalm:
"welzalig hy die in der boozen raad
Niet zit, en
niet op 't vuile pad der zondaars gaat...De wyze...sluipt
ter-beurse, en schachert integralen.
De vader zwygt....o God, er
is geen God!
's-Hage, 26 Februari 1861.
uit
Ideeën I, 1862:
1Misschien is niets
geheel waar, en zelfs dàt niet.
16Als ik 't woord
"ziel" noem, doe ik dat bij wijze van spreken. Als ik iets stel
tegenover stof, doe ik dat bij wijze van spreken. Als ik zeg: God, doe
ik dat by wyze van spreken.
Want ik weet niet wie God is. Ik weet
niet wat ziel is. En wat er is buiten stof, weet ik niet.
17Ik
weet zeer weinig. En 't smart me zóó, dat ik waarlijk geloof aanspraak
te hebben op meer. En daarom wou ik zoo graag onsterfelijk wezen.
―
Juist, zeggen zij die onsterfelijkgeleerdheid maakten tot een beroep,
juist dat verlangen is een bewijs voor uwe onsterfelijkheid...
― Ei,
ik heb vurig verlangd naar véél zaken die toch...
― Misschien waren
ze niet goed voor u...
― Dat is zoo. Als ik nu maar zeker was dat de
onsterfelijkheid goed voor me wezen zou.
18Eens
vooral, het woordjen is gebruik ik tot verkorting van: "zou misschien,
als ik me niet bedrieg, en u waarschuwende tegen m'n neiging tot
scheefzien, kunnen wezen."
't Is mijn plicht u dit te zeggen.
Maar
uw plicht is te zorgen dat ge uw eigen neiging tot scheefzien niet
vergeet.
19Wanneer ik heden iets beweer dat me morgen
anders toeschijnt, zal ik u dat zeggen vóór overmorgen. Ja, ik zal eene
teekening die me onjuist voorkomt, uitwisschen met meer spoed dan ik
maakte in 't teekenen.
20Het kost me niet de minste
moeite eene dwaling te erkennen. Ja zelfs, vaak doe ik 't gaarne. Maar
dat is waarachtig hoogmoed.
21Wie veel gedwaald heeft,
kan 't best den weg weten. Ik zeg niet dat veel dwalen noodig is om den
weg te weten. Noch dat ieder die veel gedwaald heeft, den weg weet.
23
― Gij spreekt veel over uzelf. Dat is tegen den toon...
― 'k Weet al. Maar 't is niet tegen den toon der wijsbegeerte. By 't
"cogito ergo sum" wordt "ikzelf" tweemaal gebruikt in drie woorden
27
― Gij spreekt veel over uzelf.
― Ja... ik ben mijn laatste liefde. Ik had lang en veel en vurig bemind
voor
die liefde geboren werd. Maar nu ze er eenmaal
is...
en de laatste!...
Uit
Ideeën van Multatuli, eerste bundel, Querido, Amsterdam 1985:
92Wat leert men daaruit? Ik heb u niets te leren. ...
94Iets kan maar éénmaal geschieden. Iets kan worden opgevat, overgebracht, verhaald, beschreven, op
oneindig veel wyzen. Daarom:
leugen : waarheid = oneindigheid : één.'t Is mogelykk dat iets
niet geschied is. Toch kan 't worden verzonnen, overgebracht, verhaald, beschreven, op oneindig veel wyzen. Dan is 't nog erger:
l : w = oneindigheid : nulDie verhoudingen zyn om van te schrikken. ...
96Zoek m'n slaapmuts, zei ik tot twee bedienden. Een uur later vroeg ik: 'Welnu, waar is m'n slaapmuts?'
De een zei: 'Meester ik heb gezocht en niet gevonden. Ik weet niet waar uw slaapmuts is.'
De ander: 'Meester, ik heb niet gezocht en niet gevonden. Ik weet niet waar uw slaapmuts is.'
Ik had dus twee bedienden die
niet wisten. Maar ik maakte onderscheid tussen 't niet-weten van de een, en 't niet-weten van de ander. Men moet
zoeken naar z'n verloren slaapmuts. En wie 't zoeken heeft verzuimd, mag niet met ongegronde aanhaling van Sokrates, zyn niet-weten opgeven als hoogste wetenschap. Ik wou dat Sokrates dat niet gezegd had. Hy heeft er niet aan gedacht hoe 't zou gebruikt worden.
100Waar ge een individu hoort spreken over principes... wees voorzichtig.
Waar ge een staatsman hoort spreken over systemen... wees voorzichtig.
Waar ge een godgeleerde hoort spreken over dogmen... wees voorzichtig.
144Er bestaat aantrekklykheid in dwaling, en in ons gemoed iets wat we noemen kunnen:
horror vacui. Gewoonlyk geven we geen dwaling op, zonder daarvoor wel en deugdelyk 'n andere dwaling in de plaats te hebben gekregen.
153Vooruitgaan? Wie is de verwaande dwaas die dat woord heeft uitgevonden. Zeker had hy geen kinderen. Anders zouden die hem geleerd hebben hoe weinig hy wist. Ja, 't is de vraag of 't weinige dat we meer weten dan 'n kind, opweegt tegen de meerdere onwaarheid die we opdeden, en dus als debet-posten behoren te worden afgetrokken van 't saldo onzer hogere wetenschap.
166... De Natuur is
alles, en: alles is
natuurlyk. Waar 't ons gegeven is de volgorde van de logika der feiten nategaan, erkennen we dat natuurlijke, die
Noodzakelykheid. Waar die volgorde ons niet duidelyk is - omdat we zo weinig weten - denken we aan 'n God.
Geloof is alzo 'n opgedrongen surrogaat voor
kennis. Ook de ongelovige weet weinig, maar hy komt er voor uit, en maakt geen aanspraak op wysheid, door alle mysteriën optelossen met 'n klank die zelf 'n mysterie is. Wie aan 'n God gelooft verklaart alles door het terugtebrengen tot die God. Dit opzichzelf zou gegrond zyn, maar... 'wy begrypen Hem niet' zeggen ze er by. Het ophelderingsmotief is alzo 'n duisterheid.
Quod absurdum.Reeds elders maakte ik de opmerking dat in de mond der gelovers, het woord god, gewoonlyk de plaats bekleedt van
niemand of
niemendal. 'God weet het' is: niemand weet het. 'By God alleen is genade, hulp' enz. beduidt: er is géén hoop op hulp of genade. 'God vergeve het u!' is synoniem met: uw misdaad is ónvergeeflijk. 'Om godswil!' heeft de betekenis van
gratis, enz. Die verraderlyke
taal!168Al wat geschiedt is 't produkt van
alle voorafgaande faktoren. Het getal dier faktoren is oneindig, wyl 't bestaat uit
alle feiten. Als Caesar niet in Gallië was gevallen, schreef ik dit
idee niet.
Waar wy zeggen:
Oorzaak, bedoelen wy de faktor die door meerder grootte of nabyheid ons 't meest in 't oog valt. ... Zodra
iets anders ware dan 't is, zou terstond álles anders zyn, of liever: alles zou niet-zyn. ...
175Er is slechts één mysterie: het
zyn. Al het overige volgt vanzelf uit de
eigenschappen van het zyn.En nog is die mysterie niet zó diep als het tegendeel wezen zoude. Denk eens na over die ongerymdheid van:
niet-zyn!
Otten, Willem Jan
titels origineel
uit
Gerichte gedichten, 2011:
Hoeveel weet ik van uZoveel als het zoontje
dat ligt in het gedicht en wijst naar de wolken
weet van de dichter
die naast hem ligt
Zoveel als de peuter
die voor het eerst voor een spiegel staat
weet van de peuter
die daar voor hem staat
Zoveel als de veroordeelde
die in zijn celmuur klopsignalen hoort
weet van zijn buurman
Zoveel als de vrouw
die door de doptone het hartje niet hoort kloppen
weet van haar ongeborene
Zoveel als de oude koning
op de dag van zijn troonsafstand
weet van zijn liefste laatste dochter
die niet zegt wat hij horen wil
Zoveel als Penelope
op het punt staande zichzelf weg te geven
weet van de zwerende
onbekende zwerver aan haar hof
Zoveel als een explosievenzelfmoordenaar
in de metrocoupé
weet van het roodharige meisje met de koortslip
dat zijn oogopslag niet zoekt
Zoveel als de enige zoon
na het vallen van het mes
weet van de kermende vader
die hem leek te zullen kelen
Zoveel
en nog wel meer
heb ik van u geweten
Ik wist van u kortom heel veel
zij het altijd nog minder dan de kerkvader
toen die in zijn Belijdenisen schreef
dat als u tegenover hem kwam zitten
daar recht tegenover hem
hij u zou vragen wanneer u kwam.
uit
Het ruim, 1976:
De dichter duikt
Voorbij. Geen vorm zo uitgebalanceerd
of hij verdwijnt, geen plons zo elegant
of hij vergaat, in kringen onbestemd.
Een salto telt zolang de plank nog trilt,
zolang het meisje op de rand van het bassin
me ziet, hoe ik mijn haren schud.
Pink Floyd
van het album
Wish You Were Here:Do you think you can tell?So, so you think you can tell
Heaven from Hell,
Blue skys from pain?
Can you tell a green field
From a cold steel rail?
A smile from a veil?
Do you think you can tell?
Rilke, Rainer Maria
uit
De
zachte wet, Gedichten van Rainer Maria Rilke, vertaald door Piet
Thomas,1981:
In kringen rond God, de oeroude burcht,
beweeg ik
mij zwevend al eeuwen lang,
niet wetend: ben ik een valk, het
gerucht
van een storm of een verheven gezang.
(fragment van een
titelloos gedicht, p7)
Het lied van de bedelaar'k Ga
steeds van poort tot poort,
verregend en verbrand.
Leg ik dan
plots mijn rechteroor
binnen mijn rechterhand,
dan komt mijn stem
me voor
als had ik ze nooit gehoord.
En 'k weet niet zeker wie
daar roept.
Is het een ander of ben ik het weer?
Ik roep reeds om
een kleinigheid.
De dichters roepen om meer.
Eindelijk dek ik
't aangezicht
met beide ogen toe.
En op mijn hand weegt dit
gewicht
haast kalm en als gesust.
Denk dan maar niet te licht:
niets
heeft hij waar zijn hoofd op rust.
(gehele gedicht, titel origineel,
p 31)
Schierbeek, Bert
uit
De zichtbare ruimte: gedichten, Bert Schierbeek, 1993
Onbegrepen vleugelswat zingt
een vogel alleen
in zoveel lucht
van wind en veren
en onbegrepen vleugels (fragment, p43)
Nagebootstnog voor het woord
bestond
ongevraagd
antwoord geleerd
en nagebootst (69)
Alsof dat hielpook toen hij opstond
en keek in het niets
dat te groot was voor hem
en hij er in viel
neerstortte in het niets
dat hem te groot was
ook toen stond hij
met een schild in
de hand alsof dat hielp (93)
Denkbeeldige streepbuiten alle
maten om
neemt het oog
de horizon
een streep
terwijl je beter weet
er is geen horizon
maar buiten alle maten om
meet het oog
een horizon
denkbeeldige streep (103)
Wat is eigenvaag loopt er nu
een man uit zijn
eigen beeld en
vraagt zich af
wat is eigen (116)
Shakespeare
Niets is of goed, of slecht, maar wordt dat door het denken. (Hamlet)
Toorn, Willem van
uit
Landschap voor een dode meneer, 1968
titel origineel
AvondAdemloos thuisgekomen
zet ik gauw een gezin
overeind in mijn ogen,
alles op ware grootte:
de vrouw een mens, het kind
verder, dus kleiner, maar even
troostend gevuld met leven.
Een verwonderd deelnemen
richt zich op en duurt even.
Tot het huis volspringt met hoeken
waaromheen juist nog benen
of handen van deze en gene
verdwijnen. Om uit te zoeken
hoe het gebeurt proberen
wij de film stil te zetten,
maar deuren naar alle vertrekken
blijven ons wegscharnieren.
Het kind mag er niets van weten.
Gewoon aan tafel gaan, eten.
Verhelst, Peter
titels origineel
uit
Zoo van het denken, Prometheus 2011, Amsterdam:
[geen titel]
Dit is alles
wat je dacht
te weten
en dat is waar
het op aankomt.
Er is geen plek
zoals thuis. En dat
is thuis.
(p73)
16 december (limbisch)Er zijn niet langer betrouwbare nachten. Niemand staat op het ijs op ons
te wachten en toch horen we een zachte stem. Wie we zijn,
fluistert hij, wie we denken dat we zijn?
Hij kijkt me aan.
Hij draait me om mijn as,
komt tegen mijn rug staan ademen.
In de berg licht het blauw fosforescerende hart op
waar vogels en kleine dieren bevroren in hangen. Het is geen droom
maar een nieuwe fictie van iets prehistorisch - we zijn ervan
overtuigd dat formules van onze tijds- en ruimtebeleving
in deze stille roerloosheid zitten
te wachten tot we dicht genoeg gekomen zijn om zich
door ons voorhoofd te boren. Naalddunne tong
door het prosenencephalon, mesencephalon, rhombencephalon,
door het achterhoofd heen. Door het voorhoofd
van wie achter ons staat. Een kralenketting van schedels.
Hij draait me om mijn as.
We kijken elkaar aan
- hij is mijn spiegelbeeld -
keren elkaar de rug toe,
lossen op in de sneeuwstorm.
Wie we wel denken dat ze zijn?
De echte reis moet nog beginnen en we raken elkaar al aan elkaar kwijt
en daarom zingen wij 's nachts met dat ons vreemde, naalddunne stemmetje.
(93)
30 - 31 december (choreografie)Wie die willen, wij die alles willen en alles hebben, als eersten, denken wij
die dachten als eersten ooit het onbekende, het ongeziene, het onnoemlijke, wij
die dromen van de eerste stap op het ongerepte, wij die zo graag dromen,
die ons op weg wanen naar het beloofde, wij die ervan uitgaan, ons een weg
banen, die ons een weg hakken, die ons één voor één weghakken, wij die voor zeker
aannemen, geen tegenspraak, geen twijfel, niet de kleinste aarzeling, wij die twijfel
toelaten, glimlachend, wij die lachen om de gedachte alleen al, wij die die gedachte
als een glas in de hand houden, de hand ballen tot een vuist, wij die u in de ogen kijken,
de vuist dichtknijpen, het glas in het rond spattend, wij die u in de ogen blijven kijken,
het bloed over de vuist, u die terugkijkt, terugbloedt, wij die u blijven aankijken
in uw slaap, wij de hoopgevenden, wij
die ooit zouden, wij die de nieuwste zonde, het nieuwste gif, wij die de stilte, de grote,
witte, nietsontziende, onbegrijpelijke, allerlaatste stilte, wij die fluiten in de stilte
als kristallen glazen, die fluiten naar de maan tot de maan en de zon en geen sterren meer,
alleen wij, tot er geen schaduw meer, geen voetafdruk, geen adempluim, geen echo, wij
die in uw hoofd verdwalen in ons hoofd, geen sporen meer, geen voorraden meer
- hoe meer we zoeken, des te verlorener we lijken - tot we plots, de arm uitgestrekt,
verblind door de sneeuw, de handpalm open, de handpalm tegen uw gezicht tot stilstand,
wij die oog in oog met u staan, u met ons, ons hoofd in uw hoofd, u die een arm
op onze schouder legt, wij die onze schouder in uw oksel schuiven, u die op ons leunt,
wij die u over onze schouder gooien, of springt u, u die ons in uw val meesleurt, of is het
een sprong, ons overeind trekt, de berg op sleurt, een bal van sneeuw en vlees, de berg op.
Op de bergtop gekomen rollen we van de berg een nieuwe berg op. En af. Misschien
om op het ogenblik dat u ons overeind trekt één seconde oog in oog met u te staan
en u te herkennen, willens nillens, als de man die we niet, die we nooit, die we nooit meer
in de spiegel van ijs zullen herkennen als de man die ons ooit, ooit, al was het maar die ene seconde. (105)
31 december (vooravond)Het ijs staat in bloei.
We staan hand in hand als een samenzwering van het collectieve geheugen.
Zo graag laten we ons meeslepen
door iets wat groter is,
waardoor we niet zien
hoe tussen de gespleten rotsen een man naar beneden komt
met twee stenen tafelen in zijn handen.
Maar het is geen man. Ik ben het zelf.
Iedereen ziet zichzelf van de berg komen.
Het zijn geen stenen tafelen maar ijsklompjes.
De twee helften
van mijn hersenen.
31 december (choreografie 2 / oudejaarsavond)Wat we vinden is niet wat we hadden gedacht
te zoeken en wat we zoeken nooit wat ons zal vinden, maar niets
kan ons tegenhouden. Hier staan we en hier blijven we,
neus aan neus met een denkbeeldige
spiegel tussen ons in, de vloeibare kern
zijn we van de beweging: deeltjes
van een in zichzelf onophoudelijk tollende magneet.
We zijn niet alleen
in deze ondoorgrondelijke stilte. We houden van elkaar
de handpalmen op de oorschelpen. De duimen leggen we op de oogleden
en we duwen voorzichtig, voorzichtig. Alleen als we genoeg duwen, begint in het hart
van onze stilte een met diamanten bezaaide poolnacht te pulseren.
(107)
Wilmink, Willem
uit
Goejanverwellesluis, 1971
titel origineel
Vadervader kocht ooit
een verzameld werk:
een bundel gedichten
van degelijk merk.
bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken.
bij tijd en wijle
herlees ik die
zeer summiere
biografie:
in een code
van strepen en stippen
steeg het water
hem naar de lippen.
Winkler, Kees
uit
Gedichten, 1972
titel origineel
ImpromptuIn het Bosplan
op de speelwei
zaten wij
gedachteloos
Op de vijver
voeren kano's
in de koepel
zaten mensen
Ik vroeg aan Judy
waar wij heengaan
maar zij wist het
evenmin