Verlichting voor dummy's > Citaten > Filosofie > Jean-Luc Nancy Deze pagina: Citaten over niet weten van de postmoderne filosoof Jean-Luc Nancy. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld. Uit De Indringer, Jean-Luc Nancy, 2002: Wie, ik? Ik heb (wie, 'ik'? dat is nu juist de vraag, de oeroude vraag: wie is het onderwerp van deze zin? is het niet altijd een vreemde voor me, en ben ik niet tegelijkertijd een indringer in mijn woorden én de motor, de koppeling of het hart ervan?) - ik heb dus het hart van een ander gekregen, nu bijna tien jaar geleden. (10) Het probleem van het eigene Mijn eigen hart (zoals men inmiddels begrepen heeft draait deze hele affaire om het probleem van het 'eigene' - of liever, het gaat om niets van dit alles, en er valt eigenlijk niets te begrijpen, geen enkel raadsel, geen enkele vraag zelfs: het gaat slechts, zoals artsen bij voorkeur zeggen, om de 'vanzelfsprekendheid' van een transplantatie) - mijn eigen hart, kortom dreigde buiten werking te raken, om een reden die nooit is opgehelderd. Om te blijven leven, moest ik in mij het hart van een ander toelaten. (10) Overboord slaan en aan dek blijven Vanaf het moment dat een transplantatie onvermijdelijk bleek, werden alle bakens wankel en konden ze zomaar omslaan. Uiteraard gebeurde dat zonder nadenken, zelfs zonder dat er één enkele beweging of verandering te bespeuren viel. Er was slechts sprake van een lichamelijke sensatie, alsof er al een leegte in mijn borst gaapte, die mijn adem deed stokken en waar volgens mij op geen enkele manier, zelfs vandaag de dag niet, het organische, het symbolische en het denkbeeldige ontward zouden kunnen worden, of het continuum en de onderbrokenheid van elkaar onderscheiden: het was als één en dezelfde zucht, die voortaan geblazen werd door een vreemde en reeds onmerkbaar geopende holte en, om een andere beeldspraak te gebruiken, als op het zelfde moment overboord slaan en aan dek blijven. (11) Even onzichtbaar als mijn voetzolen Als mijn eigen hart me in de steek liet, in hoeverre was het dan nog 'van mij', en 'mijn eigen' orgaan? Was het wel een orgaan? Al een jaar of wat had ik hartkloppingen en ik voelde soms hoe mijn hart oversloeg, eerlijk gezegd was dat niets bijzonders ...: ik voelde zeker geen orgaan, niet die donkerrode, met slangen omwikkelde spiermassa, die ik me opeens moest voorstellen. Niet 'mijn hart' dat non-stop werkt en tot dan even onzichtbaar bleef als mijn voetzolen tijdens het lopen. (11) Een lichte walging Mijn hart werd een vreemde voor me, het drong binnen juist omdat het me in de steek liet: omdat het bijna was alsof ik het afstootte of uitkakte. Ik had het hart op de tong, als bedorven voedsel. Ik voelde iets van een lichte walging. (12) Daar waar niets was Daar zat ik dan, het was zomer, ik moest afwachten, iets maakte zich van mij los, of dat iets verscheen plotseling in mij, daar waar niets was: niets anders dan het 'eigen' onderdompelen in mij van een 'ik' dat zich nooit had geïdentificeerd als dit lichaam, nog minder als dit hart, en dat opeens zichzelf bekeek. ... Hoe word je voor jezelf een voorstelling? En een samenstelling van functies? En wat gebeurt er dan met die krachtige maar onmerkbare vanzelfsprekendheid die dat alles zonder moeite samenhield? (12) Fremdkörper Juist omdat het binnenin zat, werd mijn hart mijn vreemdeling. Omdat ze eerst van binnen was verschenen, zou de vreemdheid nu van buiten komen. Want wat voor 'n leegte viel er niet in borst en ziel - die één en hetzelfde ding zijn - toen me gezegd werd: 'Een transplantatie is onvermijdelijk'... Dan stuit de geest op een nietig object: er valt niets te weten, niets te begrijpen, niets te voelen. Niets dan de indringing van een Fremdkörper in het denken. Die blanco plek zal me bijblijven als het denken zelf en tegelijkertijd als zijn tegenpool. (12) Al niet meer in mijzelf Een hart dat maar half klopt is maar half mijn hart. Ik was al niet meer in mijzelf. Ik kom al van elders, ofwel ik kom niet meer. 'In het hart' van het meest vertrouwde wordt de vreemdheid zichtbaar - maar 'vertrouwd' is te zacht uitgedrukt: de vreemdheid openbaart zich in het hart van dat wat nooit als 'hart' viel te onderscheiden. Tot nu toe was het een vreemde juist omdat het niet merkbaar of zelfs maar aanwezig was. (13) Het elders in mij In deze affaire zal alles van elders en van buiten op me af komen - net zoals mijn hart, mijn lichaam me van elders zijn gekomen en elders 'in' mij vormen. (15) Toenemende vreemdheid Op zijn minst sinds de tijd van Descartes maakt voor de moderne mensheid de wens tot voortbestaan en onsterfelijkheid deel uit van een algemeen programma ter 'beheersing en bezit van de natuur'. Zodoende heeft die moderne mensheid een toenemende vreemdheid van de 'natuur' vastgelegd. Ze heeft nieuw leven geblazen in de absolute vreemdheid van het dubbele geheim van sterfelijkheid en onsterfelijkheid. Dat wat door de godsdienst werd vertegenwoordigd, heeft ze in handen gegeven van de techniek, die het einde uitstelt: door de limiet te verlengen, spreidt ze een zekere eindeloosheid of doelloosheid ten toon: welk leven wil ze verlengen, en met welk doel? De dood uitstellen, is haar ook uitstallen, haar benadrukken. (16) Niet te lokaliseren Wat is dat voor een 'eigen' leven dat 'gered' moet worden? Op z'n minst blijkt dat deze eigenheid nergens in 'mijn' lichaam schuilt. De eigenheid is nergens te lokaliseren, zelfs niet in dat ene orgaan dat overloopt van symboliek. ... Het 'eigen' leven bevindt zich niet in een enkel orgaan, maar is tegelijkertijd niets zonder de organen. (17) Afstoting Vanwege de kans op afstoting word ik geconfronteerd met een dubbele vreemdheid: aan de ene kant de vreemdheid van het getransplanteerde hart dat door mijn organisme als vreemde wordt geïdentificeerd en als zodanig aangevallen, en aan de andere kant die van de toestand waarin de medische wetenschap een patiënt zoals ik brengt om hem te beschermen. De medici verlagen de immuniteit van de patiënt opdat hij het vreemde kan verdragen. Zodoende veranderen ze de patiënt in een vreemdeling voor zichzelf, dat wil zeggen voor de immunitaire identiteit die zo'n beetje zijn fysiologische handtekening is. De indringer zit in mij, en ik word vreemd voor mijzelf. (18) Vermenigvuldiging Maar door vreemde voor mijzelf te worden, kom ik niet nader tot de indringer. Veeleer wordt een algemene wetmatigheid van de indringing blootgelegd: er is nooit sprake geweest van één enkele indringing: zodra een indringing plaatsvindt, vermenigvuldigt ze zich en maakt haar interne hernieuwde verschillen kenbaar. Zodoende zal ik bij herhaling kennis maken met gordelroos, of het cytomegalovirus, beiden vreemdelingen die altijd al in mij sluimerden en die plotseling wakker zijn gemaakt door de onvermijdelijke onderdrukking van mijn immuunsysteem. (19) Onsluitbaar De zaak is niet dat men me wijd geopend heeft zodat ik van hart kan verwisselen. Maar dat deze gaping niet meer gesloten kan worden (zoals trouwens te zien is op alle röntgenfoto's: mijn borstbeen is dichtgenaaid met gebogen ijzerdraadjes.) Ik ben geopend-gesloten. Er zit daar een opening waardoor de vreemdheid onophoudelijk stroomt: medicijnen die mijn immuunsysteem onderdrukken, andere medicijnen die ertoe dienen sommige zogenaamd mindere bijwerkingen te bestrijden, maar ook effecten die niet bestreden kunnen worden (zoals het verzwakken van mijn nieren), hernieuwde controles, het hele bestaan kortom dat in een nieuw register wordt gezet en dat van voor tot achter door elkaar geschud wordt. Het hele leven dat gescand wordt en teruggebracht tot verschillende registers die elk een andere mogelijkheid tot sterven in petto hebben. (20) Tussen mijzelf en mijzelf Zodoende, op al die steeds toenemende en tegengestelde manieren, word ik voor mezelf mijn eigen indringer. Dat is wat ik voel en het gevoel is veel sterker dan zomaar een indruk: nooit eerder ben ik met een dergelijke scherpte geraakt door de vreemdheid van mijn eigen identiteit, een vreemdheid die me desondanks altijd zonneklaar was. 'Ik' is duidelijk verworden tot de formele index van een niet aantoonbare en niet tastbare aaneenschakeling. Tussen mijzelf en mijzelf zat altijd al tijd-ruimte: maar nu zit er de opening van een incisie en de onverzoenlijkheid van een gedwarsboomd immuunsysteem. (21) Kanker Boven op dit alles komt nog een kanker: een lymfoom, waarvan ik de mogelijkheid die vermeld stond in de bijsluiter van de ciclosporine nooit opgemerkt had (ik heb het zeker niet gezien als iets onvermijdelijks: maar weinig patiënten krijgen het). Het is een gevolg van de ondermijning van mijn afweersysteem. Kanker is zo'n beetje het symbool, de messcherpe, gekartelde en verwoestende gedaante van de indringer. De kanker is vreemd aan mijzelf en toch is het alsof ik mijzelf van mijzelf vervreemd. Hoe kun je zoiets onder woorden brengen? (21) Verdwaasd Men komt volstrekt verdwaasd uit zo'n avontuur. Je herkent jezelf niet meer: zelfs het woord 'herkennen' heeft dan geen betekenis meer. Al gauw ben je niet meer dan een golfbeweging, een onbeslist zijn van de vreemdheid tussen toestanden die zich moeilijk laten kennen, tussen pijnen, tussen verschillende soorten onmacht, tussen flauwtes. (22) De lege identiteit Zich op zichzelf betrekken is iets problematisch, moeilijks, ondoorzichtigs geworden: dat kan slechts door middel van de kwaal of de angst, de betrekking is niet langer onmiddellijk - en die bemiddeling is slopend. De lege identiteit van een 'ik' kan niet meer eenvoudigweg op zijn geruststellende adequatio (ik = ik) bogen wanneer ze zich verkondigd: 'ik lijd' veronderstelt twee ikken die aan elkaar vreemd zijn (maar die desondanks aan elkaar raken. (22) Een dun draadje Op het laatst ben/is ik niet meer dan een dun draadje dat loopt van de ene pijn naar de andere en van vreemdheid naar vreemdheid. ... Ik word onlosmakelijk van een veelvormig uiteenvallen. Zo zag het leven van zieken en ouden van dagen er altijd al uit: maar ik ben nu juist geen van beiden. Dat waardoor ik genezen kan, tast me aan of infecteert me, en dat wat me in leven houdt, maakt dat ik vroegtijdig verouder. Mijn hart is twintig jaar jonger dan ikzelf, en de rest van mijn lichaam (minstens) een twaalftal jaar ouder. Omdat ik op die manier tegelijkertijd verjongd en verouderd ben, heb ik geen eigen leeftijd meer en heb ik eigenlijk geen leeftijd meer. Zo heb ik eigenlijk ook geen werk meer, hoewel ik nog niet met pensioen ben. (23) Gapend als een lege borstkas In één en dezelfde beweging verwijdert het absolutum van het eigen 'ik' zich tot op een oneindige afstand (waar blijft het? vanuit welk wijkend punt kan dat absolute 'ik' nog zeggen dat dit hier mijn lichaam zou zijn?) en zakt weg in een intimiteit die dieper reikt dan welke vorm van innerlijkheid ook (het gaat hier om die onneembare niche van waaruit ik 'ik' zeg, maar waarvan ik weet dat ze gapend is zoals een lege borstkas of als het wegglijden in de morfine - bewusteloosheid die pijn en angst laat samengaan in overgave). (24) Onteigent De indringer dringt me uit, hij exporteert me, hij onteigent me. Ik ben de ziekte en de geneeskunst, ik ben de kankercel en het donor-orgaan, ik ben de immuniteitsremmers en hun palliatieven, ik ben de ijzerdraadjes die mijn borstbeen bijeen houden en ik ben de injectieplek die permanent zit ingenaaid onder mijn sleutelbeen, net zoals ik trouwens al de schroeven in mijn heup was en de plaat in mijn lies. (24) Misschien wel nergens naartoe We, ik en al mijn gelijken die steeds talrijker worden, vormen inderdaad het begin van een ommekeer: de mens begint opnieuw de mens oneindig voorbij te streven (dat is wat altijd al 'de dood van god' betekende, in alle mogelijke betekenissen van die uitdrukking). De mens wordt wat hij is: de meest angstaanjagende en de meest verontrustende technicus, zoals Sofocles hem al 25 eeuwen geleden typeerde, de vervalser die de natuur opnieuw vorm geeft, die de schepping herschept, die haar opnieuw uit het niets laat komen en die haar misschien wel nergens naartoe leidt. Diegene die in staat is tot het begin en het einde. (25) Een woekerende oneindigheid De indringer is niemand anders dan ikzelf en de mens zelf. Niemand anders dan dezelfde die niet ophoudt zich te veranderen, die tegelijkertijd gespitst en uitgeput is, ontbloot en overtollig uitgerust, die net zo goed een indringer in de wereld als in zichzelf is, een unheimliche opmars van een vreemde, de conatus van een woekerende oneindigheid. (25) Interior intimo meo Ik ben inderdaad zeer ontvankelijk voor het gegeven dat het 'vertrouwde', 'intieme' of 'innerlijke' de plaats van het meest onvertrouwde en vreemde is: want daar waar men denkt in 'zichzelf' binnen te dringen, daar vindt men het meest aan vreemdheid, andersheid en aan verandering. Zo begrijp ik Augustinus' 'interior intimo meo': dieper in mij dan het diepste in mij is er het andere, de anderen, dat wil zeggen dat wat buiten is, maar ook dat wat, van binnen, voor mij vreemd blijft: mijn eigen vreemdheid, dat 'ik ben' dat niets is, dat weet te ontglippen, dat eindeloos buiten mij wegglijdt. (32) Voor echt verklaren Dat andere voegt zich hier bij het netwerk van hen door wie, tegen wie, dankzij wie, ondanks wie, in contact met wie 'ik' zich bepaalt en zich 'on-bepaalt': zich verplaatst, zich blootgeeft en zich verliest. Zo wordt 'ik' wat het 'is' en wat het nu juist nooit 'is'. Laat ik het zo zeggen: het autos hetero-ïseert zichzelf en zonder dit proces kan het zichzelf niet auto-riseren, zichzelf niet voor echt verklaren... Nooit echt Maar ik ben nooit 'echt': ik ben telkens wat anderen mij aandoen. Nu beantwoord ik uw vragen, maar als ik over een uurtje met een van mijn kinderen praat, ben 'ik' heel iemand anders. Maar er is niets dat een vaste stek zou kunnen vormen waar al die 'ikken' bij elkaar kunnen komen. Niets anders tenminste dan mijn lichaam - dat zelf helemaal is geëx-poseerd', blootgesteld aan wat buiten is... (33) De onophoudelijke verandering Men heeft wel gezegd dat de stad 'de vorm van de mensheid' was: maar de mens is de onophoudelijke verandering van de vormen van de mensheid. (75) |
