Verlichting voor dummy's > Citaten > Cultuur > Hans Andreus Deze pagina: Gedichten over niet weten van de dichter Hans Andreus. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. Alle titels op deze pagina zijn van Hans Andreus zelf. Uit Waarom daarom, Hans Andreus, 1967. Bron: dbnl.nl. Waarom daarom (of het klemtoonliedje) Wil ik weten waaròm, zoek ik Wáárom Dáárom op. Hij heeft een harde houten kop, maar hij is echt niet dom. Vraag ik hem waaròm, dan zegt-ie: ‘Wáárom? Wáárom? Dáárom! Dáárom! Dáárom! En voor de rest: daaròm!’ Zeg ik dan ontevreden: ‘Maar dáárom is geen reden, zegt Wáárom Dáárom: ‘Doe niet zo stom, daar gaat daaròm niet om!’ ‘Waar gaat waaròm dan om?’ vraag ik dan weer. Maar hij: ‘Wáárom? Dáárom! - zoals ik al zei. En daar blijf ik bij!’ Uilenwijsheid Een dikke wijze uil die zei: ‘Die wijsheid dat is niks voor mij! Want daar een uil voor wijs doorgaat, vraagt iedereen me maar om raad. Zodat ik altijd denken moet en altijd denken is niet goed. Je wordt er dun van en boosaardig en ik blijf liever dik en aardig. Dus neem ik nu een wijs besluit: het is met al mijn wijsheid uit. Vraagt iemand mij nu weer om raad, dan hoort hij niets dan mallepraat!’ De papegaai Er was een keer een papegaai, die sprak zo mooi en wijs en fraai als zelfs de knapste professoren en dus liet hij zijn stem steeds horen: ‘Dames en Heren, hum, hum, ik wil maar beweren, hum, hum, zoals ik al zei, hum, hum, ja, ja, enzovoort en etcetera!’ Die papegaai ging vaak op reis en sprak dan mooi en fraai en wijs in stadje, dorpje of gehuchtje - overal hoorde je z'n kuchje: ‘Dames en Heren, uch, uch, ik wil maar beweren, kuch, kuch, zoals ik al zei, hum, hum, ja ja, enzovoort en etcetera!’ Maar plotseling, op een goeie keer, toen wou die papegaai niet meer. Hij sprak: 't Is leuk, dat vele praten, maar wijs is hij die 't na kan laten ... Dames en Heren, hum, hum, ik wil maar beweren, hum, hum, dat wie te veel praat, zelfs wijs en fraai, die lijkt, hum, hum, op een papegaai!’ Hum, hum! Jaja! Uit Verzamelde gedichten, zesde druk, 2001: Er drijven maar wolken over Er drijven maar wolken over wolken van grijs en wit wolken waar licht op ligt ik kan aan de wolken geloven. Er drijven maar wolken over wolken van langzaam op reis wolken van grijs en grijs ik moet aan de wolken geloven. Ik kijk maar ik kijk er maar naar ik kijk naar de wolken te kijken begin op de wolken te lijken ik drijf als een wolk de hemel weet waar. (14) 's Nachts De regen van noem mij desnoods geen regen wordt door geen oor wordt door de huid gehoord. Booglamplicht geeft waarom daarom zijn zegen; de hemel zwijgt en zwijgt van enzovoort. En niemand komt niemand dan niemand tegen. En niemand zegt ik ben een iemandswoord. En niemand zegt ik ben maar ben verzwegen. De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort. En wij wijzelf gaan wonderlijke wegen: wij varen om de tropen van de noord figuurlijk zelfs met ons figuur verlegen. En staan op straat en lopen toch weer door 't noem mij desnoods noem mij desnoods dan regen. De hemel zwijgt en zwijgt en enzovoort. (15) Liggen in de zon Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht. Ik lig languit lig in mijn huid te zingen lig zacht te zingen antwoord op het licht lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen te zingen van het licht dat om en op mij ligt. Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil ik weet alleen het licht van wonder boven wonder ik weet alleen maar alles wat ik weten wil. Kleine ballade Ik loop maar in mijzelf verzonken met mijzelf de wegen zijn van glas de hemel is van ijzer. Ik weet niet wie ik ben ik weet niet wie ik was ik loop alleen maar men wordt nooit van iets iets wijzer. Er hangt een mist van licht ik loop met mijn gezicht mijn kleren en mijn huid het leven in en uit. (26) Fluitspelen Ik sta maar in de tijd en blaas steeds weer altijd de klanken die ik vond met een gebroken mond door het onwijs stuk hout dat ik verborgen houd binnen mijn handen ik speel maar speel mijn muziek ik weet niet meer waarom ik weet niet meer waartoe zomaar en nergens om het doet er ook niet toe. (27) Het vrolijk einde De zee vergaan het land verbrand staat het licht leeg. Meneer al ben ik het zelf pardon wat betekent dit? Niets is er nooit gelukkig nooit meer iemand thuis. (29) Liefste en dood Duizelig van moeheid na het schrijven van letters schrijf ik weer letters en woorden en zinnen ik kan het niet helpen het schiet mij te binnen het schiet mij te binnen ik schrijf het maar neer. Wat weet ik een vogel met ogen van sterven met ogen naar binnen het oog ingekeerd die stond in de zee waar de zee bijna eindigt met ogen van sterven ik wist er niets van. Wat weet ik wat overal rondloopt met ogen met ogen van droefheid-van-tin maar er valt toch wel iets te zien het is net hoe het uitkomt het leven de dood niemand weet er iets van. Wat weet ik wat weet ik de liefste haar lichaam haar mond en haar ogen wat weet ik misschien de dood in haar lichaam het licht staat te huilen nee dat niet ik dank je ik dank je nog wel. Wat weet ik de straten de stenen de huizen de kranten de wereld het gaan en het staan maar het is niets waard zeggen 3 miljoen sterren maar wat weten sterren niet eens mijn adieu Niet eens mijn adieu het moment dat ik wegga niet eens mijn ik wil wel de tijd dat ik blijf niet eens maar een vogel met ogen van sterven niet eens maar een wereld van liefste en dood. (34) [zonder titel] Nog is de slaap der beminden niet ziende. Want alleen een blinde met de ogen van de ruimte kan de uren en ogenblikken tot in het oneindige verlengen, de tijd overmeesteren en de wereld tot een volgeling maken. Men weet het maar wie weet het? (150) [zonder titel] Met scherpe blinde ogen gericht op het doel, gaande langs zijn gevoel en treurend alleen met zijn verstand, met scherpe blinde ogen gericht op een leven boven een leven, boven een wereld onder de wereld, de man die schrijft verandert steeds weer in zijn schrijvende hand, die meer dan een mens kan geloven. (179) Gevaarlijke taal Geloof mij niet. Ik spreek de gevaarlijke taal. Die ik nog inkleed, aankleed, masker en maskeer, dom- weg dichterlijk begraaf onder de koude aarde der hedendaagse woorden. Die ik behang met sierselen en leer spelen: taal, spring, buitel en dans. Zoals de dood ook speels werd, speels als een nar, een hond. Grote God, waarom, waarom hecht ik nog aan mijzelf? nog aan een ander: mens die schrikt van gevaar? Laat mij gaan. Ik heb u niets te zeggen, niemand iets. Kijk in de spiegel. Maar geloof mij niet en nooit. Mens, ik heb geen leven. Mens, ik heb geen dood. Misschien, misschien, misschien zal ik een aanwijzing betekenen, onverschillig of ik leven zal of sterven. Sterf ik? Versier dan niet mijn echo. Leef ik? Luister dan met een half oor. En vind het zelf maar uit, wanneer de moed nog niet gefaald heeft, ge nog niet zit en glimlacht. (196) Met dubbele tong Niet het naakte lied. Het naakte lied heeft geen armen om wat leeft te omarmen. Het naakte lied heeft geen adem. En het is koud, koud van waarheid en gemis. Schenk iedere onbekende zijn masker en mijzelf ook een ander gezicht. Wij weten altijd wel beter, maar bestaan slechts dubbelzinnig, alleen door het onberekenbaar visioen. Er moet een mantel van weten zijn, die wij kunnen verdelen. (207) [zonder titel] Te zeggen: ik. Dan niet meer weten. Te zeggen: jij, vriend, vriendin, vrouw, dan trachten de vleugels te spreiden. Het kan ook eenvoudiger: zitten aan een cafétafel tussen mensen, gaan waar de millioenen gaan, hardlopen of stilstaan en zeggen: ik, u, jij - en niet meer weten. Woorden weten het wel. Wij niet. (245) [zonder titel] Ook de zienden echter zijn blind. Nooit blind genoeg. Ze zijn onzichtbaar. Licht valt weg. Is er een terug? Maak mij onverschillig voor de richting. Ziek van silhouetten en van grijpen naar de lucht, ben ik gelijk een ander, maar draag inzicht als een man op mijn schouder. Een stervende. Ik ken hem niet. Lichamen Lichamen: koperkleurige kajaks, aan land gebracht, veranderend: onbegrijpend rekt zich het lichaam aan het lichaam. De woorden worden snelle schaduwen van vuur. (353) De nacht is lang Vraag mij uw droom niet. Ik sta alhaast zonder. Vraag mij uw tweede werkelijkheid; vraag mij uw ongeveinsde beeldspraak. Ik ga wel om in de werelden, maar zonder nog veel vertrouwen, zwerf hier oplettend als de kat in het vreemde pakhuis. Vraag mij wat ik weet en ik zal u nauwelijks antwoorden. Ik zal zeggen: de nacht is lang. (360) uit Misschien V Dodelijk in mij een ander woord. Het is rond, want het weet weinig van rechtlijnig. Maar het licht op wanneer ik mij niet verdedig en wij bestaan in het zinledig. (403) VII De aarde en de sterren - maar zij kennen elkaar niet. De ruimte gelooft ons wel en de wereld een oude vrouw. Over de aarde kruisen krankzinnig geworden mieren. En wij zwemmen in diepe waters. Maar wie weet, wie weet, wie weet? (405) XV Geloof mijn woorden, muzikale zwerfstammen, brandstichters, diefachtigen. Hun muziek gaat langzaam over de wegen van de aarde. Hoor de liederen, hoor het laatste woord: verlorengaan is verdergaan. (413) Lied om te leven en dood te gaan Niet de cocon van een god, maar in de huid van een mens, een mens om het licht heen gebouwd, met een horizon achter de hand. Een horizon die niet bestaat. En het hart zoekt begrenzingen hier in een huis van steen, in een vrouw, in een boom in verbluffende bloei. Het water stijgt, het vuur brandt en de lucht valt langzaam als sneeuw en de mens gaat rond in zijn huis en in zijn lichaam om het licht heen gebouwd. O lichaam dat niemand begrijpt, o lichaam dat vraagt om gehoor: de stem die het lichaam verwoest denkt niet aan de pijn van de huid, de pijn aan de huid van de mens, de pijn in het merg van het been, de pijn van het lichaam dat hongert, de pijn van de liefde die dorst. En zo duidelijk is niet een mens, dat hij weet wat er met hem gebeurt. En die wij dan liefhebben, zij schaduwen ons naar het dal, Naar de nauwe vallei van een mens, naar zijn lichaam, zijn huis en zijn vrouw en een boom in verbluffende bloei. Maar wij weten niet wat er gebeurt. Behalve dat namen vervagen tot bleke en stervende manen, behalve dat mensen verdwijnen en de stem zelfs verdrinkt in het licht. Maar dat is teveel om te zeggen en lang niet genoeg om te leven. Wat namen heeft, heeft nooit bestaan en ik geloof niet dat ik ben. Want eerst als de dood niet meer weet van de pijn, eerst als de liefde de grens van de huid overschrijdt in de nacht van de stilte, dàn zullen de woorden gaan slapen. Tot dat uur de huid van een mens en niet de cocon van een god. Tot dat uur het niet willen zeggen, dat alles hier leeft van alsof. Alsof wij de huizen bewoonden, alsof wij ons lichaam bewoonden, alsof wij de vrouw antwoord vroegen, alsof wij hier stonden in bloei. Alsof wij onder angst bukten, alsof wij de tranen verdrongen, alsof wij van hoop op redding bestonden als van een soort brood. Zolang dan de huid van een mens en niet teveel denken aan vlinders. Gelovigen, vromen en bidders en alle mensen die koud of warm of waanzinnig leven, geloof aan de huid van de mens, de mens om het licht heen gebouwd, maar de mens en de mens en de mens. (429) Langzaam sterf het verleden Langzaam sterft het verleden: gezichten worden doodse ovalen in de herinnering, lichamen hebben geen warmte meer, in de zon brandende steden worden vreemde stapels steen, landschappen tonen zich hard en onwerkelijk: brekende verf. Zo raakt men alles kwijt en wordt men er toe gedwongen tenslotte die zwervende tent te bewonen: het ogenblik - en niet te zien naar verleden of toekomst als heiligen proberen, alleen is men geen heilige maar een vragend wezen, een mens, bekommerde nomade die van hard licht wel iets afweet, maar het niet steeds kan velen aan zijn weggedoken ogen, verborgen ook voor de anderen met hun vlaggen en hun wimpels en hun krioelende wereld eenzamer nog dan de zijne. (506) Stille drinker Doodgaan is door de hals van de fles gaan, geslikt worden door een altijd drinkende kosmos, die nooit iets uitlegt maar drinkt en zwijgt. (521) Dag Boom min boom, mij min mij, de uitkomst al tevoren weggewaaid: dat is de goede raad van de dag. (542) [zonder titel] Ik weet haast niets meer van alles wat ik eens heb willen zeggen. Ik wil haast niets meer zeggen. Alleen iets van het licht. (605) [zonder titel] Het licht verliest zo snel zijn gezicht dat ik denk dat het dat niet heeft. Ik weet ook niet hoe ik leef. (620) [zonder titel] Niets zal ik zien. Ik, dit ik niet. Want liefde zal mij blinde ogen geven en ik zal nergens, nergens meer zijn, weg in de nacht van het licht, omdat ik, omdat dat er niet is. (629) In Biberach In Biberach, omstreeks Vijftienhonderd, paste een brave magister het Onzekerheidsprincipe toe van Heisenberg, want hij (de magister) zuchtte en zei: 'Ich leb und weisz nit, wie lang' en hij zuchtte nog eens en zei: 'Ich sterb und weisz nit, wann.' en hij zuchtte weer eens en zei: 'Ich fahr und weisz nit, wohin.' en hij zette zijn hoed op en zei: 'Mich wundert, dasz ich fröhlich bin.' (645) Waaier Waaieren uit elkander; ijle ophopingen van stof verstuiven uit de vouwen van mijn lichaam. Zo groot als alles, ben ik niets. Ik wuif mij dodelijke koelte toe en mijn hand trilt van weer leven. Op de waaier staat niets geschreven. (650) Wat dan nog Soms waag ik het werkelijk niets te zeggen. Soms waag ik mij aan de stilte die dan terugslaat. Licht stokt later weer tot stof. Maar wat dan nog? (651) De golf-deel-theorie Van mijzelf als golf weet ik niet zoveel. Maar zelfs als ik mij uitspeel als deel, kan ik nog overal naar toe, maar weet van geladen stilte niet wat ik doe. (653) Eenvoudige semantiek Ik ben benieuwd naar, maar ook bang voor, het meervoud van bijvoorbeeld stoelen. (655) Soms een lichte weerstand Soms wel wat veel, mijn God, de samenhang van al die weefsels leegte die ik ben en die ik blijven zal mijn leven lang, zolang ik ze als leegte niet erken, blind blijf van ik, mijn God, het ellenlang, het levenslang gebeuren dat ik doe, de golven op het scherm, het trillend, bang bewegend beeld - ik kijk al zo lang toe, maar zie de gek niet die in U gelooft en die met licht en leegte spelen kan; ik zie alleen de haastige denkman, die zich met formuleringen verdooft: de kruisweg van de aarde naar de zon, de liefde tussen kern en electron. (669) Het ideaal waarnaar wij streven Geen idee. Geen vergelijking met. Geen zicht op. Geen vorm van. Geen inhoud in. Geen grens aan. Geen kant langs. Geen scheiding in. Geen idee. En heel de rest een kwestie van verkeerde identificatie? Geen idee, etc. (670) Achteruitzicht Het weer ligt stil. Geen wind. De lucht laag, onbeweeglijk. De bomen ontegenzeggelijk kaal. Nergens begint iets tot leven te komen. Geen onverstoorbare vink slaat. Geen vrouw die zingt. Zelfs geen worm die de kop opsteekt uit de grijzende grond. Ik moet dus wel wachten tot dit bleke gezwel, tot de winter openbreekt en een God groen als een kind van overal naar mij toekomt, babbelend als een gek als hij doet dat hij spreekt. (693) uit Drie Christus-gedichten Nu deze man die luistert naar mijn naam tot bijna niets is teruggebracht: een huid van warmte of koude en ogen uit- kijkend als die van een kind voor het raam naar wat er ook gebeuren mag maar zonder vooruit te denken dit of dat - en nu ik niet meer in woorden die mijn brood zijn stik maar drijf op stilte of ga rustig onder, nu ik weer minder wijs mag zijn dan ooit, geen toekomst heb, ook naar de geest berooid mijn eigen spel hoe dodelijk ook weer speel nu het zover met mij is gebeurt het wel dat ik de dwaas die kermde aan het kruis nabij mij voel. Hij zwerft hier door het huis. (703) Meningen Niet te geloven: iedereen heeft meningen alsof het niets is. (710) Ouder worden Alleen maar meer dan vroeger verward en geloof mezelf nog minder. (710) Sprookje voor armen van geest Eens leefde ik als gras, als een steen. Lucht en aarde, ze waren één beweging die nooit tot iets dienen zou. En ik leefde nog lang en gelukkig met haast niets dat ik wou. (733) Hand De woorden die blijven staan en ik die daartussen beweeg - ik leef om een dubbelganger neer te schrijven, dacht ik, maar ik denk dat er meer is: een gemis als een hand wenkende, lege hand alles wegvagende, wenkende, vragende: kom. (738) Leegte 1 De leegte heeft één goede eigenschap: leegte, wat je ook invult. (750) uit de cyclus Jubal Maar àls ik al de waarheid wist, hetgeen de hemel verhoede, sprak Jubal vroom, wat zou ik dan de waarheid zeggen? Om niet meer dan gelijk te hebben? De oude explicateurs zijn dood, zei Jubal. De nieuwe trouwens ook. (760) De eerder aangekondigde lezing van professor Jubalus: Is Iedere Identiteit Slechts Een Identificatie Met? zal Woensdagavond a.s. geen doorgang vinden i.v.m. gerezen bezwaren van de kant van het Algemeen Vakverbond van Vormingsleiders, alsmede van de zijde van het Nationaal Instituut voor de Gedragswetenschappen. Tevens werden het paspoort, het rijbewijs en de girobetaalpas van prof. Jubalus ingetrokken en zullen brieven en stukken aan hem gericht officieel worden vernietigd. (766) Het zal nu wel duidelijk zijn: Heer Jubal is tegen een vaste personage (for, said he, nothing itches like your image) en daarom zie je hem ook niet en als je hem ziet is hij het niet. (767) Ik wou dat ik wist wie ik was, maar al zie ik mij helder als glas, dan zie ik vierhonderd personen verwonderd te kijk lopen onder het glas. (768) Dame Zilvermunt, eigenlijk alles op de wereld had beter gekund of slechter of krommer of rechter (hoewel waarom liever recht dan krom). (785) Spray Feilloos werkt de zon en ook de volle bomen bieden geen onderkomen tegen dit licht, want dun en doorzichtig wordt het groen, zelfs het asblond dek van de straatweg. De blik zoekt schichtig omgrenzing en maat om zich aan te hechten in al dat losweg schijnende, alles verkleinende en verstuivende: Spray of Eternal Day. (796) Objekt Kijk je er naar, draait het weg binnen zijn afmetingen en de tijd dat je er naar kijkt. De naam hou je over: een vervalste handtekening. (797) Makro, mikro Waarschijnlijk hebben de begrippen groot en klein geen enkele betekenis, zijn het illusies van het oog en van het denken die ons wel vaker de vreemdste dingen kunnen voorschotelen, zoals: Hier loop ik - Daar maak jij dat half wuivende gebaar - en meer van zulke fraaie maar buitenissige hypothesen. (798) De dagen van Gallup Beantwoord een vraag en de grenzen zijn getrokken waarbinnen het antwoord koning is. Maar niet voor lang: rebellerende troepen rukken onmiddellijk naar de hoofdstad op. (799) In memoriam Eddie Hoornik Zich sterkend aan een dood die hij al zoveel malen gestorven was en die hij toch nog vreesde maar niet zoals de meesten haatte of ontkende in de rekenende systemen, bleef hij wel een vreemde maar dan vooral voor die wetenden met hun waarheid kraakhelder als een opgemaakt bed. Zijn groot en moeizaam toch achteloos lichaam herinnerde zich ook te veel - en onder zijn praten of een gebaar of zelfs de woorden van vrienden zag je hem soms even zitten: doodstil. Misschien dat zo'n pauze nu zich openvouwend hem redt van (want het omhulsel kwijtgeraakt) de man die hij nooit was. (802) Het nut van verdubbeling Ik kijk naar wat ik denk dat ik denk. En/of voel. Al wi ik voorstel ga ik na. Zelden geloof ik mezelf. Toch denk ik: velen ben ik zo nader. (803) The street where you live In het grauw maar verschuivend licht telkens de straat even kantelend als de manke gang van kinderen bij het spel van de goot en de stoeprand. Maar hier speelt niemand en de blik schampt af op het ijs van een spiegelruit en krijgt van de ogen in rijen en lagen geen blik weerom. Wiens wereld is dit? Niemandswereld. Ga maar terug naar het land van toch. (809) [zonder titel] Mijn huis wordt afgebroken, geen muur blijft overeind, geen steen op de andere. Mijn ogen en mijn vingers raken al niet meer aan de dikke huid van de dingen. Ik moet opnieuw beginnen in een onbewoonbaar land. (825) [zonder titel] Steeds op de achtergrond een kalme lachende derde: wat ik tegen mijn verwarde zin in schrijf, maakt hij rond en soms zo licht als hij ook van zichzelf is, net als ik als ik 't wist. (833) Na de eerste schrik Na de eerste schrik verwonderd, verbijsterd over plotseling deze rare tussen- vorm van bestaan: een spartelen in de witte netten van zon en maan, als per ongeluk door een achteloze visser in snel nu verzinkende diepten uitgezet. (861) Hoed vol gaten Ik wil niets meer bewijzen, vooral mezelf niet, ik wil reizen door de tijd, een hoed op vol gaten, licht in het hoofd. (915) Imaginaire ander Hoe imaginair de imaginaire ander die me leest en in wie ik verander, min of meer en geen idee hoe? (925) Wijsheid Toch heeft het licht een zware golfslag hier voor ons. En wat baat ons wijsheid? Wijsheid is niets dan verjaarde tranen parels nabootsend. (933) Het licht is geen lieve moeder De afgekapte doodskreet van het kleine roemloze dier in de nacht - de menselijke paniek van te zien dat de spiegel met immer beschikbaar spiegelbeeld leeg wordt - het licht is geen lieve moeder, het buigt zich hier niet over en de bidder, de smekeling vindt geen gehoor. (936) uit Dag van de zon Dienstbaar niet maar op kousevoeten toch onsteek je het vuur van de natte morgen en wekt mijn verbazing dat ik er ben. (945) Achterhaald symbool Ze hebben gezegd: het licht is een achterhaald symbool. Maar wat weten ze van het licht dat de zekere vormen ontmantelt tot stormen van licht waarin soms een glimp, een hint, van licht dat zich zo stilhoudt dat het bijna is of het er niet is, jawel, maar ondertussen met zo'n finaliteit het laatste van plaats en tijd herleidend tot nihil dat ik het met woorden omspeel, het hart in de keel? (946) Weerbarstige demiurg Enkel static wat ik hoor. Ruis, geknetter, gekerm. Huilende robots. Dodenzwerm. Iedere golflengte geprobeerd. Altijd zit ik verkeerd. Ik kan je niet uit de ruimte halen, kan je niet opsporen. Je komt niet door. (948) Zeg ik dit Zeg ik dit, wordt ook dat waar. Zeg ik wit, ligt zwart op de loer. Mooi is een vaste levenshouding, maar is het ook geen tot treurigheid stemmende metgezel, het gelijk dat men weet aan zijn zijde? (950) uit Steeds Steeds achter de weer hoopvol opgelaten vliegers aan lopend van mijn eigen woorden, heeft mij ook dat niet duidelijk gemaakt wat of ik hier al meer dan vijftig jaar nu eigenlijk te zoeken heb of waar het om begonnen is, zo er ooit iets mocht wezen als een berekend meesterplan (en dat is meer dan ik geloven kan) (952) Ik kijk Ik kijk naar de bomen want ik houd van bomen, elk steevast in zijn kaveltje grond, veranderlijk met weer en seizoen en 's winters in bedrieglijke dodendans nog nobel. De luchten schat ik op hun lichtgehalte; vaak maakt een dag van zon me al gelukkig, maar aarde word ik en ik drink ontzettend wanneer het regent na een tijd van droogte. Een enkele maal zie ik een oude vriend die zich tot hier gewaagd heeft en we praten zonder veel zwaarte over nu en vroeger. Van alles wat ik weet werd ik niet wijzer, maar 's nachts vang ik de seinen uit 't heelal geduldig op en respekteer hun kode. (953) Nihilistisch maar dan ook konwekwent Er: is er niet. Is: is er niet. Niet: is er niet. Is er niet: is er niet. (955) Kortste afstand Ik beweeg me liever zonder het (schijnbare) principe te volgen van de (schijnbaar) kortste afstand tussen twee punten of ook: ik wacht roerloos een waarheid af bitter noch zoet: die van het eenmaal fantastische helder ontregelde. (956) [zonder titel] Het leven per dag en per uur wordt per uur betaald het leven per voetstappen hinkt wezenloos door de straten. Maar wij hebben de nacht gestolen wij hebben ons schuldig gemaakt aan heling van zomer en schemer wij hebben de morgen verdiend met werken voor ons brood het harde brood van de liefde. Wij staan met lichamen op die niets meer kunnen begrijpen wij weten niet hoe het komt dat een stem nog raaskalt in ons. (995) [zonder titel] Ik kan niet van mijn voorhoofd leven ik ga dood aan muren. Ik heb om stilte gevraagd ik heb mijn gedachten als katten verdronken. Ik wil ja of nee knikken zonder iets te bedoelen. (998) XI Wie dus is Valentijn? Eén die zich niet gelooft; de laatste man op aarde en niemand in de hemel. Wel volgt hij nimmer de rechte lijn maar steeds de strenge wetten van de kromme, maar waar hij staan moet bevindt zich een sprekend beeld en waar hij vertrekt zijn alleen de resten van een bitter bachanaal. Zo werd hij: gebaar, aanraking, oogopslag - niet veel minder en nauwelijks meer. (1006) 3 Bij een schilderij Niets dan het zwartste vlak. Met moet de ogen scherpen om het voorgestelde te zien: een zwart kleed uitgespaard in zwart en daarboven het kleine wijze hoofd van de wijsgeer. Maar waarin is hij wijs? Ik dacht: in het niets meer willen weten, in de armoe van zijn kennis: het boek hem een ornament, oudergewoonte, maar hij gelooft zich al zo lang niet meer. Hij is te oud en te moe om te reizen binnen of buiten zijn lichaam. Hij wacht kalm en zonder hoop op een schijn van kans. (1021) De bladeren De bladeren stromen te hoop met driftige stroomversnellingen in het licht van de zon en met de wind mee. Er bestaat een miljoen soorten groen. Ik wou dat ik wist waar ik dit ogenblik aan denk. Maar de grote stilte graaft een gat in mijn hoofd. (1040) Minder heimwee dan wel veel nikkel Het brood doodsbleek geworden, de spelen loom en lauw, de nieuwe goden vernikkeld: artikelen van kou. En de nobelste theaters, monden naar het licht, waarin het onderaardse tong kreeg, geadeld werd, zij staan vergrijsd als ouden van dagen in hun hemd; geen tweede jeugd kan baten: nacht en licht zijn onbekend. Misschien dat overmorgen het nikkelstalen hart breekt door de losse grap van tijd en ruimte, dansende zotskappen van de leegte of zeg: licht zonder zin, geen zekerheden wegend, geen toekomst in de zin. (1053) Een stukje lopen Sluik haar van de maan laag over de aarde. Onderin het gras schuifelt geluid niet te herkennen. Terwijl men toch de eigen vreemde voetstap al tegenkomt. (1057) The exploration of space Waarschijnlijk wil de ontdekker alleen de leegte. Hoe vreemd dan, maar niet onbegrijpelijk zijn blijdschap, wanneer de leegte zich vult. Geen tegenspraak ook. Want hoe verder hij valt, des te duidelijker wordt hem: geen leegte zonder mijn dwaze komst hier, geen ruimte zonder de schaduwen die ik haar maak. (1073) Noordenwind De wind komt uit het noorden hol en zwart van regen, terwijl ik hier in mijn kamer, de lamp over mijn schouder, meelevende witte kraanvogel, woord na woord opteken, - maar het gaat niet om wat woorden uitgespaard op de nacht, niet om de vormen van licht, ook al heb ik die beschreven in maten en in soorten, zelfs niet om het pijnlijk inzicht dat al wat je ooit kunt weten een nutteloze wedloop met onwerkelijke obstakels is; het gaat - of het zal eens gaan - om een koele harde vrede, meer dan wat ook vanzelfsprekend, lief en leed eindelijk eender, geen voor meer en geen tegen, ja en nee afgedaan. (1081) |
