Verlichting voor dummy's >
Verlichting > Hoera, verlicht? 2
Deze pagina: Dwaalteksten over het wel en - jawel - wee van de verlichte, tweede reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Een ware herder
Leerling: U heeft uw schaapjes tenminste op het droge.
Meester: Die is gek.
Leerling: Wat dan?
Meester: Ik heb ze leren zwemmen.
Lachen, gieren, brullen
Meester: Ken je die van de leerlingen die naar het paradijs gingen?
Leerling: Nou?
Meester: Ze gingen niet.
Leerling: Omdat ze er al waren zeker.
Meester, lachend: Dat is ook een goeie!
Leerling: Omdat er geen paradijs is zeker.
Meester, gierend: Dat is ook een goeie!
Leerling: Dit is zeker uw idee van de kosmische grap.
Meester, brullend: Ik heb geen idee!
Meester, lachend: Is er wat?
Leerling, gierend: Ik heb geen idee!
Meester, brullend: 't Idee!
Even iets rechtzetten
Leerling tot zijn medeleerlingen: Wees een licht voor jezelf!
Meester vanuit de gang: Een dwaallicht!
Een Pyrrusoverwinning
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Geen-triomfboog
aan het eind van geen-weg.
Hier is altijd plek
Leerling: Hisamatsu wist het heel treffend te zeggen.
Meester: Dat zal best.
Leerling: Wilt u niet weten wat?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester, gelaten: Je zult het me toch wel vertellen.
Leerling: Hij vroeg waar je moet staan als er geen plek meer is om te staan.
Meester: O, dat.
Leerling: Wat?
Meester: Het probleem is niet dat er geen plek is.
Leerling: Wat is het probleem dan wel?
Meester: Dat er
daar geen plek is.
Leerling: Ik zie het verschil niet.
Meester:
Hier is altijd plek.
Leerling: Maar als je nou niet hier wilt zijn.
Meester: Dan is dat waar je bent.
Leerling: En als je je tegenzin niet kunt aanvaarden?
Meester: Dan is dat waar je bent.
Leerling: En als je het niet aanvaarden niet kunt aanvaarden?
Meester: Dan is dat waar je bent.
Leerling: Ik zie wat u bedoelt.
Meester:
Hier is altijd plek.
De leerling reageert niet.
Meester:
Daar nooit.
Ineens springt de leerling op en schreeuwt hysterisch: Maar ik wil niet meer hier zijn!
De meester springt op en schreeuwde terug: Ik ook niet!
Leerling: U ook niet?
Meester: Zullen we dan maar een ommetje gaan maken?
Tijdens de wandelingMeester: Waar ging dat nou allemaal over daarnet?
Leerling: Mijn ouders zijn ernstig aan het dementeren.
De meester knikt.
Leerling: Mijn vrouw is weggelopen.
De meester knikt.
Leerling: Ik ben uit de ouderlijke macht ontzet.
De meester knikt.
Leerling: Ik ben ontslagen wegens fraude.
De meester knikt.
Leerling: Ik heb grote schulden.
De meester knikt.
Leerling: Er is vorige week prostaatkanker bij me geconstateerd.
De meester knikt.
Leerling: Ik slaap op straat.
De meester knikt.
Leerling: De remsporen staan in mijn onderbroek.
De meester knikt.
Leerling: Ik ruik naar uien en verschaald bier.
De meester knikt.
Leerling: Ik voel me net Job op de mesthoop.
De meester knikt.
Leerling: Ik wil niet op een mesthoop zitten.
De meester knikt.
Leerling: Ik overweeg serieus zelfmoord te plegen.
De meester knikt.
Leerling: Ik ben bang dat ik zelfs daar een potje van maak.
De meester knikt.
Leerling: Ook ben ik bang dat mijn poging zal slagen.
De meester knikt.
Leerling: Ik wil niet altijd overal zo bang voor zijn.
De meester knikt.
Leerling: Ik wil niet meer van mijn angst af willen.
De meester knikt.
Leerling: Ik wil niet meer van alles niet willen.
De meester knikt.
Leerling, met trillende stem: En ik heb de pest aan onze gesprekken.
De meester knikt.
Leerling: Ze leiden tot niets!
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Nooit!
De tranen lopen over zijn wangen.
Na een poosje zegt de meester zacht: Zie je nou wel?
Leerling: Wat?
Meester: Hier is altijd plek.
Blijven zitten
Leerling: Waar moet je gaan staan als er geen plek meer is om te staan?
Meester: Lekker blijven zitten.
Leerling: Godverdomme zeg.
Meester: Heb jij een beter idee.
Leerling: Vóór u staat iemand met een mes, achter u iemand met een
pistool, links iemand met een zwaard en rechts iemand met
een knots. De man vóór u vraagt hoe u wilt sterven. Wat zegt u dan?
Meester: Wie zegt dat ik wil sterven?
Leerling: U
moet sterven; u kunt alleen nog kiezen op welke wijze.
Meester: Wie zegt dat ik kan kiezen?
Leerling: Als u weigert te kiezen, zal er voor u worden gekozen.
Meester: Wie zegt dat ik kan weigeren?
Leerling: Omdat u weigert te kiezen rijt de man met het mes uw buik
open. Uw darmen vallen eruit en u sterft een langzame, pijnlijke dood.
Heeft u nou uw zin?
Meester: Ik niet maar jij misschien wel.
De waarzegger
Leerling: Ik weet niet meer wat ik doen moet!
Meester: Maar ik kan je precies vertellen wat er gaat gebeuren.
Leerling: Kunt u nou ook al waarzeggen?
Meester: Iedereen kan waarzeggen.
Leerling: Wat gaat er dan gebeuren?
Meester: Je zult niets doen totdat je in actie komt.
Leerling: Ja, zo kan ik het ook.
Meester: Dat zeg ik.
Leerling: Wat heb ik daar nou aan!
Meester: Ik dacht dat het je misschien gerust zou stellen.
Leerling: Daar is heel wat meer voor nodig.
Meester: Wat dan?
Leerling: Ik wil weten waarom ik nu nog niet in actie kom.
Meester: Daar kun je alleen maar naar gissen.
Leerling: Ik wil weten wanneer het eindelijk zover zal zijn.
Meester: Daar kun je alleen maar naar gissen.
Leerling: Ik wil weten wat ik dan ga doen.
Meester: Daar kun je alleen maar naar gissen.
Leerling: Ik wil weten hoe het afloopt.
Meester: Daar kun je alleen maar naar gissen.
Leerling: En dan wil ik nog weten of ik juist gehandeld heb.
Meester: Daar kun je alleen maar naar gissen.
Leerling: Wel verdorie!
Meester: Hoezo?
Leerling: Nou weet ik nog niks!
Meester: Je zult niets doen tot je in actie komt.
Leerling: Ja, en dan?
Meester: Dan zul je in actie blijven tot je weer tot rust komt.
De leerling staat op, schreeuwt "Waardeloze klootzak!" en beent woedend weg.
Bij de hoek aangekomen roept de meester hem na: Hé!
De leerling kijkt om.
Meester: Had je dit voorzien?
De leerling roept "Nee!" en verdwijnt om de hoek.
Meester: En toch kwam je in actie!
De leerling stopt, keert om, loopt langzaam terug en gaat weer zitten.
Meester: En dit, had je
dit voorzien?
Leerling: Nee!
Meester: En toch kom je tot rust.
Leerling: Maar heb ik nou juist gehandeld?
Meester: Daar kun je alleen maar naar gissen.
NapraatjeMeester: Wat heb je hiervan geleerd?
Leerling: Dat alles vanzelf gebeurt.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Dat alles gaat zoals het gaat.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Dat alles op zijn pootjes terechtkomt.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Dat je niet moet gaan zitten gissen.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Wat heeft u dan wel gezegd?
Meester: Bij mijn weten niets.
Leerling: Hè?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Waar bent u nou eigenlijk mee bezig?
Meester: Niets zeggen, zou ik zeggen, maar wie ben ik.
Leerling: Wat heeft dat nou voor zin!
Meester: Daar kun je alleen maar naar gissen.
Impasse
Leerling: Als je in een totale impasse...
Meester: Waarvan?
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Wat wil er niet passeren?
Leerling: O.
Meester: Als je luchtwegen bijvoorbeeld verstopt zitten dan passeert de lucht niet.
Leerling: Dan heb je pas echt een probleem!
Meester: Alleen maar als je niet dood wilt.
De prijs
Een leerling trekt een pistool en roept: Handen omhoog!
De meester laat zijn handen rustig op zijn schoot liggen.
Leerling: Ik kan u zo doodschieten, hoor!
Meester: Dat had je gedacht.
Leerling: De trekker overhalen is een koud kunstje!
Meester: Maar ben je bereid de prijs te betalen?
Leerling: U bent degene die de prijs gaat betalen!
Meester: Niet als je raak schiet.
Leerling: U betaalt met uw leven!
Meester: Dat is toch al niet van mij.
Leerling: Wat kan het mij nou helemaal kosten?
Meester: Dat weet je maar nooit.
De leerling laat zijn pistool zakken en zegt onzeker: Waar denkt u aan?
Meester: Wroeging, depressies, slapeloosheid, medicijnverslaving,
alcoholverslaving, nachtmerries, uitstoting uit de gemeenschap,
zelfhaat, suïcide, gevangenisstraf - wie zal het zeggen?
De leerling richt zijn pistool op het hart van de meester en roept met overslaande stem: Uw leven is in mijn handen!
Meester: Dat kan best wezen...
Leerling: Maar?
Meester: Het jouwe niet.
Salomonsoordeel
Leerling: Iemand betwist het
voogdijschap over uw kind. De rechter dreigt uw kind in tweeën te hakken
als u het onderling niet eens wordt. Wat doet u?
Meester: Hakken is voor mietjes.
Leerling: Dat daargelaten.
Meester: Ik ben het met niemand oneens.
Leerling: Maar het is toch zeker uw kind!
Meester: Een kind is van niemand.
Leerling: Bedoelt u dat u het kind zonder strijd zult afstaan?
Meester: Dat zien we dan wel weer.
Leerling: Bedoelt u dat u misschien toch de strijd zult aangaan?
Meester: Zou kunnen.
Leerling: Hoe zou u uw strijd verantwoorden, als kinderen van niemand zijn?
Meester: Strijd is eveneens van niemand.
Leerling: Zelfs niet van degene die strijdt?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Wat is er eigenlijk wel van u?
Meester: Wat niet?
Leerling: Dat is heel wat anders.
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.
Leerling: Ik snap er niets meer van.
Meester: Dat is nou net het hele eieren eten.
Leerling: En als de rechter het kind aan een onafhankelijke partij toewijst?
Meester: Wat is de vraag?
Leerling: Bent u het daar dan wel mee eens?
Meester: Ik ben het met niemand eens.
Leerling: Behalve met uzelf natuurlijk.
Meester: Ken ik niet.
Leerling: Waarom bent u het eigenlijk met niemand eens?
Meester: Ik weet niet of ik het daar wel mee eens ben.
Leerling: Uit principe?
Meester: Eerder bij gebrek aan principes.
Leerling: Maar eigenlijk?
Meester: In de praktijk.
Getergd springt de leerling op, trekt zijn zwaard en roept: Misschien moest ik u maar eens in tweeën hakken!
Meester: Hakken is voor mietjes.
Iets of niets
Leerling: Veel mensen verkeren in de waan dat er iets te doen valt.
Meester: Veel mensen verkeren in de waan dat er niets te doen valt.
Leerling: Veel mensen verkeren in de waan dat er niets te doen valt.
Meester: Veel mensen verkeren in de waan dat er iets te doen valt.
Leerling: Wat is nou de waan; dat er iets te doen valt of dat er niets te doen valt?
Meester: Dat je daartussen moet kiezen.
Een inval
Leerling: Wat is bezorgdheid?
Meester: Denken dat je iets kan overkomen.
Leerling: Wat is gemoedsrust?
Meester: Denken dat je niets kan overkomen.
Leerling: Wat denkt u zelf?
Meester: Dat het denken je overkomt.
Leerling: Denkt u dat nou werkelijk?
Meester: Het viel me zomaar in.
Schrale troost
Meester: Morgen moet ik naar de tandarts.
Leerling: Bent u bang?
Meester: Als de dood!
Leerling: Dat is nergens voor nodig.
Meester: Hoezo niet?
Leerling: Morgen is alleen maar een gedachte.
Meester: Schrale troost.
Leerling: Hoezo?
Meester: Dat morgen alleen maar een gedachte is, is ook alleen
maar een gedachte.
Leerling: Verdraaid!
Niets verwachten
Leerling: Sereniteit is niets verwachten.
Meester: Je
verwacht er nogal wat van.
Leerling: Waarvan?
Meester: Van niets verwachten.
Leerling: Wat dan?
Meester: Sereniteit, zei je toch?
Leerling: Verdraaid!
Net wat er komt
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Rustig zijn als je rustig bent, onrustig zijn als je onrustig bent.
Leerling: En daar vrede mee hebben?
Meester: Of onvrede, net wat er komt.
Leerling: En
daar dan vrede mee hebben?
Meester: Of onvrede, net wat er komt.
Leerling: Maar zo ben ik al!
Meester: Je wilt het alleen nog niet weten.
Leerling: Als ik dat eenmaal onder ogen zie, zal ik dan eindelijk rust hebben?
Meester: Je wilt het nog steeds niet weten.
Gunstige wind
Leerling: Er bestaat geen ongunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.
Meester: Er bestaat geen gunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.
Onder ogen zien
Leerling: Wat is innerlijke vrede?
Meester: Alles onder ogen zien.
Leerling: En als je dat niet kunt?
Meester: Dan zie je dát onder ogen.
Leerling: En als dat nog steeds niet helpt?
Meester: Je denkt nog steeds dat iets zal helpen.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Wat weet ik daarvan?
Leerling: Als u het al niet weet, wie dan wel?
Meester: Wie zegt dat iemand het weet?
Leerling: Bedoelt u dat niemand het weet?
Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?
Leerling: Ik weet niet of ik dit wel wil weten.
Meester: Dan zie je dat maar onder ogen.
Leerling: Als ik alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?
Meester: Ooit iemand ontmoet die alles onder ogen zag?
Leerling: Persoonlijk?
Meester: Nou.
Leerling: Alleen u.
Meester: Dat weet je toch niet.
Leerling: Maar u toch wel?
Meester: Ik weet het ook niet.
Leerling: Maar ik dacht...
Meester: Los daarvan, vind je mij nou werkelijk een toonbeeld van rust?
De leerling zwijgt.
Meester: Nou dan.
Leerling: Ik had me er heel wat meer van voorgesteld.
Meester: Ook dat moet je onder ogen zien.
Maakt niet uit
Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Dat het je niet uitmaakt.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat je niet zou weten waarom.
Meester: En als het je nou toch uitmaakt?
Leerling: Maakt niet uit.
Meester: En als ook dat je nog uitmaakt?
Leerling: Maakt
niet uit.
Meester: Spreek je uit ervaring of heb je dit bedacht?
Leerling: Wat maakt dat nou uit.
Meester: Eerlijk zeggen.
Leerling: Ik heb het bedacht.
Meester: Geen probleem.
Leerling: Maar het werkt niet.
Meester: Geeft niks.
Leerling, teleurgesteld: Je wordt helemaal niet onverstoorbaar van niet weten.
Meester: Maakt niet uit.
Leerling: Je wordt er helemaal niks van.
Meester: Dát is niet weten.
Spatjes
Leerling: Is het waar dat de verlichte geen enkele pretentie meer heeft?
Meester: Die pretentie heb ik ook niet meer.
Het probleem
Leerling: Waarom ben ik na al die jaren nog steeds niet verlicht?
Meester: Waarom zou je verlicht willen zijn?
Leerling: Om van alle problemen af te zijn.
Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.
Gecondoleerd
Leerling: Wat doet u het allerliefst?
Meester: Uitspraken!
Leerling: Wat is niet weten?
Het gezicht van de meester betrekt.
Hij zegt: Geen uitspraken doen.
Leerling: Behalve deze zeker?
Meester, schor: Inclusief deze.
De leerling legt zijn hand op de arm van de meester en zegt: Gecondoleerd.
De meester pinkt een traan weg en zegt dapper: Waarmee eigenlijk.
No-claim
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Niet claimen dat je iets weet, niet
claimen dat je niets weet.
Leerling: No-claim.
Meester: En geen verzekering.
Zakdoekje leggen
Huilend staat een leerling naast zijn zijn stervende meester.
Hij
smeekt: Zeg me de waarheid!
De meester zegt: Heb je een zakdoek, jongen?
De
leerling knikt en trekt een schone katoenen zakdoek uit zijn zak.
Hij
slaat hem uit en wil hem net aan de meester geven als deze beverig
begint te zingen:
Zakdoekje leggen,
Niemand zeggen,
Kukeluku, zo kraait de haan.
De waarheid die is zo vergaan.
Au au au, wat doet dat zeer,
Hier leg ik mijn zakdoekje neer.
De leerlingen vallen in:
Kijk voor je,
Kijk achter je,
Wie hem vindt die mag hem hebben.
De
meester neemt de zakdoek aan en snuit voor de laatste maal zijn neus.
Hij
geeft de zakdoek terug en zegt: Hier. Voor in je
plakboek.
Doorzien
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Het doorzien van de illusie.
Leerling: Wat is verduistering?
Meester: Het doorzien van het doorzien.
Leerling: Bent u nou verlicht of verduisterd?
Meester, lachend: Ik ben niet achterlijk.
Niet storen
Leerling: Wat is
gemoedsrust?
Meester: De achtergrond van je onrust.
Leerling: Hoe kom ik daar?
Meester: Niemand wordt er
toegelaten
Leerling: Waarom niet?
Meester: Om de
rust niet te verstoren natuurlijk.
Totale verstoorbaarheid
Leerling: Heeft niet weten u onverstoorbaarheid gebracht?
Meester: Niet weten heeft mij niets gebracht.
Leerling: Heeft dat niets het karakter van onverstoorbaarheid?
Meester: Van onverstoorbaarheid weet ik niets.
Leerling: U bent dus niet onverstoorbaar.
Meester: Integendeel, zou ik haast zeggen.
Leerling: Integendeel?
Meester: Ik ben compleet verstoorbaar.
Leerling: Maar u bent toch verlicht?
Meester: Zijn is verstoorbaar zijn.
Leerling: Dat snap ik niet.
Meester: Het is heel eenvoudig. Een waarneming is een verstoring van de vorige
waarneming. Een gedachte is een verstoring van de vorige gedachte of van
de stilte tussen twee gedachten. Een gevoel is een verstoring van het
vorige gevoel of van de stilte tussen twee gevoelens. Niet weten is een
verstoring van het weten dat eraan
vooraf ging. Weten is een verstoring van een ander weten of van een
niet weten dat eraan vooraf ging. De slaap is een verstoring van de
waak, de waak weer van de slaap, honger van verzadiging en omgekeerd, rust van inspanning en zo verder.
Leerling: Verlichting betekent dus niet dat je onverstoorbaar wordt?
De meester zei: Onverstoorbaar zijn alleen de doden.
Leerling: Mag ik aannemen dat de
onvermijdelijke, eh, verstoringen u sinds uw niet weten in ieder geval
niet meer, eh, storen?
Meester: Wat?
Leerling: Dat u ze aanvaardt, of zelfs omarmt, zoals het de waarlijk verlichte betaamt?
Meester: Nee, dat mag je niet.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat niets de waarlijk verlichte betaamt.
Tegeltjeswijsheden
Leerling: Je moet het leven nemen zoals het komt.
Meester: En als afwijzing nou is wat er komt?
Leerling: Je moet het leven nemen zoals het komt.
Meester: Niet nemen zoals het komt is ook het leven.
Leerling: Je moet het leven nemen zoals het komt.
Meester: Als je maar niet denkt dat het leven hetzelfde met jou doet.
Leerling: Je moet het leven nemen zoals het komt.
Meester: Waarom?
Leerling: Dat komt je gemoedsrust ten
goede.
Meester: Wat is er mis met onrust?
Leerling: Onrust is een naar gevoel.
Meester: Moet je je gevoelens dan
niet nemen zoals ze komen?
Leerling: Je moet de dingen nemen zoals ze zijn.
Meester: Wie weet hoe de dingen zijn.
Leerling: Je moet de dingen nemen zoals ze zijn.
Meester: En als je dat niet kunt?
Leerling: Dan moet je het afdwingen.
Meester: Moet je jezelf dan niet
nemen zoals je bent?
Leerling: Je moet jezelf nemen zoals
je bent.
Meester: En als je dat niet kunt?
Leerling: Dan moet je je daar maar bij neerleggen.
Meester: En als je dat nou ook niet kunt?
Leerling: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.
Leerling: Je moet jezelf nemen zoals je bent.
Meester: En als je nou steeds een ander bent?
Leerling: Je moet jezelf nemen zoals je bent.
Meester: Gesteld dat je bent.
Nomen nescio
Sereen is hij die het leven aanvaardt. Rusteloos is hij die het leven
afwijst. Maar hoe noemt men hem die het leven niet kent? Die niet weet
of "leven" een woord is of een ding? Die niet weet of er wel zoiets is
als "het leven"? Die niet weet of hijzelf wel iemand is, of eerder niemand
of nog iets anders of niets daarvan? Die nu eens dit denkt en dan weer dat? Die
zijn gedachten niet gelooft, zelfs niet de gedachte dat hij zijn
gedachten niet gelooft? Hoe noemt men hem op wie de woorden "hem", "sereen"
en "rusteloos" helemaal niet meer van toepassing lijken te zijn?
Niet duiden
De dwijze ziet in sereniteit - hoe diep
en constant ook - geen teken van iets groters zoals
verlichting of vereniging met god. Evenmin ziet
hij in onrust of onvrede een teken van het tegendeel.
Dwijsheid
is dan ook niet zozeer een bepaalde
gemoedstoestand als wel een consequent niet duiden van om het even wat,
om niet te zeggen (een extra ontkenning kan nooit
kwaad) een
zelfs niet niet-duiden, dat wil zeggen (wat extra uitleg
kan nooit kwaad), een duiden tussen aanhalingstekens en een niet-duiden
tussen aanhalingstekens. Welke gemoedstoestand daarvan ook het gevolg mag zijn.
Kleine Vrijheid, Grote Vrijheid.
Leerling: Wat is Kleine Vrijheid?
Meester: Niet weten.
Leerling: Hoe maakt niet weten vrij?
Meester: Wat je niet weet kan je ook niet binden.
Leerling: Wat is Grote Vrijheid?
Meester: Zelfs niet weten van niet weten.
Leerling: Maar je was toch al bevrijd?
Meester: Nog niet van de Kleine Vrijheid.
Mooi meegenomen
Leerling: Wat vind je fijn aan niet weten?
Meester: Dat het je bevrijdt.
Leerling: Waarvan?
Meester: Van het weten.
De meester zwijgt.
Leerling: Wat vindt u fijn aan niet weten?
Meester: Ik zou niet weten wat er fijn aan is.
Leerling: Dat klinkt nou niet bepaald als een blijde boodschap.
Meester: Toch wel.
Leerling: Waarom dan?
Meester: Zo blijf ik er tenminste vrij van.
Gevallen
is mijn last.
De last mijzelf te moeten bepalen.
Te moeten weten wie ik ben.
Te moeten zijn wie ik meen te zijn.
Mijn verhaal up-to-date te moeten houden.
Mijn bestaan te moeten rechtvaardigen.
Mezelf te moeten verkopen.
Die last is van mijn schouders.
Zo beeld ik mij soms in.
Gevallen is mijn last.
De last mijzelf niet meer te mogen bepalen.
Niet te mogen weten wie ik ben.
Mezelf niet meer te mogen verkopen.
Niemand te moeten zijn.
Niet meer van 'ik' en 'mij' te mogen spreken.
Geen verhaal meer te mogen vertellen.
Omdat ik anders door de mand val.
Door iemand anders' mand val.
Die ik mijzelf heb ingebeeld:
De mand van de heilige.
Die alle onderscheidingen voorbij is.
Behalve
dan die van zijn mand.
Die last is van mijn schouders.
Zo beeld ik mij soms in.
Gevallen is mijn last.
De last van de tijd.
Van het zogenaamde verleden.
Van schuldgevoelens over gedane zaken.
Van spijt om gemiste kansen.
Van schaamte over vermeende blunders.
Van vruchteloos terugverlangen naar
het tuinpad van mijn vader.
Van gepieker over de toekomst.
Van overspannen verwachtingen.
Van de vergankelijkheid.
Van mijn vergankelijkheid.
Die last is van mijn schouders.
Zo beeld ik mij soms in.
Gevallen is mijn last.
De last van mijn onvergankelijkheid.
Van mijn ongeborenheid.
Van het eeuwige nu dat ik zou zijn.
Of dat zich in mij zou manifesteren.
Of waarvan ik de bron zou zijn.
Of de bestemming.
De last van de onvoorwaardelijke liefde.
Van het universele mededogen.
En meer van dat fraais.
Die last is van mijn schouders.
Zo beeld ik mij soms in.
Gevallen is mijn last.
De last
van het streven.
Van het wikken en wegen.
Van het willen.
Van de zingeving.
Van de hoop.
Van de wanhoop.
Van het zoeken.
Van het vinden.
Van het opgeven.
Van het opnieuw zoeken.
Van het doen.
Van het laten.
Van het vasthouden.
Van het loslaten.
Die last is van mijn schouders.
Zo beeld ik mij soms in.
Gevallen is mijn last.
De last van niet streven.
Van niet willen.
Van de zingeving voorbij zijn.
Van hopen noch wanhopen.
Van niet meer zoeken.
Van louter
zijn te moeten zijn.
Van louter nog gewaar te zijn.
Van
voortaan heel gewoon te zijn.
Van voortaan steeds spontaan te zijn.
Die last is van mijn schouders.
Zo beeld ik mij soms in.
Gevallen is mijn last.
De last van mijn gedachten.
De last van wat ik aannam over mijn gedachten.
Maar ook de last vrij van aannames te moeten zijn.
De last mij te moeten bevrijden van mijn last.
Er
iedere seconde van bevrijd te moeten zijn.
Die last is van mijn schouders.
Zo beeld ik mij soms in.
Dankbaarheid
Meester: Wat is verlichting?
Leerling: Het einde van ieder besef.
Meester: Hoe manifesteert zich dat?
Leerling: In mijn geval als een permanent gevoel van dankbaarheid.
Meester: Waar komt dat gevoel vandaan?
Leerling: Ik heb me gerealiseerd dat ik nergens recht op heb, dat alles mij
toevalt door louter genade: elke beweging, iedere ademteug, elk lichtstraaltje, ieder geluidje, elk geurtje, ieder smaakje, elk appeltje, enzovoort.
Meester: Dan heb je het einde van ieder besef nog niet bereikt.