Verlichting voor dummy's >
Het verstand > Denken
Deze pagina:
Dwaalteksten over denken en bewustzijn.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Op hete kolen
de denker bouwt
jaar in jaar uit
een nest
op hete kolen
de zwerver gaapt
en rekt zich uit
hij gaat maar weer
wat dolen
Buurmans gras
de burger denkt
jaar in jaar uit:
mijn koninkrijk
voor vrijheid
de zwerver denkt
jaar in jaar uit:
mijn wereld
voor een nest
Domino
Leerling: "Men moet denken zoals architecten bouwen, niet zoals men domino speelt."
Meester: Arthur Schopenhauer?
Leerling: Inderdaad.
Meester: Daar komen dikke boeken van.
Leerling:
Die Welt als Wille und Vorstellung.
Meester: Hou op, schei uit.
Leerling: Hoe moet men dan denken?
Meester: Zoals men domino speelt?
Leerling: Wat komen daar voor boeken van?
Meester: Lege?
Het lege boek
Leerling: Het enige goede boek is het lege boek!
Meester: Waar heb je dat nou weer gelezen.
De wereld
denken
de mensen denken
de mensen denken
zich een wereld
de mensen denken
zich in de wereld
de mensen denken
dat de wereld van hen is
de mensen denken
dat zij van de wereld zijn
de mensen denken
dat de wereld in hen is
de mensen denken
denken
De mensen
denken
de mensen denken
de mensen denken
de mensen
de mensen denken
dat ze mensen zijn
de mensen denken
dat ze beesten zijn
de mensen denken zeker
dat ze geen beesten zijn
de mensen denken zeker
dat ze zijn
de mensen denken
dat ze zeker zijn
de mensen denken
dat ze zeker niet zijn
de mensen denken
dat ze denken zijn
de mensen denken
denken
Het denken
denken
de mensen denken
de mensen denken
dat ze denken
de mensen denken
dat ze gedacht worden
de mensen denken
dat ze beter moeten denken
de mensen denken
dat ze anders moeten denken
de mensen denken
dat ze minder moeten denken
de mensen denken
dat ze niet meer moeten denken
de mensen denken
dat ze het denken kunnen laten
de mensen denken
dat ze kunnen laten
de mensen denken
dat ze kunnen doen
de mensen denken
dat ze kunnen
de mensen denken
dat ze anders kunnen
de mensen denken
dat ze niet anders kunnen
de mensen denken
dat ze niet kunnen
de mensen denken
steeds iets anders
de mensen denken
steeds iets
de mensen denken
steeds
de mensen denken
denken
Luisteren
Leerling: Ik luister naar iedereen!
Meester: Ik allang niet meer.
Leerling: Ik luister alleen nog naar mensen die het kunnen weten!
Meester: Ik allang niet meer.
Leerling: Ik luister alleen nog naar mijn goeroe!
Meester: Ik allang niet meer.
Leerling: Ik luister alleen nog naar mezelf!
Meester: Ik allang niet meer.
Leerling: Ik luister alleen nog naar mensen die niet weten!
Meester: Ik allang niet meer.
Leerling: Ik luister alleen nog naar God!
Meester: Ik allang niet meer.
Leerling: Ik luister naar niemand meer!
Meester: Ik allang niet meer.
Niemand?
Leerling: Ik luister naar niemand meer.
Meester: Behalve naar degene die zegt dat hij naar niemand luistert.
Leerling: Ik niet!
Meester: Zeker weten?
Leerling: Nou en of!
Meester: Zie je wel.
Binnenoor
Leerling: Ik ben zelfs gestopt met niet meer naar mezelf luisteren.
Meester: Je denkt nog steeds dat je het voor het zeggen hebt.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Je denkt nog steeds dat ik het voor het zeggen heb.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Je denkt nog steeds dat ik iets wil zeggen.
Leerling: Anders zou u wel zwijgen.
Meester: Je denkt nog steeds dat ik iets zeg.
Leerling: Is het dan allemaal illusie?
Meester: Je denkt nog steeds.
Leerling: Ik weet niet hoe ik moet stoppen met denken.
Meester: Nou denk je weer dat je moet stoppen.
Gedachtenstroom
Leerling: Hoe ontsnap ik aan mijn gedachtenstroom?
Meester: Waar is je vorige gedachte?
Leerling: In rook opgegaan.
Meester: Waar is je volgende gedachte?
Leerling: Die moet nog komen.
Meester: Welke gedachte heb je nu?
Leerling: Alleen deze.
Meester: Hoe weet je dan dat er sprake is van een stroom?
Leerling: Omdat ik me mijn vorige gedachten herinner.
Meester: Hoe weet je dat die herinnering meer is dan dan een gedachte nu?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: Zo ontsnap je aan je gedachtenstroom.
Leerling: Ik snap het.
Meester: Maar nooit voor lang.
Gedachten
hebben
Leerling: Beschouwt u zichzelf als verlicht?
Meester: Ik beschouw mezelf niet.
Leerling: Maar u heeft toch wel gedachten over uzelf?
Meester: Wie zegt dat ik ze heb?
Leerling: Hebben ze u?
Meester: Wat zal ik daar eens op zeggen.
Leerling: Nou?
Meester: Ze komen en gaan.
Leerling: Weet u dat zeker?
Meester: Welnee.
Leerling: Waarom zegt u het dan?
Meester: Het kwam zomaar in me op.
Deze ook
Leerling: Ik
heb geen gedachten,
ze komen en gaan!
Meester: Deze ook?
Leerling: Natuurlijk!
Meester: Zijn we daar ook weer van verlost.
Die
ook
Leerling: Heeft u gedachten?
Meester: Ik heb ze niet; ze komen en
gaan.
Leerling: Deze ook?
Meester: Natuurlijk.
Leerling: Nou weet ik nog niets!
Meester: Die ook.
Aannames
Leerling: Heeft u gedachten over
uzelf?
Meester: Ik heb ze niet; ik zie ze alleen maar langskomen.
Leerling: Maar ze zijn wel waar?
Meester: Dat neem ik niet aan.
Leerling: Bedoelt u dat ze onwaar zijn?
Meester: Dat neem ik niet aan.
Leerling: Maar ze gaan wel over u?
Meester: Dat neem ik niet aan.
Leerling: Bedoelt u dat ze over iemand anders gaan?
Meester: Dat neem ik niet aan.
Leerling: Dus het enige wat u weet is dat ze langskomen.
Meester: Dat neem ik niet aan.
Leerling: Is dát het dan,
dat u helemaal niets aanneemt?
Meester: Heb jij gedachten over jezelf?
Hechten
Leerling: Niet je gedachten zijn het probleem maar dat je eraan gehecht raakt!
Meester: Mooie gedachte!
Leerling: Dat vind ik nou ook!
Meester: Hecht je eraan?
Denken of geloven
Leerling: Niet het denken is het probleem, maar het geloof in het denken!
Meester: Denk je dat of geloof je dat?
Cirkeltjes
Leerling: Ik denk nog steeds in
cirkeltjes. U niet. Ooit zal ik net zo zijn als u. Maar nu nog niet. Ik
denk nog steeds in cirkeltjes.
Meester: Ik ook. Ooit zul je
dat doorhebben. Maar nu nog niet. Nu denk je nog dat je ervan af zult
komen. Maar je blijft in cirkeltjes denken. Ik ook.
Leerling: Wat is dan het verschil tussen u en mij? Want er moet een verschil
zijn. Dat weet ik zeker. Wat is dan het verschil tussen u en mij?
Meester: Jij gelooft nog dat je ervan af zult komen. Ik niet. Jij
gelooft nog dat je dan beter af zult zijn. Ik niet. Maar jij wel. Jij
gelooft nog dat je ervan af zult komen.
Leerling: Gelooft u dan niets meer? Dat geloof ik niet. U
misschien wel. Ik moet het weten. Gelooft u dan niets meer?
Meester: Zelfs dat geloof ik niet. Maar jij wel. Jij gelooft dat ik
niets meer geloof. Maar ik niet. Zelfs dat geloof ik niet.
Leerling: Ik denk nog steeds in
cirkeltjes. U niet. Ooit zal ik net zo zijn als u. Maar nu nog niet. Ik
denk nog steeds in cirkeltjes.
Wat je denkt
Leerling: Iets is wat je denkt dat het is.
Meester: Dat had je gedacht.
Tussen ons in
Leerling: Tussen ons in staat een ik.
Meester: Tussen ons in staat de gedachte aan een ik.
Leerling: Tussen ons in staat de gedachte aan een ik.
Meester: Tussen ons in staat de gedachte dat er iets tussen ons in staat.
Leerling: Tussen ons in staat de gedachte dat er iets tussen ons in staat.
Meester: Tussen ons in staat de gedachte dat er niets tussen ons in staat.
Leerling: Tussen ons in staat...
Meester: Tussen ons in.
Extase
Leerling: Bent u persoonlijk bekend met extase?
Meester: Wat is dat?
Leerling: Geestesvervoering.
Meester: Ik zou best willen...
Leerling: Maar?
Meester: Waar haal ik zo gauw een geest vandaan?
Leerling: Met extase bedoel ik uit jezelf treden.
Meester: Aha.
Leerling: En?
Meester: Ik zou best willen...
Leerling: Maar?
Meester: Waar haal ik zo gauw een zelf vandaan?
Leerling: Wou u beweren dat u geen zelf heeft?
Meester: Dat niet.
Leerling: Waarom zegt u dan zoiets?
Meester: Om jou uit je gedachten te doen treden?
Leerling: Is dat een vraag of een antwoord?
Meester: Maar helaas.
Uit of in
Leerling: Bent u weleens uit uzelf getreden?
Meester: Ben jij weleens in jezelf getreden?
Variologie
De meester wijst naar het bord en zegt: Wie weet er een stelling?
Een leerling roept: "Ik denk dus ik ben."
Meester: Het
cogito van Descartes. Prima keus. Wie biedt?
Leerlingen:
- Ik denk dus ik ben niet.
- Ik ben dus ik denk niet.
-
Ik denk niet dus ik ben.
-
Ik denk dus ik ben mezelf niet.
-
Ik denk dus ik denk.
-
Ik ben dus ik ben.
-
Ik ben dus ik denk.
-
Ik denk tot ik ben.
-
Ik ben tot ik denk.
-
Ik denk wat ik ben.
-
Ik ben wat ik denk.
-
Ik ben niet wat ik denk.
-
Ik denk niet dat ik ben.
-
Ik denk dat ik denk.
-
Ik ben wat ik ben.
-
Ik denk dus ik ben bang.
-
Ik denk dus ik ben bezorgd.
-
Ik denk dus ik ben ontevreden.
-
Ik denk dus ik ben schuldig.
-
Ik denk dus ik ben boos.
-
Ik denk dus ik ben beschaamd.
-
Ik denk dus ik ben trots.
-
Ik denk dus ik ben beledigd.
-
Ik denk dus ik ben zielig.
-
Ik denk dus ik ben sterfelijk.
-
Ik denk dus ik ben misleid.
-
Ik denk dus ik ben in de war.
Meester: Genoeg! Wil iemand zich ergens hard voor
maken?
Niemand reageert.
Meester: Descartes misschien?
Descartes, hoofdschuddend: Een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen.
Meester: Het bekende spreekwoord. Prima keus. Wie biedt?
Menens
Leerling: Eindelijk heb ik uw spelletje door!
Meester: O?
Leerling: U wacht net zolang tot ik iets beweer en dan slaat u toe.
Meester: Dat is maar ten dele waar.
Leerling: Wat klopt er dan niet?
Meester: Het is geen spelletje.
De ballen leren wegslaan
De meester staat te tennissen tegen het ballenkanon.
Een van zijn leerlingen gaat zonder iets te zeggen naast hem staan.
Meester: Is er wat?
Leerling: Ik heb nog altijd wetende gedachten.
Meester: Anders ik wel.
Leerling: Houdt het dan nooit op?
Meester: Nooit.
Leerling: Het weten valt niet te overwinnen?
Meester: Je kunt het alleen maar bestrijden.
Leerling: Maar het blijft je verleiden?
Meester: En je blijft erin trappen. Iedere gedachte opnieuw. Al is het maar de eerste paar seconden.
Leerling: Zelfs u?
Meester: Ik net zo goed als iedereen.
Leerling: En u let nog wel zo goed op!
Meester: Ik ben altijd waakzaam.
Leerling: En ik maar denken...
Meester: Denken is een ballenkanon zonder uit-knop.
Leerling, moedeloos: Wat doe ik dan nog hier?
De meester geeft hem zijn racket en zegt: De ballen leren wegslaan.
Kleiduiven schieten
Leerling: Wat zijn gedachten voor u?
Meester: Kleiduiven.
Leerling: Wat is denken voor u?
Meester: Vroeger of tegenwoordig?
Leerling: Vroeger.
Meester: Kleiduiven werpen.
Leerling: En nu?
Meester: Kleiduiven schieten.
Leerling: Wat gebruikt u daarbij voor munitie?
Meester: Wat denk je?
Leerling: Hagel?
Meester: Mis!
Leerling: Patronen?
Meester: Mis!
Leerling: Ik geeft het op.
Meester: Mis!
Leerling: Wat dan?
Meester: Kleiduiven.
Leerling: U gebruikt kleiduiven om kleiduiven te schieten?
De meester knikt.
Leerling: Men bestrijdt gedachten met gedachten?
Meester: Het denken kan niet hoog genoeg worden aangeslagen.
Pang!
Leerling: Bent u een kleiduivenwerper of een kleiduivenschieter?
Meester: Beide natuurlijk.
Leerling: U werpt ze en u schiet ze?
Meester: Pang!
Leerling: Pang?
Meester: Raak!
Leerling: U schoot zojuist de gedachte "U werpt ze en u schiet ze" neer?
De meester knikt.
Leerling: Misschien bedoelt u dat ze in u worden geworpen en in u worden geschoten?
Meester: Pang!
Tja zeggen
Leerling: Wat is weten?
Meester: Ja zeggen tegen je gedachten.
Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Tja zeggen tegen je gedachten.
Leerling: Maar Tja is toch nog steeds een gedachte?
Meester: Tja.
Ouroboros
Leerling: Bent u van al uw gedachten verlost?
Meester: Welnee.
Leerling: Dus u heeft ze nog steeds?
Meester: Onophoudelijk.
Leerling: Ik ook.
Meester: Leven is denken.
Leerling: En ik maar denken dat ik er vanaf kon komen.
Meester: Denken, denken, denken.
Leerling: Maar wat is dan het verschil tussen u en mij?
Meester: Jouw denken bijt wild om zich heen op zoek naar houvast.
Leerling: En het uwe?
Meester: Dat heeft zichzelf stevig bij de staart.
Leerling: Dat is nog steeds een soort houvast.
Meester: Zo je wilt.
Leerling: Maar?
Meester: Het bijt in elk geval niet meer wild om zich heen.
De leeuw en de zweep
Leerling: Heeft u het denken getemd?
Meester: Ik niet.
Leerling: Wie dan wel?
Meester: Hooguit het denken zelf.
Leerling: Waarom zegt u hooguit?
Meester: Omdat het denken zichzelf niet getemd
heeft.
Leerling: Maar u zei toch...
Meester: Het denken temt zichzelf steeds opnieuw.
Leerling: Maar dan moet u toch...
Meester: Het is zelftemmend geworden.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: De leeuw brult; de leeuw hanteert de zweep.
Het potlood en het gum
Leerling: Wat is het verband tussen weten en niet weten?
Meester: Weten kan men zonder niet weten maar niet weten kan men niet zonder weten.
Leerling: Niet weten parasiteert op het weten?
Meester: Nou, parasiteert...
Leerling: Hoe zou u het zeggen?
Meester: Wat valt er te gummen zonder potlood?
De jongleur en de slagman
Leerling: Is niet weten hetzelfde als niet denken?
Meester: Ik denk het niet.
Leerling: Wat is niet weten dan wel?
Meester: Een onderdeel van het denken.
Leerling: Leg eens uit.
Meester: Het denken gooit een balletje op; het denken slaat een balletje weg.
Leerling: Weten is een balletje opgooien, niet weten het balletje wegslaan?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Hoe prozaïsch.
Meester: Ik wil het niet mooier maken dan het is.
Leerling: U bent eigenlijk een soort slagman.
De meester knikt.
Leerling: En wat ben ik?
Meester: Een jongleur.
Leerling: Hoezo?
Meester: Jij probeert je ballen allemaal in de lucht te houden.
Leerling: Wie gooit ze eigenlijk op?
Meester: Daar heb ik al heel wat ideeën over gehad...
Leerling: Maar?
Meester: Ik heb ze allemaal weggeslagen.
Onrustig toekijken
Leerling: Het denken moet overwonnen worden!
Meester: En wie moet dat dan wel doen?
Leerling: Nou eh... ik?
Meester: En waarmee wou je dat doen?
Leerling: Met eh... het hart?
Meester: Het wat?
Leerling: De intuïtie?
Meester: De wát?
Leerling: De hoofchakra?
De meester trekt een wenkbrauw op.
Leerling: Een mantra?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Shikantaza?
Meester: Gewoon maar wat denken?
Leerling: Nee, gewoon maar wat zitten.
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.
Leerling: Ik gooi maar een balletje op.
Meester: Zeg dat wel.
Leerling: Waarmee dan wel?
Meester: Waarom moet het denken overwonnen worden?
Leerling: Dat heb ik ergens gelezen.
Meester: Misschien hoeft het alleen maar tot de orde geroepen te worden.
Leerling: Dat komt op hetzelfde neer.
Meester: Dat is heel wat anders.
De volgende dag gaat de leerling weer bij de meester zitten.
Leerling: Het denken moet tot de orde geroepen
worden!
Meester: Misschien roept het zichzelf wel tot de orde.
Leerling: En ik dan?
Meester: Wie?
Leerling: En als het denken zichzelf eenmaal tot de orde geroepen heeft?
Meester: Dan verzint het wel weer wat nieuws.
Leerling: Maar wat.
Meester: Zeg dat wel.
Leerling: En dan?
Meester: Dan roept het zichzelf weer tot de orde.
Leerling: En dan verzint het zeker weer wat nieuws?
Meester: Het krijgt er nooit genoeg van.
Leerling: Maar wat is mijn rol in dit geheel?
Meester: Wie zegt dat je er een rol in hebt?
Leerling: Wou u soms zeggen van niet?
Meester: Dat zou je wel willen, hè?
Leerling: Rustig toekijken is anders niets voor mij.
Meester: Dan kijk je maar onrustig toe.
Leerling: Dat is nog erger.
Meester: Dan doe je toch lekker mee?
Na een lange stilte zegt de leerling: Dus zo zit dat met het denken.
Na een lange stilte zegt de meester: Tot het weer wat nieuws verzint.
Een concept
Leerling: Een concept deelt wat oorspronkelijk heel is in tweeën.
Meester: "Heel" is een concept.
Leerling: Een concept deelt wat oorspronkelijk heel is in tweeën.
Meester: "Twee" is een concept.
Leerling: Een concept deelt wat oorspronkelijk heel is in tweeën.
Meester: "Oorspronkelijk" is een concept.
Leerling: Een concept deelt wat oorspronkelijk heel is in tweeën.
Meester: "Concept" is een concept.
Heel
Leerling: Een concept deelt wat oorspronkelijk heel is in tweeën.
Meester: Heel verenigt wat oorspronkelijk ontelbaar is.
De werkelijkheid
Leerling: "Heel" verenigt wat oorspronkelijk ontelbaar is.
Meester: Ontelbaar?
Leerling: Niet één, niet twee, niet veel.
Meester: Wat niet?
Leerling: De werkelijkheid niet.
Meester: "Werkelijkheid" is een concept.
Denkende gedachten
Leerling: Waarom kan ik uw gedachten niet lezen en u de mijne
niet?
Meester: Zijn de mensen in je dromen mensen of gedachten?
Leerling: Gedachten.
Meester: En hebben deze gedachten gedachten?
De leerling schiet in de lach.
Meester: Nou dan.
Leerling: Wilt u zeggen dat u alleen maar een gedachte in mijn
bewustzijn bent?
Meester: Ik bedoelde eigenlijk dat jij alleen maar een
gedachte in
mijn bewustzijn bent.
Leerling: Nou ja!
Meester: Het was maar een gedachte.
Gedachtengolven
Meester: Wat zijn gedachten?
Leerling: Fluctuaties van
het bewustzijn.
Meester: Wat is bewustzijn?
Leerling: Een medium waarin zich gedachten voordoen.
Meester: Dat doet
me ergens aan denken.
Leerling: Waaraan?
Meester: Omdat geluidsgolven lucht nodig hebben om zich voort te
planten, dacht men in de negentiende eeuw dat lichtgolven ook wel iets
nodig zouden hebben.
Leerling: Ether.
Meester: Een hypothetisch medium.
Leerling: Men heeft het nooit gevonden.
Meester: Precies.
Leerling: Nou én?
Meester: Als licht geen ether nodig
heeft, waarom gedachten dan wel bewustzijn?
De kip of het ei
Leerling: Gedachten komen op in je bewustzijn.
Meester: Bewustzijn komt op in je gedachten.
Leerling: Het bewustzijn dankt zijn bestaan aan het brein.
Meester: Het brein dankt zijn bestaan aan het bewustzijn.
Waarin
Leerling: Komen er nog steeds gedachten in
u op?
Meester: Ze komen op maar ik weet niet waarin.
Leerling: Waarin zouden ze anders moeten opkomen dan in
u?
Meester: Waarom moeten ze ergens in opkomen?
Leerling: Doe niet zo gek!
Meester: Als het regent vraag je toch ook niet in wie het regent?
Zelfkennend
Meester: Wat is denken?
Leerling: Bewustwording van gedachten.
Meester: Wie is het die zich
gedachten bewust wordt?
Leerling: Ik.
Meester: Welk
deel van jou wordt zich gedachten bewust?
Leerling: Mijn
bewustzijn.
Meester: Hoe weet je dat gedachten niet zelfkennend
zijn?
Leerling: Wat dan nog?
Meester: Dan heb
je geen bewustzijn meer nodig.
Leerling: Ik hoef er niet vanaf.
Meester: Zie er eerst maar eens aan te komen.
Leerling: Hmpf!
Meester: Of een ik; dat heb je dan ook niet meer nodig.
Leerling: Daar hoef ik ook niet van af.
Meester: Zie er eerst maar eens aan te komen.
Leerling: Dat is ook alleen maar een gedachte.
Meester: Zie er dan maar weer vanaf te komen.
Een zinloos onderscheid
Leerling: Bewustzijnsinhouden komen op
in het bewustzijn.
Meester: Wat is een bewustzijnsinhoud
waarvan niemand zich bewust is?
Leerling: Kan ik me niets bij
voorstellen.
Meester: Wat is bewustzijn waarin zich geen
bewustzijnsinhouden voordoen?
Leerling: Kan ik me niets bij
voorstellen.
Meester: Waarom scheid je ze dan?
Een bekentenis
Leerling: Wat is bewustzijn?
Meester: Een gedachte in je hoofd.
Leerling: Bewustzijn is een gedachte in je hoofd!
Meester: En wat was dit?
De leerling zwijgt.
Meester: Nou?
Leerling, schoorvoetend: Een gedachte in mijn hoofd.
Meester: Wat is je hoofd?
Leerling: Een gedachte in mijn...
Meester: Nou?
Leerling: Niks.
Meester: Een gedachte in je niks?
Leerling: Een gedachte over mijn hoofd?
Meester: Wat is een gedachte?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: Wat is een vraag?
Leerling: Een bekentenis, denk ik.
Meester: Wat wordt er dan bekend?
Leerling: Dat je het niet weet?
Meester: Leuk bedacht.
Meester: Wat is bewustzijn?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Een gedachte in je hoofd?
Meester: Wat is een gedachte in je hoofd?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Wat is niet weten dus?
Leerling: Zelfs niet weten wat niet weten is?
Meester: En je dat bewust zijn.