(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Ziekte en dood



Verlichting voor dummy's > Het leven > Ziekte en dood

Deze pagina: Dwaalteksten over gezondheid en sterfelijkheid, eerste serie.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.





Speciaal

Als iedere daad
je laatste kan zijn
waarom zou de laatste
dan speciaal zijn?

Als ieder woord
je laatste kan zijn
waarom zou het laatste
dan speciaal zijn?


Schrale troost

Leerling: Afscheid nemen bestaat niet!*
Meester: Zeg dat wel.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Je krijgt het regelrecht door je strot geduwd.
Leerling: Ik snap het niet.
Meester: Dat kun je toch geen némen meer noemen?



Leerling: Afscheid nemen bestaat niet!
Meester: Hè?
Leerling: Ik bedoel dat de dode voortleeft in je hart!
Meester: Alsof dat wel bestaat.



Leerling: De overledene leeft voort in onze gedachten!
Meester: Alsof die niet vergankelijk zijn.



Leerling: De doden leven eeuwig voort in God!
Meester: Wiens bestaan de levenden eeuwig in twijfel trekken.



Leerling: De overledene leeft voort in onze gedachten!
Meester: Heeft ie ooit ergens anders geleefd?
Leerling: In de wereld natuurlijk.
Meester: De wereld leeft voort in onze gedachten.
Leerling: Bedoelt u dat het allemaal maar gedachten zijn?
Meester: Bedoelingen zijn zo voorbij.



* eerste regel van een liedje van Marco Borsato dat favoriet is op begrafenissen en crematies


Voor de kat


Beste Hans
Is de dood voor jou een realiteit of een concept?

Lieve Serafina
De dood is voor mij een concept.
Realiteit is voor mij ook een concept.
Jou is voor mij ook een concept.
Concept is voor mij ook een concept.

Concepten zijn ook realiteit.
Maar wat is realiteit?
Realiteit is illusie, zeggen ze.
Maar is illusie wel realiteit?

Beste Hans
Ik bedoel gewoon: zul jij ook sterven, net als ieder ander?

Lieve Serafina
Dat ik zal sterven is een gedachte.
Dat ik onsterfelijk ben is ook een gedachte.
Dat ik sterfelijk noch onsterfelijk ben is ook een gedachte.
Dat ik voorbij sterfelijkheid en onsterfelijkheid ben is ook een gedachte.

Dat ik geboren ben is een gedachte.
Dat ik ongeboren ben is een gedachte.
Dat ik geboren én ongeboren ben is een gedachte.
Dat ik voorbij geboren en ongeboren ben is ook een gedachte.

Dat ik ben is een gedachte.
Dat ik niet ben is een gedachte.
Dat het allemaal maar gedachten zijn is ook een gedachte.
Dat het een gedachte is dat het allemaal maar gedachten zijn is ook een gedachte.
Denk ik op dit moment.

Beste Hans
Maar jouw stoffelijke omhulsel is gewoon vergankelijk?

Lieve Serafina
Dat ik een stoffelijk omhulsel heb is een idee.
Dat het iets omhult is ook een idee.
Wie of wat zou er door mijn stoffelijk omhulsel omhuld moeten worden?
Of aan het gezicht onttrokken?
Mijn hoogste zelf?
Mijn ware aard?
Bewustzijn?
Liefde?
God?
Bestaan die eigenlijk wel?
Of zijn het maar ideeën?
Of is idealiteit ook een vorm van bestaan?
Of is bestaan een vorm van idealiteit?
Ik heb eigenlijk geen idee.
Misschien kun jij me uit de droom helpen.

Beste Hans
Volgens mij is het heel simpel.
Je omhulsel is onsterfelijk maar jij bent in wezen onsterfelijk.

Lieve Serafina
Maak dat de kat maar wijs.


Verwachtingen

Leerling: Hoe komt het dan dat sommige mensen te vroeg sterven en anderen te laat?
Meester: Niemand sterft te vroeg of te laat.
Leerling: Wat?
Meester: Te vroeg betekent alleen maar eerder dan verwacht. Te laat betekent alleen maar later dan verwacht.
Leerling: Ik begrijp het!
Meester: O?
Leerling: Zonder verwachtingen sterft iedereen op tijd!
Meester: Op tijd is nog steeds een verwachting.


Een dooie mus

Leerling: Zonder verwachtingen sterft iedereen op tijd.
Meester: Ooit iemand zonder verwachtingen gezien?


Nergens op rekenen

Leerling: Als je nergens op rekent kan de dood je nooit overvallen.
Meester: Daar zou ik maar niet op rekenen.


Een miskraam

Het eerste kind van de meester is dood geboren en een van zijn leerlingen condoleert hem.
Meester: Het was een mooie zwangerschap en een prachtige bevalling.
Leerling, hoofdschuddend: En dan een dood kindje.
Meester, enthousiast: Helemaal gaaf en helemaal slap!
Leerling: Het moet een hele klap geweest zijn.
Meester: Toch niet.
Leerling: Heeft u het zien aankomen?
Meester: Alleen in algemene zin.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Iedereen kan van de ene seconde op de andere zomaar ziek worden of sterven. Een ongeboren kindje net zo goed. Ik ben mij daarvan dikwijls bewust.
Leerling: U maakt niet echt een geschokte indruk.
Meester: Als je niets verwacht, kun je niet echt geschokt zijn.
Leerling: Wat is het verschil tussen niets verwachten en niets weten?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: En uw vrouw?
Meester: Wat is daarmee?
Leerling: Zij is toch negen maanden in verwachting geweest.
Meester: Zwanger. Niet in verwachting.
Leerling: Niet in verwachting?
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Ze verwachtte niets?
Meester: Of eigenlijk alles. Ze hield overal rekening mee.
Leerling: Ook zij is niet geschokt?
Meester: Als je alles verwacht kun je niet echt geschokt zijn.
Leerling: Wat is het verschil tussen alles verwachten en niets weten?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: En het verschil tussen alles verwachten en niets verwachten?
Meester: Geen idee.
Op dat moment barst de leerling in tranen uit. Hij snikt: Die lege wieg! Die lege kinderkamer die u zo liefdevol heeft ingericht! Hoe kunt u daar nog binnengaan!
Meester: Dat kost me geen enkele moeite.
Leerling: Niet?
Meester: Er was geen baby en er is geen baby. Wat is er nieuw?
Leerling, ongelovig: Dus eigenlijk is er geen vuiltje aan de lucht?
Op dat moment barst de meester in tranen uit. De leerling laat hem rustig uithuilen, droogt zijn wangen met zijn eigen zakdoek en omhelst hem hartelijk.
Als de meester weer een beetje bijgekomen is, zegt de leerling: Eerste keer?
Meester: Waarvan?
Leerling: Dat u huilt?
Meester: Ik jank heel wat af.
Leerling, ongelovig: Als je niets weet, waarom dan nog huilen?
Meester, ongelovig: Als je niets weet, waarom niet?


Alles of niets

Leerling: Als je niets verwacht kun je nooit geschokt zijn!
Meester: Als je verwacht dat je nooit geschokt zult zijn verwacht je niet niets.



Leerling: Als je alles verwacht kun je nooit geschokt zijn.
Meester: Als je niet verwacht dat je nog ooit geschokt zult zijn verwacht je niet alles.


Wie weet

Leerling: Ik ben als de dood om te sterven.
Meester: Wie weet is het leven wel erger dan de dood.



Leerling: Was ik maar dood.
Meester: Wie weet is de dood wel erger dan het leven.



Leerling: Als je niet weet of het leven erger is dan de dood, moet je dan doorleven of zelfmoord plegen?
Meester: Wie weet.


Kanker

Ik heb nooit kanker gehad. Niet dat ik weet tenminste. Ik waan mij kankervrij. Maar ik weet niet, ik kan niet weten, of ik het niet allang meedraag. Een traag groeiende brughoekkanker wellicht of een snelgroeiende prostaatkanker die pas twee weken geleden aan het woekeren is geslagen.

Als er straks inderdaad kanker bij mij wordt vastgesteld, zal ik niet weten of de diagnose klopt. Misschien is er wel iets anders aan de hand. Een cyste. Een aneurysma dat dezelfde röntgenschaduw werpt als een vaatgezwel. Misschien camoufleert een relatief ongevaarlijke kanker wel een veel gevaarlijker systeemziekte. Misschien ben ik zo gezond als een vis en heeft de arts mijn dossier verwisselt met dat van een andere patiënt.

Als ik vervolgens genees weet ik niet of het door de behandeling komt of dat er sprake is van een spontane remissie, gesteld dat ik ziek was. Misschien voorkomt de behandeling wel een spontane remissie. Ook weet ik niet of de behandeling van het ene type kanker op termijn niet een ander type kanker in mij voortbrengt, bijvoorbeeld een stralingsgezwel of hormoonkanker.

Als ik na vijf jaar definitief genezen wordt verklaard, weet ik niet of ik werkelijk genezen ben. De arts kan wel zoveel zeggen. Wie weet welke uitzaaiingen onopgemerkt zijn gebleven. Misschien heeft de radioloog verzuimd naar mijn röntgenfoto's te kijken. Of heeft hij mijn foto's verwisseld met die van een andere patiënt. Bovendien kan de kanker, de oude of hetzelfde type of een ander, ieder moment opnieuw toeslaan.

Mocht ik ondanks alles werkelijk genezen zijn en nooit meer kanker krijgen, dan weet ik niet wat voor andere verrassingen het leven of de dood desondanks of juist daardoor voor mij in petto heeft, noch wat ik aan waardevolle ervaringen moet missen doordat ik niet chronisch of terminaal ziek ben geworden.

Kanker. Je weet nooit of je het hebt. Je weet nooit wat het teweegbrengt. Je weet nooit hoe je ermee om moet gaan. Je weet nooit of je er vanaf bent. Je weet nooit wat je ervan moet vinden.

Je weet maar nooit.


Misschien

Een leerling heeft terminale maagkanker.
Hij maakt een wijds armgebaar..
Meester: Wat is er?
Leerling, huilend: Straks zal ik dit allemaal moeten missen!
Meester: Straks is er misschien ook geen gemis meer.
Leerling, verrast: Daar zou ik vrede mee hebben.
Meester: En ook geen vrede meer.
Leerling: Dat vind ik nou weer wat minder.
Meester: En ook geen minder meer.
Leerling: Nou, dat zien we dan wel weer.
Meester: En ook geen dan meer.
Leerling: Zo blijft er niets over!
Meester: En ook geen niets meer.
Leerling, lachend: Dus waar zou ik me nog druk over maken!
Meester: Maar ja.
Leerling: Wat?
Meester: Misschien ook wel.


Hoe te leven

Leerling: Hoe moeten wij leven?
Meester: Ben je soms dood?
Leerling: Dat is het probleem niet.
Meester: Krijg je soms geen lucht?
Leerling: Dat is het probleem ook niet.
Meester: Nou dan.


Hoe te sterven

Leerling: Hoe moeten wij sterven?
Meester: Bang dat het niet zal lukken?
Leerling: Dat is te zeggen...
Meester: Ooit gehoord dat iemand het niet kon?
Leerling: Uiteindelijk niet, nee.
Meester: Nou dan.


Je gedachtenknop omzetten

Leerling: Leven en dood zijn geen probleem tenzij je er een probleem van maakt.
Meester: Dus?
Leerling: Moet je er gewoon geen probleem van maken!
Meester: Je veronderstelt dat je daar iets over te zeggen hebt.
Leerling: Het is alleen maar een kwestie van je gedachtenknop omzetten.
Meester: Maar waar zit nou toch die knop?


Een mager speenvarken

Leerling: Hoe moeten wij sterven?
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Ik wil waardig sterven.
Meester: Dat zal best, maar wat heet waardig?
Leerling: Berustend en liefdevol.
Meester: Niet vloekend en tierend?
Leerling: Ik zei toch waardig?
Meester: Niet lallend en brallend?
Leerling: Dat is toch niet waardig!
Meester: Niet huilend en lachend?
Leerling: Wat verstaat ú onder waardig?
Meester: In overeenstemming met je waarden.
Leerling: Ik bedoel, wat is waardig sterven volgens u?
Meester: Ik heb geen waarden.
Leerling: Niet of niet meer?
Meester: Niet meer.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Ik kon ze niet verantwoorden.
Leerling: Pas dan maar op.
Meester: Waarvoor?
Leerling: Straks ligt u op uw sterfbed nog te krijsen als een mager speenvarken.
Meester: Niets in mij zal zich daartegen verzetten.
Leerling: Wát?
Meester: Maar wat doe jij in zo'n geval?


Een tegenvaller

Leerling: Niets in mij zal zich verzetten als ik krijsend ten onder ga.
Meester: Dat moet je nog maar afwachten.
Leerling: Nee hoor.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat ik geen waarden heb.
Meester: En als je je er nou toch tegen blijkt te verzetten?
Leerling: Dat zou me vies tegenvallen van mezelf.
Meester: Ik was er al bang voor.


Instinker

Leerling: Zonder waarden is ieder sterven waardig!
Meester: Toch weer een waarde gevonden?


De urn

Een leerling leidt de meester naar de urnengalerij en wijst een sierlijke blauwe vaas aan.
Leerling: De as van mijn moeder, God hebbe haar ziel.
Meester: Waar?
Leerling: In die blauwe urn.
Meester: Hoe weet je dat er as in zit?
Leerling: Dat is... dat komt... dat moet toch... ik denk...
Meester: Heb je er ooit in gekeken?
Leerling: Eerlijk gezegd niet nee.
Meester: Je hebt toch zeker wel even geschud?
Leerling: Ook niet.
Meester: Dus hij zou best eens leeg kunnen zijn?
Leerling: Ik kan het me nauwelijks voorstellen.
Meester: Dat zegt niets.
Leerling: Denkt u dat heus?
Meester: Ik niet.
Leerling: Nou dan.
Meester: Stel dat er inderdaad as in zit, hoe weet je dan dat die van haar is?
De leerling wijst naar het naamplaatje op de urn en zegt: Dat staat hier.
Meester: Wat?
Leerling: De naam van mijn moeder.
Meester: Nou én?
Leerling: Geen twijfel mogelijk. De voornamen en achternamen en data kloppen precies.
Meester: Waarmee?
Leerling: Met die van mijn moeder!
Meester: Dat zal best.
Leerling: Maar?
Meester: Komen ze ook overeen met de as?
Leerling: Daar... ben ik altijd vanuit gegaan.
Meester: Terecht, denk je?
Leerling: Wat bent u toch een rare kwast!
Meester: Iedereen kan overal een naambordje opplakken met willekeurig welke tekst.
Leerling: Maar waarom zouden ze er in hemelsnaam de verkeerde as in doen?
Meester: Of het verkeerde bordje opplakken.
Leerling: Maar waarom?
Meester: Vergissen is menselijk.
Leerling: Ik geloof er niets van.
De meester tikt met zijn knokkels tegen de urn, die een dof geluid maakt.
Meester: Ooit een asla schoongemaakt?
Leerling: Zo vaak.
Meester: Vertel eens.
Leerling: Vroeger die van de kolenkachel, tegenwoordig die van de open haard.
Meester: Hoe gaat dat in zijn werk?
Leerling: Je trekt de la eruit en gooit hem leeg in de tuin of in de vuilnisbak.
Meester: En is hij dan leeg?
Leerling: Nou nee, er blijft altijd wel wat achter.
Meester: Net als op het stookrooster.
Leerling: U heeft ervaring.
Meester: Zou het in de ovens van het crematorium ook zo gaan, denk je?
Leerling: Ik denk van wel.
Plotseling trekt hij wit weg.
Meester: Is er wat?
Leerling: Dan zou deze urn niet alleen de as van mijn moeder...
De meester schudt zijn hoofd.
Leerling: Maar ook asresten van eerdere...
De meester knikt.
De leerling zei: Terwijl mama altijd het liefst op zichzelf was!
Meester: Ocharm.
De leerling spert zijn ogen wijd open en zegt: Dan zitten er natuurlijk ook resten van moeder in andere...
De meester laat zijn blik over de rijen met urnen glijden.
Leerling: En ik maar denken...
Meester: En jij maar denken.
De leerling staart naar de urn terwijl de tranen over zijn wangen biggelen.
Meester: Trek het je niet aan.
Leerling, snikkend : Waarom niet?
Meester: Misschien is het niet eens de as van je moeder.
De leerling begint te jammeren.
Meester: Als er al iets in zit.
Met een kreet laat de leerling zich op de grond vallen en verbergt zijn hoofd in zijn armen.


Dat denk je er zelf bij

Leerling tegen zijn stervende meester: Nu zal ik u nooit meer zien!
Meester: Ik heb je al zo vaak verlaten.
Leerling: Maar altijd maar voor eventjes.
Meester: Dat dacht je er zelf bij.
Leerling: En nu voorgoed!
Meester: Dat denk je er zelf bij.
Leerling: Wilt u zeggen dat de dood een afscheid is als alle andere?
Meester: Dat denk je er zelf bij.
Leerling: Of zinspeelt u op een hiernamaals?
Meester: Dat denk je er zelf bij.
Leerling: Probeert u mij duidelijk te maken dat ik alles er zelf bij denk?
Meester: Dat denk je er zelf bij.
Leerling: Bedoelt u dat ik er niet meer van alles bij moet denken?
Meester: Dat denk je er zelf bij.
Leerling: Is niet weten daartoe de sleutel?
Meester: Dat denk je er zelf bij.


Afscheid nemen

Leerling: Leven is voortdurend afscheid nemen.
Meester: Ook van je spreuken.


Hoe weet je dat nou!

Leerling tegen zijn stervende meester: Ik kan niet zonder u.
Meester: Vroeger kon je ook zonder me.
Leerling: Wanneer dan?
Meester: Voordat je me ontmoette natuurlijk.
Leerling: Maar nu niet meer.
Meester: We zien elkaar anders maar een paar uur per week.
Leerling: En toch kan ik niet zonder u!
Meester: Misschien ben je wel beter af zonder mij.
Leerling, jammerend: Ik kan niet zonder u!
De meester komt half overeind en schreeuwt hees: Hoe weet je dat nou!
Dan spert hij zijn ogen open en valt terug op zijn kussen, morsdood.
Het waren zijn laatste woorden.

Napraatje
Zegt de ene leerling: Wat waren de laatste woorden van de meester?
Zegt de andere: "Hoe weet je dat nou!"
Zegt de ene: Van je meester wil je antwoorden, geen vragen.
Zegt de andere: Het was ook geen vraag.
Zegt de ene: Hoe weet je dat?
Zegt de andere: Anders had hij heus wel op antwoord gewacht.


Sterven van verdriet

Leerling: Van verdriet kun je doodgaan.
Meester: Geef eens een voorbeeld.
Leerling: Twee maanden na mijn moeder is mijn vader van verdriet overleden.
Meester: Hoe weet je dat het van verdriet was?
Leerling: Omdat hij zo bedroefd was.
Meester: Stel nou dat hij in plaats daarvan opgelucht was geweest en na twee maanden was gestorven.
Leerling: Wat dan?
Meester: Was hij dan van opluchting gestorven?
Leerling: Natuurlijk niet!
Meester: Waaraan dan?
Leerling: Weet ik veel. Datgene waaraan mensen nou eenmaal sterven.
Meester: Maar binnen twee maanden na je moeder?
Leerling: Het is statistisch onvermijdelijk dat sommige mensen kort na elkaar doodgaan.
Meester: Of zelfs op dezelfde dag.
Leerling: Onvermijdelijk.
Meester: Tenzij het van verdriet is?
Leerling: Nou moe!


Het beste bewijs

Leerling tegen zijn stervende meester: Ik denk niet dat ik zonder u kan.
Meester: Je kan wel zoveel denken.
Leerling: Ik meen het, ik kan niet zonder u.
Meester: Dat zou je wel willen, hè?
Leerling: Ik weet het zeker.
Meester: Zoveel mensen weten het zeker.
Leerling: Ik zal nog sterven van verdriet!
Meester: Ik wed dat je na mijn dood nog minstens drie keer zult ademhalen.
Leerling: Nou ja, dat red ik nog wel.
Meester: Zónder mij.
Leerling: Het autonome zenuwstelsel hè.
Meester: En daarna nog wel dertig keer.
Leerling: En nog wel driehonderd keer ook.
Meester: En nog wel drieduizend keer ook.
Leerling: Maar verder ga ik niet.
Meester: Daar heb je niets over te zeggen.
Leerling: Desnoods pleeg ik zelfmoord!
Meester: Durf jij dat?
Leerling: Nou en of!
Meester: Zo!
Leerling: En ik weet al precies hoe ik het doen zal ook!
Meester: Zie je wel dat je best zonder mij kunt.


Een goede reis

Leerling tegen zijn stervende meester: Ik wens u een goede reis!
Meester: Je veronderstelt dat ik op reis ga.
Leerling: Ik wens u een behouden thuiskomst!
Meester: Je veronderstelt dat ik naar huis ga.
Leerling: Ik wens u een zalig uiteinde!
Meester: Je veronderstelt dat mijn leven voorbij is.
Leerling: Ik wens u een prettige voortzetting!
Meester: Je veronderstelt dat mijn leven doorgaat.
Leerling: Gecondoleerd?
Meester: Valt er iets te betreuren?
Leerling: Gefeliciteerd dan?
Meester: Valt er iets te vieren?
Leerling, zuchtend: Ik zeg maar wat, meester.
Meester: Ik ook jongen, ik ook.


Als de dood

Leerling: Ik ben als de dood voor de dood.
Meester: Welnee.
Leerling: Welnee?
Meester: Dat kan helemaal niet.
Leerling: Hoezo niet?
Meester: Ooit dood geweest?
Leerling: Niet dat ik weet, maar...
Meester: Nou dan.
Leerling: Maar ik stel mij voor dat...
Meester: Precies.
Leerling: Wat, precies?
Meester: Je bent niet bang voor de dood maar voor je voorstelling ervan.


Een verkeerde voorstelling

Leerling: Je bent niet bang voor de dood maar voor je voorstelling ervan.
Meester: Nou én?
Leerling: Dat betekent dat je er iets aan doen kunt.
Meester: Hoe dan?
Leerling: Gewoon, door je voorstelling te onderzoeken en te veranderen of op te geven.
Meester: Je veronderstelt dat je daar een keuze in hebt.
Leerling: Ik bepaal toch zeker zelf wat ik mij voorstel?
Meester: Dat kan best wezen...
Leerling: Maar?
Meester: Bepaal je ook zelf wat je gelooft?


De voorspelling

Meester: Waarom huil je?
Leerling: De dokter had u nog een jaar gegeven en nou moet ik na een maand al afscheid van u nemen!
Meester: Je huilt om een idee.
Leerling: Ik huil om u!
Meester: Hoe zou je je gevoeld hebben als de dokter me een week had gegeven en ik nog een hele maand had geleefd?
Leerling: Blij, denk ik.
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat ik u dan drie weken langer bij me had mogen houden.
Meester: Nou dan.


't Idee

De meester ligt op zijn sterfbed en zijn laatste uurtje heeft geslagen. Naast hem zit een leerling boos naar hem te kijken.
Meester: Waarom zo boos?
Leerling: Omdat u mij zomaar in de steek laat!
Meester: 't Idee!
Aan de andere kant van het bed zit een andere leerling blij naar hem te kijken.
Meester: Waarom zo blij?
Leerling: Omdat u het nog zo lang voor mij hebt uitgehouden!
Meester: 't Idee!


Geestkracht

Hoewel de dokter hem een week had gegeven, heeft de meester het een maand uitgehouden. Zijn leerlingen zijn onder de indruk van zijn geweldige geestkracht.

Hoewel de dokter hem een jaar had gegeven heeft de meester het nog geen maand uitgehouden. Zijn leerlingen zijn teleurgesteld over zijn geringe geestkracht.

Hoewel de meester het maar een maand uithield had de dokter hem een half jaar gegeven. De leerlingen zijn niet onder de indruk van zijn vakmanschap.


Hiervoormaals

Leerling: Is er leven na de dood?
Meester: Als dit het al is, dan zeker.
Lange stilte.
Leerling: Daar was ik nou nooit opgekomen.
Meester: Maar is er ook leven vóór de dood?


Nou breekt mijn klomp

Leerling: Bent u bang voor de dood?
Meester: Wie zegt dat ik dood ga?
Leerling: Denkt u soms van niet?
Meester: Heb ik dat gezegd?
Leerling: U steekt uw kop in het zand.
Meester: De pot verwijt de ketel.
Leerling: U wendt zich af van het onafwendbare.
Meester: Wat weet jij van het onafwendbare?
Leerling: Hoezo?
Meester: Ooit doodgegaan?
Leerling: Dat komt nog wel.
Meester: O ja?
Leerling: Iedereen moet dood.
Meester: Heb je dat persoonlijk vastgesteld?
Leerling: Kijk toch om u heen.
Meester: Ik zie alleen maar levenden.
Leerling: U heeft toch verdorie weleens iemand zien sterven!
Meester: En wat dan nog?
Leerling: Het bewijst dat mensen doodgaan.
Meester: Maar niet dat iedereen doodgaat.
Leerling: Iedereen is het er anders over eens.
Meester: Iedereen?
Leerling: Iedereen die bij zijn verstand is.
Meester: Hou jij soms van generaliseren?
Leerling: Lelijke querulant!
Meester: Je klampt je vast aan de dood.
Leerling: U klampt zich vast aan het leven!
Meester: Wie zegt dat ik leef?
Leerling: Nou breekt mijn klomp!
Meester: Nou de andere nog.


Niet bepaald

Leerling: Bent u bang voor de dood?
Meester: Niet bepaald.
Leerling: Denkt u soms dat u onsterfelijk bent?
Meester: Niet bepaald.
Leerling: Maar u hoopt van wel?
Meester: Niet bepaald.
Leerling: Bedoelt u dat u hoopt van niet?
Meester: Niet bepaald.
Leerling: Maar wat denkt u dan wel?
Meester: Van alles en nog wat.
Leerling: Maar wát dan?
Meester: Niets bepaalds.
Leerling: Ik kan u niet peilen.
Meester: Ik ook niet.
Leerling: Wie bént u toch.
Meester: Niet bepaald.