Verlichting voor dummy's >
Het leven > Liefde
Deze pagina: Dwaalteksten over (eigen)liefde, (zelf)haat en onverschilligheid.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Minder wel
Leerling: Waarom weet ik niet wat liefde
is?
Meester: Hou je dan helemaal nergens van?
Leerling: Jawel, maar...
Meester: Meer valt er niet te weten.
De
leerling staat perplex.
Langzaam wordt zijn gezicht helemaal zacht.
De meester knipoogt en zegt: Minder wel.
Wat je bent
Leerling: Waarom weet ik niet wat liefde is?
Meester: Nou?
Leerling: Omdat ik liefde bén!
Meester: Waarom weet ík niet wat liefde is?
Leerling: Nou?
Meester: Omdat ik niet-weten ben.
Meester: Waarom weet ik wat liefde is?
Leerling: Nou?
Meester: Omdat ik niet-weten ben.
Leerling: Waarom weet ik wat liefde is?
Meester: Nou?
Leerling: Omdat ik niet-weten ben!
Meester: Zeker weten?
Niets voor niets
Meester: Waarom weet ik wat liefde is?
Leerling: Nou?
Meester: Omdat ik weet wat haat is.
Meester: Waarom weet ik niet wat haat is?
Leerling: Nou?
Meester: Omdat ik niet weet wat liefde is.
Waar, onwaar, handelswaar
Leerling: Wat is
liefde volgens u?
Meester: Daar vraag je me wat.
Leerling: Waarin onderscheid liefde zich van aanverwante zaken?
Meester: Eh...
Leerling: Is liefde niet het allerbelangrijkste wat er is?
Meester: Jeetje.
Leerling: Bent u het er althans mee eens dat liefde de hoogste waarheid is?
Meester: Hoog, laag, wat maakt het uit.
Leerling: Als het maar waar is!
Meester: Waar, onwaar, handelswaar...
Leerling: Is liefde inderdaad ons oorspronkelijke gezicht?
Meester: Tja.
Leerling: Nou weet ik nog niet wat liefde is!
Meester: Dan noem je dat toch liefde.
Wie zal het zeggen
Meester: Wat is liefde?
Leerling: Liefde is vorm van eigenbelang.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een kwestie van hormonen en feromonen.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een epifenomeen van de materie.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is lust.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een evolutionair principe.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een kwestie van pikorde.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een samenlevingsvorm met wederzijds voordeel.
Meester: Symbiose bedoel je?
Leerling: Inderdaad.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is de hoeksteen van de beschaving.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is de oorzaak van eenzaamheid.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Eenzaamheid is de oorzaak van liefde.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een vorm van hysterie.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een soort psychose.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is puur projectie.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is introjectie.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een gevoel.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een houding.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is mijn ware aard.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een keuze.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is volledige overgave.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een weg.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is dé weg.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is het doel.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is de bron.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een expressie van het goddelijke.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is de hoogste waarheid.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde maakt blind.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is de kwintessens van het levensprincipe.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is totale openheid.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is dit alles en nog veel meer.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is niets van dit alles.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Alles is liefde!
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is onzegbaar.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is een concept.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is niet weten wat liefde is.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde is niet weten.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Liefde ís.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Maar wat is liefde nou echt?
Meester: Wat is echt?
Leerling: Liefde is alles in het midden laten!
Meester: Zo kun je dat zien.
Tenzij
Leerling: Wat is liefde?
De meester
haalt zijn schouders op.
Leerling: Hoe herken je de liefde?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Bedoelt u dat u het niet weet?
De meester haalt
zijn schouders op.
Leerling: Bedoelt u dat het er niet toe
doet?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Bedoelt u dat je het beter niet kunt weten?
De meester haalt zijn
schouders op.
Leerling: Is liefde dan niet het mooiste wat er
bestaat?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou
weet ik nog niks!
Meester: Tenzij dat liefde is.
Leerling: En, is dat liefde?
De meester haalt zijn schouders op.
Onder ogen zien
Leerling: Wat is liefde?
Meester: Haat onder ogen zien.
Leerling: Wat is haat?
Meester: Niet onder ogen zien.
Leerling: Dus...
Meester: Ik hoor de raderen knarsen...
Leerling: Dus liefde is het niet onder ogen zien onder
ogen zien?
Meester: Maar nou lijkt het net of je daar iets
over te zeggen hebt.
Leerling: Wilt u zeggen van niet?
Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.
Leerling: En
als ik het niet onder ogen zien nou niet onder ogen kan zien?
Meester: Dan zie je dát toch onder ogen.
Leerling: En als dat ook niet lukt?
Meester: Dan leg je je dáárbij
neer.
Leerling: Enzovoort?
Meester: Nou, vóórt...
Leerling: Ik snap er geen hout van.
Meester: Noem het dan maar liefde.
Poef
Leerling: Wat is liefde?
Meester: Een gedachte.
Leerling: Maar die is zo voorbij!
Meester: Sneller dan je lief is.
Leerling: Ik dacht dat liefde iets blijvends was.
Meester: Wat voor iets?
Leerling: Het kennen. Het bewustzijn. Het gewaarzijn. De ruimte waarin alles verschijnt en verdwijnt. Een staat van zijn. Het zijn zelf van het zijnde. Je ware ik. Het allerhoogste. Het ene. De waarheid. God. Zoiets.
Meester: Allemaal gedachten.
Leerling: Behalve degene die of datgene wat deze gedachten denkt.
Meester: Alweer een gedachte.
Leerling: Wat is een gedachte?
Meester: Tja.
Leerling: Nou?
Meester: Een
eendagsvlieg?
Leerling: Ach.
Meester: Maar dan
vluchtiger.
Leerling: Een secondenvlieg.
De meester moet lachen.
Leerling: Maar een gedachte drukt
toch een bepaald weten uit?
Meester: Dat denk jij.
Leerling: Wat zou een gedachte anders moeten uitdrukken?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester: Zichzelf?
De
leerling schudt het hoofd en zwijgt.
Meester: Diepe frons!
Leerling: Wat is iets als er niet aan gedacht wordt?
Meester: Dan is het niet.
Leerling: Denkt u dat werkelijk?
Meester: Misschien een paar seconden.
Leerling: En dan?
Meester: Poef!
Leerling: Poef?
Meester: Weg gedachte.
Leerling: Net zo makkelijk?
Meester: Gaat helemaal vanzelf.
Leerling: Geldt dat ook voor de gedachte dat liefde
een voorbijgaande gedachte is?
Meester: Uiteraard.
Leerling: En dan?
Meester: Dan zijn we daar ook weer van
verlost.
Leerling: Een pak van mijn hart.
Meester: Waarom?
Leerling: Dan is er alsnog ruimte voor ware liefde.
Meester: Poef!
Liefde voor het leven
Meester: Wat is liefde voor het leven?
Leerling: Willen wat het leven wil - wat het ook is.
Meester: En als het leven haat wil?
Liefde voor de ander
Meester: Wat is liefde voor een ander?
Leerling: Willen wat de ander wil - wat het ook is.
Meester: Wat is liefde voor jezelf?
Leerling: Willen wat je zelf wilt - wat het ook is.
Meester: En als jullie nou wat anders willen?
Het beste
Meester: Wat is liefde?
Leerling: Het beste met iemand voorhebben.
Meester: En als je nou niet weet wat
het beste is?
Meester: Wat is liefde?
Leerling: Niet weten wat het beste is voor iemand.
Meester: Waarom noem je dat liefde?
Leerling: Omdat...
Meester: Nou?
Leerling: Dat het beste is?
Dat dan weer wel
Meester: Wat is liefde?
Leerling: Niet weten wat liefde is.
Meester: Maar dat weet je dan weer wel?
What's in a name
Meester: Wat is liefde?
Leerling: Zelfs niet weten of je niet weet wat liefde is.
Meester: Dat zou best eens kunnen...
Leerling: Dank u wel, meester!
Meester: Maar waarom noem je het dan nog liefde?
Het toppunt
Leerling: Ik wil
van mezelf leren houden.
Meester: Eerst een zelf bedenken en er dan nog van willen houden ook.
Donders goed
Leerling: Ik wil van mezelf leren houden.
Meester: Eerst maar eens een zelf zien te vinden.
Leerling: Ik weet donders goed wie ik ben!
Meester: Dan zal dat het
probleem wel zijn.
Onvoorwaardelijk
Leerling: Ik wil van mezelf leren houden.
Meester: Ook als iemand die zichzelf soms haat?
Leerling: Nee, als iemand die altijd van zichzelf houdt.
Meester: Dus je wilt jezelf veranderen.
Leerling: Stom hè.
Meester: Hoezo?
Leerling: Ware liefde is immers onvoorwaardelijk.
Meester: Gaan
we nog voorwaarden stellen ook?
Onvoorwaardelijker
Leerling: Wat is onvoorwaardelijke liefde?
Meester: Niet weten wat liefde is.
Leerling: Alweer geen antwoord.
Meester: Onvoorwaardelijker kan niet.
Op geen enkele manier
Leerling: Ik mag er niet zijn.
Meester: Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.
Leerling: Ik mag er zijn.
Meester: Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.
Leerling: Basta met wel en niet mogen zijn!
Meester: Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.
Leerling: Niets valt te onderbouwen!
Meester: Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.
Aan de andere kant...
De ene leerling zegt tegen de andere: Je mag er zijn.
Meester: Wie ben jij om een ander toestemming te verlenen?
Leerling: Ik bedoel alleen maar dat iedereen bij zijn geboorte een vrijkaart voor het leven krijgt.
Meester: Hoe zit het dan met misgeboorten?
Leerling: Leven is een onvervreemdbaar recht zodra en zolang je leeft.
Meester: Voor sommigen blijkt het een vervreemdbaar recht.
Leerling: Dat is nog steeds een recht.
Meester: Voor anderen blijkt het een onvervreemdbare plicht.
Leerling: Dat is nog steeds een recht.
Meester: Wie of wat verleent dat recht?
Leerling: Er is een instantie groter dan u en ik...
Meester: Ken jij die instantie?
Leerling: Natuurlijk niet.
Meester: Hoe komt dat?
Leerling: Omdat hij groter is dan u en ik.
Meester: Hij of zij?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Hoeveel groter?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat ik zijn of haar grenzen niet ken.
Meester: Ken je zijn of haar inhoud?
Leerling: Niet dat ik weet.
Meester: Ben je zeker van zijn of haar bestaan?
Leerling: Eigenlijk niet.
Meester: Of niet-bestaan?
Leerling: Eigenlijk niet.
Meester: Wat weet je eigenlijk wel van die instantie?
Leerling: Eigenlijk niets.
Meester: Is dat de essentie ervan?
Leerling: Wat?
Meester: Onkenbaarheid?
Leerling: Eh...
Meester: Bedoel je dat je eigenlijk uit je nek zwamt?
Leerling: Dat is te zeggen...
Meester: Nou?
Leerling: Eigenlijk wel.
Meester: Wie niet.
Leerling: U geeft het tenminste toe.
Meester: Wat.
Leerling: Dat u uit uw nek zwamt.
Meester: Wat weet ik daarvan?
Leerling: Maar dat heeft u net zelf gezegd!
Meester: Wat heb ik dan gezegd?
Leerling: Toen ik toegaf dat ik uit mijn nek zwam, zei u: "Wie niet."
Meester: Een vraag is toch geen conclusie?
De leerling begint te huilen.
Meester: Wat is er?
Leerling: Ik doe voortdurend alsof.
Meester: Alsof wat?
Leerling: Alsof ik iets weet.
Meester: Mag dat er soms niet zijn?
Leerling: Wat?
Meester: Nou?
Leerling: Waarom ook niet!
Meester: Aan de andere kant...
De verlosser
Leerling: Iedereen mag er zijn!
Meester: Zonder meer?
Leerling: Zonder meer!
Meester: Ook degenen die dat niet vinden?
Leerling: Die moeten natuurlijk wel eerst verlost worden.
Meester: Waarvan?
Leerling: Van hun onhebbelijkheid.
Meester: Ze moeten eerst veranderen?
Leerling: Voor hun eigen bestwil.
Meester: Dan mogen ze er niet zijn.
Leerling: Iedereen mag er zijn!
Meester: Zonder meer?
Leerling: Zonder meer!
Meester: Ook degenen die dat niet van zichzelf vinden?
Leerling: Die moeten natuurlijk wel eerst verlost worden.
Meester: Waarvan?
Leerling: Van hun zelfhaat.
Meester: Ze moeten eerst veranderen?
Leerling: Voor hun eigen bestwil.
Meester: Dan mogen ze er niet zijn.
Standpunten
Leerling: Ik ben het leven niet waardig.
Meester: Wat dat aangaat zijn er wel tienduizend standpunten mogelijk.
Leerling: Ik ken er anders maar één.
Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.
Leerling: Welke zijn er dan nog meer?
Meester: Dat alleen gezonde mensen het leven waardig zijn. Dat alleen slimme mensen het leven waardig zijn. Dat
alleen ariërs of Israëlieten of Roma of indianen of negers of agrariërs
of stedelingen het leven waardig zijn. Dat alleen edelen of arbeiders of
rijkaards of vrijdenkers of christenen of moslims of boeddhisten of
Hutu's of Tutsi's of ajacieden of fyenoorders het leven waardig zijn.
Dat alleen filantropen of kinderen of ouden van dagen of harde werkers
of levensgenieters of dieren of aliens het leven waardig zijn. Dat alleen ik het leven waardig ben. Dat alleen anderen het leven waardig zijn. Dat
iedereen het leven waardig is. Dat niemand het leven waardig is. Dat je
het soms wel waardig bent en soms niet. Dat je het tegelijk waardig en
onwaardig bent, of waardig noch onwaardig. Dat waardig een onwaardige
term is. Enzovoort, enzovoort: je kunt het zo gek niet bedenken of
iemand vindt het wel.
Leerling: Nou u het zegt.
Meester: Maar ook als ik het niet zeg.
Leerling: Eigenlijk wist ik dat allang.
Meester: Maar je hebt het nog nooit met elkaar in verband gebracht.
Leerling: Nee.
Meester: Vanuit welk standpunt ben jij het leven niet waardig?
Leerling: Ik ben geen productief lid van de maatschappij.
Meester: Werkeloos?
Leerling: Ik haat dat woord.
Meester: Vanuit het standpunt dat je je plekje met werken
moet verdienen is je leven inderdaad niet te rechtvaardigen.
Leerling: Wát?
Meester: Maar hoe rechtvaardig je dat standpunt?
De leerling zwijgt.
Meester: Op welke gronden berust die zienswijze? Nou?
Leerling: Het valt goed te verdedigen dat...
Meester: En op welke gronden berusten die gronden?
De leerling opent zijn mond om iets te zeggen.
Meester: En die?
De ogen van de leerling beginnen te glinsteren en zijn lach wordt steeds breder.
Meester: Standpunten zijn het leven niet waardig.
Triomfantelijk steekt de leerling zijn vuist in de lucht.
Een paar dagen later komen de leerling en de meester elkaar weer tegen tijdens een ommetje.
De leerling steekt zijn vuist in de lucht en roept: Standpunten zijn het leven niet waardig!
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Toch?
Meester: Dat is nog steeds een standpunt.
Wat je zegt
Leerling: Ik ben het leven niet waardig.
Meester: Wie?
Leerling: Ik ben het leven niet waardig.
Meester: Welk leven?
Leerling: Ik ben het leven niet waardig.
Meester: Waardig?
Een begin
Meester: Wat wil je worden?
Leerling: Meester!
Meester: Waarom?
Leerling: Dan zal ik eindelijk het leven waardig zijn.
De meester zwijgt.
Leerling: Toch?
Meester: Als meester zul je het verschil tussen waardig en onwaardig niet meer kennen.
Leerling: Des te beter.
Meester: Noch het verschil tussen beter en slechter.
Leerling: Zolang ik maar geen leerling hoef te zijn.
Meester: Noch het verschil tussen meester en leerling.
Leerling: Maar mijn leven...
Meester: Noch het verschil tussen leven en dood.
Leerling: Maar mijn...
Meester: Noch het verschil tussen mijn en dijn.
Leerling: Zal ik dan niets meer weten?
Meester: Niet eens het verschil tussen weten en niet weten.
Leerling: Maar als ik meester wordt...
Meester: Laat staan het verschil tussen worden en zijn.
Leerling: Dan weet ik niet of ik nog wel meester wil worden.
Meester: Dat is alvast een begin.
Zonder opzicht
Leerling: Ik ben het leven niet waardig.
Meester: En anderen?
Leerling: Die wel.
Meester: In welk opzicht?
Leerling: In welk opzicht dan ook.
Meester: Niemand is het leven waardig in ieder opzicht.
Leerling: Maar ik ben het in geen enkel opzicht.
Meester: Niemand is het leven onwaardig in ieder opzicht.
Leerling: Hoe moet ik het dan zien?
Meester: Wie zegt dat je het moet zien?
Leerling: En als ik het nou toch moet zien?
Meester: Zie het dan maar zonder opzicht.
De stilte of de storm
Leerling: Vindt u dat iedereen er mag zijn?
Meester: Welk standpunt zal ik vandaag eens verkondigen.
Leerling: O, waait de wind uit die hoek.
Meester: Ik zou het eerder windstilte noemen.
De leerling zwijgt.
Meester: Vind jij dat iedereen er mag zijn?
Leerling: Ware liefde heeft...
Meester: O, waait de wind uit die hoek.
Leerling: Plaats voor iedereen!
Meester: Ook voor mensen die dat niet hebben?
De leerling zwijgt.
Meester: Is dit de stilte of de storm?
Als je niets hoefde te zeggen
Leerling: Ik ben het leven niet waardig.
Meester: Wie zou je zijn zonder die gedachte?
Leerling: Gaan we Byron Katie nadoen?
Meester: Wie zou je zijn zonder Byron Katie?
Leerling: Zo ken ik u weer.
Meester: Wie zou je zijn zonder mij?
Leerling: Mezelf.
Meester: Wie is mezelf?
Leerling: Degene die het leven niet waardig is.
Meester: Wie zou je zijn zonder het leven?
Leerling: Wat?
Meester: Vertel me dan maar wie je zou zijn zonder jezelf.
Leerling: Nou moet ik zeker zeggen dat ik zou dansen als een derwisj.
Meester: Wie zou je zijn zonder benen?
Leerling: Geen derwisj.
Meester: Wat dan wel?
Leerling: Nou moet ik zeker zeggen dat ik...
Meester: Wie zou je zijn als je niets hoefde te zeggen?
Leerling: Ik zou het echt niet weten.
Meester: Weet je dat zeker?
De leerling schudt verwonderd zijn hoofd.
Meester: Nou dan.
Schrale troost
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Nou én?
Leerling: Dat betekent dat ik onwaardig ben.
Meester: Als mens?
Leerling: Als mens ja.
Meester: Want anders hielden ze wel van je?
De leerling knikt.
Meester: Dus iedereen heeft gelijk?
De leerling begint te huilen.
Meester: Waarom zou iedereen niet ongelijk hebben?
Leerling: Denkt u dat?
Meester: Ik heb geen idee.
Leerling, snikkend: Noemt u dat troosten?
Meester: Wou je soms de ene leugen vervangen door de andere?
Mond vol tanden
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Nou én?
Leerling: Dat maakt mijn leven zinloos.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Dat is toch zeker zo.
Meester: Wou je zeggen dat het leven zinvol is zodra er iemand
van je houdt?
Leerling: Ja.
Meester: Wat zeg je dan tegen degenen die innig geliefd worden en
het leven toch als zinloos ervaren?
Leerling: Tja.
Meester: Wat zeg je tegen degenen die zich niet geliefd
weten en het leven toch als zinvol ervaren?
Leerling: Tja.
Meester: Nou dan.
Rolverwisseling
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Nou én?
Leerling: Dat betekent ...
Meester: Waarom stop je?
Leerling: Omdat u mij toch weer gaat vragen hoe ik dat weet.
Meester: En vroeger of later moet je toegeven...
Leerling: ... dat ik dat niet weet.
Meester: En daarna zou ik je vragen...
Leerling: ... of dingen überhaupt wel iets betekenen. En
dan zou ik zeggen...
Meester: "Wilt u soms zeggen van niet?" En dan zou ik zeggen...
Leerling: "Ik wil helemaal niets zeggen."
Meester: Hoe weet je dat allemaal?
Leerling: Niet dan?
Meester: Daar zullen we nou nooit meer achter komen.
Toegegeven
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Nou én?
Leerling: Dat weet ik eigenlijk niet.
Meester: Hèhè.
Leerling: Poeh.
Meester: Is dat nou zo moeilijk om toe te geven?
Leerling: Kennelijk.
Meester: Waarom?
Leerling: Het betekent immers...
De meester steekt zijn vinger op.
Leerling, lachend: ... niets.
Meester: Hoe weet je dat?
Dat zien we dan wel weer
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Heb je het
aan iedereen gevraagd?
Leerling: Niet aan iedereen.
Meester: Aan wie dan wel?
Leerling: Aan niemand eigenlijk
Meester: Hoe weet je het dan?
Leerling: Dat weet ik gewoon.
Meester: Weet je het of denk je het?
Leerling: Ik denk het.
Meester: Ben je van plan het te onderzoeken?
Leerling: Ik denk het niet.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Misschien wil ik het wel niet weten.
Meester: Stel dat het niet waar zou zijn, wat dan?
Leerling: Dat zou niet best wezen.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Waar zou ik dan verdrietig over moeten zijn?
Meester: Wie zegt dat je daar een reden voor moet hebben?
Leerling: Misschien kan ik wel niet verdrietig zijn zonder reden.
Meester: Dan maar niet.
Leerling: Maar hoe moet ik me dan voelen?
Meester: Dat zien we dan wel weer.
Betrouwbaar gezelschap
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Ik houd van je.
Leerling: Maar verder niemand.
Meester: Je hond?
Leerling: Maar verder niemand.
Meester: Je moeder?
Leerling: Maar verder niemand.
Meester: Je vader?
Leerling: Die is dood.
Meester: Hield hij niet van je?
Leerling: Maar dat was toen.
Meester: Misschien je buren of buurtgenoten?
Leerling: Dat weet ik niet dus dat telt niet.
Meester: Dus niemand houdt van je.
Leerling: Dat zeg ik toch.
Meester: Je koestert die gedachte, hè?
Leerling: Ik haat die gedachte.
Meester: Maar ze verlaat je nooit?
Leerling: Nooit.
Meester: Betrouwbaar gezelschap in een liefdeloze wereld.
En maar concluderen
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Dat weet je niet.
Leerling: Houden er veel mensen van u?
Meester: Dat weet ik niet.
Leerling: Hoe komt dat?
Meester: Omdat ik niet weet wat liefde is.
Leerling: Heeft u het nog nooit meegemaakt?
Meester: Ik heb van alles meegemaakt.
Leerling: Maar geen liefde?
Meester: Dat weet ik niet.
Leerling: Heeft u nog nooit gekust?
Meester: Dat wel.
Leerling: Heeft u nog nooit lieve woordjes uitgewisseld?
Meester: Dat wel.
Leerling: Heeft nooit iemand zielsgraag bij u willen zijn?
Meester: Dat wel.
Leerling: Nou dan.
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Dat betekent dat er iemand van u hield.
Meester: Waarom zou het iets betekenen?
Leerling: Wilt u soms zeggen dat het niets te betekenen had?
Meester: Waarom zou het niets betekenen?
Leerling: Bedoelt u dat...
Meester: En maar concluderen.
Zeker geleden
Leerling: Niemand houdt van mij.
Meester: Daar weet je niets van.
Leerling: Waarom moet ik de kerstdagen dan weer alleen
doorbrengen?
Meester: Wil jij zeggen dat je weet wat het betekent als je de
kerstdagen alleen moet doorbrengen?
Leerling: Dat niemand van je houdt natuurlijk!
Meester: En de mensen die de kerstdagen wel samen doorbrengen?
Leerling: Die houden van elkaar.
Meester: Zeker lang geen kerst gevierd.
Tweede kerst
Leerling: Alweer een eenzame kerst.
Meester: Waarom klaag je nooit over eenzaamheid op gewone dagen?
Leerling: Omdat ik het dan niet zo sterk voel.
Meester: Wat is het verschil tussen alleen zijn op 25 juni en
alleen zijn op 25 december?
Leerling: Een half jaar.
Meester: Maar dat kan het niet zijn.
Leerling: Met kerst kruipt iedereen bij elkaar.
Meester: Je moest eens weten hoeveel mensen op 25 juni bij elkaar
kruipen.
Leerling: Ja, hou maar op.
Meester: Hoezo?
Leerling: Straks ga ik me op 25 juni ook nog eenzaam voelen.
Tussen je oren
Een leerling zei: Alweer een eenzame kerst.
De leerling naast hem tikte met zijn vinger tegen zijn slaap.
De eerste leerling zei: Wat?
De tweede zei:
Eenzaamheid zit tussen je oren.
De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap.
De tweede leerling zei: Wat?
De meester zei: Het idee dat het tussen je oren zit ook.
Een bijdehante leerling tikte met zijn vinger tegen zijn slaap.
De meester zei: Wat?
De leerling zei: Het idee dat het idee dat eenzaamheid tussen je oren zit tussen je oren zit ook.
De meester zei: Geloof je dat nou echt?
Ziet u
nou wel
Leerling: Waarom heeft u zo'n hekel aan mij?
Meester: Ik heb helemaal geen hekel aan jou.
Leerling: Waarom doet u dan alsof?
Meester: Ik doe helemaal niet alsof!
Leerling: Ziet u wel!
Onvoorwaardelijk genoeg?
Leerling: Is niet weten onvoorwaardelijke liefde?
Meester: Dat weet ik niet.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat ik niet weet wat onvoorwaardelijke liefde is.
Leerling: O.
Meester: Bovendien weet ik niet wat niet weten is.
Leerling: Ook niet?
Meester: Hoe zou ik ze dus kunnen vergelijken?
Leerling: Betekent niet weten dan niet dat er overal ruimte voor is?
Meester: Zo je wilt.
Leerling: Zou je "overal ruimte voor" niet kunnen vertalen als "onvoorwaardelijke liefde"?
Meester: Zo je wilt.
Leerling: Maar?
Meester: Weet wel dat er in niet weten ook ruimte is voor haat.
Leerling: Ai.
Meester: En voor bekrompenheid.
Leerling: Au.
Meester: En voor onverschilligheid.
Leerling: Oei.
Meester: Maar ook voor het haten van de haat.
Leerling: O gelukkig!
Meester: En voor het veroordelen van bekrompenheid.
Leerling: Fijn!
Meester: En voor verontwaardiging over onverschilligheid.
Leerling: Een pak van mijn hart!
Meester: Onvoorwaardelijk genoeg?
Leerling: Dat wel...
Meester: Maar?
Leerling: Of je het nog liefde kunt noemen?
Meester: Hoe zou jij het noemen?
Leerling: Tja.
Meester: Ik ook!
Leerling: Wat "ik ook"?
Meester: Zo zou ik het ook noemen!
Leerling: Maar ik zei helemaal niks!
Meester: Dat bedoel ik!
Onder ogen zien
Meester: Wat is liefde?
Leerling: Alles onder ogen zien.
Meester: Ook je onverschilligheid?
Leerling: Ook.
Meester: Hoeveel eenzame mensen heb je de laatste tijd bezocht?
Leerling: Niet één.
Meester: Heb je daar geen moeite mee?
Leerling: Dan heb je geen leven meer.
Meester: Hoeveel zwervers heb je de laatste tijd bijgestaan?
Leerling: Zelfde verhaal.
Meester: Hoeveel asielhonden...
Leerling: Zelfde verhaal.
Meester: Hoeveel hongerige kinderen heb je gevoed?
Leerling: Er zijn geen hongerige kinderen in Nederland.
Meester: Waar dan wel?
Leerling: In Afrika.
Meester: Waarom ga je daar dan niet heen?
Leerling: Daar is geen beginnen aan.
Meester: Het hoeft toch niet af?
De leerling zwijgt.
Meester: Lig je er wakker van?
De leerling schudt blozend zijn hoofd.
Meester: Wat zei je?
Leerling: Nee meester.
Meester: Vind je dit alles van liefde getuigen?
De leerling laat zijn hoofd hangen.
Meester: Ik wil je geen standje geven hoor.
Leerling: Wat wilt u dan wel?
Meester: Dat je je onverschilligheid onder ogen ziet. Al is het maar voor één keer...
Leerling: Maar waarom dan?
De meester zei: Noem het desnoods liefde.
Niet van mij
Leerling: Ziet u uw eigen onverschilligheid onder ogen?
Meester: Volledig.
Leerling: Hoe kunt u dan nog met uzelf leven?
Meester: Ik hoef niet met mezelf te leven.
Leerling: Niet?
Meester: Die onverschilligheid is toch niet van mij?
Leerling: En uw liefde dan?
Meester: Ook niet.
Leerling: En uw haat?
Meester: Ook niet.
Leerling: En uw mededogen?
Meester: Ook niet.
Leerling: Wat is er dan wel van u?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: En uw niet weten?
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Nou moe.
Meester: Daarom hoef ik ook niet met mezelf te leven.
Kijk liever zelf
Leerling: Bent u de liefde zelf?
Meester: Hoe kom je daar nou weer bij.
Leerling: Volgens mensen als Jezus, Wolter Keers, Byron Katie...
Meester: Kijk liever zelf.
Leerling: Dat is nou eenmaal niet mijn sterkste kant.
Meester: Een sterkere heb je niet.
Leerling: Als u het zegt.
Meester: Wat zie je als je naar mij kijkt?
Leerling: Wat ziet u als u naar uzelf kijkt?
Meester: Liefde, haat, vertrouwen, achterdocht, mededogen en onverschilligheid.
Leerling: Het hele pakket?
Meester: Het hele pakket.
Leerling: Dat valt me van u tegen.
Meester: Ooit zal het je meevallen.
Leerling: En als u naar mij kijkt?
Meester: Hetzelfde als bij iedereen.
Leerling: Wat dan?
Meester: Liefde, haat, vertrouwen, achterdocht, mededogen en onverschilligheid.
Leerling: Het hele pakket.
Meester: Idem dito.
Leerling: Dat valt me tegen van mezelf.
Meester: Ooit zal het je meevallen.
Leerling: Ik ben er dus niet in geslaagd u te laten denken...
De meester schudt het hoofd.
Leerling: Al die tijd wist u...
Meester: Net als jij, ook al wou je het niet toegeven.
Leerling: Hoe kán dat nou.
Meester: Ik kijk liever zelf.
Een harde
Leerling: Wat ben ik voor iemand dat ik zo onverschillig omga met met mijn medeschepsels?
Meester: Eigen je niet toe wat niet van jou is.
Leerling: Wat bent u toch een harde!
Meester: Dicht mij niet toe wat niet van mij is.
Leerling: Bedoelt u dat ik projecteer?
Meester: Eigen je niet toe wat niet van jou is.
Leerling: Ik weet dat u dat uit liefde zegt.
Meester: Dicht mij niet toe wat niet van mij is.
Wat is dat voor wereld?
Leerling: Wat is dat voor wereld die zo onverschillig omgaat met zijn eigen schepsels?
Meester: Wie zijn eigen onverschilligheid onder ogen ziet, kent de wereld als zijn broekzak.
Bekentenissen
Leerling: Niets menselijks is mij vreemd.
Meester: Niets onmenselijks is mij vreemd.
Leerling: Niets onmenselijks is mij vreemd.
Meester: Niets is mij vreemd.
Leerling: Niets is mij vreemd.
Meester: Niets is mij bekend.
Leerling: Niets is mij bekend.
Meester: Niets is mij onbekend.
Maar dan wel helemaal
Leerling: Het universum is er helemaal voor jou!
Meester: En als je het nou niet wilt?
Leerling: Overal wordt je door de aarde gedragen!
Meester: Behalve als je valt.
Leerling: Maar verder overal.
Meester: Nou én?
Leerling: Is dat op zich al niet genoeg reden tot eeuwige dankbaarheid?
Meester:
Ik heb niet om zwaartekracht gevraagd.
Leerling: Overal is lucht zodat je vrij kunt ademen!
Meester: Behalve onder water.
Leerling: Dat is toch zeker voldoende reden tot dankbaarheid?
Meester:
Ik heb niet om longen gevraagd.
Leerling: Overal is eten! Dat kunt u toch niet ontkennen?
Meester: Ik heb niet om honger gevraagd.
Leerling: En dan is er natuurlijk de liefde.
Meester: Breek me de bek niet open.
Leerling: De liefde overwint alles!
Meester: De haat ook.
Leerling: Ik bedoel dat liefde alles omarmt!
Meester: Een wurgslang ook.
Leerling: Ik heb het hier over totale openheid.
Meester: Waarom probeer je dan uit alle macht de helft buiten te sluiten?
Leerling: De helft van wat?
Meester: De helft van het universum.
Leerling: Maar dat doe ik helemaal niet!
Meester: Je doet niet anders.
Leerling: Wat sluit ik dan uit volgens u?
Meester: Het afwijzen. Het vallen. Het stikken. De honger. De haat. Geslotenheid.
De leerling zwijgt.
Meester: Misschien is het universum er inderdaad wel voor jou...
De leerling kijkt hem onzeker aan.
Meester: Maar dan wel helemaal.
Leerling: Wilt u mij alstublieft helpen de andere helft te omarmen?
Meester: Daar ga je alweer.
Projectie
Als ik eerlijk naar mezelf kijk, moet ik toegeven dat mijn liefde
beperkt blijft tot mijn naasten. Mijn mededogen blijft beperkt tot een
of enkele doelgroepen. Ook mijn haat is exclusief. Maar mijn
onverschilligheid is onbegrensd.
Vragen wie god is dat hij zo
onverschillig omgaat met zijn eigen schepsels is een projectie van mijn
eigen onverschilligheid op god.
Vragen wat voor wereld dat is die zo onverschillig omgaat met zijn eigen schepsels, is een
projectie van mijn eigen onverschilligheid op de wereld.
Vragen wat voor natuur dat is die zo onverschillig omgaat met zijn eigen schepsels, is een
projectie van mijn eigen onverschilligheid op de natuur.
Vragen wat voor dier het is dat zo onverschillig omgaat met zijn soortgenoten, is een
projectie van mijn eigen onverschilligheid op de mens.
Vragen
wat voor iemand ik ben die zo onverschillig omgaat met zijn
medeschepselen is een projectie van niemands onverschilligheid op mezelf.
Wie of wat ik ook de schuld geef, steeds veronderstel ik boze opzet, en daarmee een vrije wil. De veronderstelling van
een vrije wil schept een dader. Een dader kun je
verantwoordelijk stellen. Je kunt hem beschuldigen, vrijspreken,
veroordelen, bestraffen, reclasseren, beleren of bekeren. Zonder vrije
wil is er daarentegen geen sprake van eigenmacht,
alleen van overmacht. Als alle macht overmacht is, wat betekenen
woorden als haat, liefde, achterdocht, mededogen en onverschilligheid
dan nog?
Ik weet niet of vrije wil bestaat. Ik weet niet of ik
kan kiezen om in vrije wil te geloven. Ik weet niet wie of wat ik ben. Ik weet niet eens of ik ben. Ik weet niet of projectie
werkelijkheid of illusie is, laat staan of ik ermee kan ophouden. Ik weet het allemaal niet. Ik zeg u: ik weet het gewoon niet, en dat weet ik eigenlijk ook niet.
Dacht u nou werkelijk dat iemand als ik u kon zeggen hoe het zit?