(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Hindoeïsme a-z



Verlichting voor dummy'sCitaten >  Religie > Hindoeïsme

Deze pagina: Citaten over niet weten uit de Oepanishaden.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.





Scheppingshymne uit de Rig Weda

uit Oepanishads, Ir. J.A. Blok, 1926/1994:

Of weet hij 't soms ook niet?
Er was noch Zijn noch Nietzijn in die stond.
Er was geen luchtruim en geen hemel boven.
Wat roerde zich? En waar? Onder wiens opzicht?
Bestond er water en 't afgrondlijk diep?
Er was geen dood en geen onsterflijkheid.
Er was geen wisseling van dag en nacht.
Slechts ademde ademloos daar door zichzelf
Het Ene, en daarbuiten was niets anders.
Alleen was Duisternis, omhuld van duister.
Onkenbaar woelde in het begin dit al
En lege ruimte omsloot de eenzaamheid.
Daarin steeg allereerst begeerte op,
Toen van de geest de vroegste kiem zich roerde.
De eenheid van het Zijn vonden de wijzen
In Nietzijn, speurend met huns harten inzicht.
En dwars daar doorheen was hun koord gespannen.
Wat was er onder en wat was er boven?
Voortbrengers waren er, er waren machten;
En scheppingskracht was onder, streven boven.
Wie kent het waarlijk, wie kan het verkonden
Vanwaar de schepping voortkwam, uit ontstond?
De goden reiken tot die verte niet.
Wie is 't, die weet vanwaar zij is gekomen?
Waaruit de schepping voortgesproten is,
Of zij geschapen is of ongeschapen;
Dat weet slechts hij, die uit de hoogste hemel
Neerziet daarop ... of weet hij 't soms ook niet? (5)



uit Oepanishads, Ir. J.A. Blok, 1926/1994:


Brihadâranyaka Oepanishad


Van uiterlijk noch innerlijk weten
Zoals een man in de omhelzing van zijn geliefde vrouw van niets innerlijks noch uiterlijks meer weet, zo weet deze mens in de omhelzing van het intellectuele zelf van niets uiterlijks noch innerlijks meer. (21)

Uitgevaren
Daar is een vader niet vader en een moeder niet moeder, de werelden zijn er niet werelden, de goden niet goden, de Weda's niet Weda's, een dief niet dief, een vruchtdoder niet vruchtdoder, [...] een bedelmonnik niet bedelmonnik, een askeet niet askeet. Hem volgt geen goed, hem volgt geen kwaad, want dan is hij uitgevaren boven alle kommer des harten. (21, 22)

Ofschoon hij niet kent
Terwijl hij daar niet kent, kent hij waarlijk, ofschoon hij niet kent, want daar is geen einde aan het kennen van de kenner door diens onvergankelijkheid. (23)

Hij kent niet
"Hij is een geworden," zegt men, "hij ziet niet."
"Hij is een geworden," zegt men, "hij ruikt niet."
"Hij is een geworden," zegt men, "hij proeft niet."
"Hij is een geworden," zegt men, "hij spreekt niet."
"Hij is een geworden," zegt men, "hij hoort niet."
"Hij is een geworden," zegt men, "hij denkt niet."
"Hij is een geworden," zegt men, "hij voelt niet."
"Hij is een geworden," zegt men, "hij kent niet." (25, 26)

In blinde duisternis
In blinde duisternis gaan zij,
Die niet-weten huldigen;
In blindere nog, die zich
Vermeien in weten. (28)


Tsjândogya Oepanishad

[extra regelomhalen ingevoegd voor de leesbaarheid]

Honing
Zoals de bijen, mijn kind, honing bereiden
door het sap van onderscheiden bomen te verzamelen
en tot een eenheid te verwerken,
zodat het zelf niet meer kan onderscheiden:
"Ik ben het sap van deze boom", of
"Ik ben het sap van die boom",
zo inderdaad, mijn kind, weten de schepselen hier niet,
wanneer zij het ware Zijn hebben bereikt:
"Wij hebben het ware Zijn bereikt". (42)

Rivieren
Deze rivieren, mijn kind, stromen -
de oostelijke naar het oosten,
de westelijke naar het westen.
Zij gaan van oceaan tot oceaan.
Zij worden de oceaan zelf.
Zoals zij daar niet weten:
"ik ben deze", "ik ben die",
zo, mijn kind, weten de schepselen hier niet,
wanneer zij zijn voortgekomen uit het ware Zijn:
"Wij zijn voortgekomen uit het ware Zijn". (43)

Dan kent hij ze niet
Rondom een doodzieke, mijn kind,
verzamelen zich zijn verwanten en vragen:
"Kent gij me," "kent gij me".
Zolang zijn stem niet is ingegaan in zijn verstand,
zijn verstand in de levensadem,
de levensadem in de gloed,
de gloed in het hoogste Wezen,
zo lang kent hij ze.
Maar wanneer zijn stem is ingegaan in zijn verstand,
zijn verstand in zijn levensadem,
zijn levensadem in de gloed,
de gloed in het hoogste Wezen,
dan kent hij ze niet. (46)


Isja Oepanishad

Vlugger dan het denken
Onbeweeglijk is het Ene, vlugger dan denken.
De zinnen raken Het niet.
Het snelt hen vooruit.
Stilstaande laat het alle renners achter. (48)


Kena Oepanishad

Boven het ongewetene ook
Daartoe reikt het oog niet,
De taal niet noch de gedachte.
Wij weten noch begrijpen
Hoe iemand het ons leren zou.
Het is anders dan het gewetene
En boven het ongewetene ook.
Zo hebben wij van de Ouden gehoord,
Die Het ons verkondden. (52)

Wat het denken denkt
Dat wat niet gedacht wordt met het denken,
Maar waardoor het denken gedacht wordt,
Ken dit waarlijk als Brachman,
Niet wat het volk als Brachman eert. (52)

Gekend door de niet-kennenden
(Meester:) Indien gij denkt het goed te weten,
weet gij maar weinig:
een verschijningsvorm slechts van Brachman -
wat gij daarvan zelf zijt
en wat daarvan onder de goden is.
Daarom denk ik, dat gij dit "kennen"
nog te onderzoeken hebt.

(Leerling:) Ik denk niet het goed te weten,
Maar weet ook niet, dat ik het niet weet.
Wie van ons Het kent, kent Het,
Hij toch weet niet, dat hij niet weet.

(Meester:) Het wordt gedacht,
door wie Het niet gedacht wordt.
Door wie Het gedacht wordt,
die kent Het niet.
Het wordt niet gekend door de kennenden.
Door de niet-kennenden wordt Het gekend. (53, 54)


Kathaka Oepanishad

Onbegrijpelijk dieper dan diep
Die midden in onwetendheid verblijven
Vol eigendunk, en zich geleerden wanen,
Her- en derwaarts dolend gaan ze om, misleid,
Als blinden die geleid worden door blinden.

Niet klaar is de overgang voor wie gedacht'loos,
Als kind door weelde begoocheld, wordt misleid,
Denkend: "dit is de wereld, daar is geen ander".
Telkens en telkens weer valt hij onder mijn heerschappij.

Hem van wie te horen niet velen te beurt valt,
Die velen, hoewel horende, niet kennen, ...
Een wonder is 't, die Hem verkondigt; kundig, die Hem vat,
Een wonder de kenner, die deugdelijk onderricht is.

Niet wen verkondigd door minderen kan hij
Wel worden begrepen, schoon dikwijls overdacht.
Zo niet een ander Hem ontvouwt, is Hij onvindbaar,
Want hij is onbegrijpelijk dieper dan diep. (63)

Het ongeopenbaarde
Hoger dan de zinnen is het verstand,
Hoger dan het verstand de wijsheid,
Hoger dan de wijsheid het Grote Zelf,
Hoger dan het Grote Zelf het Ongeopenbaarde. (75)

Als de zinnen rusten
Als de vijf waarnemingen ophouden
Te zamen met het verstand
En de rede rust ...
Dit, zeggen zij, is de hoogste weg. (75)

Ongrijpbaar
Noch door taal, noch door verstand,
Noch door gezicht kan Hij worden gegrepen. (75,76)


Moendaka Oepanishad

Zij, die te midden van onwetendheid verblijven
Vol eigendunk en zich geleerden wanen,
Her-, derwaarts dolende gaan ze om, misleid
Als blinden die geleid worden door blinden. (80)

Onbegrepen
Niet door gezicht wordt Het begrepen, noch door spraak
Noch door een ander zintuig, werk of overpeinzing. (86)

Door wie Hij uitkiest
Die Âtman wordt niet erlangd door lering,
Noch door verstand, noch door veel kennis.
Hij wordt enkel erlangd door wie Hij uitkiest.
Aan zulk één openbaart Hij zich. (86)

Uitstromen
Zoals rivieren in de oceaan uitstromen,
Verdwijnen, naam en vorm verliezend,
Zo ook gaat de wijze vrij van naam en vorm
Naar de Poeroesja heen, hoger dan het hoogste. (87)


Sjwetâsjwatara Oepanishad

Weten en niet-weten
Twee in het eeuwig, eindloos, hoogste Brachman
Zijn er verborgen: weten en niet-weten.
Vergankelijk is niet-weten, eeuwig weten.
Maar wie gebiedt daarover is een ander. (100)

Onzijdig evenmin
Noch vrouwelijk, noch manlijk is het
En ook onzijdig evenmin.
Welk lichaam het ook aanneemt,
Daarmee wordt het verbonden. (101)


Brhad-Aranyaka Upanishad

Uit de Brhad-Aranyaka Upanishad; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Zichzelf buiten weten
De brahmanenstand laat hem in de steek die zichzelf buiten de brahmanenstand weet.
De krijgerstand laat hem in de steek die buiten zichzelf de krijgersstand weet.
De werelden laten hem in de steek die zichzelf buiten de werelden weet.
De goden laten hem in de steek die buiten zichzelf de goden weet.
De wezens laten hem in de steek die buiten zichzelf de wezens weet.
Het al laat hem in de steek die buiten zichzelf het al weet.
Dit is de brahmanenstand, dit is de krijgersstand, dit zijn de werelden, dit zijn de goden, dit is het al: dit zelf. (53)



uit het mysterie van het Zelf: de voornaamste Upanishaden, W.H. van Vledder, 2006:

Die Het kent, kent Het niet
De leraar zegt:
"Als je denkt Dat goed te kennen, ken je Het niet.
In zijn volheid kennen Het noch mensen noch Goden,
Zoek daarom verder, denk na, studeer en mediteer."

Als de leerling terugkomt zegt hij:
"Ik denk dat ik Het nu ken."
De leraar vraagt:
"Hoe ken je Het?"

De leerling antwoordt:
"Ik denk niet dat ik Het waarlijk ken,
ik ken Het, maar weet dat ik Het ook niet ken.
Wie dat begrijpt, die kent Het,
maar hij weet ook, dat hij Het niet kent."

Hij kent Het, die Het niet kent,
hij die Het kent, die kent Het niet.
Het wordt niet begrepen door hem die Het begrijpt,
Het wordt begrepen door hem die Het niet begrijpt.
(78)

Diepe duisternis
Door diepe duisternis gaan zij
die leven in onwetendheid,
maar dieper duisternis wacht hen
die zich verheugen slechts in kennis en in denken.
(88)


Shankara (788 - 820)

uit Het diadeem van wijsheid, Kluwer, Deventer 1971; oorspronkelijke titel: Viveka Chudamani:

Hetzelfde denkvermogen
Wind drijft wolken bijeen en scheidt ze weer. Het denkvermogen schept bindingen en lost ze weer op.

Het denken schept banden met het lichaam en voorwerpen der wereld. Als een dier in een val wordt de mens erdoor gevangen gehouden. Hetzelfde denken echter schept tevens de grootste afschuw van zinswaarnemingen, als waren deze gif. Hiermee bevrijdt het zich van gebondenheid.

Aldus is het denkvermogen de oorzaak van gebondenheid en bevrijding. Door rayas verduisterd brengt het gebondenheid. Gezuiverd en van rayas en tamas bevrijd, schenkt het bevrijding. (21)

Als een kind
Wie atman kent identificeert zich niet langer met het lichaam. Hij verblijft erin en gebruikt het als voertuig. Indien men hem gerieflijkheden of rijkdom schenkt verheugt hij zich en speelt ermee als een kind. Hij draagt geen uiterlijke kenmerken van heiligheid en blijft volkomen vrij van aardse gebondenheid. (94)

Gekleed of naakt
Hij kan dure kleren dragen of naakt zijn. Hij kan in hertevel, tijgerhuid of blank gewaad gekleed gaan. Hij kan het voorkomen hebben van een dwaas, kind of onreine geest. Aldus gaat hij in de wereld rond. (94)

Als nar of als wijze
Vaak verschijnt hij als nar, vaak als wijze. Vaak openbaart hij zich als vorst, dan weer als dwaas. Soms is hij rustig en zwijgzaam, een andere maal trekt hij mensen tot zich zoals een reuzenslang zijn buit. Zowel eer, verachting als belediging is het lot dat mensen hem bedelen. (95)

Doch
Hij handelt doch wordt hierdoor niet gebonden. Hij oogst de vruchten van vroegere daden doch deze zelf beroeren hem niet. Hij bezit een lichaam doch identificeert zich hiermee niet. Hij lijkt een kluizenaar te zijn doch is steeds toch bij alles aanwezig. (95)



Uit de Upadesha-shasri, een duizendtal onderrichtingen; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

109
Indien het zo is, Eerwaarde, is het boven alles verheven onveranderlijke kennen (avagati),
dat in wezen het licht van het Zelf is, uit zichzelf evident, omdat het met betrekking tot zichzelf niet afhankelijk is van een ken-middel. Het daarvan verschillende is niet geestelijk en bestaat omwille van iets anders, omdat het samen [met iets anders] werkzaam is. En wat niet het Zelf is, bestaat alleen in die eigen natuur, waarin het omwille van iets anders [het Zelf] is, in de vorm [waarin het zich aan] de kennis [voordoet, namelijk] als voorstelling van geluk, lijden en verblinding, niet in enige andere vorm. Dus bestaat het volgens de uiteindelijke waarheid (paramarthatas) niet.
Want zoals men in het dagelijks leven ziet dat bijvoorbeeld een slang [die men op een touw projecteert, of het water [dat men in een] luchtspiegeling [ziet], buiten de kennis daarvan niet bestaan, zo kan ook wat als veelheid bestaat in waken en dromen buiten de kennis ervan niet bestaan.

Precies zo, Eerwaarde, is de kennis, die het licht van het Zelf is, omdat zij ononderbroken bestaat, boven alles verheven onveranderlijk, en is zij zonder veelheid, omdat zij bij geen enkele van de verschillende voorstellingen afwezig is. Maar de verschillende voorstellingen zijn [soms] wel afwezig bij de kennis. Zoals men van de voorstellingen in de droom, die de vorm hebben van verschillende gestalten, bijvoorbeeld blauw en geel, en die van hun kennis afwezig [kunnen] zijn, zegt dat zij uiteindelijk (paramarthatas) niet bestaan, zo moeten ook in de wakende toestand de verschillende voorstellingen van blauw en geel en dergelijke die van diezelfde kennis afwezig [kunnen] zijn, van nature onwaar zijn. En van deze kennis is geen ervan onderscheiden kenner, en daarom kan zij in haar eigen natuur zelf noch aangenomen noch losgelaten worden, ook omdat er neits anders bestaat. (153)