Aanvaarden
Leerling: Verlichting is alles aanvaarden.
Meester: Verlichting is alles afstaan.
Opgeven
Leerling: Verlichting is alles opgeven.
Meester: Verlichting is alles terugnemen.
Het halve werk
Tijdens de gemeenschappelijke maaltijd klimt een van de leerlingen het podium op, werpt zijn kleren af, spreidt zijn
armen en roept: Naakt sta ik hier voor u!
De meester zegt: Wat moet ik
met je kleren? Geef me je huid.
De leerling scheurt zijn vel
los en werpt het de meester voor de voeten.
De meester zegt: Wat moet
ik met je huid? Geef me je botten.
De leerling stapt uit
zijn spieren en zakt op de vloer ineen.
De meester zegt: Wat moet ik
met je botten? Geef me je merg.
Het merg spuit uit de botten
op het gewaad en het gelaat van de meester.
De meester veegt zijn
mond schoon en zegt: Wat moet ik met je merg? Geef me je geest.
Er
gebeurt niets.
De meester zegt ongeduldig: Komt er nog wat van?
Als blijkt dat er niets van komt laat de
meester de stoffelijke resten opruimen door de andere leerlingen.
Chagrijnig zegt hij: Een goed begin is het halve werk.
De loser
Wat is het verschil tussen de verlichte en de loser?
De loser is alleen een
illusie armer.
Van de pot gerukt
Leerling: Zou u zichzelf gerealiseerd noemen?
Meester: Ik noem me liever van de pot gerukt.
Leerling: Hoe dat zo?
Meester: Wat moet een mens zonder boodschap nog op de pot?
Leerling: U heeft geen boodschap voor ons?
Meester: Geen
grote en geen kleine.
Leerling: Wilt u zeggen dat er geen
boodschap
is?
Meester: Dat zou nog steeds een boodschap
zijn.
Leerling: Waarom zegt u van de pot
gerukt?
Meester: Wie van zijn fiets waait zegt toch ook niet dat
hij is afgestapt?
De dode
Wat is het verschil tussen de verlichte en de dode?
De dode heeft alleen maar zijn leven verloren.
Het
verschil
Leerling: Wat is vrijheid?
Meester: Vergeleken met wat?
Leerling: Gebondenheid.
Meester: Niet weten wat het verschil is.
Schipbreukeling
Wat is het verschil tussen de verlichte en de schipbreukeling?
De schipbreukeling is alleen maar zijn schip kwijt.
Niet dit, niet dat
Niet het afgeleide, niet het oorspronkelijke.
Niet het zegbare, niet het onzegbare.
Niet het relatieve, niet het absolute.
Niet het tijdelijke, niet het eeuwige.
Niet het weten, niet het niet weten.
Niet het lagere, niet het hogere.
Niet het kwade, niet het goede.
Niet het worden, niet het zijn.
Niet het valse, niet het ware.
Niet de stroom, niet de bron.
Niet het doen, niet het laten.
Niet het hoofd, niet het hart.
Niet de haat, niet de liefde.
Niet het iets, niet het niets.
Niet het vele, niet het ene.
Niet het wel, niet het niet.
Vrijwillig
Meester: Wat is het verschil tussen zelfmoord en verlichting?
Leerling: Verlichting is tenminste vrijwillig.
Leerling: Wat is het verschil tussen zelfmoord en verlichting?
Meester: Zelfmoord is tenminste vrijwillig.
Geen enkele
Leerling: Heeft u dan helemaal geen illusies meer?
Meester: Ook die illusie ben ik kwijt.
Alles
Leerling: Is alles dan alleen maar een illusie?
Meester: Ook die illusie ben ik kwijt.
Doorzien
Leerling: Wat als je de illusie doorziet?
Meester: Dan ben je gedesillusioneerd.
Leerling: Hè?
Meester: Wat had je dan gedacht.
Leerling: Verlicht.
Meester: Ook die illusie ben je kwijt.
Leerling: Het enige wat overblijft is desillusie?
Meester: Ook díe illusie ben je kwijt.
Laatste boodschap
Een leerling zegt tegen zijn stervende meester: Welke boodschap wilt u
mij nog meegeven?
De meester kreunt: Eén liter melk en een half gesneden wit.
Een ter dood veroordeelde
Wat is het verschil tussen de verlichte en de ter dood veroordeelde?
De ter dood veroordeelde is alleen maar zijn toekomst kwijt.
Een ziekte
Leerling: Is verlichting te vergelijken met een ziekte?
Meester: Aan een ziekte kan men tenminste nog sterven.
Meester tot op het bot
Een leerling smeekte zijn stervende meester: Laat me niet met lege
handen achter!
De meester zei: Waar ben ik anders meester voor.
Een leerling smeekte zijn stervende meester: Laat me niet met lege handen
achter.
De meester greep de handen van de leerling met onverwachte kracht vast
en zei: Zelfs die neem ik je nog af!
Een leerling smeekte zijn stervende meester: Laat me niet met lege handen achter.
De meester zei: Ik laat je mijn lijk!
De leerling pruilde: Dat zal alleen maar ontbinden.
De meester zei: Ontbinding is het toppunt van meesterschap.
Een doorslaand succes
Leerling: U heeft tenminste iets bereikt.
Meester: Zeg dat wel.
Leerling: Wat is het precies dat u heeft bereikt?
Meester: Het niet bereiken heb ik bereikt.
Zelfverlies
Leerling: Verlichting is zelfverlies.
Meester: Zelfs dat raak je kwijt.
Job
Leerling: Is de ontwaakte te vergelijken met Job uit het Oude Testament?
Meester: Die had tenminste nog een mesthoop om op te zitten.
Groot Uitzicht
Leerling: Waarom heb ik
geen Groot Inzicht?
Meester: Ik spreek liever van Groot
Uitzicht.
Leerling: Waarom heb ik geen Groot Uitzicht?
Meester: Omdat er een muur voor staat.
Leerling: Wat voor muur?
Meester: Een muur van ideeën.
Leerling: En die moet weg?
Meester: Och.
Leerling: Nou?
Meester: Die muur is ook maar een idee.
Leerling: Weg ermee!
Meester: Degene die hem moet weghalen is ook maar een idee.
Leerling: En als die muur weg is?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Groot Uitzicht zei u toch?
Meester: Ook maar een idee.
In één keer
Wat is verlichting?
In één keer je verlies nemen.
De sleutel tot het geluk
Leerling: Niet weten is de sleutel tot het geluk!
Meester: Maar waar is toch het slot?
Leerling: Wat is de sleutel tot het geluk?
Meester: Het slot.
Leerling: Wat is de sleutel tot het geluk?
Meester: Het ongeluk.
Ik weet het ook niet
Leerling: Bent u een gelukkig mens?
Meester: Ben ik een mens?
Leerling: Dat nam ik inderdaad even aan.
Meester: Ben ik?
Leerling: Dat nam ik inderdaad even aan.
Meester: En wat betekent gelukkig?
Leerling: Ik had gehoopt dat u dat wist.
Meester: Hoop doet lijden...
Leerling: Maar...
Meester: Of was het nou andersom?
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Leed doet hopen?
Leerling: Ik weet het ook niet.
Meester: Ik weet het ook niet.
Niets
Leerling: Maakt het u gelukkig niets te weten?
Meester: Het maakt me niets.
Leerling: Maakt het u gelukkig niets te weten?
Meester: Wie?
Leerling: Maakt het u gelukkig niets te weten?
Meester: Wie zegt dat ik niets weet.
Ruimte
Wat is het verschil tussen de onverlichte en de verlichte?
De eerste heeft te weinig ruimte, de tweede te veel.
De mysticus en de dwijze
Leerling: Wat is het verschil tussen de mysticus en de dwijze?
Meester: De mysticus vereenzelvigt zich met God.
Leerling: En de dwijze?
Meester: Die vereenzelvigt zich niet.
Overgave
Leerling: U bent het licht in mijn leven!
Meester: Het
dwaallicht, zul je bedoelen.
Leerling: Voor u ga ik door het
vuur.
Meester: Loop er liever omheen.
Leerling: Ik volg u desnoods tot in de hel.
Meester: Zelfs daarheen weet ik de weg niet.
De nihilist
Leerling: Is verlichting te vergelijken met nihilisme?
De meester schudt het hoofd.
Leerling: Waarom niet?
Meester: De nihilist gelooft tenminste nog dat er niets is om in te geloven.
Te vroeg
Leerling, somber: Het lukt me niet eens meer om depressief te worden.
Meester: Niet te vroeg getreurd.
Leerling, somber: U heeft helemaal gelijk gekregen.
Meester: Niet te vroeg gejuicht.
Schrale troost
Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.
Meester: Maar daar dient de volgende zich alweer aan.
Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.
Meester: Maar niets weerhoudt haar ervan opnieuw langs te komen.
Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.
Meester: De heerlijkste ook.
Leerling: Iedere gedachte is zo voorbij.
Meester: Deze ook.
Neutraliteit
De meester roert verveeld in zijn soep.
Meester: Je oordeelt niet meer.
Leerling: Ik
doe mijn best.
Meester: En, bevalt het?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Nou, mij bevalt het niks.
Leerling: Ik dacht nog wel dat u neutraliteit hoog in het vaandel
had.
Meester: Ik heb geen vaandel.
Leerling: Dat is waar ook.
Meester: Bovendien heb ik niets tegen vaandels.
Leerling: Ook dat nog.
De meester bromt iets onverstaanbaars.
Leerling: Wat zegt u?
Meester: Ik heb alleen maar een lepel.
Hij roert verveeld in zijn soep.
Een zegen
Leerling: Niets heeft nog betekenis!
Meester: En?
Leerling: Het is een zegen!
Meester: Toch weer betekenis
gevonden?
Werkelijk alles
Leerling: Bent u werkelijk alles kwijtgeraakt?
Meester: Heb ik ooit iets gehad?
Leerling: Bent u werkelijk alles kwijtgeraakt?
Meester: Wat heet werkelijk.
Leerling: Bent u werkelijk alles kwijtgeraakt?
Meester: Wie?
Leerling: Het lijkt wel of alleen het kwijtraken nog over is.
Meester: Ook weg.
Nooit meer
Leerling: Als je overal thuis bent, kun
je nooit meer verdwalen!
Meester: Als je nergens thuis bent
ook niet.
Tegenwicht
Meester: Wat is verlichting?
Leerling: Minder snel in zak en as zitten!
Meester: Minder snel in vuur en vlam staan.
Leerling: Minder reden tot verdriet hebben!
Meester: Minder reden tot blijdschap hebben.
Leerling: Minder last hebben van je herinneringen!
Meester: Er minder genoegen aan beleven.
Leerling: Minder lang beledigd blijven!
Meester: Minder lang vereerd.
Leerling: Uit de greep van het kwade raken!
Meester: Uit de greep van het goede.
Leerling: Niet meer weten wat haat is!
Meester: Of liefde.
Leerling: Je minder schuldig voelen!
Meester: En minder onschuldig.
Leerling: Niet meer zo ondankbaar zijn!
Meester: En niet meer zo dankbaar.
Leerling: Minder reden hebben tot krenterigheid!
Meester: En minder tot goedgeefsheid.
Leerling: Minder streberig zijn!
Meester: Minder bereiken.
Leerling: Minder gepieker!
Meester: Minder verheugenis.
Leerling: Beter tegen kritiek kunnen!
Meester: Minder van complimentjes genieten.
Leerling: Minder snel van slag zijn door je fouten.
Meester: Minder verguld zijn met je prestaties.
Leerling: Niets meer te verliezen!
Meester: Niets meer te winnen.
Leerling: Geen grassprietje ligt nog verkeerd!
Meester: Geen grassprietje ligt nog goed.
Leerling: Alles relativeren!
Meester: Zelfs het relativeren.