Verlichting voor dummy's >
Citaten >
Filosofie > Filosofie a-z
Deze pagina: Citaten over niet weten van verschillende filosofen.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.
Inhoud
- 1 Bayle, Pierre
- 2 Feyerabend, Paul
- 3 Fichte, Johann Gottlieb (1762 - 1814)
- 4 Foucault, Michel
- 5 Gorgias
- 6 Hegel, Georg Wilhelm Friedrich
- 7 Heidegger, Martin (1889 -1976)
- 8 Hume, David
- 9 Husserl, Edmund (1859 - 1938)
- 10 Lehrer, Keith
- 11 Locke, John
- 12 Malebranche, Nicolas
- 13 Marcel, Gabriel
- 14 Merleau-Ponty, Maurice
- 15 Montaigne, Michel de
- 16 Naess, Arne
- 17 Oudemans, Th. C. W.
- 18 Pascal
- 19 Plato
- 20 Pyrrho
- 21 Regius, Henricus
- 22 Rorty, Richard
- 23 Russel, Bertrand
- 24 Sánchez, Francisco
- 25 Sartre, Jean-Paul
- 26 Sextus Empiricus
- 27 Simmel, Georg (1858 - 1918)
- 28 Socrates
- 29 Unger, Peter
- 30 Vaihinger, Hans (1852 - 1933)
Bayle, Pierre
Uit
Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Zelfs niet uitgebreid
Maar waar de oude sceptici nog volstonden met op te merken dat men niet zeker kan weten of warmte in het vuur is (en niet slechts in de hand die het voelt), verzekeren nieuwe filosofen ons dat dat niet zeker het geval is, en dat warmte uitsluitend in de geest van de waarnemer is. Nu zal de cartesiaan antwoorden dat warmte, geur, kleur, etc, weliswaar geen reële kwaliteiten van de dingen zijn, maar uitgebreidheid en beweging wel. Maar [Pierre Bayle] toont van zijn kant aan dat daarvoor geen argumenten bestaan: 'Als het ons toeschijnt dat de objecten van de zintuigen gekleurd, warm, koud, geurig zijn, hoewel ze dat van zichzelf niet zijn, waarom zou het dan niet ook slechts schijn kunnen zijn dat ze uitgebreid zijn en een bepaalde vorm hebben, of in rust en beweging zijn.' (67,68)
Tegen de economie
De conclusie luidt dat aan deze voorstellingen van de wereld niets reëels beantwoordt, zodat alles kan zijn zoals het is, zonder dat er een uitgebreide wereld bestaat. Volgens Bayle impliceert dit zelfs, strikt genomen, dát er geen wereld bestaat, omdat het tegen de economie van Gods handelen is [...] dat Hij een wereld laat bestaan zonder dat dat voor Hem of voor ons enig verschil maakt. (68)
Feyerabend, Paul
Uit
Over kennis: twee dialogen, Paul Feyerabend, 1993:
Dubieuze veronderstelling
U veronderstelde dat principes of procedures die tot absurditeit of tegenspraak leiden wanneer ze op zichzelf worden toegepast, moeten worden opgegeven. Dat is een zeer dubieuze veronderstelling. [We] hoeven de regel dat een principe waarvan de toepassing op zichzelf moeilijkheden veroorzaakt, moet worden opgegeven, niet te aanvaarden. (57,58)
Bevriezen, niet onthullen
[Dit] maakt mij duidelijk dat ik dus nooit zal weten hoe jij mij ziet, hoe ik mijzelf zie en dus nooit zal weten wie ik 'werkelijk' ben of wie dan ook 'werkelijk' is. Wat mij betreft slagen alle pogingen tot zelfidentificatie er alleen in bepaalde aspecten te bevriezen, zij onthullen geen aspect-onafhankelijke 'werkelijkheid'. (74)
Eigen, ondoordringbare wereld
[citaat uit Pirandello's Enrico IV:] Ik zou niet graag willen dat jij, zoals ik heb gedaan, zou nadenken over deze afschuwelijke situatie die werkelijk gek maakt: dat je, als je naast iemand stond en in zijn ogen keek - zoals ik op een dag in iemands ogen keek - net zo goed een bedelaar zou kunnen zijn, staande voor een deur die nooit voor je zou worden geopend: want hij die daar binnengaat, zal nooit jij zijn, maar iemand die je niet kent met zijn eigen, andere en ondoordringbare wereld. (74)
Niet op zichzelf
Een glimlach is een glimlach
voor een waarnemer, niet op en voor zichzelf. (74)
De 'Waarheid'
[Acteurs]
scheppen illusies en zij
weten het, terwijl jouw gemiddelde filosoof, die veel minder weet van de kunst van de grime, intellectuele grime in dit geval -
lijdt aan de illusie dat hij 'de Waarheid' heeft gevonden. (75)
Droom of nog erger
Een debat is daarom niet als een reis op een duidelijk herkenbare weg; elk deel van de weg kan een hersenschim blijken te zijn, en zelfs als dat niet het geval is, zelfs als jij en anderen vaste grond onder de voeten hebben, ben je er in het geheel niet zeker van dat het geen droom is, of nog erger, dat je praat in je slaap terwijl de anderen aannemen dat je klaarwakker bent en reageren op jouw fantasieën. (76)
Een reeks wonderen
Ik zie een reeks wonderen waar
jij een tamelijk ordelijke voortgang van de ene gedachte of handeling naar de volgende bespeurt. (76)
Heb ik dat gezegd?
A: Maar zoëven zei je dat er alleen maar illusies en wonderen bestaan!
B: Heb ik dat gezegd? Dan heb ik me slecht uitgedrukt. Tenslotte veronderstelt het spreken over illusies een of andere 'werkelijkheid'. (77)
Fichte, Johann Gottlieb (1762 - 1814)
Uit
[De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:
Mijn wereld
Fichte stelt dat al onze
kennis te herleiden is tot een onwrikbaar Ik, een Ik dat zichzelf en
vervolgens de hele wereld schept. Met grootheidswaan heeft dat weinig
te maken. Want 'Ik' is niet: 'Fichte'. Willen we al onze ervaringen en
kennis funderen, dan stuiten we hoe dan ook op dit Ik. Wat je ook ziet
of hoe je ook denkt, de wereld verschijnt altijd in de ik-vorm, als
mijn wereld. [...]
Ik betekent bij Fichte, 'de ik die alles mogelijk maakt'. (55)
Foucault, Michel
Uit
Spreek als laatste, over de poëzie van Paul Celan, Maurice Blanchot 1988:
Gedruis
Heeft
het spreken eenmaal zijn eigen grens bereikt, dan vindt het daar een
leegte, waarin het geheel en al opgaat. Deze leegte moet het spreken
zien te bereiken, door te aanvaarden dat het oplost in het gedruis
(...), in het Buiten waarin alleen de woorden voorbijtrekken. (10)
Gorgias
Geen enkele denkinhoud heeft een bestaan buiten het denken. Wat gedacht
wordt, is dus nooit wat in werkelijkheid bestaat. Het zijn kan daarom
niet gedacht worden, want dan zou het geen werkelijk bestaan hebben.
Hegel, Georg Wilhelm Friedrich
Uit
Spreek als laatste, over de poëzie van Paul Celan, Maurice Blanchot 1988:
Woorden die doden
Door het geven van namen maakte Adam zich meester van de dieren, dat wil zeggen hij vernietigde hen in hun bestaan. (9)
Heidegger, Martin (1889 -1976)
Uit
Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:
Afgrondelijk gebeuren
[Metafysica bij Heidegger is]: het bewerkstelligen van een
omslag, een
omwenteling in het bestaan. Het is geen vertrek daaruit, op zoek naar 'hoger honing', maar het in gang brengen van een omslag waarin de vanzelfsprekendheid van de alledaagse ordeningen wordt doorbroken en een 'andere alledaagsheid' ontstaat, waarin het gewoonste het ongewoonste wordt [...]. Het bestaan wordt als een afgrondelijk gebeuren ontwaard en aanvaard. (55)
Alles moet wankelen
Teneinde het geheim van het Dasein weer te wekken, moet de mens schrik aangejaagd worden om de 'benardheid' van zijn bestaan onder ogen te zien. 'Alles moet aan het wankelen raken'. (59)
De dingen ont-dekken
In
Morgenrood schrijft Friedrich Nietzsche (1844-1900): 'Waarom ziet de mens de dingen niet? Hij staat zelf in de weg, hij dekt de dingen toe'. Zo worden in de westerse filosofie de dingen toegedekt met allerhande begrippen. Maar de dingen als dingen zijn geen 'configuraties van stof en vorm', 'geen bronnen van gewaarwording', geen 'kernen met eigenschappen'. (60)
Het dak van het toeval
In de voordracht 'Das Ding' kwalificeert Heidegger de westerse filosofie als een 25 eeuwen omspannende overval op de dingen. Hij beaamt de woorden van Nietzsche, dat wij het 'dak van het toeval aan de dingen terug moeten geven'. (60)
Gelatenheid
In de voordracht
Gelatenheid (1959) viseert Heidegger dat een gelatenheid tegenover de dingen en een openheid voor het geheim ons in staat kunnen stellen ons op een geheel andere wijze in de wereld op te houden. De gelatenheid is allesbehalve een fatalistische berusting en resignatie. In de gelatenheid staan wij niet onverschillig tegenover de dingen en andere wereldse zaken. Integendeel, het 'laten' in 'ge-laten-heid' behelst een vrij laten, een 'laten zijn'. (62)
Zuivere tegenwoordigheid
Heidegger heeft de gelatenheid [...] nader aangeduid als een 'wachten': een werkelijk wachten, waarin niet iets 'verwacht' of 'afgewacht' wordt [...]. Het werkelijke wachten van de gelatenheid behelst een 'hoger doen' dan alle daden van de wereld en al het gedoe van het mensdom. In het eigenlijke wachten zijn wij 'zuivere tegenwoordigheid.' (63)
uit
[De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:
Oneindige betekenisloosheid
De tijd tikt door en het niets nietigt zonder dat we er erg in hebben. Dat we hier weinig van merken komt omdat we ons in het dagelijks bestaan verliezen. Maar heel soms zijn er momenten, waarin dat nietigen van het niets ons even inhaalt. In die momenten dringt zich een oneindige betekenisloosheid aan ons op. Bijvoorbeeld in de grootst mogelijke verveling, maar nog indringender in de huiveringen die een mens kan hebben als hij zich angstig probeert voorstellen 'waar' het bestaan zich bevindt. De onmogelijkheid je deze voorstelling te maken veroorzaakt een zeer eigenaardige angst. Het is niet een vrees voor iets, maar het is de angst voor niets. De werkelijkheid heeft alle betekenis verloren en er is in die voorstelling niets waaraan je je nog kan vasthouden. (93, Simon
over Heidegger)
Hume, David
Uit
Het menselijk inzicht, David Hume, 1748; Amsterdam 1978:
Dekmantel
En nog heerlijker is het, wanneer wij [...] de grondslagen van een duistere wijsbegeerte kunnen ondermijnen, die tot nu toe slechts heeft gediend als een schuilplaats voor bijgeloof en een dekmantel voor dwaasheid en dwaling! (50)
Honderd andere mogelijkheden
Wanneer ik bijvoorbeeld een biljartbal in een rechte lijn naar een andere zie bewegen en zelfs veronderstel dat de beweging van de tweede mij door een of ander toeval voorkomt als het resultaat van hun contact of van de botsing, kan ik mij dan geen honderd andere gebeurtenissen voorstellen, die even goed uit die oorzaak zouden kunnen volgen? Kunnen beide ballen niet volstrekt bewegingloos blijven? Kan de eerste bal niet in rechte lijn teruggekaatst worden of in elke willekeurige richting van de tweede terugstuiten? Al deze veronderstellingen bevatten geen tegenstrijdigheden en zijn denkbaar. (65)
Kort respijt
De meest volmaakte natuurfilosofie geeft slechts een kort respijt van onze onwetendheid; zoals de meest volmaakte menswetenschap en metafysica haar steeds meer bloot legt. Zo voert alle wijsbegeerte tot het besef van menselijke onwetendheid en zwakheid die ons van alle kanten omringt, ondanks onze inspanningen haar te ontlopen of kwijt te raken. (66)
Van oplossing naar probleem
Elke oplossing voert steeds weer tot een nieuw probleem, even moeilijk als het vorige, en noopt ons tot verder onderzoek. (67)
Terriërs
Wijsgeren die zich het air aanmeten van verheven wijsheid en alwetendheid, hebben het moeilijk te verduren wanneer zij mensen met een kritische instelling ontmoeten, die hen achtervolgen in elke stellingname waarop zij zich terugtrekken en die hen zo zeker als wat ten slotte voor een gevaarlijk dilemma stellen. (67)
Geen bewijs
Het veelvuldig gebruik van de woorden: kracht, vermogen, energie, enz., [...] is geen bewijs dat wij, in welk geval dan ook, inzicht hebben in het verbindende beginsel tussen oorzaak en gevolg of het voortkomen van iets uit iets anders kunnen verklaren. (115)
uit
Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de Martelaere in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Louter veronderstelling
Alle projecties van het verleden - waarin vuur altijd hitte gaf en de zon altijd opging - naar de toekomst toe steunen immers op de veronderstelling dat de natuur en het hele heelal te allen tijde zullen blijven zoals ze zijn - een veronderstelling die niet alleen onbewijsbaar is, maar zelfs, alles welbeschouwd, als hoogst onwaarschijnlijk moet worden bestempeld. (193)
On-redelijk
Ook in de wetenschap gaat het uiteindelijk om een on-redelijke gewoonte (de uitdrukking is pleonastisch: elke houding tegenover de toekomst is onredelijk, want uitsluitend op het verleden gebaseerd), maar de gewoonte is hier als het ware veredeld, kritisch en reflexief gecorrigeerd, zodat ze tenminste rekening houdt met de variabiliteit en de uitzonderingen die reeds in het verleden te vinden waren. (194)
Onbewijsbare wereld
Het geloof in het bestaan van de buitenwereld is dus een onredelijk,
niet te rechtvaardigen - dit wil zeggen logisch dwingend te bewijzen -
geloof. (195)
Dwingende illusie
Net zomin als de mens door een 'redelijke' beslissing een eind zou
kunnen maken aan de meer ergerlijke aspecten van zijn spijsvertering,
kan hij beslissen op grond van beter weten voortaan niet meer te
geloven in het bestaan van de wereld. (195)
Lichamen aannemen
[Met de woorden van Hume:] "We kunnen wel vragen, welke oorzaken brengen ons ertoe in het bestaan van lichamen te geloven? Maar het is vruchteloos te vragen of er lichamen bestaan of niet. Dat is een punt dat we als gegeven moeten aannemen in al onze redeneringen." (199)
Animaal
De zogenaamde grondovertuigingen - het geloof in het causaliteitprincipe en het bestaan van de wereld -, waarvan Hume zegt dat ze geen van alle rationeel gerechtvaardigd kunnen worden, maar hoogstens causaal verklaard, fungeren dus niet als basisbeginselen in termen van 'wat moet zijn opdat wat is zou mogelijk zijn', maar als animale, instinctieve vormen van 'geloof' (
belief), die gedragen worden door de affectiviteit [...] en niet door het cognitieve. (199)
A priori noch a posteriori
Door de misschien wel typisch hedendaagse gedachte dat zelfs de meest fundamentele basisovertuigingen - zoals het geloof in het bestaan van de wereld, het causaliteitsprincipe en inductie -, waar ook de wetenschap noodgedwongen moet van uitgaan, niet kunnen gerechtvaardigd worden, is Hume namelijk minder geneigd de ontologische pretenties en de ultieme verklarende kracht van de wetenschap te overschatten. Zijn wetenschap is er een waarvan niet a priori, en zelfs niet a posteriori, kan gezegd worden dat ze de werkelijkheid bereikt, en die dus in dat opzicht niet wezenlijk verschilt van andere, zowel cognitieve als niet-cognitieve, menselijke praktijken. (201)
uit
Wat Blijft, Patricia de Martelaere, 2002:
Werkelijkheid?
Hume
stelt zich de vraag op grond waarvan wij eigenlijk zo zeker kunnen
weten dat onze waarnemingen in waaktoestand overeenstemmen met een
werkelijk bestaande buitenwereld en onze nachtelijke droombeelden niet.
Hij komt tot het besluit dat wij daartoe geen enkele strikt rationele
reden hebben. Wij nemen als vanzelfsprekend aan dat het wel zo zal zijn
op grond van bepaalde vormen van coherentie tussen onze waarnemingen of
tussen onze eigen waarnemingen en die van anderen. Maar ook de
waarnemingen van anderen kennen we natuurlijk alleen maar door onze
waarnemingen daarvan, en we vergeten dat we
nooit over iets anders beschikken dan wat ons gegeven is als een waarneming. (43)
Bestaan is ons niet gegeven
Alleen
in de orde van het 'verschijnen' zelf heersen absolute zekerheid en
onbetwijfelbaarheid, meent Hume [...]. Alles verschijnt ons, op het
moment waarop het ons verschijnt, zoals het ons verschijnt, en niet
anders. Het loopt pas mis zodra we proberen iets toe te schrijven,
zelfs nog maar zo algemeen als 'bestaan' of 'niet bestaan', aan
bepaalde verschijningsvormen. 'Bestaan' is ons niet gegeven. (43,44)
Identiteit is ons al helemaal niet gegeven
Als beelden bestaan onze waarnemingen
allemaal,
maar geen van alle kunnen ze iets bieden wat échter zou zijn dan een
beeld. Het spreekt dan ook vanzelf dat een zogenaamde 'identiteit' van
dingen, levenloos of levend, ons al helemaal niet gegeven kan zijn
[...]. (44)
Ook wording is ons niet gegeven
Maar
strikt genomen is ons om dezelfde reden ook niet de 'wording' van
dingen gegeven. Ieder nieuw beeld van de tafel zou gewoon een nieuwe
tafel kunnen zijn: alleen de opeenvolging is gegeven, zonder een
ervaring van 'iets' wat wordt. Beelden bestaan voor ons zolang ze
waargenomen worden; als ze verdwijnen zijn ze equivalent met
onbestaand, en als ze 'opnieuw' verschijnen zijn het letterlijk genomen
ándere en nieuwe beelden. (44)
Vernietigd
We kijken
om ons heen en zien onze kamer met alle vertrouwde voorwerpen die er
altijd al waren. We sluiten de ogen en heel deze wereld wordt
onmiddellijk vernietigd. (44)
Geen noodzaak
In
werkelijkheid, zegt Hume, is er echter geen enkele noodzakelijkheid in
de orde der dingen, en het is op zich beschouwd best mogelijk dat we
morgen ontwaken in een wereld waarin vuur geen hitte meer geeft [...].
Het is zelfs mogelijk dat er morgen niet eens nog een morgen is [...].
(46)
Waar is de waarnemer?
De belangrijkste [...] conclusie waar
Hume toe komt is van louter negatieve aard: er blijkt geen waarneming
te zijn van de 'waarnemer' zelf. Zodra we op zoek gaan in 'onszelf'
naar diegene die of datgene wat waarneemt stuiten we alleen maar
telkens opnieuw op iets wat een
waarneming is, en nooit op de
waarnemer zelf. Beelden van voorwerpen rondom ons, herinneringen en
verlangens wisselen elkaar af met lichaamservaringen, pijnen
en ongemakken of met hevige passies en emoties, maar 'onszelf' krijgen
we niet te pakken. Hoe vreemd het ook mag lijken: ons 'ik' zelf blijkt
niet tot onze ervaringswereld te behoren. (49,50)
Husserl, Edmund (1859 - 1938)
Uit
Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:
Tussen haakjes
Voor Husserl betekent de fenomenologische reductie de overgang van de natuurlijke instelling, waarin men in het werkelijke bestaan van de dingen gelooft, naar de fenomenologische instellingen, waarin dit geloof terzijde wordt gesteld en de dingen als verschijnselen worden genomen. Hierbij wordt het bestaan van de wereld niet betwijfeld, maar 'tussen haakjes' gezet. (112)
Opschorting
De fenomenoloog schort zijn mening op over wat de werkelijke aarde van de verschijnselen is. De fenomenologische reductie laat het feitelijke bestaan van alles, zowel in de wereld als aan de zijde van de waarnemer, buiten beschouwing. (112)
uit
[De wereld tussen haakjes], Coen Simon, 2003:
Het bewustzijn is niet objectiveerbaar
Als we ons eigen denken, het bewustzijn, op dezelfde wijze verklaren
als de verschijnselen die we in de wereld buiten ons aantreffen, dan
komen we onherroepelijk in de problemen. Hoe kan namelijk het
subjectieve bewustzijn
objectief
worden verklaard? Hoe kunnen we de grenzen van het vermogen aangeven
met het vermogen zelf? Wie kan zich aan zijn eigen haren uit het moeras
trekken? (83)
Baron van Munchhausen
Als de psycholoog consequent in zijn
natuurwetenschappelijke aanpak wil zijn, dan moet hij ook zijn eigen
bevindingen behandelen als verschijnselen waarover niet gezegd kan
worden of ze logisch of onlogisch zijn. En dat kan hij natuurlijk niet.
Zodra hij de logica opgeeft kan hij niets meer beweren - hij is de
Baron van Muchhausen niet. (84)
Trillingen of muziek?
De werkelijkheid zelf verschijnt niet. Want wij horen misschien wel
muziek, maar in werkelijkheid zijn het geluidstrillingen die we in ons
hoofd omzetten tot muziek. 'Was wirklich ist, erscheint nicht, und was
erscheint, ist nicht wirklich', was de natuurwetenschappelijke mantra
van Brentano. Maar Husserl zet die 'werkelijkheid' tussen haakjes, want
in werkelijkheid hoor ik het lied van de zangeres op het podium,
schrijft hij in zijn
Logische Untersuchungen, 'niet in mijn oren.' (84)
Natuurwetenschappelijke illusie
Als het gaat om de dingen in onze wereld, verschijnen deze nooit in ons, maar altijd
aan
ons. We hebben niets anders dan de verschijning, meent Husserl. Zo
blijkt de tijdelijke opschorting van de natuurwetenschappelijke blik
niet eens afdoende. De natuurwetenschappelijke werkelijkheid is hoe dan
ook een illusie. Onze wereld is de wereld tussen haakjes. (84)
Een medemens veronderstellen
In de inleiding van zijn
Logische Untersuchungen
verontschuldig [Husserl] zich zelfs voorzichtig voor de discrepantie
van het publiceren: het veronderstelt een medemens zonder dat het
bestaan daarvan bewezen is. Hoe kan hij zeker weten dat de mens die aan
hem verschijnt net als hij ook een bewustzijn heeft? (85)
Lehrer, Keith
Uit
Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de Martelaere in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Misleid door Googolplexen
Zo wil bijvoorbeeld Keith Lehrer (
Why not scepticism) aantonen dat het perfect mogelijk is dat
niemand, met rede begaafd, waar dan ook in het heelal iets werkelijk
weet,
omdat het perfect mogelijk is dat Googols in een ander zonnestelsel
ons, aardse stervelingen, permanent manipuleren en misleiden, terwijl
ze zelf, buiten hun weten om, op hun beurt worden misleid door
Googolplexen uit een nog verder zonnestelsel. (203)
Locke, John
Uit
Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Gesubjectiveerd
Volgens Locke kan slechts de
nominal essence van de dingen gekend worden, niet de
real essence. Dit houdt in dat we het ding slechts kennen als een open verzameling kwaliteiten zonder dat we ooit weten hoe deze in een subject samenhangen. Daarvoor zouden we immers dat subject moeten kennen, wat slechts mogelijk is indien dit zich in de vorm van de ene of de andere kwaliteit zou voordoen, waarvan men opnieuw kan vragen hoe ze in het subject geworteld is. Voor Locke vloeide dit standpunt onvermijdelijk voort uit de wetenschappelijke ontwikkeling, die naar zijn oordeel de zogeheten 'secundaire' kwaliteiten - kleur, geur, geluid, etc. - volledig had gesubjectiveerd. (73)
Malebranche, Nicolas
Uit
Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Virtuele kamer
[Malebranche maakte] gebruik van de sceptische argumenten die men al bij Descartes vond, en die hem, meer nog dan bij zijn voorganger, expliciet bedoeld zijn om de mens te doen inzien dat de zintuiglijke ervaring een illusie is. "Als God de kamer waarin ik mij bevind zou vernietigen, maar zou voortgaan mijn hersenen op dezelfde manier te stimuleren en mijn geest dezelfde voorstellingen te geven, dan zou er voor mij niets veranderen." (65)
Marcel, Gabriel
Uit
De mens zichzelf een vraagstuk, Gabriel Marcel, 1956:
Ondoorgrondelijk
Het
eigenlijke
zijn van de mens echter is en blijf mysterie: er is inzicht
mogelijk in de mens, maar een inzicht, dat steeds meer laat bevroeden,
dat de mens ondoorgrondelijk is. (9)
Wie ben ik?
Doch
eerst heeft [de mens] zich een vraag gesteld, altijd dezelfde vraag, en
hij verwacht geen ogenblik daar een antwoord op te krijgen: 'Wie ben
ik' vraagt hij, 'waarom leef ik, wat voor zin heeft dit alles?' (18)
Beroofd
Hij
wordt
gekweld, hij wordt opgeteerd door deze vraag zonder antwoord.
Zijn lot bestaat hierin, deze vraag te zien oprijzen boven de duistere
afgrond van het niets, tegen de achtergrond van het volkomen ledig. Een
vreemde en onbegrijpelijke macht heeft hem van alles beroofd waarin hij
zich thuis voelde, alles dat hem in staat stelde vorm te geven aan zijn
leven. (19)
Onrustbarend
Tot degeen voor wie nadenken
een noodzaak is, een levensbehoefte, tot diens bewustzijn dringt het
door hoe onbestendig en wisselvallig de omstandigheden zijn, die de
vaste omlijsting uitmaken van zijn gehele bestaan. Het woord 'normaal',
dat hij vroeger gebruikte op een manier die hem tegenwoordig zo
ondoordacht lijkt, gaat zijn betekenis verliezen, of laten wij
tenminste zeggen dat er plotseling als het ware een merkteken bij staat
waardoor het in een nieuw en onrustbarend licht verschijnt. Wat ik
meende dat normaal was, is bepaald niet zo normaal als waarvoor ik het
hield en het kan misschien enkel tot stand komen dank zij vrij
uitzonderlijke omstandigheden, welke zeer zeker geen enkele waarborg in
zich dragen van absolute duurzaamheid, zoals wij dat vroeger heel
argeloos voor vanzelfsprekend konden houden. (21)
Onvanzelfsprekend
Het
ligt
niet meer in onze macht, het behoort zelfs niet meer tot onze
mogelijkheden terug te keren tot dat stadium van de geschiedenis,
waarin de mens zichzelf een vanzelfsprekend gegeven kon lijken. ... Ik
ben sterk geneigd mij hier uit te drukken zoals ik dat met betrekking
tot de techniek heb gedaan: het is een illusie, zei ik, als men zich
verbeeldt dat de mens, verschrikt door de mogelijke gevolgen van de
technische ontwikkeling, zichzelf het gebruik zou moeten ontzeggen van
de krachten waarvan hij de gevaarlijke aard heeft leren kennen. De
techniek is iets dat hij voortaan zal moeten dragen, dat hij op zich
zal moeten nemen, wil hij zichzelf niet verloochenen. Het is geen last
die hij kan afleggen om voortaan gemakkelijker te lopen. Op overigens
zeer verschillend terrein staat het precies zo met betrekking tot het
kwellende probleem, dat zich aan hem voordoet zodra hij ophoudt
zichzelf als vanzelfsprekend te beschouwen. (58)
Het
ondervragend denken
Het
ondervragend denken staat in laatste instantie tegenover alles wat zich
voordoet als bevestiging, of om een in het Frans onvertaalbaar Engels
woord te gebruiken, als
statement. Het kenmerk van een
statement
is, dat het geen wederwoord krijgt of wenst; het heeft een karakter
van
finality. (67)
No possible statement
Maar
wat ik genoemd heb het tot vraag worden van de mens voor de mens, heeft
dit eigenaardige kenmerk, dat het niet uitloopt
into a possible
statement. Of misschien deed ik beter te zeggen, dat dit tot vraag
worden zich met één slag ook uitstrekt tot elk
statement betreffende
de oorsprong, het wezen of de bestemming zelf van de mens. (68)
Boven
alle antwoorden verheven
In
mijn ogen is het beslissende punt dit: een wezen, welks diepste
oorspronkelijkheid wellicht hierin bestaat dat het niet enkel vraagt
naar de natuur der dingen, maar zich ondervraagt aangaande zijn eigen
wezen, verheft zich alleen al hierdoor boven alle antwoorden, tot welke
deze ondervraging kan leiden, omdat deze antwoorden onvermijdelijk
slechts een deel bestrijken. (68)
Daad van nederigheid
Het
is
de taak van de vrijheid, welke het punt bereikt heeft waar zij
nadert tot het hoogste zelfbewustzijn, zich in zekere mate van zichzelf
te bevrijden. Ik bedoel daarmee: zich te bevrijden van haar perverse
neiging haar eigen zelfgenoegzaamheid te verkondigen. Deze bevrijding
is niets anders dan de daad van nederigheid, waardoor zij zich
overgeeft aan de genade. (69)
Merleau-Ponty, Maurice
Uit
Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:
La chair du monde
Het menselijk lichaam versmelt met de dingen in de wereld. Merleau-Ponty spreekt ook wel van 'het vlees van de wereld (
la chair du monde)'. Hierbij gaat het om een 'onzichtbare wereld', omdat deze nog geen betekenis heeft en aan het proces van haar structurering vooraf gaat. (41)
Nog niet gescheiden
Lichaam en wereld zijn van dezelfde stof gemaakt. Daarom spreekt Merleau-Ponty ook van 'het lichaam van de wereld' en - voorzover deze prereflexieve ervaring blijvend is en ook de grondslag van het bewuste denken en handelen vormt - van 'het lichaam van de tijd'. Het lichaam en de wereld en ook ruimte en tijd zijn nog niet van elkaar gescheiden. Dit gebeurt pas door het bewustworden van de waarneming. (42)
Douwe Tiemersma
over Merleau-Ponty in
Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:
Zien en gezien worden
Ik zie lichamelijk de dingen om me heen, maar ik word ook gezien door de dingen. Zien en zichtbaar zijn, zijn omkeerbaar. De wereld is uit dezelfde stof gemaakt als het lichaam. Deze 'stof' is het 'vlees van de wereld' (
la chair du monde) (113)
Vóór-wereld
Het is een vóór-wereld die nog geen eenduidige en vaste ordening heeft, een wereld zoals die er is in de eerste fasen van de waarneming. Van hieruit komen alle dingen door een proces van differentiatie voort. (113)
Nulpunt
Het meest oorspronkelijke dat nog is aan te wijzen, is het 'nulpunt', waar vanuit als eerste de dualiteit subject/object ontspringt. (113)
Le point zéro
De eerste 'splijting van het zijn' vanuit een 'nulpunt' in subject en object bij de latere Merleau-Ponty komt sterk overeen met de advaitische visie. Het latere werk van Merleau-Ponty wordt door filosofen een zijnsleer (ontologie) genoemd, omdat de zaak waar het om gaat het zijn in het algemeen is en niet meer het zijn voor een subject. In dat geval zou het niet meer fenomenologisch te benaderen zijn. Bij het verdergaan op de weg van de fenomenologische reductie komt er een grens waarna niets meer gezegd kan worden. Iets verschijnt dat geen verschijnsel meer is en niet meer is te duiden, maar van waaruit alles ontspringt. Bij Merleau-Ponty is dit
le point zéro. (119)
Montaigne, Michel de
Uit
de grens van het denken van Arja Vanderjagt in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Water pakken
[Michel
de Montaigne sluit] aan bij het pyrronistisch scepticisme: er kan over
de dingen niet objectief met stelligheid worden geoordeeld, dus moet
het oordeel maar worden opgeschort. De volgende passage komt uit zijn
Apologie van Raymond Sebond:
'Per
slot van rekening heeft noch ons zijn, noch dat van objecten een
constant bestaan. Wij zelf en ons oordeel en alle vergankelijke dingen
vlieden en verglijden onophoudelijk. Er kan dan ook onderling niets met
zekerheid worden vastgesteld, omdat beoordelaar en beoordeelde zich in
voortdurende verandering en beweging bevinden. Wij nemen geen deel aan
het zijn, omdat al wat van menselijke aard is altijd halverwege de
geboorte en de dood is en slechts een wazig en verhuld beeld van
zichzelf geeft, een ongewisse en vage indruk. En als u soms in
gedachten mocht trachten het wezen ervan te bevatten, dan zal het
precies hetzelfde zijn als wanneer iemand een handvol water wil nemen:
hoe meer hij drukt en samenknijpt wat van nature wegstroomt, des te
minder zal hij overhouden van wat hij wil grijpen en vasthouden.' (58)
Zelfconstitutie
Montaigne richt zich voortdurend op zichzelf, op zijn eigen
onzekerheden en op de veranderingen die hij in lichamelijk en
geestelijk opzicht in zichzelf waarneemt. Hij treft in zichzelf geen
voltooid eigen bewustzijn aan dat kan functioneren als uitgangspunt
voor de verwerving van kennis van de wereld. Hij tracht daarentegen
door oefening en door studie zichzelf te vormen. [...] Postmodern
gezegd: Montaigne doet aan de zelfconstitutie van het subject. Hiertoe
moeten echter eerst, aan de hand van pyrronistische methoden, alle
zekerheden betwijfeld of zelfs 'gedeconstrueerd' en vernietigd worden.
(58)
Naess, Arne
Uit
Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de
Martelaere in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Metascepticisme
In [
Scepticism, 1969] neemt Naess
de verdediging op van het pyrronisme - het opschorten van ieder
theoretisch oordeel aangaande de mogelijkheid van kennis - als de enige
consistente en rationele vorm van scepticisme. [...] Een zekere mate
van dogmatische naïviteit en van spontaan engagement in de dagelijkse
omgang kan [volgens hem] hem best samengaan met een fundamentele vorm
van onzekerheid en onbeslisbaarheid op een metaniveau [...]. (204)
Oudemans, Th. C. W.
Uit
Echte filosofie, Oudemans 2007:
Omdraaien en weggaan
Filosofische
problemen zijn geen barrières die geslecht moeten worden. Aan de aporie
ontkom je op een heel andere manier, namelijk door je er niet in te
begeven, maar je om te draaien en weg te gaan. (274)
Exorcisme
Het
poretische van de filosofie is een exorcisme, een filosofische
therapie, die het denken verlost van schijnbarrières van grammaticale
aard.
In de voltooiing van de filosofie blijkt haar eigenlijke
tekening: het zoeken van rust, van de verdwijning van het ervaren.
(275)
Verstolen en in raadselen
Het mogelijke dat zich nu aandient is geen potentiële verwerkelijking,
maar de horizon van de taal, die weliswaar van zich blijk geeft, maar
alleen verstolen en in raadselen [...].
Zodra ik de taal met mijn wil tot weten achtervolg is zij verdwenen.
Zij laat zich alleen zien in het afscheid ervan. (279)
Bij het tegen blijven
Er is een afscheid
tegen en een afscheid
van.
Zolang mijn kennen de wil is om tot de eenheid te komen van mens en
wereld, zo lang is deze wil een weerwil, een afscheid
tegen de
wereld zoals zij is.
Een afscheid
van, dat is een blijvende betrekking.
Kan ik het afscheid
tegen, dat mijn kennen kenmerkt, omzetten
in een afscheid
van? Kan ik van het
tegen verlost raken?
Nee.
Het gaat erom bij dit
tegen te blijven. (281)
Alleen in omwegen, afscheidelijk
Er wordt niet rechtstreeks gesproken, vermoedelijk omdat het
besprokene zich zo niet laat zeggen - in een te verzengend licht staat.
Er moet omfloerst gesproken worden, in omwegen, afscheidelijk. (282
uit
Omerta, Th.C.W. Oudemans, 2008:
Grondeloos
Het beginsel van toereikende grond is grondeloos. (26)
Getroffen raken
Wat kan ik doen, wanneer mijn filosofie niet alleen niets te melden
heeft over de ratio, maar daar ook geen vraag naar is?
Niets.
Maar er kan mij iets gebeuren - getroffen raken door het zwijgen rondom
het beginsel van toereikende grond. (26)
Verzwegen zwijgen
De ratio wist haar betekenis uit. Het zwijgen eromheen blijft verzwegen.
(27)
Irrationeel
De titel van het 'onderzoeksprogramma' luidt
Rationality.
Wanneer de rationaliteit wordt onderzocht met behulp van de ratio is de
vicieuze cirkel rond.
Het onderzoek is irrationeel.
Dat is een rationele conclusie. (28)
Afgronden
De afgronden van de rede openen zich om zich nooit meer te sluiten. (32)
Beschaduwing
[Heidegger zegt:] "Weliswaar
heeft men van oudsher het denken betrokken op het licht. Men spreekt
van het natuurlijke licht van de rede. Aangetrokken door de bepaling
van het verhelderen en verlichten die men de rede en het denken
toekent, heeft men de beschaduwing vergeten, waaruit het denken stamt.
De beschaduwing ontstaat niet uit een schaduw- en spookrijk en evenmin
kan zij terzijde geschoven worden door de goedkope aanduiding dat naast
het rationele ook het irrationele er nog is; dit blijft immers altijd
alleen maar het doodgeboren kind van het rationalisme." (35)
Instorting van de onderscheidingen
Je werd binnen de metafysica geboren en je leven bestond uit de
instorting van de onderscheidingen ervan.
Waar zijn ze gebleven - de onderscheidingen:
tussen geest en materie,
tussen a priori en a posteriori,
tussen ziel en lichaam,
tussen ethiek en eigenbelang,
tussen cultuur en natuur,
tussen menselijkheid en dierlijkheid,
tussen begrip en woord,
tussen wezen en feit,
tussen levend wezen en machine? (51)
Niet vastgesteld
De mens - Nietzsche laat het zien - is het nog niet vastgestelde dier.
(95)
Buiksprekers
Binnen de horizon van [...]
goede wil kan er
verantwoording zijn en schuld.
Deze
gedachte is lachwekkend zodra je ziet dat mensen niet de auteurs zijn
van hun woorden, maar de buiksprekers van de monologische taal.
(105,106)
Dwaallicht
Wanneer ik word aangedaan door een beweging van de betekeniswereld, dan
ontsteekt deze mijn denken als een dwaallicht.
Dit
is geen fakkel of sein voor anderen om tot navolging over te gaan. Wat
een medemens doet wanneer hij met het dwaallicht geconfronteerd wordt
kan menselijkerwijs niet bevroed worden. Dat is een zaak van de
ondoorgrondelijke taal zelf, die zich nu eens kenbaar maakt en dan weer
verhult - het echte dwaallicht.
Een wenk, die toe-wenkend wegwenkt, ironisch en bedrieglijk. (131)
Zij zijn jou
Je wereld heb je meegekregen van de anderen. Zij zijn jou
(transititief).
Zij hebben je niet alleen bijgebracht wat je wist of dacht te weten. Zij
blijven je 'meningen vormen'. (133)
Of ligt dit nog anders
En dan:
zijn het wel de
anderen die dat doen? Of ligt dit
nog anders? Waaraan conformeer jij je zolang je het leven hebt?
Niet met de anderen, want het conformisme dat jou vormt, dat vormt
allen.
(133)
Omgeven
Dag
en nacht ben je omgeven door datgene wat al bedacht is - een
ondoordringbare informatieberg die in sporen om je heen ligt - maar ook
door wat door niemand bedacht is, en jou toch met je identiteit
bedenkt. (134)
Het men in jou
Het
men ontneemt je de mogelijkheid om te lezen wat er
over het
men is gezegd, want als jij leest, dan leest het
men in
jou. (135)
Geen onderscheid
Het onderscheid tussen mij en mijn wezen is weggevallen.
Dan is het mij niet mogelijk te ervaren dat ik aan mijn wezen
niet
beantwoord. (160)
Buikspreker
De
afwezigheid van de zin van thuis en thuisloosheid, god en
goddeloosheid, redding en reddeloosheid is niet niets, maar een
onttrekking van zin die een aanwijzing is naar de aard van de grote
reductie [door de techno-logie].
Als 'ik' daarvan de buikspreker kan zijn - graag. (160)
Filosofie
[Filosofie]
kan geen systemen [meer] maken en geen wereldbeelden, ze kan geen
levens- en geen wereldoriëntatie geven en evenmin bezinning op de
grondbegrippen of beginselen van de wetenschap. (173)
Kennis is het vragen zelf
Hoe
staat het vandaag de dag met de gedachte dat het mens-zijn een
'volledig onbeschermd blootgesteld zijn [is] aan het verborgene en
ongewisse, dat wil zeggen, wat tot vragen noopt?'
Hoe kan iemand gedacht hebben dat vragen niet een voorstadium is van de
kennis, maar de eigenlijke gestalte ervan? (178)
Pascal
Uit de
Pensées, geciteerd door Gabriel Marcel in
De mens
zichzelf een vraagstuk,1956:
Inwendige leegte
Als wij in rust zijn, dan zien wij ons haast onvermijdelijk gesteld
voor onze inwendige leegte, en in werkelijkheid is juist deze leegte
ondragelijk voor ons. (110)
Ondoorgrondelijk geheim
Want wat is de mens per slot van rekening in de geschapen wereld? Een
niets ten opzichte van het oneindige, een alles ten opzichte van het
niets, een middelpunt tussen niets en alles. Er ligt een onmetelijke
afstand tussen zijn begripsvermogen en die uitersten; het doel der
dingen en hun oorsprong zijn voor hem onoplosbaar verborgen in een
ondoorgrondelijk geheim; hij is evenmin in staat het niets te zien
waaruit hij getrokken is en het eindeloze waarin hij verzwolgen wordt
... (112)
Plato
Uit een bespreking van Plato,
Verzameld werk deel 13, Kratylos
& Parmenides,
nnbh.com/filosof.htm:
Niets is zeker
Kratylos en Parmenides: twee gesprekken die ons ervan overtuigen dat we
niets weten. Kennis? Misschien bestaat er geen kennis, is de conclusie
van Kratylos. In Parmenides, even duizelingwekkend van inhoud als van
bouw, rekent uitgerekend Plato af met alles wat we onder 'platonisme'
verstaan. Waarom zou er een werkelijkheid achter de werkelijkheid
moeten zijn? De schrijver dwingt ons terug te gaan naar het begin, naar
de simpelste kwesties. En dan blijkt geen enkele zekerheid zeker.
Pyrrho
Uit
In Pyrrho's Labyrint, Tim Heysse, in
Het dubieuze denken,
Patricia de Martelaere, 1996:
Illusie
Pyrrho handelde dus niet uit harteloosheid; hij zag alleen geen reden
om te geloven dat hij echt hulpgeroep hoorde of een echte afgrond
zag. (15)
Leven zonder overtuigingen
Voor Pyrrho in ieder geval is het scepticisme niet het resultaat van
geforceerde en wereldvreemde speculaties. Hij probeerde al doende te
tonen dat je kunt leven met de idee dat de dingen indifferent,
onstandvastig en onbepaalbaar zijn, en dat daarom onze zintuiglijke
waarnemingen en onze overtuiging niet waar of onwaar zijn. We mogen ze
dus niet vertrouwen en we moeten leven zonder overtuigingen, onwrikbaar
en ongenaakbaar. Over elk individueel ding moeten we zeggen dat het
niet méér zus is dan zo of dat het bestaat en niet bestaat [...].
Wanneer we deze houding aannemen, zal [...] het resultaat [...]
volstrekte gemoedsrust of ataraxie zijn. (15)
Ataraxie
Als dit bericht betrouwbaar is, is Pyrrho een aanhanger van een
extreem scepticisme maar vindt hij dat zijn leven daardoor niet
onleefbaar wordt. Hij stelt een leven zonder overtuigingen voor dat
niet alleen vol te houden is, maar ronduit begerenswaardig. Wie weigert
zich over wat dan ook uit te spreken, leeft in ataraxie. Wie door het
leven wandelt zonder ergens geloof aan te schenken, heeft het zo goed
als voor een mens maar mogelijk is.(16)
Regius, Henricus
Uit
Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek
in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Denkbeeldige zaken
Henricus Regius formuleerde het al in 1647 als volgt: 'Aangezien de
geest evenzeer door denkbeeldige als door ware zaken kan worden
aangedaan, is het van nature twijfelachtig of enig lichaam ooit door
ons wordt waargenomen. (64)
Rorty, Richard
Uit
de scepsis voorbij van Patricia de Martelaere in
Het
dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Heroïsch verzaken
De filosofie van Rorty daarentegen is destructiever, of zo men wil
deconstructiever [dan die van Popper], en laat in haar voetspoor, na
het verdwijnen van iedere epistemologische richtlijn, het gevoel van
leegte en stuurloosheid achter waarvan Rorty zegt dat het als gevoel
het wezen van de hermeneutische houding uitmaakt en dat het in geen
geval door een alternatief unifiërend project dient opgevuld te worden.
Het resultaat is het heroïsch verzaken aan elke drang tot funderen en
tot benadering van de Werkelijkheid, de Waarheid of de Rationaliteit.
(202)
Russel, Bertrand
Uit
Ik denk, dus ik lach, John Allen Paulos, 1990:
Zuivere wiskunde
Zuivere wiskunde bestaat volledig uit beweringen van de strekking: steeds als die en die propositie waar is, van iets, dan is die en die andere propositie waar van datzelfde iets. Het is van wezenlijk belang discussie te vermijden over de vraag of de eerste propositie werkelijk waar is en niet te specificeren wat het iets is waarvan ze verondersteld wordt waar te zijn... Als onze hypothese voor alle dingen geldt en niet voor één in het bijzonder, dan kunnen onze afleidingen gerekend worden tot datgene waaruit de wiskunde bestaat. Bijgevolg kunnen we de wiskunde definiëren als het vak waarin we nooit weten waarover we spreken, noch of wat we zeggen waar is. (59)
Dat weet ik niet
'Wat is de weg naar de stad Dresher?'
De filosoof antwoordt: 'U bedoelt welke van deze twee wegen hier?'
'Ja, ja!'
'En u moet naar de stad Dresher?'
'Ja, ja!'
'U wenst een van deze beide wegen naar de stad Dresher te volgen?'
De man vertoont enige tekenen van ongeduld: 'Ja, wat is de weg naar Dresher?'
'Dat weet ik niet.' (65)
Sánchez, Francisco
Uit
de grens van het denken door Arjo Vanderjagt in
Het
dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Quod nihil scitur
In 1581 publiceerde Francisco Sánchez [...] een boek getiteld
Quod
nihil scitur
(Dat niets gekend kan worden). Hierin ontwikkelt hij [...] de gedachte
dat mensen in het geheel geen wetenschappelijke kennis over de
werkelijkheid kunnen verkrijgen. Zonder twijfel zal deze ontdekking hem
niet eenvoudig zijn gevallen. [...] Nu gaat hij in zijn scepsis zelfs
verder dan het pyrronisme dat het oordeel over een wetenschappelijke
positie slechts opschort. Bij Sánchez zijn algemene wetenschap over het
zijn en blijvende kennis over de onderdelen van de natuur geheel
onmogelijk. (59)
Sartre, Jean-Paul
Uit
Wat Blijft, Patricia de Martelaere, 2002:
Horror vacui
Sartre beschrijft hoe de mens vanuit een aangeboren horror vacui
voortdurend probeert zich vast te pinnen op allerlei concrete
omstandigheden die hem van zijn stuurloze onbepaaldheid moeten redden
en zelfs bij voorkeur een gevoel van noodzakelijkheid (een essentie)
zouden moeten geven: een karakter, een ingericht leven, de zaligmakende
armen van een geliefde. Maar het is allemaal tevergeefs, wij worden
achternagezeten en ingehaald door ons eigen 'niets', het spoor van
leegte dat ons bewustzijn door alle dingen heen brandt [...]. (60,61)
Sextus Empiricus
Uit
in Pyrrho's labyrint van Tim Heysse
in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Echte sceptici
[Sextus'] scepticisme is bovendien niet de conclusie van een algemene
doctrine over de mens en over wat de mens al of niet kan kennen. Het is
precies omdat de filosofen van de Nieuwe Academie wel zo'n algemene
epistemologische stelling verdedigden (zoals 'Je kunt niet achter de
waarheid komen'), dat Sextus hen niet tot de echte sceptici rekent.
(18)
Waar noch onwaar
Omdat indrukken en filosofische interpretaties onderling en met elkaar
tegenstrijdig zijn, kan geen enkele indruk of geen enkele interpretatie
'waar' (of net zo goed 'onwaar') worden genoemd. (20)
Onbeslist over alles
Maar het oordeel opschorten in sommige aangelegenheden, maakt iemand
nog niet tot een aanhanger van de sceptische filosofie. Sceptische
filosofen veralgemenen deze alledaagse situatie en maken van die gewone
besluiteloosheid een filosofisch systeem. Sceptische filosofen zijn
onbeslist over
alles. (21)
uit
Grondslagen van het scepticisme, Sextus Empiricus,
Ambo-klassiek, 1996:
Onverstoorbaar
Want toen de scepticus begon te filosoferen ... raakte hij verstrikt
in een geschil waarin de voors en tegens even sterk waren, en omdat hij
dit niet op kon lossen, schortte hij zijn oordeel op. En door dat te
doen vloeide daar voor hem als bij toeval de onverstoorbaarheid uit
voort in zaken die met schijn en mening samenhangen. Want degene die
meent dat iets van nature goed of slecht is, is voortdurend in onrust.
... Maar hij die geen oordeel velt aangaande dat wat van nature goed
of slecht is, vlucht voor niets weg en jaagt ook niets gespannen na.
Daarom is hij onverstoorbaar. (69)
Simmel, Georg (1858 - 1918)
Uit
[De wereld tussen haakjes], Coen
Simon, 2003:
In de lucht
Absolute waarden in het algemeen wijst [Simmel] af. Niets in de wereld
bestaat op zichzelf, maar is altijd de som van een netwerk van
relaties. Simmels relativisme mondt erin uit dat elk beeld dat we
hebben van de wereld uiteindelijk niet rechtstreeks te herleiden is tot
de werkelijkheid zonder meer. Het wereldbeeld hangt als het ware los in
de lucht, zegt hij geruststellend, net als de wereld zelf. (79)
Socrates
Uit
Socrates, Boeddha, confucius, Jezus,
Karl Jaspers, 1999 (1960):
Niet in een vastomlijnd weten
Eens
op een dag zal in Socrates een omwenteling hebben plaatsgevonden. Toen
hij zag dat de natuurfilosofie voor de echte levensvragen niets
betekende en toen hij de ontbindende uitwerking van de sofistiek
doorzag, besefte hij dat het Ware niet te vinden is in een vastomlijnd
weten. (16)
Geroepen maar niets te verkondigen
Maar
[Socrates] werd gegrepen door het bewustzijn van zijn roeping, van een
goddelijke opdracht. Hij was even zeker van zijn roeping als de
profeten van het Oude Testament; maar in tegenstelling tot hen had hij
niets te verkondigen. (16)
Vragen stellen
Hij moest
dus vragen stellen, onverbiddelijk, en de mensen met zijn vragen uit
elke schuilplaats opjagen. Hij kan niet anders. Vragen stellen, daartoe
is hij geroepen. Hij verlangt van de mensen geen geloof in wat dan ook,
ook niet in hemzelf [...].
Ik richt mij tot de enkeling
In
tegenstelling tot wat Plato later doet, keert Socrates zich niet tegen
de gehele beweging der sofisten. Hij sticht geen partij, bedrijft geen
propaganda, geeft geen rechtvaardiging, hij sticht geen school als
instituut. Hij brengt geen programma voor een hervorming van de staat,
geen systeem van het weten. Hij richt zich niet tot een publiek, niet
tot de volksvergadering. Hij preciseert in Plato's
Apologie: 'Ik
richt mij altijd alleen maar tot de enkeling' [...]. (18)
Op weg zijn
Als
filosofie een 'leer' is dan is Socrates geen filosoof. Als de
geschiedenis van de Griekse filosofie een geschiedenis van theoretische
stellingnamen is, dan is er voor hem geen plaats. Socrates, dat is het
op-weg-zijn in het denken, verbonden met het weten dat men niet weet.
(18)
Niet leeg maar zwanger
Theaetetus weet geen
antwoord op Socrates' vragen, acht zich niet in staat het te vinden,
heeft het ook niet van anderen vernomen, 'en toch kan ik van het
verlangen ernaar niet afkomen'. 'Dat zijn de weeën,' zegt Socrates,
'want je ben niet leeg, maar zwanger.' (20)
'Naïviteit'
Dat
wat men niet kan maken en niet kan bereiken, waaraan al ons denken en
doen zijn gehalte ontleent, kan wel worden weggestopt, of men kan het
ontlopen zoals veel sofisten hebben gedaan. Het is ook mogelijk erin te
leven, het met ontzag te volgen en daar de grond te vinden zonder welke
alles in het niet verzinkt. Dat deed Socrates. Vandaar de grote,
heerlijke, zelfbewuste 'naïviteit' van Socrates, die leeft uit een
historisch gefundeerde en uit de diepte van het Zijn onbegrepen
ontspringende vanzelfsprekendheid. (21)
Geen zin
Een
van de reacties [op Socrates] is die van Hippias: 'Jij wilt altijd
anderen uitvragen en ze in het nauw drijven en zelf wil je niemand een
duidelijk antwoord geven en over niets je mening uitspreken. Ik heb
geen zin me door jou voor de gek te laten houden.' (25)
Vrij
Socrates
is vrij door de zekerheid in het niet-weten van datgene, waaraan hij
zijn hele leven heeft gewaagd en waarvoor hij uiteindelijk de dood
heeft aanvaard. (32)
Niet te vatten
[Socrates] is
lelijk als een sileen en tegelijkertijd van een betoverende
aantrekkelijkheid. - Hij is niet onder een noemer te brengen,
wonderlijk (
atopos), niet te vatten; wat hij is en zegt en doet,
lijkt altijd ook nog iets anders te kunnen betekenen. (33)
Meer dan één gestalte
Nu
is dit echter het merkwaardige: het is niet altijd dezelfde Socrates
die zich in zijn leerlingen weerspiegelt! Er ontstaat niet één school
maar meerdere. Alle beroepen zij zich op Socrates als hun oorsprong -
maar er ontstaat een wereld van elkaar tegensprekende mogelijkheden.
Socrates zelf krijgt meer dan één gestalte. (35)
Het hoogste goed?
[Socrates]
erkende zijn onwetendheid. Omdat uit zijn gesprekken echter geen
duidelijkheid over het hoogste goed te verkrijgen is, omdat hij altijd
alleen maar aanspoort en nu eens iets voorstaat en het dan weer
verwerpt, kan ieder aan Socrates ontlenen wat hem aantrekt (aldus
Augustinus). (37)
Zichzelf een vraag
Van Socrates
komt tot ons de volmaakte bevrijding en tegelijk het mysterie van het
denken. Sedertdien is voor wie in dit denken is ingewijd de naïviteit
van het weten niet meer mogelijk. Dit bevrijde denken is nu zichzelf
tot eerste en grote vraag geworden. (42)
uit
Gedichten 1977 - 1999, Toon Tellegen, 2001:
Wat beter is weet God alleen
Het uur is aangebroken om te gaan.
Ieder van ons volgt zijn eigen weg.
Ik om te sterven, jullie om te leven.
Wat beter is weet God alleen. (174)
uit
Luisterend denken: moderne westerse ideeëngeschiedenis,
Etienne L Kuypers,
2002:
Niet de pretentie
Socrates
zegt immers: "Ge zult verstandig genoeg zijn om niet in de waan te
verkeren dat ge weet wat ge in werkelijkheid niet weet. Ik ben er me
van bewust helemaal geen geleerde te zijn. Geleerder dan hij ben ik
wel. Want hij verbeeldt zich wat te weten, terwijl ik, die het in feite
evenmin weet, tenminste niet de pretentie heb het te weten "(67) (uit
Plato;
Theaetetus en Apologie).
Unger, Peter
Uit
Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de
Martelaere in
Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:
Irrationeel
Peter Unger
(Ignorance, a Case for Scepticism),
van zijn kant, wil bewijzen dat iedereen zonder meer irrationeel is en
dat niemand ooit, zelfs maar in het minst, gerechtvaardigd is in wat
hij weet, en wel omdat de term 'zekerheid' een absolute term is die
slechts toepasbaar is in gevallen waarin het logisch onmogelijk is dat
iets ooit zeker
der zou zijn, dat wil dus zeggen, nooit. (203)
Vaihinger, Hans (1852 - 1933)
Uit
[De wereld tussen haakjes], Coen
Simon, 2003:
Alle werkelijkheid is fictief
Maar het is al in 1911 [...] dat de Duitse filosoof Hans Vaihinger in
zijn boek
De filosofie van het alsof
een stapje verder gaat. Niet alleen de roman maakt volgens Vaihinger
[...] gebruik van fictie: "Alle werkelijkheid is fictief." (75)
De fictie van het atoom
[Vaihinger]
wijst op de natuurwetenschap waarin het atoom als noodzakelijke fictie
fingeert, in de theologie zijn God en de onsterfelijkheid fictief, in
de biologie de vitale kracht en in de ethiek de vrije wil. Al deze
zaken moeten we veronderstellen, willen we geen betekenisloze
uitspraken doen in de verschillende wetenschappelijke activiteiten. Het
zijn onbewijsbare maar noodzakelijke veronderstellingen. (76)
Imaginair
De
sterkste voorbeelden van de feitelijke waarachtigheid van ficties zijn
te vinden in de wiskunde, waarin niet alleen écht gerekend kan worden
met onbestaande imaginaire getallen, zoals de wortel uit min één, maar
waarmee we ook nog eens heuse machines aan de gang kunnen houden. Deze
letterlijk niet voor te stellen getallen hebben in een wiskundig
systeem een onmisbare functie. Deze gedachte kon Vaihinger vreselijk
opwinden: de hele wetenschap en cultuur steunt op een fundament van
ficties. (76)
Geen hypothese
Vaihingers fictie moet
niet worden verward met de hypothese. Een hypothese kan je verifiëren.
Zodra blijkt dat de hypothese klopt, verliest zij haar status als
hypothese. De fictie is constituerend, dat wil zeggen, vanaf dat punt
kun je pas beginnen met je onderzoek en hypotheses opstellen. (76)
Relativist
Vaihinger
noemt zichzelf een relativist. Elke werkelijkheidsopvatting blijft in
zijn ogen hoe dan ook gerelateerd aan de vooronderstelde fictie. (76)