(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

God



Verlichting voor dummy's > Het leven > God

Deze pagina: Dwaalteksten over God en godsdienst, eerste reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.





Kleur bekennen

Leerling: Bent u een theïst, een atheïst of een agnosticus?
Meester: Ik geloof het niet.


God vinden

Leerling: Waarom kan ik God niet vinden?
Meester: Omdat God niet-vinden is?


God horen

Leerling: Waarom spreekt God niet tegen mij?
Meester: Omdat God niet-spreken is?


God weten

Leerling: Waarom weet ik niet wie God is?
Meester: Omdat God niet-weten is?


Uitgaan

Leerling: Wil God ingaan dan moet ik uitgaan.
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Niet?
Meester: Jouw uitgaan is reeds Zijn ingaan.
Leerling: Dat snap ik niet.
Meester: Daartussen is geen enkel verschil.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Het is niet dat er na jouw uitgaan nog iets staat te gebeuren; uitgaan is wat er gebeurt. Het is niet dat je na ontlediging weer opgevuld wordt; ontlediging is wat je opvult. Het is niet dat je na ontwording in iets anders overgaat; ontwording is wat je wordt.
Leerling: Wat kan ik dan wél verwachten na mijn uitgaan?
Meester: Niet-verwachten.
Leerling: Wát?
De meester zei: Zelfs niet dat je niets verwacht.
Leerling, perplex: En dat noemt u God?
Meester: En dat noem jij God.
Leerling: En hoe noemt u het?
Meester: Tja.


Van het hemd en de rok

Leerling: Het hemd is nader dan de rok, het lichaam is nader dan het hemd, ikzelf ben nader dan het lichaam en God is nader dan ikzelf.
Meester: Niet weten is het meest nabij.
Leerling: Wilt u zeggen dat niet weten nader is dan God?
Meester: Tenzij ze identiek zijn.


De Onkenbare

Leerling: Hoe kan ik de Onkenbare leren kennen?
Meester: Door niet kennen.
Leerling: Hoe weet ik dan dat Hij het is?
Meester: Door niet weten.


De weg tot God

Leerling: Is niet weten de weg tot God?
Meester: Ik zou het bij God niet weten.


Spreken of zwijgen

Leerling: Wil God in mij spreken dan moet ik zwijgen.
Meester: En als jouw stem de Zijne is?



Leerling: Wil God in mij spreken dan moet ik zwijgen.
Meester: En als Hij in jou wil zwijgen?



Leerling: Wil God in mij spreken dan moet ik zwijgen.
Meester: En als Hij niets te zeggen heeft?
Leerling: Ik denk dat u Hem ernstig onderschat.
Meester: Ik denk dat jij Hem ernstig onderschat.


Een goddelijke stilzwijgen

Leerling: Waarom verbreekt God nooit het stilzwijgen?
Meester: Omdat Hij stilzwijgen is.
Leerling: Waarin onderscheid het goddelijke stilzwijgen zich van andere vormen van stilzwijgen?
Meester: In dat het nooit verbroken wordt.
Leerling: Waar kan ik het goddelijke stilzwijgen het best beluisteren?
Meester: In jezelf.
Leerling: Hoe kan ik het onhoorbare toch horen?
Meester: Door niet horen.
Leerling: Hoe wek ik het niet horen op?
Meester: Door vragen te stellen.
Leerling: Wat voor vragen?
Meester: Lastige vragen. Levensbeschouwelijke vragen. Spirituele vragen. Religieuze vragen. Filosofische vragen. Psychologische vragen. Metafysische vragen. Ethische vragen. Onmogelijke vragen.
Leerling: Als ik zulke vragen stel, wat zal ik dan te horen krijgen?
Meester: Een veelheid van antwoorden.
Leerling: Hoe moet ik met die veelheid van antwoorden omgaan?
Meester: Gewoon dóór blijven vragen.
Leerling: Hoe lang moet ik door blijven vragen?
Meester: Net zolang tot de antwoorden uitblijven.
Leerling: En dan?
Meester: Gewoon dóór blijven vragen.
Leerling: Hoe lang moet ik dan nog door blijven vragen?
Meester: Net zolang tot de vragen uitblijven.
Leerling: En dan?
Er valt een lange stilte.
Leerling: Maar wat is nou het stilzwijgen van God?
Meester: Dat is nou het stilzwijgen van God.

Napraatje
Leerling: Ik begrijp dat God nooit het stilzwijgen verbreekt omdat hij dat stilzwijgen is.
De meester knikt.
Leerling: Ik begrijp ook dat ik het goddelijke stilzwijgen het best in mezelf kan beluisteren.
De meester knikt.
Leerling: Ik begrijp zelfs dat ik het goddelijke stilzwijgen kan horen door niet horen.
De meester knikt.
Leerling: Ik ben ook nog bereid aan te nemen dat ik het niet horen kan opwekken door vragen te stellen.
De meester knikt.
Leerling: Maar hoe wek ik in hemelsnaam vragen op?
Meester: Komen ze dan niet vanzelf?
Leerling: Nee.
De meester kijkt hem verbluft aan.
Leerling, hulpeloos: Wat nu?
De meester weet niets meer te zeggen.


Een menselijk stilzwijgen

Leerling: Waarom verbreekt God nooit het stilzwijgen?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Waarin onderscheid het goddelijke stilzwijgen zich van andere vormen van stilzwijgen?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Waar kan ik het goddelijke stilzwijgen het best beluisteren?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Hoe kan ik überhaupt het onhoorbare horen?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Is het door niet horen?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Hoe wek ik het niet horen op?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Is het door vragen te stellen?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Wat voor vragen zouden daarvoor het meest geschikt zijn?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Als ik de juiste vragen stel, wat zal ik dan te horen krijgen?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Hoe moet ik met eventuele antwoorden omgaan?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Hoe lang moet ik door blijven vragen?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Wat als ik uitgevraagd ben?
De meester weet niets te zeggen.
Leerling: Wat bent u nou voor meester!
De meester weet niets te zeggen.


Het verschil

Leerling: Wat is het verschil tussen een menselijk en een goddelijk stilzwijgen?
De meester weet niets te zeggen.


Peilloos

Leerling: Wat is het verband tussen een menselijk en een goddelijk stilzwijgen?
Meester: Abyssus abyssum invocat.
Leerling: Wat betekent dat nou weer.
Meester: De afgrond leidt de afgrond in.
Leerling: Welk stilzwijgen correspondeert met welke afgrond?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester: Stilzwijgen is stilzwijgen.
Leerling: Welke afgrond is het diepst?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester: Peilloos is peilloos.


Een hoger stilzwijgen

Leerling: Als God het stilzwijgen nooit verbreekt, van wie komen dan al die antwoorden?
Meester: Van God?
Leerling: En al die vragen?
Meester: Van God?
Leerling: Maar God zegt toch juist niks?
Meester: Daarvoor hoeft Hij echt niet Zijn mond te houden.


Stilte of God

Leerling: Is God nou een metafoor voor stilte of stilte een metafoor voor God?
De meester zwijgt.


Niet weten of God

Leerling: Is God nou een metafoor voor niet weten of niet weten een metafoor voor God?
Meester: Ik zou het bij God niet weten.


Metaforen

Leerling: Metaforen zijn de enige manier om de Waarheid uit te drukken.
Meester: Waarheid is een metafoor.
Leerling: Wat is het dan dat we met onze metaforen proberen uit te drukken?
Meester: Wie zegt dat we er iets mee proberen uit te drukken?
Leerling: Gaat het dan om niet-uitdrukken?
Meester: Uiting geven aan niet-uitdrukken is nog steeds een vorm van uitdrukken.
Leerling: Is het uw bedoeling om God zelf aan het woord te laten?
Meester: God trekt zich van mijn bedoelingen niets aan.
Leerling: Wilt u aandacht vragen voor Gods onafgebroken stilzwijgen?
Meester: Gods onafgebroken stilzwijgen is op zijn beurt een metafoor.
Leerling, wanhopig: Maar waarvoor dan!
Meester: Krijg je het door?


Niet luisteren

Leerling: Is het letterlijk stil in u?
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Wat hoort u zoal?
Meester: Hetzelfde gekakel en gekrakeel als altijd.
Leerling: Dezelfde vragen en dezelfde antwoorden?
Meester: Om over de rest nog maar te zwijgen.
Leerling: Het is niet dat u niets meer hoort...
Meester: Het is meer dat ik niet meer luister.


De uitzondering

Meester: Is het letterlijk stil in jou?
Leerling: Het is niet dat ik niks meer hoor, het is meer dat ik niet meer luister.
Meester: Behalve hiernaar zeker.


Het Hoogste Woord

Leerling: Wat is het Hoogste Woord?
Meester: Het Diepste Stilzwijgen.
Leerling: Hoe komt het dat wij het Diepste Stilzwijgen zo moeilijk herkennen?
Meester: Door de wijze waarop het zich manifesteert.
Leerling: Hoe manifesteert het Diepste Stilzwijgen zich?
Meester: Als een Babylonische Spraakverwarring.
Leerling: Waarom manifesteert het Diepste Stilzwijgen zich juist op deze wijze?
Meester: Omdat iedereen zo nodig het Hoogste Woord moet voeren.


Een wereldwijde kakofonie

Leerling: Hoe klinkt het Woord van God?
Meester: Als zeven miljard mensen die elk hun gelijk willen halen.
Leerling: Hoe komt het dat we daarin het Woord van God niet herkennen?
Meester: Omdat we nog steeds denken dat er maar één gelijk kan hebben.
Leerling: Wilt u zeggen dat de Waarheid een wereldwijde kakofonie is?
Meester: Nou denk je weer dat ík gelijk heb.


Tienduizend deuren

Leerling: Hoeveel vragen heeft u God gesteld?
Meester: O, wel tienduizend, geloof ik.
Leerling: Welke vragen waren dat?
Meester: Alle vragen die ik kon bedenken.
Leerling: Jemig.
Meester: En dat vele malen.
Leerling: Hoeveel van die vragen heeft Hij beantwoord?
Meester: Hij heeft ze allemaal beantwoord.
Leerling, verrast: Allemaal?
Meester: Zonder uitzondering.
Leerling: Kon u al die informatie wel verwerken?
Meester: Daar heb ik nooit moeite mee gehad.
Leerling: Bent u zo briljant?
Meester: Dat was helemaal niet nodig.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat ik steeds hetzelfde antwoord kreeg.
Leerling: Namelijk?
Meester: Een onverbiddelijk stilzwijgen.
Leerling: Hm.
Meester: Zelfs dat was er niet bij.
Leerling: Op alle vragen?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Zou je ook kunnen zeggen dat Hij geen enkele vraag heeft beantwoord?
Meester: Zo heb ik dat lange tijd gezien.
Leerling: Maar nu niet meer.
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Hoe was het om steeds hetzelfde antwoord te krijgen?
Meester: Een bittere teleurstelling.
Leerling: Dan zult u wel vol wrok zitten.
Meester: Integendeel.
Leerling: Dat begrijp ik niet.
Meester: Achteraf dank ik Hem op mijn blote knieën dat Hij niet één keer is gezwicht.
Leerling: Waarvoor?
Meester: Voor de verleiding om mij een of andere waarheid op de mouw te spelden.
Leerling: Op de mouw te spelden?
Meester: Ik was zonder meer bereid om iedere leugen te aanvaarden als de laatste waarheid.
Leerling: Maar Hij was niet zonder meer bereid om u er een te verkopen.
Meester: Zonder meer niet, zou ik zeggen.
Leerling: Waarom bent u daar dankbaar voor?
Meester:  Wie ook maar één deur opent, gooit alle andere dicht.
Leerling: Zijn onafgebroken stilzwijgen betekent toch alleen maar dat er geen enkele deur voor u is opengegaan?
Meester: Zijn onafgebroken stilzwijgen betekent tevens dat er geen enkele deur voor mij is dichtgegaan.
Leerling: Niet open en niet dicht...
De meester knikt.
Leerling: Schitterend!
De meester zei: Och.
Leerling: Vreselijk dan?
Meester: Zeg "schitterend" en alle andere deuren gaan dicht. Zeg "vreselijk" en alle andere deuren gaan dicht.
Leerling: Denkt u dat u zo zult blijven?
De meester staart peinzend in de verte.
Leerling: Moet ik dit verhaal over God nou letterlijk nemen of figuurlijk?
Meester: Zeg "figuurlijk" en alle andere deuren gaan dicht. Zeg "letterlijk" en alle andere deuren gaan dicht.


Waarom God nooit antwoord geeft

Leerling: Waarom geeft God nooit antwoord?
Meester: Omdat Hij uitsluitend de Waarheid spreekt.
Leerling: Bedoelt u dat er geen waarheid is, of dat de Waarheid alleen kan worden uitgedrukt door niet-antwoorden?
Meester: Vraag dat maar aan God.


Uiteindelijk

Leerling: Wat is het verschil tussen God en diens stilzwijgen?
Meester: Uiteindelijk?
De leerling knikt.
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Wat is het verschil tussen Gods stilzwijgen en het uwe?
Meester: Uiteindelijk?
De leerling knikt.
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Wat is het verschil tussen uw stilzwijgen en uzelf?
Meester: Uiteindelijk?
De leerling knikt.
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Als er geen verschil is tussen God, diens stilzwijgen, uw stilzwijgen en uzelf, zijn ze dan niet identiek?
Meester: Uiteindelijk?
De leerling knikt opgewonden.
Meester: Ik zou het echt niet weten.


Identiek

Leerling: We zeggen allemaal wat anders maar ons zwijgen is identiek.
Meester: Maar wat het nou uitdrukt...
Leerling: De waarheid voorbij de woorden natuurlijk.
Meester: Wie zegt dat?
De leerling weet niets meer te zeggen.


Het Woord Gods

Meester: Wat is de weg naar God?
Leerling: Steeds dieper in de grond van je ziel afzinken, tot al het geroezemoes verstomd is en het Woord Gods eindelijk verstaanbaar wordt.
De meester zwijgt.
Leerling: Wat zegt u?
Meester: Steeds dieper in de afgrond van je ziel zinken, tot al het geroezemoes verstomd is.
Leerling: En het Woord Gods dan?
Meester: Dat is al het Woord Gods.
Leerling: En je ziel dan?
Meester: Dat is gewoon die afgrond.


Bij wijze van spreken

Leerling: Is God de diepste grond van de ziel?
Meester: Eerder de grondeloosheid van de ziel.
Leerling: Hoe kom ik bij die grondeloosheid?
Meester: Door je ziel te onderzoeken.
Leerling: Wat zal ik dan vinden?
Meester: In eerste instantie alles.
Leerling: En in laatste instantie?
Meester: Niets.
Leerling: Het niets of gewoon niets.
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Bedoelt u dat we geen ziel hebben?
Meester: Dat behoort nog tot het vinden.
Leerling: Dus God is de grondeloosheid van de onvindbare ziel?
Meester: Bij wijze van spreken dan.


Onze goddelijke grond

Leerling: Wat is onze goddelijke grond?
Meester: Nou, eh...
Leerling: Eerlijk zeggen.
Meester: Een bodemloze afgrond.
Leerling: Een afgrond?
Meester: Het spijt me.
Leerling: Maar toch wel een goddelijke mag ik hopen?
Meester: Alleen vanaf de grond gezien.
Leerling: De goddelijke grond is in werkelijkheid een goddeloze afgrond?
Meester: En omgekeerd.
Leerling: En omgekeerd?
Meester: Gezien vanaf de grond dan.
Leerling: En gezien vanuit de afgrond?
Meester: Tja.


Met wie spreek ik

Leerling: God spreekt in de mislukking van het denken.
Meester: Hier spreekt nog steeds het denken.


Vergeten

Leerling: Wat is de weg tot God?
Meester: Vergeten dat je onderweg was.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten waar je bent.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten wie je bent.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten wat je bent.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten dat je bent.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten wie God is.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten wat God is.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten dat God is.
Leerling: En dan?
Meester: Vergeten wat je bent vergeten.



De wolk van niet weten


Leerling: God benadert men via de wolk van niet weten.
Meester: God verliest men in de wolk van niet weten.

Leerling: God verliest men in de wolk van niet weten.
Meester: God ís de wolk van niet weten.

Leerling: God is de wolk van niet weten.
Meester: Hoe weet je dat?

Leerling: Ik weet niets over God te zeggen.
Meester: Behalve kennelijk Zijn naam.

Een leerling zegt niets.
Meester: God, wat ben je stil.


Het Boek der Boeken

Leerling: Als u de biografie van God moest schrijven, wat zou dan de titel zijn?
Meester: Het Lege Testament?



Pauperes spiritu

Leerling: Als u een klooster moest stichten, hoe zou het dan heten?
Meester: De Lege Orde.
Leerling: Wat zou er boven de kloosterpoort staan?
Meester: De Lege Boodschap.
Leerling: Wat zou u onderrichten?
Meester: De Lege Leer.
Leerling: Welke lectuur zou u voorschrijven?
Meester: Het Lege Boek.
Leerling: Welke eed zouden de kandidaten moeten afleggen?
Meester: De Lege Gelofte.
Leerling: Met welke zegen zou u de dag openen?
Meester: Beati pauperes spiritu.
Leerling: Wat betekent dat?
Meester: Zalig zijn de armen van geest.
Leerling: U windt er bepaald geen doekjes om.
Meester: Nou je het zegt...
Leerling: Wat?
Meester: Laat dat zalig maar weg.
Leerling: Pauperes spiritu?
Meester: "Arm van geest is wat wij zijn."
Leerling: Of we het nou weten of niet.
Meester: Of we het nou willen of niet.
Leerling: Of we het nou willen weten of niet.
Meester: Amen.
Leerling: Ik zie u nog niet zo een, twee, drie iets stichten.
Meester: Stichten is mijn roeping.
Leerling: Wat heeft u zoal gesticht?
Meester: Verwarring?


Prediker 11.5


Leerling: "Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt."
Meester: Zo weet je ook niet of Hij alles maakt.
Leerling: Wie zou dat anders moeten doen?
Meester: Wie zegt dat alles gemaakt moet worden?
Leerling: Wou u soms zeggen van niet?
Meester: Ik kijk wel linker uit.
Leerling: Wat zou u dan zeggen?
Meester: Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook God niet, laat staan Zijn daden.
Leerling: Is dat niet de totale ontkenning van God?
Meester: Tenzij Hij niet-kennen is.
De leerling kijkt hem glazig aan.
Meester: Tenzij Hij zich alleen op deze wijze laat benaderen.
Leerling: Laat Hij zich alleen op deze wijze benaderen?
Meester: Ik ken de wegen van God niet.


Prediker 12.8

Leerling: "Lucht en leegte," zegt Prediker 12.8, "alles is leegte."
Meester: Dan ook Prediker 12.8.


Romeinen 11.34


Leerling: "Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?"
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Ik probeer naar Hem te luisteren maar het lijkt er niet op dat Hij zich veel aan mij gelegen laat liggen.
Meester: Wat wil je nou toch zeggen?
Leerling: Dat het numineuze mij voor onoplosbare raadselen stelt.
Meester: Wát?
Leerling: Het leven is één groot mysterie.
Meester: Wélk leven?
Leerling: Het Grote Onbekende waarin...
Meester: Wat een praatjes op de vroege ochtend.
Leerling: Ik ben om deze tijd niet op mijn sterkst.
Meester: Probeer het eens zo eenvoudig mogelijk te zeggen.
Leerling: Dan komt er niks.
Meester: Dat lijkt me niet onjuist maar ook niet erg precies.
De leerling haalt zijn schouders op.
Meester: Doe maar alsof je een kind voor je hebt.
Leerling: Ik kan er met mijn pet niet bij.
Meester: Zeg dat dan meteen.


Spreuken 14.15

Leerling: Wie onnozel is, hecht aan ieder woord geloof, wie verstandig is, let op elke stap.
Meester: Geloof je dat?


Spreuken 21.30

Leerling: Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand tegen de Heer.
De meester hem zuinig aan.
Leerling: Hoe zou u het zeggen?
Meester: Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand.
Leerling: Lekker kort.
Meester: Maar of het stand houdt?
Leerling: Gelooft u dan niet in de Heer?
Meester: Dat is het niet.
Leerling: Wat is het dan wel?
Meester: Dat ik Hem liever niet in een hokje stop.


Leerling: Welk hokje?
De meester zei: Dat van een mannelijk lid van de heersende klasse der mensheid.
Leerling: "Heer".
De meester knikt.
Leerling: Gelooft u wel in het Onbenoembare?
Meester: Geloof ik wel in mezélf?
Leerling: Wat heeft dat er nou weer mee te maken.
Meester: Als ik niet ben kan ik ook niet geloven.
Leerling: Dus u gelooft niet?
Meester: Als ik niet ben kan ik ook niet niet-geloven.
Leerling: Zijn of niet zijn, is dat de vraag?
Meester: Voor mij niet.
Leerling: Weet u het antwoord dan al?
Meester: Ik stel me de vraag niet meer.
Leerling: Dus als ik het goed begrijp, gelooft u noch gelooft u niet in uzelf of in het Onbenoembare?
Meester: Gesteld dat daar verschil tussen is.
Leerling: Waartussen?
Meester: Tussen geloven en niet geloven. Tussen mij en het Onbenoembare.
Leerling: Wilt u beweren dat u zelf het Onbenoembare bent?
Meester: Hoe kan ik nou de identiteit bevestigen van zaken waarvan ik niet eens het bestaan weet vast te stellen.
Leerling: Dus als ik het goed begrijp... Als ik het goed heb... Ik weet het niet meer.
Meester: Wijsheid, inzicht, plannen, niets houdt stand tegen de Heer.


De zalig noch onzaligsprekingen*

Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen armoede en rijkdom.
Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen lijden en blijdschap.
Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen zachtmoedigheid en hardvochtigheid.
Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen recht en onrecht.
Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen barmhartigheid en onbarmhartigheid.
Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen reinheid en onreinheid.
Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen vrede en oorlog.
Zalig noch onzalig zij die het verschil niet kennen tussen vervolger en vervolgde.
Zalig noch onzalig zij het verschil niet kennen tussen verschil en overeenkomst.
Verheugd en verhard u, want uw loon zal uw straf zijn, uw straf uw loon.



* vrij naar de zaligsprekingen in Mattheüs 5: 3 - 5:12


Een universeel geloof

Leerling: Gelooft u in een universele godsdienst?
Meester: Och.
Leerling: Of ten minste in een gemeenschappelijke kern?
Meester: Geen gemeenschappelijke kern maar misschien wel een gemeenschappelijke basis.
Leerling: Wat is het dat alle godsdiensten gemeen hebben?
Meester: Wat betreft de godsdiensten ben ik er nog niet uit, maar wat betreft de gelovigen...
Leerling: Wat is het dat alle gelovigen gemeen hebben?
Meester: Vergeet de ongelovigen niet.
Leerling: Wat is het dat we allemaal gemeen hebben?
Meester: Het geloof in onze eigen gedachten.
Leerling: Ik had op een universeel dogma gehoopt.
Meester: Dit gaat dieper.
Leerling: Hoezo?
Meester: Geloof in je eigen gedachten is de grondslag van ieder dogma.
Leerling: En iedere filosofie, neem ik aan.
Meester: En alle wetenschap.
Leerling: En ieder oordeel.
Meester: En elke mening.
Leerling: Gelooft u dat nou echt?
Meester: Wat?
Leerling: Dat het geloof in je eigen gedachten overal aan vooraf gaat.
Meester: Och.
Leerling: Nou?
Meester: Het is maar een gedachte, hè.
Leerling: Geen dogma?
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Gelooft u uw eigen gedachten niet meer?
Meester: Dat denk ik inderdaad weleens.
Leerling: Maar?
Meester: Het is maar een gedachte , hè.