(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Leven in de paradox



Verlichting voor dummy's > Het leven > Leven in de paradox

Deze pagina: Dwaalteksten over onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.





Leven in de paradox

De werkelijkheid is een wijd opengesperde muil die oorverdovend zwijgt. Of rochelt. Of schreeuwt, net hoe de wind staat. Maar gewoon antwoord geven is er niet bij. Tenzij ik zijn taal niet versta. Zijn kakofonie niet als taal herken. Misschien spreekt hij perfect Rochels, wie zal het zeggen. Snateren eenden maar wat of kwekken ze over weer en wind? Maar ik hoor er niks in, in die muil. Zelfs dat hij geen antwoord geeft hoor ik hem niet zeggen. Zelfs dat er geen antwoorden zijn hoor ik hem niet zeggen. Zelfs dat de muil zelf het antwoord is hoor ik hem niet zeggen. Nee, een nihilist is hij in ieder geval niet. Maar wat dan wel?

Niet weten - want daar heb ik het natuurlijk weer over - niet weten betekent onverschrokken in de gapende muil van de werkelijkheid kijken. Of verschrokken, dat mag ook. Maar niet wegkijken. Nooit! Nou ja... bij wijze van spreken dan. Zoals alles wat ik zeg. Want die muil is natuurlijk maar beeldspraak, en wat te denken van de werkelijkheid zelf? Dus waar heb ik het eigenlijk over?

Niet weten is leven in onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak. Je weet niet waar jij ophoudt en waar de wereld begint. Je weet niet of je wel of geen vrije wil hebt. Je weet niet of je iemand of niemand bent. Je weet niet wie, wat of waar God is en ook niet of Hij al dan niet bestaat of wellicht voorbij bestaan en niet bestaan is, wat dat ook moge betekenen. Je weet niet of je het zelf bent die straks dood zal gaan of alleen je lichaam, gesteld dat daar een verschil of een verband tussen is, als je al leeft. Je weet niet waar lijden goed voor is, en of het eigenlijk wel ergens goed voor is maar ook niet dat het nergens goed voor is, als het al geen nare droom is, of een gedachte nu. Je weet niet wat het leven is, als het al meer is dan een woord, laat staan wat de zin ervan is of de zin daar weer van of de zin daar weer van, maar ook niet dat het geen zin heeft.

Je vat het allemaal niet en je krijgt er geen vat op, zelfs niet door niet vatten. Hoe zit het nou toch? Er is geen rust zo diep of hij maakt plaats voor, of gaat gepaard met, onrust. Orde met wanorde. Goed met kwaad. Zin met onzin. Lijden met vreugde. Pijn met genot. Verlies met winst. Haat met liefde. Vrede met oorlog. Liefdadigheid met zelfzucht. Wreedheid met mededogen. Schoonheid met lelijkheid. Voorspoed met tegenslag. Nadeel met voordeel. Geboorte met dood. Ziekte met gezondheid. Betrokkenheid met onverschilligheid. Als deze - ja wat, zaken, dualiteiten, zienswijzen, woorden, begrippen, oordelen, weet ik veel - al enige grond hebben. Alles heeft zijn keerzijden, denk je weleens, maar is dat wel zo? Alles is vergankelijk, denk je relativerend, maar hoe stel je zoiets vast? En geldt dat dan ook voor de vergankelijkheid?

Sommige mensen noemen dit: leven in eenheid. Ik noem het: leven in de paradox. In niet weten is tegenstrijdigheid niet langer een reductio ad absurdum waar je met een grote boog omheen loopt of waarvoor je subiet een dialectische oplossing probeert te zoeken, maar een poortloze poort, een vagina, een wormgat, een anus, het wordt er niet beter op zeg. Van waar naar waar? Jezus, wat een vraag. Maar dat is natuurlijk geen antwoord, ook al is er geen beter.


Leven tussen aanhalingstekens

Als je niet weet waarheen wel, vraag je dan af waarheen niet, zo ongeveer luidt het maxime van de negatieve theologie. Met zo'n chique naam zullen ze heus wel gelijk hebben, dunkt mij. Dus: waarheen leidt de poortloze poort niet? Hij leidt niet naar een andere, betere, diepere of hogere realiteit. Daarheen leidt de poortloze poort niet, als we mij tenminste mogen geloven. Maar praktisch iedereen die het niet persoonlijk heeft meegemaakt, denkt van wél, net als iedereen die alleen maar heeft bedacht dat hij het persoonlijk heeft meegemaakt, of die er alleen maar over heeft gelezen of van gehoord.

Ben jij zo iemand?

Door de poortloze poort gaan betekent dat je de paradox toelaat in je leven - of hem niet langer buiten weet te sluiten. Jezelf erin terugvindt - of verliest. Erin verblijft - of blijft. Onder ogen ziet dat je (in) de paradox leeft en altijd al geleefd hebt - als dit tenminste niet het zoveelste verhaaltje voor het slapengaan is. Ook daar kom je niet achter, en dat maakt deel uit van de paradox - als dít tenminste niet het zoveelste verhaaltje voor het slapengaan is. Als we mij tenminste mogen geloven. Of misschien moet ik zeggen: als we zelfs mij niet meer mogen geloven.

Negatieve theologie, ik zei het al.

Wie zich met de moed der wanhoop of met de moed der hoop of met de moed der drank of met de moed der verveling of met welke moed dan ook door het wormgat wurmt, of er, zoals in mijn geval, zijns ondanks doorheen wordt geperst, diegene, ik zeg dit niet zonder ironie, wordt wedergeboren in, ontwaakt in, realiseert zich in, vindt zichzelf terug in... [tromgeroffel] ... dezelfde wereld waaraan hij al die tijd probeerde te ontsnappen - of waar hij ook maar mee bezig was of dacht te zijn.

Daar, of moet ik zeggen hier, of moet ik zeggen "hier" ontdekt hij, of moet ik zeggen ík, of moet ik zeggen "ik", tot zijn, of moet ik zeggen mijn, of moet ik zeggen "mijn", verbijstering, als je de merkwaardige helderheid waarmee totale verwarring gepaard gaat tenminste nog zo kun noemen, dat er niets veranderd is - of toch? Tja. Wat kan ik in hemelsnaam zeggen zonder meteen te ver te gaan? Of heb ik het al gezegd? Of ben ik al te ver gegaan?

Alles is nog bij het oude, zeg ik, maar het is net, ja, het is verdomme net alsof iemand overal haakjes omheen heeft gezet. Of vraagtekens. Of aanhalingstekens. Wat heeft dat in godsnaam, of in wiens naam dan ook, te betekenen? En is dat nog wel de vraag? Of is het eigenlijk al het antwoord?

Door het wormgat ga je niet van hier naar daar met achterlating van het aardse tranendal, en ook niet van hier naar Hier, waar nog geen grassprietje verkeerd ligt. Je "gaat" van hier naar "hier", waar ik "ik" is, jij "jij" en vrije wil "vrije wil"; waar bergen "bergen" zijn, rivieren "rivieren" en dingen "dingen". Waar werkelijkheid "werkelijkheid" is en illusie "illusie". Waar verlichting "verlichting" is, geluk "geluk", liefde "liefde", haat "haat", angst "angst" en god "god". Waar weten "weten" is en niet weten "niet weten".

Ja, zult u zeggen, alles goed en wel, maar wat bedoel je nou eigenlijk met al die aanhalingstekens? Want zodra u dat weet, weet u alles, en daar is het u uiteindelijk om te doen. Tenminste: daar was het mij indertijd om te doen. Tenminste: zo komt het mij nu voor.

Nou, die vraag is gauw genoeg beantwoord.

Met aanhalingstekens geeft een schrijver aan dat hij niet bedoelt wat er staat. Hij geeft er niet mee aan wat hij wel bedoelt. Als hij dat wist dan zou hij dat namelijk wel opschrijven. Daar is hij schrijver voor. Als ik met die aanhalingstekens bijvoorbeeld bedoelde dat de waarheid voorbij de woorden is dan zou ik dat toch gewoon even zeggen? Ik kan die zin nota bene wel dromen. En dat met mijn geheugen. Zo vaak heb ik hem al onder ogen gekregen.

Nee, het is niet uit onmacht dat ik mij van aanhalingstekens bedien maar uit vernuft, zeg ik onbescheiden - en uit noodzaak. Meer uit noodzaak dan uit vernuft vrees ik. Ik geef er op de meest economische manier die ik kan bedenken mee aan dat ik niet bedoel wat ik schrijf.

En dat is alles wat ik ermee bedoel.

"Bedoel".


Paradoxen

Waar had ik het ook alweer over. O ja, de paradox als wormgat van hier naar "hier". Goed nieuws voor wie naar "hier" wil, want er zijn een heleboel paradoxen en dus een heleboel poortloze poorten waardoor...

En ineens ben ik die metaforen toch zat zeg. Welke metaforen? Die van die wormgaten en poortloze poorten en passages en overgangen en wedergeboortes en realisaties en de hele rataplan. Spuugzat. Gadverdámme. Die eeuwige suggestie dat er een weg is, al is het maar van hier naar "hier", ik weet niet, nee, daar ga ik echt mijn handtekening niet onder zetten. Weg ermee! Ik laat me er niet meer over uit. Geen poortloze poorten meer. Ik heb er schoon genoeg van.

Wat durf ik dan wel te zeggen? Eigenlijk niks. Zelfs niet dat er geen weg is. Zelfs niet dat ik niks durf te zeggen. Maar dat schiet ook niet op. "Een paradox is een uitdrukking van het "hier"." Dat durf ik wel te zeggen. Zeker zo tussen aanhalingstekens. Ja, áls een paradox al een poort is, dan een patrijspoort, waardoor je, mits het glas niet te smerig is, bij wijze van voorproefje een blik kunt werpen op het "hier" van het hier.

Wat heb ik nou weer gezegd.

Nog een keertje.

Áls een paradox al een poort is, dan een patrijspoort, waardoor je, mits het glas smerig genoeg is...

Misschien met melkglas erin dan?

Schei toch uit, Hans. Donder op met je patrijspoorten! Een paradox is geen doorkijkje maar reeds het "hier" zelf. Pure onbegrijpelijkheid. Zuivere dubbelzinnigheid. Onversneden tegenstrijdigheid. We hoeven nergens heen, man. We zijn er al. Maar wie dan? Maar waar dan? Daar waar men zegt "maar waar dan".

Wormgaten of niet, er zijn een heleboel paradoxen. Genoeg voor een lijstje. Ik ben gek op lijstjes, rijtjes, opsommingen, reeksen, series, rissen. Die geven een beetje grip. Alsof je wat in handen hebt. Om handen hebt. Mijn website staat er vol mee, ter compensatie van het niet weten, zeg maar. Rijtjes prevelen, 't is net bidden. Maar dan zonder je vast te leggen:

  1. niet weten - zelfs niet van niet weten
  2. niets doen - zelfs niet het niet doen
  3. niets zeggen - zelfs niet dat je niets moet zeggen
  4. je gedachten niet geloven - ook deze niet
  5. niemand geloven -ook jezelf niet
  6. alles relativeren - ook dit
  7. niets aannemen - zelfs niet dat je niets aanneemt
  8. nergens nestelen - zelfs niet in niet nestelen
  9. alles loslaten - zelfs het loslaten
  10. niet oordelen - zelfs niet over het oordelen
  11. nergens weerstand aan bieden - zelfs niet aan je weerstand
  12. niets afwijzen - zelfs niet het afwijzen
  13. alles afbreken - zelfs het afbreken
  14. overal aan twijfelen - zelfs aan het twijfelen
  15. onvoorwaardelijke liefde - zelfs voor de haat
  16. alles tussen haakjes zetten - zelfs het tussen haakjes zetten
  17. alles opgeven - zelfs het opgeven
  18. nergens aan hechten - zelfs niet aan niet hechten
  19. alles ontkennen - zelfs het ontkennen
  20. niets aanbidden - zelfs niet het niet aanbidden
  21. niets aanhangen - zelfs niet de neutraliteit
  22. totale vrijheid - zelfs van de vrijheid
  23. ruimte voor alles - zelfs voor bekrompenheid
  24. overal voor open staan - zelfs voor geslotenheid
  25. alles tegenspreken - zelfs het tegenspreken
  26. niet reiken - zelfs niet naar niet reiken
  27. ieder oordeel opschorten - ook dit oordeel
  28. geen standpunt innemen - zelfs niet over het innemen van standpunten
  29. alles rustig ondergaan - ook je onrust
  30. geen conclusies trekken - zelfs niet dat je geen conclusies moet trekken
  31. niets voorschrijven - zelfs niet het niet voorschrijven
  32. niets verbieden - zelfs het verbieden niet
  33. geen principes - zelfs niet over het hebben van principes
  34. geen enkel gezag erkennen - zelfs niet het gezag van het anarchisme
  35. overal mee klaar zijn - zelfs met het defaitisme
  36. overal aan ontsnapt zijn - zelfs aan het escapisme
  37. alles als illusoir zien - zelfs het illusionisme
  38. alles afwijzen - zelfs het negativisme
  39. alles ontledigen - zelfs de leegte

Wat betreft de eerste paradox uit dit rijtje, "niet weten - zelfs niet van niet weten": wie het paradoxale van niet weten niet inziet, zal nooit tot de kern ervan doordringen - die bodemloze put, dat zwarte gat, die wijd opengesperde muil in ons binnenste, of om ons heen, of ver boven ons, of die wij zijn, u zegt het maar. Niet weten wordt pas echt niet weten in het zelfvernietigende zelfs-niet-weten-van-niet-weten. Tot die tijd blijft het keurig binnen het vertrouwde domein van het weten. Al is het dan maar het weten van niet weten.

Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de overige paradoxen. Bijvoorbeeld: niet doen wordt pas echt niet doen wanneer u ook daarmee ophoudt. Vrijheid wordt pas echt vrijheid wanneer u zich ook daarvan hebt bevrijd. Openheid is pas echt openheid als het ook ruimte biedt aan geslotenheid. En echt wordt pas echt als je het verschil met schijnbaar niet meer weet.

Ziet u? Alle wegen leiden uit Rome.


Wemelbeelden

Hoe moet je je het zwarte gat van niet weten in concreto voorstellen? Als het onvermogen om je eigen denkbeelden serieus te nemen, de vorige incluis, de volgende incluis: je krijgt er smedige meningen van. Floppy visies. Een plooibare geest. Het vermogen om snel tussen standpunten heen en weer te zappen. Of het onvermogen er lang in te blijven hangen, weet ik veel, ik wil het beslist niet ophemelen. Zo neutraal mogelijk gezegd is niet weten de verweking van min of meer stabiele, eenduidige en sluitende denk-beelden tot instabiele, meerduidige en paradoxale wemelbeelden.

Wat voor beelden?

Wemelbeelden.

Wemelbeeld is volgens Van Dale een literair woord dat verwijst naar een onvast, steeds verschietend beeld: 't water met zijn wemelbeeld.

Ben ik ook eens literair.

"Literair, verouderd", zegt het woordenboek, om helemaal eerlijk te zijn.

Het is ook nooit goed.

Mijn beelden, zeg maar gerust "beelden", wemelen omdat ze tjokvol tegenstrijdige zienswijzen zitten, "zienswijzen" eigenlijk, wilde dieren in een dierentuin die elkaar - en mij - vanwege de tralies van niet weten niet langer overheersen of naar het leven staan.

Combineren we de beeldspraak van de beelden met de truc met de aanhalingstekens dan krijgen we de volgende litanie:


Wemelbeelden
met het verweken van mijn zelfbeelden wordt ik "ik"
met het verweken van mijn mensbeelden wordt gij "gij"
met het verweken van mijn godsbeelden wordt Hij "Hij"
met het verweken van mijn boeddhabeelden wordt leegte "leegte"
met het verweken van mijn heiligenbeelden worden iconen "iconen"
met het verweken van mijn voorbeelden worden idolen "idolen"
met het verweken van mijn wensbeelden wordt willen "willen"
met het verweken van mijn ideaalbeelden wordt hoop "hoop"
met het verweken van mijn schrikbeelden wordt wanhoop "wanhoop"
met het verweken van mijn angstbeelden wordt vrees "vrees"
met het verweken van mijn kruisbeelden wordt lijden "lijden"
met het verweken van mijn ziektebeelden worden gebreken "gebreken"
met het verweken van mijn doodsbeelden worden sterven "sterven"
met het verweken van mijn lichaamsbeelden wordt stof "stof"
met het verweken van mijn denkbeelden wordt geest "geest"
met het verweken van mijn wereldbeelden wordt werkelijk "werkelijk"
met het verweken van mijn toekomstbeelden wordt later "later"
met het verweken van mijn herinneringsbeelden wordt vroeger "vroeger"
met het verweken van mijn tijdsbeelden wordt nu "nu"


Sommigen onder u denken nu misschien dat ik mij vergis. Dat met het verweken van mijn zelfbeelden "ik" ik wordt, en met het verweken van mijn mensbeelden "gij" gij. Dat, met andere woorden, in de gang van weten naar niet weten het onware ik en de onware gij vervangen worden door het ware ik en de ware gij. Onwaar in de zin van bemiddeld door ideeën die tussen mij en de Hoogste Werkelijkheid staan; wáár in de zin van onbemiddeld door ideeën, dus rechtstreeks aanschouwd.

Maar dat bedoel ik helemaal niet. Het verweken van denkbeelden leidt in mijn beleving niet tot de hoogste waarheid, de onbemiddelde werkelijkheid, directe ervaring, zuivere intuïtie en meer van dat fraais, maar gewoon tot niet weten. Ik wordt dus wel degelijk "ik" en gij wordt "gij" en tijd wordt "tijd" en god wordt "god", et cetera, wat dat ook moge betekenen.

En nee, ik heb niets tegen denkbeelden. Dat zou gewoon weer het volgende denkbeeld zijn. Ik wil op deze site alleen maar getuigenis afleggen van mijn niet weten, "mijn", Joost mag weten waarom. Het is uitdrukkelijk niet mijn bedoeling niet weten tot norm te verheffen. Ik ben geen evangelist en als ik het preken al een keertje niet kan laten dan is mijn boodschap gelukkig nog altijd nietszeggend. Een dubbele beveiliging, als een overdrukventiel op een fluitketelfluit. Een fluitketelfluitoverdrukventiel.

Ik verlang er oprecht niet naar dat u tot niet weten komt, of dat er een tsunami van verlichting-voor-dummy's over de aardbol raast. Onder ons gezegd: ik moet er niet aan denken. Dat hoeft ook niet, stel ik mij gerust, want hoewel velen zich geroepen voelen aan niet weten lippendienst te bewijzen, het liefst op enigszins gedragen toon alsof het een overledene betreft, beperkt de overgrote meerderheid daarvan zich tot twee, hooguit drie zinnen. Alles met mate, zegt het Orakel van Delphi, en zij kon het weten. Mij best. Heb "ik" ook nog wat te "doen".

Ik wil trouwens niet suggereren dat paradoxen weekmakers zijn en dat contemplatie ervan een weg naar niet weten zou zijn, zoals koanmeditatie een weg uit het rationele denken naar je ware zelf is - als we de zenboeddhistische claims daarover tenminste mogen geloven. En wie durft daar nog aan te twijfelen met al die verlichte zielen de laatste tijd. Ik niet. Ik weet alleen maar niets. Zelfs dat het niet zo is weet ik niet, dus de inquisiteurs onder u kunnen rustig nog een borreltje nemen.

Zelf blijf ik liever scherp.


Oxymorons

In een paradox wordt de linkerterm gekwalificeerd en weersproken door de rechter, waardoor een onoplosbaar spanningsveld ontstaat:

niet weten - zelfs niet van niet weten
je gedachten niet geloven - zelfs niet de gedachte dat je ze niet gelooft

Niet weten betekent bewust in dat spanningsveld staan. Het paradoxale onder ogen zien in plaats van eraan voorbijgaan of - recept voor een eeuwigdurende strijd - ertegenin.

Je weten is grondeloos, dus eigenlijk is je weten een niet weten. Maar je niet weten is evenzeer grondeloos, dus eigenlijk is je niet weten een "niet weten". Je spreken is nietszeggend, je zwijgen welsprekend. Wat goed is in het ene opzicht, is kwaad in het andere. Je oordeelt zonder oordeel. Je zegt zonder zeggen. Je doet terwijl je laat.

Dit waren allemaal voorbeelden van oxymorons. Zo heten ze nou eenmaal, ik heb die term niet zelf bedacht.

Een oxymoron is een troop, een stijlfiguur, een wijze van spreken, zoals ook, bijvoorbeeld, het understatement, de overdrijving of de toespeling. Kenmerkend voor het oxymoron is de bevestigende of ontkennende verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld "van een hemelse platvloersheid" of "een levende dode" of "een oorverdovende stilte". Vaak is de eerste term een bijvoeglijk, de tweede een zelfstandig naamwoord. "Oxymoron" is trouwens zelf een oxymoron, want het is samengesteld uit de Griekse woorden oxys (slim) en moros (dom).

Een van de meest bekende spirituele oxymorons komt uit de traditie van het zen-boeddhisme: de poortloze poort, die ik hierboven gebruikte als synoniem voor het wormgat. Een ander is afkomstig uit de Daodejing: wei wu wei oftewel doende niet doen.

Ook in de neoplatoonse filosofie, in de negatieve theologie en in de oosterse filosofie is het oxymoron gemeengoed. Veel voorkomende formats zijn A en niet-A, A noch niet-A, en voorbij A en niet-A, bijvoorbeeld goed én kwaad, goed noch kwaad, voorbij goed en kwaad. Deze formuleringen worden dikwijls als synoniem beschouwd en door elkaar gebruikt.

Door in de tweede formule, A en niet-A, de tweede term, niet-A, te vervangen door zonder A  verkrijgen we een vijfde formule: A-zonder-A, in ons voorbeeld goed-zonder-goed. Knoflookkruid, dat wel naar knoflook ruikt maar geen knollen vormt, dankt aan dit procédé zijn naam: look-zonder-look. Op analoge wijze kunnen we de tweede formule ook nog ombouwen tot een zesde: niet-A zonder niet-A, in ons voorbeeld kwaad-zonder-kwaad.

Toegepast op niet weten levert het oxymoron ons dan de volgende zes synoniemen op:
  1. wetend niet weten
  2. weten én niet weten
  3. weten noch niet weten
  4. voorbij weten en niet weten
  5. weten zonder weten
  6. niet weten zonder niet weten
Daarvan is de laatste misschien wat zonderling, maar toch een goede waarschuwing tegen de onweerstaanbare neiging om niet weten te verabsoluteren.

Voor niet zeggen verkrijgen we op analoge wijze de volgende zes oxymorons:
  1. zeggend niet zeggen
  2. zeggen én niet zeggen
  3. zeggen noch niet zeggen
  4. voorbij zeggen en niet zeggen
  5. zeggen zonder zeggen
  6. niet zeggen zonder niet zeggen
En voor niet doen:
  1. doende niet doen
  2. doen én niet doen
  3. doen noch niet doen
  4. voorbij doen en niet doen
  5. doen zonder doen
  6. niet doen zonder niet doen
Tot slot nog even de zes formules van het oxymoron op een rijtje. Ik heb ze voor de herkenbaarheid een naam gegeven, die je meteen weer mag vergeten.
  1. bijvoeglijke ontkenning: A' niet-A
  2. dubbele bevestiging: A én niet-A
  3. dubbele ontkenning: A noch niet-A
  4. overstijging: voorbij A en niet-A
  5. positieve herroeping: A-zonder-A
  6. negatieve herroeping: niet-A zonder niet-A
waarbij A' het van A afgeleide bijvoeglijk naamwoord voorstelt.


Ellipsen

Een andere retorische figuur die ons goed van pas komt, heet de ellips: het weglaten van woorden die er makkelijk bij gedacht kunnen worden. De paradox niet weten, zelfs niet van niet weten wordt bijvoorbeeld ingekort tot zelfs niet van niets weten. Andere voorbeelden van ellipsen: zelfs niet zonder principes zijn en zelfs het opgeven opgeven of en dat ook niet.

Passen we de ellips toe op de beginterm van het eerste oxymoron, wetend niet weten dan verkrijgen we de ellips niet weten. Doende niet doen wordt niet doen. Zeggend niet zeggen wordt niet zeggen.

Langs elliptische weg is het niet alleen mogelijk langdradige paradoxen weer te geven met een enkel woord, maar ook om paradoxen aan te duiden die zich anders maar lastig laten formuleren: niet duiden, niet interpreteren, niet vragen, niet antwoorden.

In plaats van de beginterm kunnen we ook de eindterm van het oxymoron laten vallen. Wetend niet weten wordt dan weten. Dat werkt goed, op voorwaarde dat we het overblijvende woord tussen aanhalingstekens zetten: "weten". Want anders is het niet meer te herkennen als elliptisch oxymoron.

Ook de ellips niet weten zouden we tussen aanhalingstekens kunnen zetten, om te benadrukken dat het niet om een letterlijk niet weten gaat - alsof ik kan weten dat ik niets weet - maar om een wetend niet weten, een niet weten tussen aanhalingstekens, een "niet weten".

Het gebruik van aanhalingstekens is doeltreffend en vanzelfsprekend. Zelfs zonder bovenstaande uitleg weet u intuïtief wat ik bedoel wanneer ik "ik" schrijf of spreek over "de wereld". Zou ik steeds helemaal moeten uitleggen dat ik niet weet wat en óf de wereld is en wie of wat en óf ik ben en dat ik zelfs dat niet weet, dan zouden mijn teksten, net als deze zin, nog complexer en langdradiger worden dan ze al zijn.

Toegepast op de paradox niet weten, zelfs niet dat je niets weet, levert de ellips ons dus nog eens vier equivalente figuren op:
  1. zelfs niet van niets weten
  2. niet weten
  3. "weten"
  4. "niet weten"
Hieronder de vier formules van de ellips op een rijtje, met een naam die je, net als bij de variaties op het oxymoron, meteen weer mag vergeten.
  1. halfparadox: zelfs niet-A niet
  2. rechter term: niet-A
  3. linkerterm tussen aanhalingstekens: "A"
  4. rechter term tussen aanhalingstekens: "niet-A"
Laten we uit formule 1 de specificatie niet-A weg dan ontstaat de generieke spreuk "zelfs dat niet" of "en dat ook niet". Dit is hoe ik zelf vaak over verlichting-voor-dummy's denk: als het en-dat-ook-niet.

Om zonder gebaren in gesproken tekst aan te geven dat een woord tussen aanhalingstekens staat, kun je woorden als quasi en verondersteld gebruiken: quasi-ik of de veronderstelde wereld maar het is wel uitkijken geblazen omdat ze al snel als ontkenning gaan fungeren. Termen als de zogenaamde wereld en de hypothetische god wekken de suggestie dat de wereld een illusie is en dat god niet bestaat. Daarmee zijn we stiekem alweer in het domein van het weten beland, en dat was nou net niet de bedoeling.


Alle formules op een rijtje

In totaal hebben we nu voor de paradox niet weten, zelfs niet van niet weten tien formules tot onze beschikking, waarvan zes oxymorons (1-6) en vier ellipsen (7-10):
  1. wetend niet weten
  2. weten én niet weten
  3. weten noch niet weten
  4. voorbij weten en niet weten
  5. weten zonder weten
  6. niet weten zonder niet weten
  7. zelfs niet van niets weten
  8. niet weten
  9. "weten"
  10. "niet weten"
Iedere figuur heeft zijn voors en tegens. Op deze website gebruik ik ze allemaal door elkaar, net zo het uitkomt. Iedere formule verwijst terug naar de oorspronkelijke paradox. Als ik het bijvoorbeeld heb over mijn niet weten (figuur 8) dan bedoel ik daar dus altijd mee dat ik niets weet, zelfs niet dat ik niets weet.

Het is natuurlijk niet mijn bedoeling alle mogelijke uitdrukkingen voor niet weten te inventariseren. Ik zou het wel willen maar het kan niet. Taal laat zich nou eenmaal niet in formules vangen. Ook wil ik niet suggereren dat iedereen die zich van een van bovenstaande figuren bedient daarmee "eigenlijk" hetzelfde bedoelt als ik.


"Ik"

Een leerling met dyslexie vraagt de meester in zo min mogelijk woorden op te schrijven wat verlichting is.
De meester schrijft: "Ik".
Leerling: Ik?
Meester: Nee, "ik".
Leerling: Tussen aanhalingstekens.
Meester: Daar gaat het nou net om.
Leerling: Bedoelt u ik noch niet-ik?
Meester: Maar dat is langer.
Leerling: Of ik én niet-ik?
Meester: Zelfde verhaal.
Leerling: Ik dacht dat de verlichte niemand was.
De meester schudt zijn hoofd en schrijft: "Niemand".
Leerling: Bedoelt u iemand noch niemand?
Meester: Maar dat is langer.
Leerling: Of iemand én niemand?
Meester: Zelfde verhaal.
Leerling: Dus verlichting betekent gewoon "ik" of "niemand".
Meester: Kort genoeg?
Leerling: Kan het korter?
Meester: Tja.
De leerling zei: Nou?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Ik vraag u wat!
De meester kijkt hem zwijgend aan.
Leerling: Op die manier.


"Verlichting"

Een leerling met dyslexie vraagt de meester om in zo min mogelijk woorden op te schrijven wat verlichting is.
De meester schrijft: "Ik".
De leerling zegt: En als het om mij gaat?
De meester schrijft: "Jij".
De leerling zegt: En in theologische termen?
De meester schrijft: "God".
De leerling zegt: En in seculiere termen?
De meester schrijft: "Wereld".
De leerling zegt: Noem dat maar verlichting
De meester schudt zijn hoofd en schrijft: "Verlichting".


Onder zeil

ik
ik ben
ik ben "ik"
& "ik" ben ""ik""
& ""ik"" ben """ik"""
& """ik""" ben """"ik""""
& """"ik"""" ben """""ik"""""
& """""ik""""" ben """"""ik""""""
& """"""ik"""""" ben """""""ik"""""""
& """""""ik""""""" ben """"""""ik""""""""
wat dat ook moge wezen
wat dat ook moge zijn


Een "grap"

Leerling: Kent u de kosmische grap?
Meester: Daar gaan we weer.
Leerling: Er is nooit een zoeker of een zoektocht geweest!
Meester: Wat dan wel?
Leerling: Alleen maar het ene bewustzijn, dat verstoppertje speelt met zichzelf.
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Wat is de kosmische grap dan wel?
Meester: Dat de zoeker een "zoeker" blijkt te zijn en de zoektocht een "zoektocht".
Leerling: Tussen aanhalingstekens.
Meester: Vraagtekens, haakjes, welke leestekens dan ook.
Leerling: U bedoelt dat je niet met zekerheid kunt vaststellen of er nou wel of niet een zoeker en een zoektocht zijn geweest?
Meester: Met geen mogelijkheid.
Leerling: Maar dat weet u dan weer wel.
Meester: Natuurlijk niet.
Leerling: En bewustzijn?
Meester: "Bewustzijn" bedoel je?
Leerling: Ik weet niet of ik dit nog wel leuk vind.
Meester: Het is ook maar een "grap".


Geen leven

Leerling: Wat is tijd voor u?
Meester: "Tijd".
Leerling: Wat wilt u daarmee zeggen?
Meester: Dat ik eigenlijk niet weet wat tijd is.
Leerling: Kunt u een voorbeeld geven?
Meester: Gisteren is voor mij alleen maar "gisteren". Herinneringen zijn "herinneringen". Ervaringen zijn "ervaringen". Verklaringen zijn "verklaringen". Conclusies zijn "conclusies". Triomfen zijn "triomfen". Blunders zijn "blunders". Schaamte is "schaamte". Schuld is "schuld".
Leerling: Voor u zijn het als het ware geen feiten maar hypothesen?
Meester: "Hypothesen" dan toch.
Leerling: Voor mijn part.
Meester: Als het ware.
Leerling: Lekker rustig zeker, zo zonder feiten?
Meester: "Zonder".
Leerling: Los daarvan.
Meester: Wat heet rustig.
Leerling: Lijkt mij zo.
Meester: Niets is wat het lijkt.
Leerling: En morgen?
Meester: Morgen is alleen maar "morgen". Zorgen zijn "zorgen". Angsten zijn "angsten". Geruststellingen zijn "geruststellingen". Verheugenissen zijn "verheugenissen". Verwachtingen zijn "verwachtingen". Zekerheden zijn "zekerheden". Plannen zijn "plannen". Vooruitzichten zijn "vooruitzichten". Voorspellingen zijn "voorspellingen".
Leerling: U houdt als het ware steeds een slag om de arm.
Meester: Nou, ík.
Leerling: "U" dan.
Meester: Als het ware.
Leerling: En nu?
Meester: Tja.
Leerling: Nou?
Meester: Tussen gisteren en morgen zit vandaag. Maar wat zit er tussen "gisteren" en "morgen"?
Leerling: Een eeuwig heden volgens mij.
Meester: Een "eeuwig heden" dan toch. Een "eeuwig" "heden".
Leerling: Is het niet zo dat een herinnering alleen maar een gedachte nú aan een verondersteld verleden is, en een verwachting alleen maar een gedachte nú aan een veronderstelde toekomst?
Meester: Maar wat is een gedachte nú?
Leerling: Gewoon, iets wat je op dit moment denkt.
Meester: Maar wat is dít moment bij gebrek aan een vorig of volgend?
Leerling: Als je er niet bij nadenkt weet je het best.
Meester: Maar als je er eenmaal over na begint te denken...
Leerling: Ik vind het zo onbestemd allemaal.
Meester: Tja.
Leerling: Onbestemdheid is geen leven.
Meester: Dat zou best kunnen.
Leerling: Maar?
Meester: "Onbestemdheid" is best te doen.
Leerling: "Onbestemdheid" is helemáál geen leven!
Meester: Dat zeg ik toch ook niet.
Leerling: Wat is het dan wel?
Meester: Een "leven"?


Natuurfilosofie

Leerling: Vroeger waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.
De meester kijkt hem onderzoekend aan.
Leerling: Toch?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Wat zou u dan zeggen?
Meester: Nu zijn bergen "bergen" en rivieren "rivieren".


Wanneer?

Leerling: Vroeger waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen "bergen" en rivieren "rivieren".
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Wat nou weer!
Meester: "Nu" zijn bergen "bergen" en rivieren "rivieren".


High five

Leerling: Vroeger waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. "Nu" zijn bergen "bergen" en rivieren "rivieren".
Meester: Vroeger?
De leerling laat zijn kin op zijn borst zakken.
Meester: Nou?
Leerling: "Vroeger" waren bergen bergen en rivieren rivieren.
Meester: Bergen?
De leerling slaat met zijn vuist op tafel.
De meester slaat met zijn vuist op tafel.
Leerling: "Vroeger" waren "bergen" bergen en "rivieren" rivieren. "Toen" waren "bergen" geen bergen meer en "rivieren" geen rivieren. "Nu" zijn "bergen" "bergen" en "rivieren" "rivieren".
De meester geeft hem een high five.


Hm

Leerling: "Vroeger" waren "bergen" bergen en "rivieren" rivieren. "Toen" waren "bergen" geen bergen meer en "rivieren" geen rivieren. "Nu" zijn "bergen" "bergen" en "rivieren" "rivieren".
Meester: Hm.
Leerling: Nee hè!
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Wat dan?
Meester: "Vroeger waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren."


Alles

Leerling: Vroeger waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.
De meester kijkt hem onderzoekend aan.
Leerling: Als toch alles tussen aanhalingstekens staat dan kun je ze net zo goed weglaten.
Meester: Als alles tussen aanhalingstekens staat wel.
Leerling: Wat?
Meester: Je hoorde me wel.
Leerling: Wilt u zeggen dat niet alles tussen aanhalingstekens staat?
Meester: Integendeel.
Leerling: O, gelukkig!
Meester: Zelfs dat alles tussen aanhalingstekens staat, staat tussen aanhalingstekens.


Bergen

Leerling: Wat zijn bergen?
Meester: Sterke lokale verheffingen van het aardoppervlak.
Leerling: Ja, hè hè, dat weet ik ook wel.
Meester: Waarom vraag je het dan?
Leerling: Ik bedoel: wat zijn bergen nou echt.
Meester: Oh, zo.
Leerling: Nou?
Meester: "Bergen".
Leerling: Bergen zijn "bergen"?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Bedoelt u misschien dat ze niet echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u dat ze wel degelijk echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien dat ze echt én onecht zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien dat ze echt noch onecht zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien dat ze echter dan echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien dat ze voorbij echt en niet echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien dat universalia alleen maar namen zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien dat mijn vraag geen antwoord heeft?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien dat u het verschil tussen echt en onecht niet kent?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Bedoelt u misschien...
Er valt een lange stilte.
De leerling schraapt zijn keel.
De meester knikt hem bemoedigend toe.
Leerling: Dus bergen zijn "bergen".
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.


Gronden

Leerling: Wat als gronden "gronden" zijn?
Meester: Dan zijn bewijzen "bewijzen", waarheden "waarheden", zekerheden "zekerheden", oordelen "oordelen", standpunten "standpunten", meningen "meningen", normen "normen", waarden "waarden" en principes "principes".
Leerling: Zíjn gronden "gronden"?
Meester: Dat valt nooit te bewijzen.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat bewijzen dan "bewijzen" zouden zijn.
Leerling: Bedoelt u dat er wel degelijk gronden zijn?
Meester: Dat valt nooit te bewijzen.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Als ze bewijsbaar waren zouden het geen gronden zijn.
Leerling: Wat betekent dit voor ons weten?
Meester: Dat het alleen maar "weten" is.
Leerling: En voor ons niet weten?
Meester: Dat het alleen maar "niet weten" is.
Leerling: En voor die aanhalingstekens?
Meester: Dat het alleen maar "aanhalingstekens" zijn.
Leerling: Nou weet ik nog niks.
Meester: Nou niet meteen weer conclusies gaan trekken, hè.


Verschil

Leerling: Wat is het verschil tussen u en mij?
Meester: Dat jij overal verschil ziet.
Leerling: En u?
Meester: Ik zie overal "verschil".
Leerling: Ik dacht dat u zou zeggen dat u overal eenheid ziet.
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: U bedoelt natuurlijk dat u overal overal "eenheid" ziet!
Meester: Nou, overál...


Eenheid

Leerling: Wat is het verschil tussen u en mij?
Meester: Dat jij overal eenheid ziet.
Leerling: En u?
Meester: Ik zie alleen maar "eenheid".
Leerling: Maar wat betekent dat dan nog?
Meester: Zo kun je het ook zeggen.
Leerling: Dan kan je net zo goed niks zeggen.
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.
Leerling: Als het toch op hetzelfde neerkomt, waarom zegt u het dan nog.
Meester: Als het toch op hetzelfde neerkomt, waarom niet.


Net zo goed

Leerling: Wat is Eenheid?
Meester: Een woord.
Leerling: Is het dan niet het geheel?
Meester: Waarvan?
Leerling: Van alles.
Meester: Dat is een tautologie.
Leerling: Van tegendelen dan.
Meester: Dat is een contradictie.
Leerling: Nergens van dan.
Meester: Dan kun je net zo goed niks zeggen.
Leerling: Hoezo?
Meester: De uitdrukking "het geheel van" verwijst altijd naar een deel.
Leerling: Naar een deel?
Meester: Waarnaar anders.
Leerling: Geef eens een voorbeeld.
Meester: Ruwbouw is het geheel van fundering, muren en dak. God is het geheel van natuurwetten. Een ecosysteem is het geheel van interacties in een natuurlijk milieu.
Leerling: Nou en?
Meester: Waarvan is Eenheid het geheel?
Leerling: Nou gewoon.
Meester: Gewoon wat.
Leerling: Eenheid is het hoogste geheel.
Meester: Waarvan?
Leerling: Nergens van.
Meester: Die hebben we al gehad.
Leerling: Van zichzelf dan?
Meester: Maar wat zeg je dan nog?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: Dan kun je dus net zo goed niks zeggen.


Een kans

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor innerlijke vrede stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor innerlijke strijd, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor onvoorwaardelijke liefde stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor redeloze haat, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor gelukzaligheid stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor zwaarmoedigheid, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor God stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor de duivel, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor de Bron stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor de monding, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor Essentie stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor wezenloosheid, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor Bewustzijn stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor bewusteloosheid, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht dat Eenheid voor verlichting stond.
Meester: Deels.
Leerling: Waarvoor dan nog meer, bijvoorbeeld?
Meester: Voor verduistering, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik dacht...
Meester: Deels.
Leerling: U geeft me niet eens een kans!
Meester: Dat noem ik nou een kans.


Wat je ook te berde brengt

Leerling: Eenheid is een vat vol tegenstrijdigheden!
Meester: Deels.


Een koe

Leerling: Eenheid is Eenheid!
Meester: En Waarheid een koe.


Halfheid

Leerling: Wat is Eenheid?
Meester: Halfheid.
Leerling: Hè?
Meester: Wat jij onder Eenheid verstaat is de utopie van de Halve Wereld.
Leerling: Welke Halve Wereld?
Meester: De hemel natuurlijk. Nirwana. Het paradijs.
Leerling: Waarom noemt u dat de Halve Wereld?
Meester: Wat versta jij onder het paradijs?
Leerling: Een einde aan het lijden. Onsterfelijkheid. Innerlijke vrede. Gelukzaligheid. Onvoorwaardelijke liefde. Vrijheid. Gelijkheid. Broederschap.
Meester: Dat zeg ik. De Halve Wereld.
Leerling: Wat is daar mis mee?
Meester: Niks.
Leerling: Nou dan!
Meester: Maar waar laten we de andere helft?


Niet in het minst

Leerling: Vindt u dat wij onze queeste naar Halfheid moeten opgeven?
Meester: Waarom zou je?
Leerling: Omdat de Halve Wereld een illusie is.
Meester: De Hele Wereld soms niet?
Leerling: Dat weet ik eerlijk gezegd niet.
Meester: Nou, ik ook niet.
Leerling: Dus u vindt het niet erg dat ik naar het paradijs verlang?
Meester: Niet in het minst.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Dat hoort er ook bij.
Leerling: Waarbij?
Meester: Bij de Hele Wereld.
Leerling: En dat ik mijn leven misschien verdoe met zoeken?
Meester: Dat hoort er ook bij.
Leerling: Ik wou dat ik u was.
Meester: Dat hoort er ook bij.
Leerling: Het lijkt me gewoonweg heerlijk om niet meer te hoeven zoeken!
Meester: Heerlijk is maar de helft van het verhaal.
Leerling: Vindt u dat wij onze queeste naar Halfheid moeten opgeven?


Het hele verhaal

Heb je weleens van het Werk van Byron Katie gehoord? Het Werk is een lijstje van vier vragen (is dat waar; weet je het zeker; hoe voelt het als het waar zou zijn; wie zou je zijn zonder die gedachte) plus een omkering waarmee je je van onaangename gedachten kunt bevrijden. Ik noem dat het halve werk omdat de aangename gedachten buiten schot blijven.

Op deze site "verrichten" "we" het hele werk. We onderzoeken de grondslagen van ons hele weten, dus van al onze gedachten en niet alleen van de nare. Dat is ook het idee achter de titel van deze pagina, Leven in de Paradox: we leven in een ambivalente wereld vol tegenstrijdigheden die zich niet laat reduceren tot een consistent, aangenaam geheel. Zelfs niet door middel van een handig gekozen omschrijving als Leven in de Paradox.

Eén manier om aan het leven in de paradox te ontsnappen is de wereld in tweeën te hakken. Het positieve gedeelte noemen we dan de Hoogste Werkelijkheid, het negatieve gedeelte illusie. Kennis van de Hoogste Werkelijkheid noemen we de Hoogste Waarheid, het geloof in de illusie onwetendheid en dan is het alleen nog een kwestie van ontwaken, realiseren, ontledigen, overstijgen, verenigen, keuzeloos gewaarzijn of zoiets, om van de illusie naar de werkelijkheid, van de hel naar de hemel, van de dwaaltuin naar de hof van Eden, van samsara naar nirwana, van deze zijde naar gene, van gespletenheid naar eenheid, van de dualiteit naar de non-dualiteit te migreren. Uit de ambivalentie in de eenduidigheid. Uit de menigvuldigheid in de eenheid. Uit de vaagheid in de helderheid. Uit de tegenstelling in de geruststelling. Of, zoals de Engelsen zeggen: out of the frying pan into the fire.

Steeds wanneer iemand - een goeroe, een priester, een filosoof, een mysticus, een meester, een leraar, een opschepper, een oplichter, wie dan ook, ons voorhoudt dat we eigenlijk dit of dat zijn, wordt onze wereld in tweeën gedeeld, waarbij de ene helft automatisch wordt aangemerkt als de ware, de andere helft als de valse. "Eigenlijk" is alles bewustzijn, geen materie. "Ten diepste" zijn wij onvoorwaardelijke liefde, geen haat. Je "natuurlijke staat" is er een van zelfgenoegzaamheid, niet van afhankelijkheid. "In wezen" is de mens onschuldig, niet schuldig. De "hoogste werkelijkheid" is eeuwig, niet tijdelijk.

Wie niet weet, reduceert niet. Niet omdat hij met ware doodsverachting de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid nastreeft maar gewoon omdat hij de wereld geen kopje kleiner weet te maken. Zijn bijl is te bot. Hij kan geen vaste grond onder de voeten vinden. Zijn verstand schiet tekort. Hoe hij zich ook inspant, hij komt er maar niet achter wat "alles" nou "eigenlijk" is, wat wij "ten diepste" zijn, wat zijn "natuurlijke staat" is, enzovoort. Al dan niet tot zijn verdriet - in mijn geval beide, of was het nou geen van beide? - is hij is een Heel Mens in een Hele Wereld die alleen maar het Hele Verhaal kan vertellen. Een "heel" "mens" in een "hele" "wereld" die alleen maar het "hele" "verhaal" kan vertellen.

En denk nou maar niet dat dít halve verhaal wel het hele verhaal is.


Halve en hele woorden


een half mens: iemand die de mens, en dus zichzelf, ziet als in wezen liefdevol, goed, eerlijk, open, onschuldig en van goede wil; synoniem: halfmens

de halve wereld: de wereld gezien door de ogen van de halfmens; synoniem: halfwereld

de halve boodschap, het halve verhaal, de halve waarheid: geruststellende, troostrijke, blijde boodschap van de halfmens over de halfmens in zijn halfwereld

halve boodschapper: iemand die maar de halve boodschap, het halve verhaal, de halve waarheid vertelt

het halve werk: therapeutisch onderzoek naar de houdbaarheid van negatieve gedachten, om je ervan te bevrijden en zo een half mens te worden

een heel mens: mens met alles erop en eraan, in heel zijn ambiguïteit, tegenstrijdigheid en onbegrijpelijkheid

de hele wereld: de wereld met alles erop en eraan

de hele boodschap, het hele verhaal, de hele waarheid: verhaal van de hele mens over de hele mens in de hele wereld

het hele werk: principieel onderzoek naar de houdbaarheid van al je gedachten



Nota bene: De hele mens, de hele wereld, de hele boodschap, het hele verhaal en de hele waarheid corresponderen met de zusterbegrippen de lege mens, de lege wereld, de lege boodschap, het lege verhaal en de lege waarheid op mijn pagina de Lege Leer.


Goedenacht

Leerling: Tot mijn spijt is geen enkele van mijn gedachten houdbaar gebleken.
Meester: En deze?
Lange stilte.
Meester: Wat betekent dat voor al die andere?
Lange stilte.
Meester: En wat is er eigenlijk zo spijtig aan?
Lange stilte.
De meester staat kreunend op en sloft naar zijn vertrekken.
Over zijn schouder roept hij: Goedenacht!


Mislukt

Leerling: Alles is onzeker.
Meester: Weet je dat zeker?



Leerling: Het bestaan is niet kloppend te krijgen.
Meester: Dan zal dit ook wel niet kloppen.



Leerling: Het leven is absurd.
Meester: En deze gedachte?



Leerling: Niets heeft zin.
Meester: Waarom zeg je het dan toch?



Leerling: Het leven is een raadsel.
Meester: Toch weer een oplossing gevonden?



Leerling: Er zijn geen antwoorden.
Meester: Daar vraag je me wat.



Leerling: De hoogste werkelijkheid onttrekt zich aan onze verhalen.
Meester: Het bekende verhaal.



Leerling: Nergens is houvast te vinden.
Meester: Ook hierin niet.



Leerling: Stilte heeft altijd het laatste woord.
Meester: Niet als het aan mij ligt.



Leerling: De wereld is wat je denkt dat hij is.
Meester: Dat had je gedacht.



Leerling: Ik ben het ene.
Meester: Jij ook al?



Leerling: Het leven ontsnapt aan iedere duiding.
Meester: Nou jij nog.



Leerling: Het gaat erom aan iedere duiding te ontsnappen.
Meester: Mislukt.


Naar waarheid

Leerling: Betekent niet weten in waarheid leven?
Meester: Niet weten betekent geen idee hebben wat waarheid is, wat leven is, wie je zelf bent of wat zijn is, en zelfs niet of je dat allemaal echt niet weet - laat staan wat het betekent of zelfs maar dat het iets betekent.
Leerling: En wat betekent in waarheid leven?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester: Vraag dat dan maar aan iemand die in waarheid leeft.
Leerling: Want u heeft geen idee.
Meester: Tenzij dat waarheid is.
Leerling: Is dat waarheid?
Meester: Ik heb geen idee.


Wat

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: De waarheid.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: De "waarheid".
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: Dat.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: "Dat".
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: Het niets.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: Niets.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: Waar?
Meester: Hm.


Wie

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Leerling: Het Zelf.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Leerling: Geen Zelf.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Leerling: Mezelf.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Leerling: "Mezelf".
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Leerling: Niemand.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Leerling: "Niemand".
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Leerling: Waar?
Meester: Hm.


Wie wat

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Leerling: Sergej Korsakov.
Meester: O, is dat hoe hij heet.
Leerling: Wie?
Meester: Wat?


No cigar

Leerling: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Denk je dat?
Leerling: Nou en of!
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.


Proost

Leerling: Ik mag graag denken dat ik dieper in het glaasje heb gekeken dan ieder ander.
Meester: Ik ook.
Leerling: Maar hoe stel je zoiets vast.
Meester: Een heikel punt.
Leerling: En trouwens, wat dan nog.
Meester: Zeg dat wel.
Leerling: En was het wel mijn eigen keus.
Meester: Precies.
Leerling, vermoeid: En zo voort.
De meester wil iets zeggen maar slaakt alleen een zucht.
Leerling: Ik bedoel maar.
Meester: Bij wijze van spreken dan toch?
Leerling: Hoe anders.
Lange stilte.
Meester: Dieper ben ik eerlijk gezegd nooit gekomen.
Leerling: Ik ook niet.
Meester: Ik ook niet.
Leerling: Nee.
Ze staren een tijdje voor zich uit.
De leerling pakt de bijna lege fles.
Hij zegt: Nog ééntje?
Meester: Om het af te leren.
De leerling heft zijn glas en roept: Sunyata!
De meester slaat zijn glas achterover en zet het met een klap op tafel.
Hij zegt rillend: Insgelijks.