(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Filosofie a-z



Verlichting voor dummy'sCitatenFilosofie > Filosofie a-z

Deze pagina: Citaten over niet weten van verschillende filosofen.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.





Bayle, Pierre


Uit Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Zelfs niet uitgebreid
Maar waar de oude sceptici nog volstonden met op te merken dat men niet zeker kan weten of warmte in het vuur is (en niet slechts in de hand die het voelt), verzekeren nieuwe filosofen ons dat dat niet zeker het geval is, en dat warmte uitsluitend in de geest van de waarnemer is. Nu zal de cartesiaan antwoorden dat warmte, geur, kleur, etc, weliswaar geen reële kwaliteiten van de dingen zijn, maar uitgebreidheid en beweging wel. Maar [Pierre Bayle] toont van zijn kant aan dat daarvoor geen argumenten bestaan: 'Als het ons toeschijnt dat de objecten van de zintuigen gekleurd, warm, koud, geurig zijn, hoewel ze dat van zichzelf niet zijn, waarom zou het dan niet ook slechts schijn kunnen zijn dat ze uitgebreid zijn en een bepaalde vorm hebben, of in rust en beweging zijn.' (67,68)

Tegen de economie
De conclusie luidt dat aan deze voorstellingen van de wereld niets reëels beantwoordt, zodat alles kan zijn zoals het is, zonder dat er een uitgebreide wereld bestaat. Volgens Bayle impliceert dit zelfs, strikt genomen, dát er geen wereld bestaat, omdat het tegen de economie van Gods handelen is [...] dat Hij een wereld laat bestaan zonder dat dat voor Hem of voor ons enig verschil maakt. (68)


Feyerabend, Paul


Uit Over kennis: twee dialogen, Paul Feyerabend, 1993:

Dubieuze veronderstelling
U veronderstelde dat principes of procedures die tot absurditeit of tegenspraak leiden wanneer ze op zichzelf worden toegepast, moeten worden opgegeven. Dat is een zeer dubieuze veronderstelling. [We] hoeven de regel dat een principe waarvan de toepassing op zichzelf moeilijkheden veroorzaakt, moet worden opgegeven, niet te aanvaarden. (57,58)

Bevriezen, niet onthullen
[Dit] maakt mij duidelijk dat ik dus nooit zal weten hoe jij mij ziet, hoe ik mijzelf zie en dus nooit zal weten wie ik 'werkelijk' ben of wie dan ook 'werkelijk' is. Wat mij betreft slagen alle pogingen tot zelfidentificatie er alleen in bepaalde aspecten te bevriezen, zij onthullen geen aspect-onafhankelijke 'werkelijkheid'. (74)

Eigen, ondoordringbare wereld
[citaat uit Pirandello's Enrico IV:] Ik zou niet graag willen dat jij, zoals ik heb gedaan, zou nadenken over deze afschuwelijke situatie die werkelijk gek maakt: dat je, als je naast iemand stond en in zijn ogen keek - zoals ik op een dag in iemands ogen keek - net zo goed een bedelaar zou kunnen zijn, staande voor een deur die nooit voor je zou worden geopend: want hij die daar binnengaat, zal nooit jij zijn, maar iemand die je niet kent met zijn eigen, andere en ondoordringbare wereld. (74)

Niet op zichzelf
Een glimlach is een glimlach voor een waarnemer, niet op en voor zichzelf. (74)

De 'Waarheid'
[Acteurs] scheppen illusies en zij weten het, terwijl jouw gemiddelde filosoof, die veel minder weet van de kunst van de grime, intellectuele grime in dit geval - lijdt aan de illusie dat hij 'de Waarheid' heeft gevonden. (75)

Droom of nog erger
Een debat is daarom niet als een reis op een duidelijk herkenbare weg; elk deel van de weg kan een hersenschim blijken te zijn, en zelfs als dat niet het geval is, zelfs als jij en anderen vaste grond onder de voeten hebben, ben je er in het geheel niet zeker van dat het geen droom is, of nog erger, dat je praat in je slaap terwijl de anderen aannemen dat je klaarwakker bent en reageren op jouw fantasieën. (76)

Een reeks wonderen
Ik zie een reeks wonderen waar jij een tamelijk ordelijke voortgang van de ene gedachte of handeling naar de volgende bespeurt. (76)

Heb ik dat gezegd?
A: Maar zoëven zei je dat er alleen maar illusies en wonderen bestaan!
B: Heb ik dat gezegd? Dan heb ik me slecht uitgedrukt. Tenslotte veronderstelt het spreken over illusies een of andere 'werkelijkheid'. (77)


Fichte, Johann Gottlieb (1762 - 1814)


Uit [De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:

Mijn wereld
Fichte stelt dat al onze kennis te herleiden is tot een onwrikbaar Ik, een Ik dat zichzelf en vervolgens de hele wereld schept. Met grootheidswaan heeft dat weinig te maken. Want 'Ik' is niet: 'Fichte'. Willen we al onze ervaringen en kennis funderen, dan stuiten we hoe dan ook op dit Ik. Wat je ook ziet of hoe je ook denkt, de wereld verschijnt altijd in de ik-vorm, als mijn wereld. [...] Ik betekent bij Fichte, 'de ik die alles mogelijk maakt'. (55)


Foucault, Michel


Uit Spreek als laatste, over de poëzie van Paul Celan, Maurice Blanchot 1988:

Gedruis
Heeft het spreken eenmaal zijn eigen grens bereikt, dan vindt het daar een leegte, waarin het geheel en al opgaat. Deze leegte moet het spreken zien te bereiken, door te aanvaarden dat het oplost in het gedruis (...), in het Buiten waarin alleen de woorden voorbijtrekken. (10)


Gorgias


Geen enkele denkinhoud heeft een bestaan buiten het denken. Wat gedacht wordt, is dus nooit wat in werkelijkheid bestaat. Het zijn kan daarom niet gedacht worden, want dan zou het geen werkelijk bestaan hebben.


Hegel, Georg Wilhelm Friedrich


Uit Spreek als laatste, over de poëzie van Paul Celan, Maurice Blanchot 1988:

Woorden die doden
Door het geven van namen maakte Adam zich meester van de dieren, dat wil zeggen hij vernietigde hen in hun bestaan. (9)


Heidegger, Martin (1889 -1976)


Uit Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:

Afgrondelijk gebeuren
[Metafysica bij Heidegger is]: het bewerkstelligen van een omslag, een omwenteling in het bestaan. Het is geen vertrek daaruit, op zoek naar 'hoger honing', maar het in gang brengen van een omslag waarin de vanzelfsprekendheid van de alledaagse ordeningen wordt doorbroken en een 'andere alledaagsheid' ontstaat, waarin het gewoonste het ongewoonste wordt [...]. Het bestaan wordt als een afgrondelijk gebeuren ontwaard en aanvaard. (55)

Alles moet wankelen
Teneinde het geheim van het Dasein weer te wekken, moet de mens schrik aangejaagd worden om de 'benardheid' van zijn bestaan onder ogen te zien. 'Alles moet aan het wankelen raken'. (59)

De dingen ont-dekken
In Morgenrood schrijft Friedrich Nietzsche (1844-1900): 'Waarom ziet de mens de dingen niet? Hij staat zelf in de weg, hij dekt de dingen toe'. Zo worden in de westerse filosofie de dingen toegedekt met allerhande begrippen. Maar de dingen als dingen zijn geen 'configuraties van stof en vorm', 'geen bronnen van gewaarwording', geen 'kernen met eigenschappen'. (60)

Het dak van het toeval
In de voordracht 'Das Ding' kwalificeert Heidegger de westerse filosofie als een 25 eeuwen omspannende overval op de dingen. Hij beaamt de woorden van Nietzsche, dat wij het 'dak van het toeval aan de dingen terug moeten geven'. (60)

Gelatenheid
In de voordracht Gelatenheid (1959) viseert Heidegger dat een gelatenheid tegenover de dingen en een openheid voor het geheim ons in staat kunnen stellen ons op een geheel andere wijze in de wereld op te houden. De gelatenheid is allesbehalve een fatalistische berusting en resignatie. In de gelatenheid staan wij niet onverschillig tegenover de dingen en andere wereldse zaken. Integendeel, het 'laten' in 'ge-laten-heid' behelst een vrij laten, een 'laten zijn'. (62)

Zuivere tegenwoordigheid
Heidegger heeft de gelatenheid [...] nader aangeduid als een 'wachten': een werkelijk wachten, waarin niet iets 'verwacht' of 'afgewacht' wordt [...]. Het werkelijke wachten van de gelatenheid behelst een 'hoger doen' dan alle daden van de wereld en al het gedoe van het mensdom. In het eigenlijke wachten zijn wij 'zuivere tegenwoordigheid.' (63)



uit [De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:

Oneindige betekenisloosheid
De tijd tikt door en het niets nietigt zonder dat we er erg in hebben. Dat we hier weinig van merken komt omdat we ons in het dagelijks bestaan verliezen. Maar heel soms zijn er momenten, waarin dat nietigen van het niets ons even inhaalt. In die momenten dringt zich een oneindige betekenisloosheid aan ons op. Bijvoorbeeld in de grootst mogelijke verveling, maar nog indringender in de huiveringen die een mens kan hebben als hij zich angstig probeert voorstellen 'waar' het bestaan zich bevindt. De onmogelijkheid je deze voorstelling te maken veroorzaakt een zeer eigenaardige angst. Het is niet een vrees voor iets, maar het is de angst voor niets. De werkelijkheid heeft alle betekenis verloren en er is in die voorstelling niets waaraan je je nog kan vasthouden. (93, Simon over Heidegger)


Hume, David


Uit Het menselijk inzicht, David Hume, 1748; Amsterdam 1978:

Dekmantel
En nog heerlijker is het, wanneer wij [...] de grondslagen van een duistere wijsbegeerte kunnen ondermijnen, die tot nu toe slechts heeft gediend als een schuilplaats voor bijgeloof en een dekmantel voor dwaasheid en dwaling! (50)

Honderd andere mogelijkheden
Wanneer ik bijvoorbeeld een biljartbal in een rechte lijn naar een andere zie bewegen en zelfs veronderstel dat de beweging van de tweede mij door een of ander toeval voorkomt als het resultaat van hun contact of van de botsing, kan ik mij dan geen honderd andere gebeurtenissen voorstellen, die even goed uit die oorzaak zouden kunnen volgen? Kunnen beide ballen niet volstrekt bewegingloos blijven? Kan de eerste bal niet in rechte lijn teruggekaatst worden of in elke willekeurige richting van de tweede terugstuiten? Al deze veronderstellingen bevatten geen tegenstrijdigheden en zijn denkbaar. (65)

Kort respijt
De meest volmaakte natuurfilosofie geeft slechts een kort respijt van onze onwetendheid; zoals de meest volmaakte menswetenschap en metafysica haar steeds meer bloot legt. Zo voert alle wijsbegeerte tot het besef van menselijke onwetendheid en zwakheid die ons van alle kanten omringt, ondanks onze inspanningen haar te ontlopen of kwijt te raken. (66)

Van oplossing naar probleem
Elke oplossing voert steeds weer tot een nieuw probleem, even moeilijk als het vorige, en noopt ons tot verder onderzoek. (67)

Terriërs
Wijsgeren die zich het air aanmeten van verheven wijsheid en alwetendheid, hebben het moeilijk te verduren wanneer zij mensen met een kritische instelling ontmoeten, die hen achtervolgen in elke stellingname waarop zij zich terugtrekken en die hen zo zeker als wat ten slotte voor een gevaarlijk dilemma stellen. (67)

Geen bewijs
Het veelvuldig gebruik van de woorden: kracht, vermogen, energie, enz., [...] is geen bewijs dat wij, in welk geval dan ook, inzicht hebben in het verbindende beginsel tussen oorzaak en gevolg of het voortkomen van iets uit iets anders kunnen verklaren. (115)



uit Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Louter veronderstelling
Alle projecties van het verleden - waarin vuur altijd hitte gaf en de zon altijd opging - naar de toekomst toe steunen immers op de veronderstelling dat de natuur en het hele heelal te allen tijde zullen blijven zoals ze zijn - een veronderstelling die niet alleen onbewijsbaar is, maar zelfs, alles welbeschouwd, als hoogst onwaarschijnlijk moet worden bestempeld. (193)

On-redelijk
Ook in de wetenschap gaat het uiteindelijk om een on-redelijke gewoonte (de uitdrukking is pleonastisch: elke houding tegenover de toekomst is onredelijk, want uitsluitend op het verleden gebaseerd), maar de gewoonte is hier als het ware veredeld, kritisch en reflexief gecorrigeerd, zodat ze tenminste rekening houdt met de variabiliteit en de uitzonderingen die reeds in het verleden te vinden waren. (194)

Onbewijsbare wereld
Het geloof in het bestaan van de buitenwereld is dus een onredelijk, niet te rechtvaardigen - dit wil zeggen logisch dwingend te bewijzen - geloof. (195)

Dwingende illusie
Net zomin als de mens door een 'redelijke' beslissing een eind zou kunnen maken aan de meer ergerlijke aspecten van zijn spijsvertering, kan hij beslissen op grond van beter weten voortaan niet meer te geloven in het bestaan van de wereld. (195)

Lichamen aannemen
[Met de woorden van Hume:] "We kunnen wel vragen, welke oorzaken brengen ons ertoe in het bestaan van lichamen te geloven? Maar het is vruchteloos te vragen of er lichamen bestaan of niet. Dat is een punt dat we als gegeven moeten aannemen in al onze redeneringen." (199)

Animaal
De zogenaamde grondovertuigingen - het geloof in het causaliteitprincipe en het bestaan van de wereld -, waarvan Hume zegt dat ze geen van alle rationeel gerechtvaardigd kunnen worden, maar hoogstens causaal verklaard, fungeren dus niet als basisbeginselen in termen van 'wat moet zijn opdat wat is zou mogelijk zijn', maar als animale, instinctieve vormen van 'geloof' (belief), die gedragen worden door de affectiviteit [...] en niet door het cognitieve. (199)

A priori noch a posteriori
Door de misschien wel typisch hedendaagse gedachte dat zelfs de meest fundamentele basisovertuigingen - zoals het geloof in het bestaan van de wereld, het causaliteitsprincipe en inductie -, waar ook de wetenschap noodgedwongen moet van uitgaan, niet kunnen gerechtvaardigd worden, is Hume namelijk minder geneigd de ontologische pretenties en de ultieme verklarende kracht van de wetenschap te overschatten. Zijn wetenschap is er een waarvan niet a priori, en zelfs niet a posteriori, kan gezegd worden dat ze de werkelijkheid bereikt, en die dus in dat opzicht niet wezenlijk verschilt van andere, zowel cognitieve als niet-cognitieve, menselijke praktijken. (201)



uit Wat Blijft, Patricia de Martelaere, 2002:

Werkelijkheid?
Hume stelt zich de vraag op grond waarvan wij eigenlijk zo zeker kunnen weten dat onze waarnemingen in waaktoestand overeenstemmen met een werkelijk bestaande buitenwereld en onze nachtelijke droombeelden niet. Hij komt tot het besluit dat wij daartoe geen enkele strikt rationele reden hebben. Wij nemen als vanzelfsprekend aan dat het wel zo zal zijn op grond van bepaalde vormen van coherentie tussen onze waarnemingen of tussen onze eigen waarnemingen en die van anderen. Maar ook de waarnemingen van anderen kennen we natuurlijk alleen maar door onze waarnemingen daarvan, en we vergeten dat we nooit over iets anders beschikken dan wat ons gegeven is als een waarneming. (43)

Bestaan is ons niet gegeven
Alleen in de orde van het 'verschijnen' zelf heersen absolute zekerheid en onbetwijfelbaarheid, meent Hume [...]. Alles verschijnt ons, op het moment waarop het ons verschijnt, zoals het ons verschijnt, en niet anders. Het loopt pas mis zodra we proberen iets toe te schrijven, zelfs nog maar zo algemeen als 'bestaan' of 'niet bestaan', aan bepaalde verschijningsvormen. 'Bestaan' is ons niet gegeven. (43,44)

Identiteit is ons al helemaal niet gegeven
Als beelden bestaan onze waarnemingen allemaal, maar geen van alle kunnen ze iets bieden wat échter zou zijn dan een beeld. Het spreekt dan ook vanzelf dat een zogenaamde 'identiteit' van dingen, levenloos of levend, ons al helemaal niet gegeven kan zijn [...]. (44)

Ook wording is ons niet gegeven
Maar strikt genomen is ons om dezelfde reden ook niet de 'wording' van dingen gegeven. Ieder nieuw beeld van de tafel zou gewoon een nieuwe tafel kunnen zijn: alleen de opeenvolging is gegeven, zonder een ervaring van 'iets' wat wordt. Beelden bestaan voor ons zolang ze waargenomen worden; als ze verdwijnen zijn ze equivalent met onbestaand, en als ze 'opnieuw' verschijnen zijn het letterlijk genomen ándere en nieuwe beelden. (44)

Vernietigd
We kijken om ons heen en zien onze kamer met alle vertrouwde voorwerpen die er altijd al waren. We sluiten de ogen en heel deze wereld wordt onmiddellijk vernietigd. (44)

Geen noodzaak
In werkelijkheid, zegt Hume, is er echter geen enkele noodzakelijkheid in de orde der dingen, en het is op zich beschouwd best mogelijk dat we morgen ontwaken in een wereld waarin vuur geen hitte meer geeft [...]. Het is zelfs mogelijk dat er morgen niet eens nog een morgen is [...]. (46)

Waar is de waarnemer?
De belangrijkste [...] conclusie waar Hume toe komt is van louter negatieve aard: er blijkt geen waarneming te zijn van de 'waarnemer' zelf. Zodra we op zoek gaan in 'onszelf' naar diegene die of datgene wat waarneemt stuiten we alleen maar telkens opnieuw op iets wat een waarneming is, en nooit op de waarnemer zelf. Beelden van voorwerpen rondom ons, herinneringen en verlangens wisselen elkaar af met lichaamservaringen, pijnen en ongemakken of met hevige passies en emoties, maar 'onszelf' krijgen we niet te pakken. Hoe vreemd het ook mag lijken: ons 'ik' zelf blijkt niet tot onze ervaringswereld te behoren. (49,50)


Husserl, Edmund (1859 - 1938)


Uit Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:

Tussen haakjes
Voor Husserl betekent de fenomenologische reductie de overgang van de natuurlijke instelling, waarin men in het werkelijke bestaan van de dingen gelooft, naar de fenomenologische instellingen, waarin dit geloof terzijde wordt gesteld en de dingen als verschijnselen worden genomen. Hierbij wordt het bestaan van de wereld niet betwijfeld, maar 'tussen haakjes' gezet. (112)

Opschorting
De fenomenoloog schort zijn mening op over wat de werkelijke aarde van de verschijnselen is. De fenomenologische reductie laat het feitelijke bestaan van alles, zowel in de wereld als aan de zijde van de waarnemer, buiten beschouwing. (112)



uit [De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:

Het bewustzijn is niet objectiveerbaar
Als we ons eigen denken, het bewustzijn, op dezelfde wijze verklaren als de verschijnselen die we in de wereld buiten ons aantreffen, dan komen we onherroepelijk in de problemen. Hoe kan namelijk het subjectieve bewustzijn objectief worden verklaard? Hoe kunnen we de grenzen van het vermogen aangeven met het vermogen zelf? Wie kan zich aan zijn eigen haren uit het moeras trekken? (83)

Baron van Munchhausen
Als de psycholoog consequent in zijn natuurwetenschappelijke aanpak wil zijn, dan moet hij ook zijn eigen bevindingen behandelen als verschijnselen waarover niet gezegd kan worden of ze logisch of onlogisch zijn. En dat kan hij natuurlijk niet. Zodra hij de logica opgeeft kan hij niets meer beweren - hij is de Baron van Muchhausen niet. (84)

Trillingen of muziek?
De werkelijkheid zelf verschijnt niet. Want wij horen misschien wel muziek, maar in werkelijkheid zijn het geluidstrillingen die we in ons hoofd omzetten tot muziek. 'Was wirklich ist, erscheint nicht, und was erscheint, ist nicht wirklich', was de natuurwetenschappelijke mantra van Brentano. Maar Husserl zet die 'werkelijkheid' tussen haakjes, want in werkelijkheid hoor ik het lied van de zangeres op het podium, schrijft hij in zijn Logische Untersuchungen, 'niet in mijn oren.'  (84)

Natuurwetenschappelijke illusie
Als het gaat om de dingen in onze wereld, verschijnen deze nooit in ons, maar altijd aan ons. We hebben niets anders dan de verschijning, meent Husserl. Zo blijkt de tijdelijke opschorting van de natuurwetenschappelijke blik niet eens afdoende. De natuurwetenschappelijke werkelijkheid is hoe dan ook een illusie. Onze wereld is de wereld tussen haakjes. (84)

Een medemens veronderstellen
In de inleiding van zijn Logische Untersuchungen verontschuldig [Husserl] zich zelfs voorzichtig voor de discrepantie van het publiceren: het veronderstelt een medemens zonder dat het bestaan daarvan bewezen is. Hoe kan hij zeker weten dat de mens die aan hem verschijnt net als hij ook een bewustzijn heeft? (85)


Lehrer, Keith


Uit Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Misleid door Googolplexen
Zo wil bijvoorbeeld Keith Lehrer (Why not scepticism) aantonen dat het perfect mogelijk is dat niemand, met rede begaafd, waar dan ook in het heelal iets werkelijk weet, omdat het perfect mogelijk is dat Googols in een ander zonnestelsel ons, aardse stervelingen, permanent manipuleren en misleiden, terwijl ze zelf, buiten hun weten om, op hun beurt worden misleid door Googolplexen uit een nog verder zonnestelsel. (203)


Locke, John


Uit Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Gesubjectiveerd
Volgens Locke kan slechts de nominal essence van de dingen gekend worden, niet de real essence. Dit houdt in dat we het ding slechts kennen als een open verzameling kwaliteiten zonder dat we ooit weten hoe deze in een subject samenhangen. Daarvoor zouden we immers dat subject moeten kennen, wat slechts mogelijk is indien dit zich in de vorm van de ene of de andere kwaliteit zou voordoen, waarvan men opnieuw kan vragen hoe ze in het subject geworteld is. Voor Locke vloeide dit standpunt onvermijdelijk voort uit de wetenschappelijke ontwikkeling, die naar zijn oordeel de zogeheten 'secundaire' kwaliteiten - kleur, geur, geluid, etc. - volledig had gesubjectiveerd. (73)


Malebranche, Nicolas


Uit Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Virtuele kamer
[Malebranche maakte] gebruik van de sceptische argumenten die men al bij Descartes vond, en die hem, meer nog dan bij zijn voorganger, expliciet bedoeld zijn om de mens te doen inzien dat de zintuiglijke ervaring een illusie is. "Als God de kamer waarin ik mij bevind zou vernietigen, maar zou voortgaan mijn hersenen op dezelfde manier te stimuleren en mijn geest dezelfde voorstellingen te geven, dan zou er voor mij niets veranderen." (65)


Marcel, Gabriel


Uit De mens zichzelf een vraagstuk, Gabriel Marcel, 1956:

Ondoorgrondelijk
Het eigenlijke zijn van de mens echter is en blijf mysterie: er is inzicht mogelijk in de mens, maar een inzicht, dat steeds meer laat bevroeden, dat de mens ondoorgrondelijk is. (9)

Wie ben ik?
Doch eerst heeft [de mens] zich een vraag gesteld, altijd dezelfde vraag, en hij verwacht geen ogenblik daar een antwoord op te krijgen: 'Wie ben ik' vraagt hij, 'waarom leef ik, wat voor zin heeft dit alles?' (18)

Beroofd
Hij wordt gekweld, hij wordt opgeteerd door deze vraag zonder antwoord. Zijn lot bestaat hierin, deze vraag te zien oprijzen boven de duistere afgrond van het niets, tegen de achtergrond van het volkomen ledig. Een vreemde en onbegrijpelijke macht heeft hem van alles beroofd waarin hij zich thuis voelde, alles dat hem in staat stelde vorm te geven aan zijn leven. (19)

Onrustbarend
Tot degeen voor wie nadenken een noodzaak is, een levensbehoefte, tot diens bewustzijn dringt het door hoe onbestendig en wisselvallig de omstandigheden zijn, die de vaste omlijsting uitmaken van zijn gehele bestaan. Het woord 'normaal', dat hij vroeger gebruikte op een manier die hem tegenwoordig zo ondoordacht lijkt, gaat zijn betekenis verliezen, of laten wij tenminste zeggen dat er plotseling als het ware een merkteken bij staat waardoor het in een nieuw en onrustbarend licht verschijnt. Wat ik meende dat normaal was, is bepaald niet zo normaal als waarvoor ik het hield en het kan misschien enkel tot stand komen dank zij vrij uitzonderlijke omstandigheden, welke zeer zeker geen enkele waarborg in zich dragen van absolute duurzaamheid, zoals wij dat vroeger heel argeloos voor vanzelfsprekend konden houden. (21)

Onvanzelfsprekend
Het ligt niet meer in onze macht, het behoort zelfs niet meer tot onze mogelijkheden terug te keren tot dat stadium van de geschiedenis, waarin de mens zichzelf een vanzelfsprekend gegeven kon lijken. ... Ik ben sterk geneigd mij hier uit te drukken zoals ik dat met betrekking tot de techniek heb gedaan: het is een illusie, zei ik, als men zich verbeeldt dat de mens, verschrikt door de mogelijke gevolgen van de technische ontwikkeling, zichzelf het gebruik zou moeten ontzeggen van de krachten waarvan hij de gevaarlijke aard heeft leren kennen. De techniek is iets dat hij voortaan zal moeten dragen, dat hij op zich zal moeten nemen, wil hij zichzelf niet verloochenen. Het is geen last die hij kan afleggen om voortaan gemakkelijker te lopen. Op overigens zeer verschillend terrein staat het precies zo met betrekking tot het kwellende probleem, dat zich aan hem voordoet zodra hij ophoudt zichzelf als vanzelfsprekend te beschouwen. (58)

Het ondervragend denken
Het ondervragend denken staat in laatste instantie tegenover alles wat zich voordoet als bevestiging, of om een in het Frans onvertaalbaar Engels woord te gebruiken, als statement. Het kenmerk van een statement is, dat het geen wederwoord krijgt of wenst; het heeft een karakter van finality. (67)

No possible statement
Maar wat ik genoemd heb het tot vraag worden van de mens voor de mens, heeft dit eigenaardige kenmerk, dat het niet uitloopt into a possible statement. Of misschien deed ik beter te zeggen, dat dit tot vraag worden zich met één slag ook uitstrekt tot elk statement betreffende de oorsprong, het wezen of de bestemming zelf van de mens. (68)

Boven alle antwoorden verheven
In mijn ogen is het beslissende punt dit: een wezen, welks diepste oorspronkelijkheid wellicht hierin bestaat dat het niet enkel vraagt naar de natuur der dingen, maar zich ondervraagt aangaande zijn eigen wezen, verheft zich alleen al hierdoor boven alle antwoorden, tot welke deze ondervraging kan leiden, omdat deze antwoorden onvermijdelijk slechts een deel bestrijken. (68)

Daad van nederigheid
Het is de taak van de vrijheid, welke het punt bereikt heeft waar zij nadert tot het hoogste zelfbewustzijn, zich in zekere mate van zichzelf te bevrijden. Ik bedoel daarmee: zich te bevrijden van haar perverse neiging haar eigen zelfgenoegzaamheid te verkondigen. Deze bevrijding is niets anders dan de daad van nederigheid, waardoor zij zich overgeeft aan de genade. (69)


Merleau-Ponty, Maurice


Uit Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:

La chair du monde
Het menselijk lichaam versmelt met de dingen in de wereld. Merleau-Ponty spreekt ook wel van 'het vlees van de wereld (la chair du monde)'. Hierbij gaat het om een 'onzichtbare wereld', omdat deze nog geen betekenis heeft en aan het proces van haar structurering vooraf gaat. (41)

Nog niet gescheiden
Lichaam en wereld zijn van dezelfde stof gemaakt. Daarom spreekt Merleau-Ponty ook van 'het lichaam van de wereld' en - voorzover deze prereflexieve ervaring blijvend is en ook de grondslag van het bewuste denken en handelen vormt - van 'het lichaam van de tijd'. Het lichaam en de wereld en ook ruimte en tijd zijn nog niet van elkaar gescheiden. Dit gebeurt pas door het bewustworden van de waarneming. (42)



Douwe Tiemersma over Merleau-Ponty in Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:

Zien en gezien worden
Ik zie lichamelijk de dingen om me heen, maar ik word ook gezien door de dingen. Zien en zichtbaar zijn, zijn omkeerbaar. De wereld is uit dezelfde stof gemaakt als het lichaam. Deze 'stof' is het 'vlees van de wereld' (la chair du monde) (113)

Vóór-wereld
Het is een vóór-wereld die nog geen eenduidige en vaste ordening heeft, een wereld zoals die er is in de eerste fasen van de waarneming. Van hieruit komen alle dingen door een proces van differentiatie voort. (113)

Nulpunt
Het meest oorspronkelijke dat nog is aan te wijzen, is het 'nulpunt', waar vanuit als eerste de dualiteit subject/object ontspringt. (113)

Le point zéro
De eerste 'splijting van het zijn' vanuit een 'nulpunt' in subject en object bij de latere Merleau-Ponty komt sterk overeen met de advaitische visie. Het latere werk van Merleau-Ponty wordt door filosofen een zijnsleer (ontologie) genoemd, omdat de zaak waar het om gaat het zijn in het algemeen is en niet meer het zijn voor een subject. In dat geval zou het niet meer fenomenologisch te benaderen zijn. Bij het verdergaan op de weg van de fenomenologische reductie komt er een grens waarna niets meer gezegd kan worden. Iets verschijnt dat geen verschijnsel meer is en niet meer is te duiden, maar van waaruit alles ontspringt. Bij Merleau-Ponty is dit le point zéro. (119)


Montaigne, Michel de


Uit de grens van het denken van Arja Vanderjagt in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Water pakken
[Michel de Montaigne sluit] aan bij het pyrronistisch scepticisme: er kan over de dingen niet objectief met stelligheid worden geoordeeld, dus moet het oordeel maar worden opgeschort. De volgende passage komt uit zijn Apologie van Raymond Sebond:
'Per slot van rekening heeft noch ons zijn, noch dat van objecten een constant bestaan. Wij zelf en ons oordeel en alle vergankelijke dingen vlieden en verglijden onophoudelijk. Er kan dan ook onderling niets met zekerheid worden vastgesteld, omdat beoordelaar en beoordeelde zich in voortdurende verandering en beweging bevinden. Wij nemen geen deel aan het zijn, omdat al wat van menselijke aard is altijd halverwege de geboorte en de dood is en slechts een wazig en verhuld beeld van zichzelf geeft, een ongewisse en vage indruk. En als u soms in gedachten mocht trachten het wezen ervan te bevatten, dan zal het precies hetzelfde zijn als wanneer iemand een handvol water wil nemen: hoe meer hij drukt en samenknijpt wat van nature wegstroomt, des te minder zal hij overhouden van wat hij wil grijpen en vasthouden.' (58)

Zelfconstitutie
Montaigne richt zich voortdurend op zichzelf, op zijn eigen onzekerheden en op de veranderingen die hij in lichamelijk en geestelijk opzicht in zichzelf waarneemt. Hij treft in zichzelf geen voltooid eigen bewustzijn aan dat kan functioneren als uitgangspunt voor de verwerving van kennis van de wereld. Hij tracht daarentegen door oefening en door studie zichzelf te vormen. [...] Postmodern gezegd: Montaigne doet aan de zelfconstitutie van het subject. Hiertoe moeten echter eerst, aan de hand van pyrronistische methoden, alle zekerheden betwijfeld of zelfs 'gedeconstrueerd' en vernietigd worden. (58)


Naess, Arne


Uit Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Metascepticisme
In [Scepticism, 1969] neemt Naess de verdediging op van het pyrronisme - het opschorten van ieder theoretisch oordeel aangaande de mogelijkheid van kennis - als de enige consistente en rationele vorm van scepticisme. [...] Een zekere mate van dogmatische naïviteit en van spontaan engagement in de dagelijkse omgang kan [volgens hem] hem best samengaan met een fundamentele vorm van onzekerheid en onbeslisbaarheid op een metaniveau [...]. (204)


Oudemans, Th. C. W.


Uit Echte filosofie, Oudemans 2007:

Omdraaien en weggaan
Filosofische problemen zijn geen barrières die geslecht moeten worden. Aan de aporie ontkom je op een heel andere manier, namelijk door je er niet in te begeven, maar je om te draaien en weg te gaan. (274)

Exorcisme
Het poretische van de filosofie is een exorcisme, een filosofische therapie, die het denken verlost van schijnbarrières van grammaticale aard.
   In de voltooiing van de filosofie blijkt haar eigenlijke tekening: het zoeken van rust, van de verdwijning van het ervaren. (275)

Verstolen en in raadselen
Het mogelijke dat zich nu aandient is geen potentiële verwerkelijking, maar de horizon van de taal, die weliswaar van zich blijk geeft, maar alleen verstolen en in raadselen [...].
   Zodra ik de taal met mijn wil tot weten achtervolg is zij verdwenen.
   Zij laat zich alleen zien in het afscheid ervan. (279)

Bij het tegen blijven
Er is een afscheid tegen en een afscheid van.
   Zolang mijn kennen de wil is om tot de eenheid te komen van mens en wereld, zo lang is deze wil een weerwil, een afscheid tegen de wereld zoals zij is.
   Een afscheid van, dat is een blijvende betrekking.
   Kan ik het afscheid tegen, dat mijn kennen kenmerkt, omzetten in een afscheid van? Kan ik van het tegen verlost raken?
   Nee.
   Het gaat erom bij dit tegen te blijven. (281)

Alleen in omwegen, afscheidelijk
Er wordt niet rechtstreeks gesproken, vermoedelijk omdat het besprokene zich zo niet laat zeggen - in een te verzengend licht staat.
   Er moet omfloerst gesproken worden, in omwegen, afscheidelijk. (282



uit Omerta, Th.C.W. Oudemans, 2008:

Grondeloos
Het beginsel van toereikende grond is grondeloos. (26)

Getroffen raken
Wat kan ik doen, wanneer mijn filosofie niet alleen niets te melden heeft over de ratio, maar daar ook geen vraag naar is?
Niets.
Maar er kan mij iets gebeuren - getroffen raken door het zwijgen rondom het beginsel van toereikende grond. (26)

Verzwegen zwijgen
De ratio wist haar betekenis uit. Het zwijgen eromheen blijft verzwegen. (27)

Irrationeel
De titel van het 'onderzoeksprogramma' luidt Rationality.
Wanneer de rationaliteit wordt onderzocht met behulp van de ratio is de vicieuze cirkel rond.
Het onderzoek is irrationeel.
Dat is een rationele conclusie. (28)

Afgronden
De afgronden van de rede openen zich om zich nooit meer te sluiten. (32)

Beschaduwing
[Heidegger zegt:] "Weliswaar heeft men van oudsher het denken betrokken op het licht. Men spreekt van het natuurlijke licht van de rede. Aangetrokken door de bepaling van het verhelderen en verlichten die men de rede en het denken toekent, heeft men de beschaduwing vergeten, waaruit het denken stamt. De beschaduwing ontstaat niet uit een schaduw- en spookrijk en evenmin kan zij terzijde geschoven worden door de goedkope aanduiding dat naast het rationele ook het irrationele er nog is; dit blijft immers altijd alleen maar het doodgeboren kind van het rationalisme." (35)

Instorting van de onderscheidingen
Je werd binnen de metafysica geboren en je leven bestond uit de instorting van de onderscheidingen ervan.
Waar zijn ze gebleven - de onderscheidingen:
tussen geest en materie,
tussen a priori en a posteriori,
tussen ziel en lichaam,
tussen ethiek en eigenbelang,
tussen cultuur en natuur,
tussen menselijkheid en dierlijkheid,
tussen begrip en woord,
tussen wezen en feit,
tussen levend wezen en machine? (51)

Niet vastgesteld
De mens - Nietzsche laat het zien - is het nog niet vastgestelde dier. (95)

Buiksprekers
Binnen de horizon van [...] goede wil  kan er verantwoording zijn en schuld.
Deze gedachte is lachwekkend zodra je ziet dat mensen niet de auteurs zijn van hun woorden, maar de buiksprekers van de monologische taal. (105,106)

Dwaallicht
Wanneer ik word aangedaan door een beweging van de betekeniswereld, dan ontsteekt deze mijn denken als een dwaallicht.
Dit is geen fakkel of sein voor anderen om tot navolging over te gaan. Wat een medemens doet wanneer hij met het dwaallicht geconfronteerd wordt kan menselijkerwijs niet bevroed worden. Dat is een zaak van de ondoorgrondelijke taal zelf, die zich nu eens kenbaar maakt en dan weer verhult - het echte dwaallicht.
Een wenk, die toe-wenkend wegwenkt, ironisch en bedrieglijk. (131)

Zij zijn jou
Je wereld heb je meegekregen van de anderen. Zij zijn jou (transititief).
Zij hebben je niet alleen bijgebracht wat je wist of dacht te weten. Zij blijven je 'meningen vormen'. (133)

Of ligt dit nog anders
En dan: zijn het wel de anderen die dat doen? Of ligt dit nog anders? Waaraan conformeer jij je zolang je het leven hebt?
Niet met de anderen, want het conformisme dat jou vormt, dat vormt allen. (133)

Omgeven
Dag en nacht ben je omgeven door datgene wat al bedacht is - een ondoordringbare informatieberg die in sporen om je heen ligt - maar ook door wat door niemand bedacht is, en jou toch met je identiteit bedenkt. (134)

Het men in jou
Het men ontneemt je de mogelijkheid om te lezen wat er over het men is gezegd, want als jij leest, dan leest het men in jou. (135)

Geen onderscheid
Het onderscheid tussen mij en mijn wezen is weggevallen.
Dan is het mij niet mogelijk te ervaren dat ik aan mijn wezen niet beantwoord. (160)

Buikspreker
De afwezigheid van de zin van thuis en thuisloosheid, god en goddeloosheid, redding en reddeloosheid is niet niets, maar een onttrekking van zin die een aanwijzing is naar de aard van de grote reductie [door de techno-logie].
Als 'ik' daarvan de buikspreker kan zijn - graag. (160)

Filosofie
[Filosofie] kan geen systemen [meer] maken en geen wereldbeelden, ze kan geen levens- en geen wereldoriëntatie geven en evenmin bezinning op de grondbegrippen of beginselen van de wetenschap. (173)

Kennis is het vragen zelf
Hoe staat het vandaag de dag met de gedachte dat het mens-zijn een 'volledig onbeschermd blootgesteld zijn [is] aan het verborgene en ongewisse, dat wil zeggen, wat tot vragen noopt?'
Hoe kan iemand gedacht hebben dat vragen niet een voorstadium is van de kennis, maar de eigenlijke gestalte ervan? (178)


Pascal


Uit de Pensées, geciteerd door Gabriel Marcel in De mens zichzelf een vraagstuk,1956:

Inwendige leegte
Als wij in rust zijn, dan zien wij ons haast onvermijdelijk gesteld voor onze inwendige leegte, en in werkelijkheid is juist deze leegte ondragelijk voor ons. (110)

Ondoorgrondelijk geheim
Want wat is de mens per slot van rekening in de geschapen wereld? Een niets ten opzichte van het oneindige, een alles ten opzichte van het niets, een middelpunt tussen niets en alles. Er ligt een onmetelijke afstand tussen zijn begripsvermogen en die uitersten; het doel der dingen en hun oorsprong zijn voor hem onoplosbaar verborgen in een ondoorgrondelijk geheim; hij is evenmin in staat het niets te zien waaruit hij getrokken is en het eindeloze waarin hij verzwolgen wordt ... (112)


Plato


Uit een bespreking van Plato, Verzameld werk deel 13, Kratylos & Parmenides, nnbh.com/filosof.htm:

Niets is zeker
Kratylos en Parmenides: twee gesprekken die ons ervan overtuigen dat we niets weten. Kennis? Misschien bestaat er geen kennis, is de conclusie van Kratylos. In Parmenides, even duizelingwekkend van inhoud als van bouw, rekent uitgerekend Plato af met alles wat we onder 'platonisme' verstaan. Waarom zou er een werkelijkheid achter de werkelijkheid moeten zijn? De schrijver dwingt ons terug te gaan naar het begin, naar de simpelste kwesties. En dan blijkt geen enkele zekerheid zeker.


Pyrrho


Uit In Pyrrho's Labyrint, Tim Heysse, in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Illusie
Pyrrho handelde dus niet uit harteloosheid; hij zag alleen geen reden om te geloven dat hij echt hulpgeroep hoorde of een echte afgrond zag. (15)

Leven zonder overtuigingen
Voor Pyrrho in ieder geval is het scepticisme niet het resultaat van geforceerde en wereldvreemde speculaties. Hij probeerde al doende te tonen dat je kunt leven met de idee dat de dingen indifferent, onstandvastig en onbepaalbaar zijn, en dat daarom onze zintuiglijke waarnemingen en onze overtuiging niet waar of onwaar zijn. We mogen ze dus niet vertrouwen en we moeten leven zonder overtuigingen, onwrikbaar en ongenaakbaar. Over elk individueel ding moeten we zeggen dat het niet méér zus is dan zo of dat het bestaat en niet bestaat [...]. Wanneer we deze houding aannemen, zal [...] het resultaat [...] volstrekte gemoedsrust of ataraxie zijn. (15)

Ataraxie
Als dit bericht betrouwbaar is, is Pyrrho een aanhanger van een extreem scepticisme maar vindt hij dat zijn leven daardoor niet onleefbaar wordt. Hij stelt een leven zonder overtuigingen voor dat niet alleen vol te houden is, maar ronduit begerenswaardig. Wie weigert zich over wat dan ook uit te spreken, leeft in ataraxie. Wie door het leven wandelt zonder ergens geloof aan te schenken, heeft het zo goed als voor een mens maar mogelijk is.(16)


Regius, Henricus


Uit Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Denkbeeldige zaken
Henricus Regius formuleerde het al in 1647 als volgt: 'Aangezien de geest evenzeer door denkbeeldige als door ware zaken kan worden aangedaan, is het van nature twijfelachtig of enig lichaam ooit door ons wordt waargenomen. (64)


Rorty, Richard


Uit de scepsis voorbij van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Heroïsch verzaken
De filosofie van Rorty daarentegen is destructiever, of zo men wil deconstructiever [dan die van Popper], en laat in haar voetspoor, na het verdwijnen van iedere epistemologische richtlijn, het gevoel van leegte en stuurloosheid achter waarvan Rorty zegt dat het als gevoel het wezen van de hermeneutische houding uitmaakt en dat het in geen geval door een alternatief unifiërend project dient opgevuld te worden. Het resultaat is het heroïsch verzaken aan elke drang tot funderen en tot benadering van de Werkelijkheid, de Waarheid of de Rationaliteit. (202)


Russel, Bertrand


Uit Ik denk, dus ik lach, John Allen Paulos, 1990:

Zuivere wiskunde
Zuivere wiskunde bestaat volledig uit beweringen van de strekking: steeds als die en die propositie waar is, van iets, dan is die en die andere propositie waar van datzelfde iets. Het is van wezenlijk belang discussie te vermijden over de vraag of de eerste propositie werkelijk waar is en niet te specificeren wat het iets is waarvan ze verondersteld wordt waar te zijn... Als onze hypothese voor alle dingen geldt en niet voor één in het bijzonder, dan kunnen onze afleidingen gerekend worden tot datgene waaruit de wiskunde bestaat. Bijgevolg kunnen we de wiskunde definiëren als het vak waarin we nooit weten waarover we spreken, noch of wat we zeggen waar is. (59)

Dat weet ik niet
'Wat is de weg naar de stad Dresher?'
De filosoof antwoordt: 'U bedoelt welke van deze twee wegen hier?'
'Ja, ja!'
'En u moet naar de stad Dresher?'
'Ja, ja!'
'U wenst een van deze beide wegen naar de stad Dresher te volgen?'
De man vertoont enige tekenen van ongeduld: 'Ja, wat is de weg naar Dresher?'
'Dat weet ik niet.' (65)


Sánchez, Francisco


Uit de grens van het denken door Arjo Vanderjagt in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Quod nihil scitur
In 1581 publiceerde Francisco Sánchez [...] een boek getiteld Quod nihil scitur (Dat niets gekend kan worden). Hierin ontwikkelt hij [...] de gedachte dat mensen in het geheel geen wetenschappelijke kennis over de werkelijkheid kunnen verkrijgen. Zonder twijfel zal deze ontdekking hem niet eenvoudig zijn gevallen. [...] Nu gaat hij in zijn scepsis zelfs verder dan het pyrronisme dat het oordeel over een wetenschappelijke positie slechts opschort. Bij Sánchez zijn algemene wetenschap over het zijn en blijvende kennis over de onderdelen van de natuur geheel onmogelijk. (59)


Sartre, Jean-Paul


Uit Wat Blijft, Patricia de Martelaere, 2002:

Horror vacui
Sartre beschrijft hoe de mens vanuit een aangeboren horror vacui voortdurend probeert zich vast te pinnen op allerlei concrete omstandigheden die hem van zijn stuurloze onbepaaldheid moeten redden en zelfs bij voorkeur een gevoel van noodzakelijkheid (een essentie) zouden moeten geven: een karakter, een ingericht leven, de zaligmakende armen van een geliefde. Maar het is allemaal tevergeefs, wij worden achternagezeten en ingehaald door ons eigen 'niets', het spoor van leegte dat ons bewustzijn door alle dingen heen brandt [...]. (60,61)


Sextus Empiricus


Uit in Pyrrho's labyrint van Tim Heysse in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Echte sceptici
[Sextus'] scepticisme is bovendien niet de conclusie van een algemene doctrine over de mens en over wat de mens al of niet kan kennen. Het is precies omdat de filosofen van de Nieuwe Academie wel zo'n algemene epistemologische stelling verdedigden (zoals 'Je kunt niet achter de waarheid komen'), dat Sextus hen niet tot de echte sceptici rekent. (18)

Waar noch onwaar
Omdat indrukken en filosofische interpretaties onderling en met elkaar tegenstrijdig zijn, kan geen enkele indruk of geen enkele interpretatie 'waar' (of net zo goed 'onwaar') worden genoemd. (20)

Onbeslist over alles
Maar het oordeel opschorten in sommige aangelegenheden, maakt iemand nog niet tot een aanhanger van de sceptische filosofie. Sceptische filosofen veralgemenen deze alledaagse situatie en maken van die gewone besluiteloosheid een filosofisch systeem. Sceptische filosofen zijn onbeslist over alles. (21)



uit Grondslagen van het scepticisme, Sextus Empiricus, Ambo-klassiek, 1996:

Onverstoorbaar
Want toen de scepticus begon te filosoferen ... raakte hij verstrikt in een geschil waarin de voors en tegens even sterk waren, en omdat hij dit niet op kon lossen, schortte hij zijn oordeel op. En door dat te doen vloeide daar voor hem als bij toeval de onverstoorbaarheid uit voort in zaken die met schijn en mening samenhangen. Want degene die meent dat iets van nature goed of slecht is, is voortdurend in onrust. ... Maar hij die geen oordeel velt aangaande dat wat van nature goed of slecht is, vlucht voor niets weg en jaagt ook niets gespannen na. Daarom is hij onverstoorbaar. (69)


Simmel, Georg (1858 - 1918)


Uit [De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:

In de lucht
Absolute waarden in het algemeen wijst [Simmel] af. Niets in de wereld bestaat op zichzelf, maar is altijd de som van een netwerk van relaties. Simmels relativisme mondt erin uit dat elk beeld dat we hebben van de wereld uiteindelijk niet rechtstreeks te herleiden is tot de werkelijkheid zonder meer. Het wereldbeeld hangt als het ware los in de lucht, zegt hij geruststellend, net als de wereld zelf. (79)


Socrates


Uit Socrates, Boeddha, confucius, Jezus, Karl Jaspers, 1999 (1960):

Niet in een vastomlijnd weten
Eens op een dag zal in Socrates een omwenteling hebben plaatsgevonden. Toen hij zag dat de natuurfilosofie voor de echte levensvragen niets betekende en toen hij de ontbindende uitwerking van de sofistiek doorzag, besefte hij dat het Ware niet te vinden is in een vastomlijnd weten. (16)

Geroepen maar niets te verkondigen
Maar [Socrates] werd gegrepen door het bewustzijn van zijn roeping, van een goddelijke opdracht. Hij was even zeker van zijn roeping als de profeten van het Oude Testament; maar in tegenstelling tot hen had hij niets te verkondigen. (16)

Vragen stellen
Hij moest dus vragen stellen, onverbiddelijk, en de mensen met zijn vragen uit elke schuilplaats opjagen. Hij kan niet anders. Vragen stellen, daartoe is hij geroepen. Hij verlangt van de mensen geen geloof in wat dan ook, ook niet in hemzelf [...].

Ik richt mij tot de enkeling
In tegenstelling tot wat Plato later doet, keert Socrates zich niet tegen de gehele beweging der sofisten. Hij sticht geen partij, bedrijft geen propaganda, geeft geen rechtvaardiging, hij sticht geen school als instituut. Hij brengt geen programma voor een hervorming van de staat, geen systeem van het weten. Hij richt zich niet tot een publiek, niet tot de volksvergadering. Hij preciseert in Plato's Apologie: 'Ik richt mij altijd alleen maar tot de enkeling' [...]. (18)

Op weg zijn
Als filosofie een 'leer' is dan is Socrates geen filosoof. Als de geschiedenis van de Griekse filosofie een geschiedenis van theoretische stellingnamen is, dan is er voor hem geen plaats. Socrates, dat is het op-weg-zijn in het denken, verbonden met het weten dat men niet weet. (18)

Niet leeg maar zwanger
Theaetetus weet geen antwoord op Socrates' vragen, acht zich niet in staat het te vinden, heeft het ook niet van anderen vernomen, 'en toch kan ik van het verlangen ernaar niet afkomen'. 'Dat zijn de weeën,' zegt Socrates, 'want je ben niet leeg, maar zwanger.' (20)

'Naïviteit'
Dat wat men niet kan maken en niet kan bereiken, waaraan al ons denken en doen zijn gehalte ontleent, kan wel worden weggestopt, of men kan het ontlopen zoals veel sofisten hebben gedaan. Het is ook mogelijk erin te leven, het met ontzag te volgen en daar de grond te vinden zonder welke alles in het niet verzinkt. Dat deed Socrates. Vandaar de grote, heerlijke, zelfbewuste 'naïviteit' van Socrates, die leeft uit een historisch gefundeerde en uit de diepte van het Zijn onbegrepen ontspringende vanzelfsprekendheid. (21)

Geen zin
Een van de reacties [op Socrates] is die van Hippias: 'Jij wilt altijd anderen uitvragen en ze in het nauw drijven en zelf wil je niemand een duidelijk antwoord geven en over niets je mening uitspreken. Ik heb geen zin me door jou voor de gek te laten houden.' (25)

Vrij
Socrates is vrij door de zekerheid in het niet-weten van datgene, waaraan hij zijn hele leven heeft gewaagd en waarvoor hij uiteindelijk de dood heeft aanvaard. (32)

Niet te vatten
[Socrates] is lelijk als een sileen en tegelijkertijd van een betoverende aantrekkelijkheid. - Hij is niet onder een noemer te brengen, wonderlijk (atopos), niet te vatten; wat hij is en zegt en doet, lijkt altijd ook nog iets anders te kunnen betekenen. (33)

Meer dan één gestalte
Nu is dit echter het merkwaardige: het is niet altijd dezelfde Socrates die zich in zijn leerlingen weerspiegelt! Er ontstaat niet één school maar meerdere. Alle beroepen zij zich op Socrates als hun oorsprong - maar er ontstaat een wereld van elkaar tegensprekende mogelijkheden. Socrates zelf krijgt meer dan één gestalte. (35)

Het hoogste goed?
[Socrates] erkende zijn onwetendheid. Omdat uit zijn gesprekken echter geen duidelijkheid over het hoogste goed te verkrijgen is, omdat hij altijd alleen maar aanspoort en nu eens iets voorstaat en het dan weer verwerpt, kan ieder aan Socrates ontlenen wat hem aantrekt (aldus Augustinus). (37)

Zichzelf een vraag
Van Socrates komt tot ons de volmaakte bevrijding en tegelijk het mysterie van het denken. Sedertdien is voor wie in dit denken is ingewijd de naïviteit van het weten niet meer mogelijk. Dit bevrijde denken is nu zichzelf tot eerste en grote vraag geworden. (42)



uit Gedichten 1977 - 1999, Toon Tellegen, 2001:

Wat beter is weet God alleen
Het uur is aangebroken om te gaan.
Ieder van ons volgt zijn eigen weg.
Ik om te sterven, jullie om te leven.
Wat beter is weet God alleen. (174)



uit Luisterend denken: moderne westerse ideeëngeschiedenis, Etienne L Kuypers, 2002:

Niet de pretentie
Socrates zegt immers: "Ge zult verstandig genoeg zijn om niet in de waan te verkeren dat ge weet wat ge in werkelijkheid niet weet. Ik ben er me van bewust helemaal geen geleerde te zijn. Geleerder dan hij ben ik wel. Want hij verbeeldt zich wat te weten, terwijl ik, die het in feite evenmin weet, tenminste niet de pretentie heb het te weten "(67) (uit Plato; Theaetetus en Apologie).


Unger, Peter


Uit Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:

Irrationeel
Peter Unger (Ignorance, a Case for Scepticism), van zijn kant, wil bewijzen dat iedereen zonder meer irrationeel is en dat niemand ooit, zelfs maar in het minst, gerechtvaardigd is in wat hij weet, en wel omdat de term 'zekerheid' een absolute term is die slechts toepasbaar is in gevallen waarin het logisch onmogelijk is dat iets ooit zekerder zou zijn, dat wil dus zeggen, nooit.  (203)


Vaihinger, Hans (1852 - 1933)


Uit [De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:

Alle werkelijkheid is fictief
Maar het is al in 1911 [...] dat de Duitse filosoof Hans Vaihinger in zijn boek De filosofie van het alsof een stapje verder gaat. Niet alleen de roman maakt volgens Vaihinger [...] gebruik van fictie: "Alle werkelijkheid is fictief." (75)

De fictie van het atoom
[Vaihinger] wijst op de natuurwetenschap waarin het atoom als noodzakelijke fictie fingeert, in de theologie zijn God en de onsterfelijkheid fictief, in de biologie de vitale kracht en in de ethiek de vrije wil. Al deze zaken moeten we veronderstellen, willen we geen betekenisloze uitspraken doen in de verschillende wetenschappelijke activiteiten. Het zijn onbewijsbare maar noodzakelijke veronderstellingen. (76)

Imaginair
De sterkste voorbeelden van de feitelijke waarachtigheid van ficties zijn te vinden in de wiskunde, waarin niet alleen écht gerekend kan worden met onbestaande imaginaire getallen, zoals de wortel uit min één, maar waarmee we ook nog eens heuse machines aan de gang kunnen houden. Deze letterlijk niet voor te stellen getallen hebben in een wiskundig systeem een onmisbare functie. Deze gedachte kon Vaihinger vreselijk opwinden: de hele wetenschap en cultuur steunt op een fundament van ficties. (76)

Geen hypothese
Vaihingers fictie moet niet worden verward met de hypothese. Een hypothese kan je verifiëren. Zodra blijkt dat de hypothese klopt, verliest zij haar status als hypothese. De fictie is constituerend, dat wil zeggen, vanaf dat punt kun je pas beginnen met je onderzoek en hypotheses opstellen. (76)

Relativist
Vaihinger noemt zichzelf een relativist. Elke werkelijkheidsopvatting blijft in zijn ogen hoe dan ook gerelateerd aan de vooronderstelde fictie. (76)