Verlichting voor dummy's > Citaten > Filosofie > Jacques Derrida Deze pagina: Citaten over niet weten van de postmoderne filosoof Jacques Derrida. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld. Uit de inleiding door Ger Groot van Marges van de filosofie, Jacques Derrida, 1989: Onbeheersbaar De werkelijkheid gaat de gepretendeerde door- en overzichtelijkheid van het denken altijd te buiten. Wij overzien nooit alles in de wereld; altijd is er een rest die ons ontsnapt, die zich voor de penetrante blik verborgen houdt en daarmee onbeheersbaar blijft. Een rest van afwezigheid blijft de pretentie van tegenwoordigheid van het denken altijd verstoren. (10) Ondoorzichtigheid Het denken zou niet kunnen functioneren zonder deze absentie, dat wil zeggen zonder een zekere ondoorzichtigheid binnen het denken zelf en zonder een zekere terughoudendheid van de objecten, die zich niet met huid en haar aan het denken uitleveren, en daarmee zonder een zekere machteloosheid van het denken, dat de wereld of zichzelf nooit volledig zal weten te beheersen. (10) Korte metten De wereld der ideeën is puur, zo zegt Plato, maar deze deugd (met heel haar impliciete morele lading) heeft ze slechts verkregen op basis van een zuivering die met elke verstorende factor korte metten maakte. Ambiguïteit, onbeslisbaarheid en vergankelijkheid moesten worden geweerd, opdat helderheid kon heersen. (12) Afgeroomd Ambiguïteit, onbeslisbaarheid en vergankelijkheid zijn niet anders dan vormen van niet-identiteit, van niet-samenvallen met zichzelf, vormen van afstand en van een 'andersheid' die niet tegenover het 'zelf' staat, maar daarmee samenvalt en dit van zichzelf gescheiden houdt. ... De filosofie werd in Plato's voetspoor de discipline van een denken dat nog slechts een abstract 'zelfde' wist te denken, waarvan elke andersheid en elke beweging, elke verandering was afgeroomd. (12) Ondoorgrondelijk Juist omdat we de dingen niet volledig doorgronden, omdat ze altijd onvermoede kanten en aspecten blijven bezitten (of althans de mogelijkheid bestaat dat ze deze bezitten - en dat is al voldoende), is hun onderscheid nooit exact te definiëren. Ze kunnen weliswaar altijd onder één noemer worden gebracht (alle boeken in hun diversiteit onder de noemer 'boek'), maar vallen nooit met deze bepaling samen en ontsnappen daaraan op duizend-en-één manieren ... (13) Iets geheel anders Dit verschil en deze onbepaaldheid, deze afstand of speling is onophefbaar, maar het denken doet net alsof het deze verschillen, deze speling wél kan opheffen, in een denken dat zich slechts op een gepretendeerd en uitgezuiverd wezen van het object richt, zonder alteratie en streng afgebakend. Deze transformatie ... leidt voortdurend tot problemen en onzekerheden: we weten vaak niet hoe we dingen moeten noemen, of datgene wat reeds benoemd en bepaald is ontpopt zich bij nader inzien, in een nieuwe context of na enige tijd, als iets geheel anders. (13) Onbekende achterkant In het schrift vloeit de betekenis uiteen in een veelheid van betekenismogelijkheden, die principieel onuitputtelijk is. Net als het object kan het schriftteken altijd nog een onbekende achterkant hebben, die zich nog niet heeft getoond en dat wellicht zelfs nooit zal doen. (15) Differentie [Idee en ding] belichamen een fundamenteel verschillende logica van betekening, een wezenlijk verschillende attitude van denken. De eerste is die van de filosofie, die niets wil weten van afstand, niet-identiteit of, beter gezegd, de anders-heid die elke identiteit in zich draagt. De andere is die van het denken van het verschil of de differentie; een denken dat tracht te aanvaarden dat het zich in de afwezigheid van de dingen, in het feit dat zij zich altijd minstens deels aan het denken onttrekken, verliest. Een denken, kortom, dat beseft dat haar onontkoombare sprong in het rijk der ideeën ... een noodsprong is die de werkelijkheid met haar inwendige verschillen en alteriteit geweld aandoet, maar zich door die werkelijkheid ... voortdurend aan deze discrepantie laat herinneren. (15) Verzonken rationaliteit Wat Derrida in zijn werk beoogt, is ... een voortdurende her-denking van deze algemene, onomvatbare en irrecuperabele werking van de alteriteit en differentie in de materialiteit van de schriftuur, die echter slechts kan worden benaderd binnen en vanuit een denken dat in zijn structuur 'ideëel' en 'platoons' blijft. ... Zijn methode beoefent geen irrationalisme, maar onderzoekt langs deducerende weg de werking van het denken en zijn rationaliteit zelf, zodanig dat tenslotte het punt bereikt wordt waarop de rationaliteit verzinkt. Niet alleen omdat ze niet verder kan worden begrond, maar omdat ze zelf een afgrondelijke structuur vertoont. Deze afgrond is de grens van het denken en uiteraard van de filosofie. Aan deze grens toont de filosofie haar ware gezicht, haar 'grond', die erin bestaat dat zei - net als vrouwen, zei Nietzsche - 'gronden heeft om haar gronden niet te tonen'. (16) Differantie Deze afgrondelijke structuur wordt door Derrida ... omschreven als différance of differantie. ... Deze differantie doortrekt het hele veld als een inwendige afgrond, die duidelijk maakt dat de grens geen scheiding tussen binnen en buiten is, maar een exterioriteit (iets dat ons altijd vreemd zal blijven en nooit kan worden toegeëigend, dat wil zeggen onderworpen en ingesponnen) die het veld zelf doortrekt en de ideëele zekerheid van elke filosofie die denkt het bestaan en alle processen van betekening daarin meester te zijn gestaag bedreigt en diskwalificeert. (16) Camouflagetechnieken ... Differantie (différance) vormt daarentegen het verdwijnpunt van het denken, dat zelf niet gedacht, maar slechts langs indirecte weg kan worden aangewezen. Deze verwijzing beoefent Derrida in het zichtbaar maken van de inwendige gravitatiekracht van het denken in de richting van dit verzinkende punt. Een verzinking waartegen het denken zich - uit eigen lijfsbehoud - hardnekkig verzet, en die niet anders dan via een geduldige analyse van de camouflagetechnieken van het denken zelf kan worden aangewezen. (18) De illusie van het denken Het 'aan gene zijde' is, strikt genomen, onverenigbaar met ons bestaan, niet alleen als individu, maar als denkende wezens zonder meer. In het totale verlies van controle, van cohesie en kracht van samenbinding, zouden we onmiddellijk desintegreren. Wie deze consequentie van de betreding van dat gebied niet onderkent, neemt de dreiging die van dat tegelijk fascinerende en schrikwekkende terrein uitgaat niet ernstig genoeg en ontbreekt het uiteindelijk aan inzicht in de noodzaak van datgene wat we hier de illusie van het denken hebben genoemd. (19) uit Marges van de filosofie, Jacques Derrida, 1989: Verhullend noch onthullend Nooit geeft [de differantie] zich aan het tegenwoordige of de tegenwoordige tijd over. Aan niemand. Terughoudend en zich niet blootgevend, zich niet exposerend, gaat ze juist op dit punt geregeld de orde van de waarheid te buiten, zonder zich overigens als een iets, als een mysterieus zijnde, te verhullen in het duister van een niet-weten of een gat met bepaalbare randen (bepaalbaar bij voorbeeld in een topologie van de castratie). In elke expositie zou zij eraan zijn blootgesteld als verdwijning te verdwijnen. Zou zij het gevaar lopen te verschijnen, dat wil zeggen te verdwijnen. (29) Bestaan noch wezen Zodat de omwegen, de fraseringen, de syntaxis ... soms bedrieglijk veel weg zullen hebben van die van de negatieve theologie. We hebben al moeten markeren dat de differantie niet is, niet bestaat, geen tegenwoordig-zijnde (on) is in welke vorm dan ook; en we zullen ook moeten markeren wat zij allemaal niet is, dat wil zeggen: alles; en dat zij derhalve geen bestaan, noch een wezen bezit. Zij valt onder geen enkele categorie van het zijnde, tegenwoordig of afwezig. (29) Geen negatieve theologie En toch is datgene wat aldus door de differantie wordt gemarkeerd niet van theologische aard, zelfs niet van de meest negatieve orde van de negatieve theologie; ook deze is er immers, zoals bekend, nog altijd op uit aan gene zijde van de eindige categorieën van essentie en existentie, dat wil zeggen van tegenwoordigheid, een supra-essentialiteit vrij te maken, zich dwingend tot het besef van het predikaat 'existentie' slechts aan God wordt ontzegd om hem vervolgens een hogere, onvatbare, onuitsprekelijke zijnswijze toe te kennen. (30) Onherleidbaar De differantie is niet alleen onherleidbaar tot welke ontologische of theologische - onto-theologische - hertoeëigening ook, maar omvat bovendien, als opening van de ruimte waarin de onto-theologie - de filosofie - haar systeem en haar geschiedenis voortbrengt, deze ruimte zelf, schrijft haar in zich in en gaat deze onherroepelijk te buiten. (30) Geen oorspronkelijke eenheid Hadden we deze (actieve) beweging van de oorsprongsloze (voortbrenging van de) differantie niet eenvoudig en zonder neografisme differentiatie kunnen noemen? Nog afgezien van verdere verwarring, zou dat woord de gedachte hebben opgeroepen aan een organische, oorspronkelijke, homogene eenheid, die weliswaar verdeeld was geraakt, maar de differentie slechts als een toevallige gebeurtenis over zich heen had zien komen (39) Bewustzijn is niet elementair Daarmee voeren we de tegenwoordigheid - en met name het bewustzijn, het bij-zichzelf-zijn van het bewustzijn - dus niet langer op als de absolute matrix-vorm van het zijn, maar als een 'bepaling' en als een 'effect'. Een bepaling of effect binnen een systeem dat niet langer dat van de tegenwoordigheid is maar van de differantie, en dat niet langer de tegenstelling verdraagt tussen activiteit en passiviteit, tussen oorzaak en gevolg, onbepaaldheid en bepaaldheid, enzovoort ... (43) Dooreengeschud Overal wordt de heerschappij van het zijnde door de differantie gesommeerd, gesolliciteerd, in de vroeg-Latijnse betekenis van het woord sollicitare: dooreenschudden, op zijn grondvesten doen wankelen. (48) De differantie is niet Zij is niet een tegenwoordig-zijnde, hoe uitnemend, uniek, fundamenteel of transcendent we ons dat ook wensen. Zij bestiert niets, heerst nergens en oefent geen enkel gezag uit, waar dan ook. Zij wordt niet in kapitalen aangekondigd. Niet alleen is er geen rijk van de differantie, sterker nog: zij wakkert de ondermijning van elk rijk aan. Hetgeen haar uiteraard bedreigend maakt, en onvermijdelijk gevreesd door alles in ons wat naar het rijk, naar de verleden of toekomstige tegenwoordigheid van een rijk verlangt. (49) Geen wezen Er is geen wezen van de differantie; deze (is) niet alleen datgene wat zich niet laat toeëigenen in het als zodanig van haar naam of haar verschijnen, maar wat bovendien het gezag van het als zodanig in het algemeen, van de tegenwoordigheid van de zaak zelf in zijn wezen, bedreigt. Dat er op dit punt geen eigen(lijk) wezen van de differantie is, betekent dat het spel van het schrift, in zoverre het de differantie in zich betrekt, geen zijn of waarheid kent. (54) Geen naam 'Ouder' dan het zijn zelf, heeft een dergelijke differantie in onze taal geen naam. Maar we 'weten al' dat haar onnoembaarheid geen zaak is van voorlopigheid, omdat onze taal die naam nog niet gevonden of ontvangen zou hebben of omdat die naam gezocht zou moeten worden in een andere taal, buiten het eindige systeem van de onze. Er is daarvoor immers geen naam, zelfs niet die van wezen of zijn, zelfs niet die van 'differantie', wat geen naam is, geen zuivere nominale eenheid vormt en onophoudelijk uiteenvalt binnen een keten van differante substituties. (56) uit de scepsis voorbij van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996: Zijn en niet-zijn tegelijk Bij Derrida wordt de bodem bodemloos; wat betekenis mogelijk maakt is tegelijk ook wat iedere betekenis voortdurend komt verstoren. Waarheid wordt paradox, zijn en niet-zijn tegelijk, een beweging in plaats van een beschrijving. (103) |
