Verlichting voor dummy's > Citaten > Religie > Hindoeïsme Deze pagina: Citaten over niet weten uit de Oepanishaden. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld. Scheppingshymne uit de Rig Wedauit Oepanishads, Ir. J.A. Blok, 1926/1994:Of weet hij 't soms ook niet? Er was noch Zijn noch Nietzijn in die stond. Er was geen luchtruim en geen hemel boven. Wat roerde zich? En waar? Onder wiens opzicht? Bestond er water en 't afgrondlijk diep? Er was geen dood en geen onsterflijkheid. Er was geen wisseling van dag en nacht. Slechts ademde ademloos daar door zichzelf Het Ene, en daarbuiten was niets anders. Alleen was Duisternis, omhuld van duister. Onkenbaar woelde in het begin dit al En lege ruimte omsloot de eenzaamheid. Daarin steeg allereerst begeerte op, Toen van de geest de vroegste kiem zich roerde. De eenheid van het Zijn vonden de wijzen In Nietzijn, speurend met huns harten inzicht. En dwars daar doorheen was hun koord gespannen. Wat was er onder en wat was er boven? Voortbrengers waren er, er waren machten; En scheppingskracht was onder, streven boven. Wie kent het waarlijk, wie kan het verkonden Vanwaar de schepping voortkwam, uit ontstond? De goden reiken tot die verte niet. Wie is 't, die weet vanwaar zij is gekomen? Waaruit de schepping voortgesproten is, Of zij geschapen is of ongeschapen; Dat weet slechts hij, die uit de hoogste hemel Neerziet daarop ... of weet hij 't soms ook niet? (5) uit Oepanishads, Ir. J.A. Blok, 1926/1994: Brihadâranyaka OepanishadVan uiterlijk noch innerlijk weten Zoals een man in de omhelzing van zijn geliefde vrouw van niets innerlijks noch uiterlijks meer weet, zo weet deze mens in de omhelzing van het intellectuele zelf van niets uiterlijks noch innerlijks meer. (21) Uitgevaren Daar is een vader niet vader en een moeder niet moeder, de werelden zijn er niet werelden, de goden niet goden, de Weda's niet Weda's, een dief niet dief, een vruchtdoder niet vruchtdoder, [...] een bedelmonnik niet bedelmonnik, een askeet niet askeet. Hem volgt geen goed, hem volgt geen kwaad, want dan is hij uitgevaren boven alle kommer des harten. (21, 22) Ofschoon hij niet kent Terwijl hij daar niet kent, kent hij waarlijk, ofschoon hij niet kent, want daar is geen einde aan het kennen van de kenner door diens onvergankelijkheid. (23) Hij kent niet "Hij is een geworden," zegt men, "hij ziet niet." "Hij is een geworden," zegt men, "hij ruikt niet." "Hij is een geworden," zegt men, "hij proeft niet." "Hij is een geworden," zegt men, "hij spreekt niet." "Hij is een geworden," zegt men, "hij hoort niet." "Hij is een geworden," zegt men, "hij denkt niet." "Hij is een geworden," zegt men, "hij voelt niet." "Hij is een geworden," zegt men, "hij kent niet." (25, 26) In blinde duisternis In blinde duisternis gaan zij, Die niet-weten huldigen; In blindere nog, die zich Vermeien in weten. (28) Tsjândogya Oepanishad[extra regelomhalen ingevoegd voor de leesbaarheid]Honing Zoals de bijen, mijn kind, honing bereiden door het sap van onderscheiden bomen te verzamelen en tot een eenheid te verwerken, zodat het zelf niet meer kan onderscheiden: "Ik ben het sap van deze boom", of "Ik ben het sap van die boom", zo inderdaad, mijn kind, weten de schepselen hier niet, wanneer zij het ware Zijn hebben bereikt: "Wij hebben het ware Zijn bereikt". (42) Rivieren Deze rivieren, mijn kind, stromen - de oostelijke naar het oosten, de westelijke naar het westen. Zij gaan van oceaan tot oceaan. Zij worden de oceaan zelf. Zoals zij daar niet weten: "ik ben deze", "ik ben die", zo, mijn kind, weten de schepselen hier niet, wanneer zij zijn voortgekomen uit het ware Zijn: "Wij zijn voortgekomen uit het ware Zijn". (43) Dan kent hij ze niet Rondom een doodzieke, mijn kind, verzamelen zich zijn verwanten en vragen: "Kent gij me," "kent gij me". Zolang zijn stem niet is ingegaan in zijn verstand, zijn verstand in de levensadem, de levensadem in de gloed, de gloed in het hoogste Wezen, zo lang kent hij ze. Maar wanneer zijn stem is ingegaan in zijn verstand, zijn verstand in zijn levensadem, zijn levensadem in de gloed, de gloed in het hoogste Wezen, dan kent hij ze niet. (46) Isja OepanishadVlugger dan het denkenOnbeweeglijk is het Ene, vlugger dan denken. De zinnen raken Het niet. Het snelt hen vooruit. Stilstaande laat het alle renners achter. (48) Kena OepanishadBoven het ongewetene ookDaartoe reikt het oog niet, De taal niet noch de gedachte. Wij weten noch begrijpen Hoe iemand het ons leren zou. Het is anders dan het gewetene En boven het ongewetene ook. Zo hebben wij van de Ouden gehoord, Die Het ons verkondden. (52) Wat het denken denkt Dat wat niet gedacht wordt met het denken, Maar waardoor het denken gedacht wordt, Ken dit waarlijk als Brachman, Niet wat het volk als Brachman eert. (52) Gekend door de niet-kennenden (Meester:) Indien gij denkt het goed te weten, weet gij maar weinig: een verschijningsvorm slechts van Brachman - wat gij daarvan zelf zijt en wat daarvan onder de goden is. Daarom denk ik, dat gij dit "kennen" nog te onderzoeken hebt. (Leerling:) Ik denk niet het goed te weten, Maar weet ook niet, dat ik het niet weet. Wie van ons Het kent, kent Het, Hij toch weet niet, dat hij niet weet. (Meester:) Het wordt gedacht, door wie Het niet gedacht wordt. Door wie Het gedacht wordt, die kent Het niet. Het wordt niet gekend door de kennenden. Door de niet-kennenden wordt Het gekend. (53, 54) Kathaka OepanishadOnbegrijpelijk dieper dan diepDie midden in onwetendheid verblijven Vol eigendunk, en zich geleerden wanen, Her- en derwaarts dolend gaan ze om, misleid, Als blinden die geleid worden door blinden. Niet klaar is de overgang voor wie gedacht'loos, Als kind door weelde begoocheld, wordt misleid, Denkend: "dit is de wereld, daar is geen ander". Telkens en telkens weer valt hij onder mijn heerschappij. Hem van wie te horen niet velen te beurt valt, Die velen, hoewel horende, niet kennen, ... Een wonder is 't, die Hem verkondigt; kundig, die Hem vat, Een wonder de kenner, die deugdelijk onderricht is. Niet wen verkondigd door minderen kan hij Wel worden begrepen, schoon dikwijls overdacht. Zo niet een ander Hem ontvouwt, is Hij onvindbaar, Want hij is onbegrijpelijk dieper dan diep. (63) Het ongeopenbaarde Hoger dan de zinnen is het verstand, Hoger dan het verstand de wijsheid, Hoger dan de wijsheid het Grote Zelf, Hoger dan het Grote Zelf het Ongeopenbaarde. (75) Als de zinnen rusten Als de vijf waarnemingen ophouden Te zamen met het verstand En de rede rust ... Dit, zeggen zij, is de hoogste weg. (75) Ongrijpbaar Noch door taal, noch door verstand, Noch door gezicht kan Hij worden gegrepen. (75,76) Moendaka OepanishadZij, die te midden van onwetendheid verblijvenVol eigendunk en zich geleerden wanen, Her-, derwaarts dolende gaan ze om, misleid Als blinden die geleid worden door blinden. (80) Onbegrepen Niet door gezicht wordt Het begrepen, noch door spraak Noch door een ander zintuig, werk of overpeinzing. (86) Door wie Hij uitkiest Die Âtman wordt niet erlangd door lering, Noch door verstand, noch door veel kennis. Hij wordt enkel erlangd door wie Hij uitkiest. Aan zulk één openbaart Hij zich. (86) Uitstromen Zoals rivieren in de oceaan uitstromen, Verdwijnen, naam en vorm verliezend, Zo ook gaat de wijze vrij van naam en vorm Naar de Poeroesja heen, hoger dan het hoogste. (87) Sjwetâsjwatara OepanishadWeten en niet-wetenTwee in het eeuwig, eindloos, hoogste Brachman Zijn er verborgen: weten en niet-weten. Vergankelijk is niet-weten, eeuwig weten. Maar wie gebiedt daarover is een ander. (100) Onzijdig evenmin Noch vrouwelijk, noch manlijk is het En ook onzijdig evenmin. Welk lichaam het ook aanneemt, Daarmee wordt het verbonden. (101) Brhad-Aranyaka Upanishad
Uit de Brhad-Aranyaka Upanishad; overgenomen uit 25 Eeuwen
Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van
der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:Zichzelf buiten weten De brahmanenstand laat hem in de steek die zichzelf buiten de brahmanenstand weet. De krijgerstand laat hem in de steek die buiten zichzelf de krijgersstand weet. De werelden laten hem in de steek die zichzelf buiten de werelden weet. De goden laten hem in de steek die buiten zichzelf de goden weet. De wezens laten hem in de steek die buiten zichzelf de wezens weet. Het al laat hem in de steek die buiten zichzelf het al weet. Dit is de brahmanenstand, dit is de krijgersstand, dit zijn de werelden, dit zijn de goden, dit is het al: dit zelf. (53) uit het mysterie van het Zelf: de voornaamste Upanishaden, W.H. van Vledder, 2006: Die Het kent, kent Het niet De leraar zegt: "Als je denkt Dat goed te kennen, ken je Het niet. In zijn volheid kennen Het noch mensen noch Goden, Zoek daarom verder, denk na, studeer en mediteer." Als de leerling terugkomt zegt hij: "Ik denk dat ik Het nu ken." De leraar vraagt: "Hoe ken je Het?" De leerling antwoordt: "Ik denk niet dat ik Het waarlijk ken, ik ken Het, maar weet dat ik Het ook niet ken. Wie dat begrijpt, die kent Het, maar hij weet ook, dat hij Het niet kent." Hij kent Het, die Het niet kent, hij die Het kent, die kent Het niet. Het wordt niet begrepen door hem die Het begrijpt, Het wordt begrepen door hem die Het niet begrijpt. (78) Diepe duisternis Door diepe duisternis gaan zij die leven in onwetendheid, maar dieper duisternis wacht hen die zich verheugen slechts in kennis en in denken. (88) Shankara (788 - 820)
uit Het diadeem van wijsheid, Kluwer, Deventer 1971; oorspronkelijke titel: Viveka Chudamani: |