Verlichting voor dummy's > Citaten > Religie > Chassidisme Deze pagina: Citaten over niet weten uit het chassidisme. Samensteller: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld. uit: Chassidische verhalen en hun betekenis, Rabbi Rami
Shapiro, 2007De opvolger Toen Baäl Sjem Tov stierf en de periode van rouw voorbij was, gingen zijn oudere studenten erop uit om zijn opvolger te zoeken. Ze hadden veel grote leraren en heiligen gesproken en aan iedereen gevraagd hoe verwaandheid uit het hart kan worden weggenomen. Iedere tsadiek sprak woorden met wijze adviezen. Uiteindelijk kwamen ze bij reb Pinchas van Korets en legden de vraag aan hem voor. De tsadiek schudde zijn hoofd en zei: 'Ik ben er ook bang voor en ik weet geen manier om ervan af te komen.' 'Dit,' zeiden de chassidiem, 'is onze nieuwe rebbe.' (43; fragment uit het verhaal De opvolger) Niets Reb Aharon van Karlin bezocht zijn rebbe, de Magied van Mezrich, zo vaak als hij kon. Toen hij op een keer na zo'n bezoek thuiskwam, werd hij bestormd door een grote menigte van vrienden en andere chassidiem. 'Vertel ons wat u hebt geleerd, reb Aharon!' riepen ze. 'Vertel ons wat u hebt geleerd!' Toen de menigte zo stil werd dat iedereen kon horen wat reb Aharon met hen wilde delen, zei hij: 'Ik heb niets geleerd.' Ze dachten dat ze hem niet goed hadden begrepen en zijn vrienden vroegen opnieuw: 'Wat hebt u van de Magied geleerd?' Opnieuw wachtte reb Abharon tot het stil was. En opnieuw zei hij: 'Niets.' (65; fragment uit het verhaal Niets) Zonder twijfel De chassidiem van reb Elimelech van Lizhensk vroegen hem eens of hij zeker wist dat hij een plaats kreeg in de komende wereld. 'Absoluut,' antwoordde de rebbe zonder twijfel. 'Waarom, rebbe, bent u daar zo zeker van?' 'Als we in deze wereld sterven, gaan we naar het hemelse gerechtshof in de wereld hierboven. Als we voor de goddelijke rechtbank staan, worden ons bepaalde vragen over de Tora, avoda en mitswos gesteld. Als je deze vragen goed beantwoordt, zul je naar de komende wereld gaan.' 'Weet u welke vragen dat zijn, rebbe?' vroegen de studenten. 'Ja.' 'En weet u ook wat de antwoorden zijn?' 'Ja.' 'Wilt u ze ons vertellen?' 'De vragen zijn voor ieder van ons hetzelfde. Jullie antwoorden moeten jullie eigen antwoorden zijn. Maar ik zal jullie vertellen wat ik zal antwoorden. Ze zullen vragen: "Rebbe, heeft u de Tora zo goed als u kon bestudeerd?" En dan zal ik eerlijk antwoorden: "Nee." Dan zullen ze vragen: "Rebbe, heeft u zichzelf volkomen aan God gegeven in uw aanbidding?" En dan zal ik eerlijk antwoorden: "Nee." Dan zullen ze vragen: "Rebbe, heeft u de mitswos en de goede daden gedaan die u kon doen terwijl u leefde?" En dan zal ik eerlijk antwoorden: "Nee." En dan zullen ze zeggen: "Wat u zegt, is de waarheid en alleen daarom bent u welkom in de komende wereld."' (111) Misschien 'Waar rent u zo snel naartoe?' vroeg de rebbe. 'Wat bedoelt u, rebbe?' zei de man vinnig, terwijl hij geen enkele poging deed zijn ongenoegen over deze vertraging te verbergen. 'Ik moet zorgen dat ik kan leven en ik ren achter mijn levensonderhoud aan. Er liggen kansen op succes voor me en als ik er niet achteraan ren, ontsnappen ze me.' 'En hoe weet u,' vroeg de rebbe, 'dat deze kansen voor u liggen? Misschien rent u er wel voorbij. Of nog erger, misschien liggen ze wel achter u en rent u ervan weg.' (125; fragment uit Levensonderhoud) Met de wereld bidden Bepaalde Chabad-chassidiem hebben de gewoonte om momenten van stille bezinning in hun gebeden in te lassen. Tijdens die momenten richten ze hun gedachten op chassidische inzichten en onderwijzingen die de diepere betekenissen van het gebed dat ze opzeggen verlichten. Op een keer vroeg de Alter rebbe, reb Sjneoer Zalman van Ljadi, auteur van de Tanja en grondlegger van de Chabad, zijn zoon, Dov Ber van Lubavitch, om de chassidische teksten die hij op dat moment in zijn meditaties gebruikte, met hem te delen. 'Ik heb nagedacht over de tekst die zegt: "Voor u zullen zich buigen alle stammen en volken."' Daarna vroeg Dov Ber aan zijn vader: 'En waarmee bidt u?' 'Met de bank en de vloer,' zei de Alter Rebbe. (131) Met een lege geest Baäl Sjem Tov vroeg reb Wolff Kitzis, een van zijn oudere leerlingen, om de Sjofar voor Rosj Hasjana te blazen. Om hem te helpen zijn gedachten er tijdens het blazen bij te houden, stelde Baäl Sjem Tov voor dat reb Wolff de kabbalistische kawanot die de sjofar beschreef, bestudeerde. Reb Wolff legde zich ijverig toe op het bestuderen en maakte aantekeningen die hij mee kon nemen om te lezen voor hij de sjofar zou blazen om ervoor te zorgen dat zijn geest op de juiste weg geleid zou worden. Toen de dag aanbrak dat reb Wolff naar sjoel zou gaan om de sjofar te blazen, zocht hij naar zijn aantekeningen. Maar tevergeefs. Wat erger was: zonder zijn aantekeningen waren zijn gedachten ook leeg. Hij kon zich geen enkele kawana herinneren. En zo kwam het dat reb Wolff voor de gemeenschap ging staan en de sjofar blies met een lege geest en een gebroken hart. Toen de davvenen bijna voorbij was, richtte Baäl Sjem Tov zich tot reb Wolff en riep uit: Jesher koach! Ik heb nog nooit zo'n krachtige roep van de sjofar gehoord!' 'Maar, meester,' zei reb Wolff, 'ik ben ieder woord dat ik bestudeerd heb vergeten en heb de sjofar geblazen zonder kawana behalve de pure nederigheid van iemand die niets weet!' (141; fragment uit De poorten bestormen) Het verkeerde been Reb Chaim van Sanz was kreupel. Hij kon bijna niets met zijn rechterbeen. Maar als hij bad, deed hij dat met zoveel hartstocht dat hij op zijn rechterbeen danste en sprong, helemaal opgaand in de verbondenheid met God. Op een dag bracht hij een bezoek aan de gemeenschap van reb Naftali van Ropshitz en daar naderde hij zo dicht tot God dat hij maar bleef springen, dansen en ronddraaien op dat slechte been. De rebbetsen kwam toevallig langs en zag wat er gebeurde. Ze klaagde erover tegen haar echtgenoot en zei:'Waarom laat je hem zo dansen op dat slechte been? Zeg hem dat hij op zijn goede been moet dansen.' Reb Naftali zei: 'Mijn lieve vrouw, als reb Chaim wist op welk been hij danste, zou ik hem echt gezegd hebben wat jij voorstelt. (149; fragment uit Het betere been) Een krachtige stilte Bij de meeste rebbes aan de tisj vliegen de uren voorbij met verhitte toradiscussies, veel dansen en lechajim drinken. Maar aan de tafel van reb Menachem Mendel van Vorki werd maar weinig gesproken, want de rebbe was een man van stilte. Tijdens een bepaalde tisj was reb Beirish van Biala aanwezig. Reb Beirish verwachtte de woordenwisseling die gebruikelijk was voor de meeste rebbes, maar ging al gauw op in de diepe stilte van deze stille wijsgeer. Uren gingen voorbij zonder dat er een woord gesproken werd. Zelfs de ademhaling van de groep was nauwelijks hoorbaar en alleen het gegons van een vlieg doorbrak de stilte af en toe. Toen ze klaar waren met eten, ging de rebbe de aanwezigen voor in het Birkat Hamazon en daarna ging iedereen naar huis. Bezorgd dat hun geëerde gast zich over de kwaliteit van de tish van hun rebbe ergerde, benaderden een paar chassidiem reb Beirish en vroegn hem wat hij ervan vond. Reb Beirish zei: 'Wat heeft de rebbe een geweldige tish gehouden! Hij heeft me lessen uit de Tora geleerd die ik nog nergens anders gehoord heb! Elk van zijn uitdagingen brak mijn begrip van de Tora helemaal af en bouwde het van de grond af aan weer op. Maar ik heb zijn uitdagingen niet passief ondergaan. Ik heb iedere vraag die hij me stelde beantwoord!' De chassidiem glimlachten en verwelkomden reb Beirish als een van hen. (153) Spelregels Reb Nachum van Stefansti verraste zijn chassidiem in de beet midrasj op een nacht tijdens Chanoeka. Zijn studenten waren niet diep in studie van de Tora verwikkeld, maar hij trof ze aan terwijl ze verdiept waren in een damspel. In verlegenheid gebracht omdat ze een spel deden, maakten de chassidiem aanstalten om de stenen op te bergen, maar de rebbe glimlachte en liet hen aan een nieuw potje beginnen. 'Kennen jullie de regels van dit spel?' vroeg hij hen. Niemand zei iets. 'Goed,' zei de rebbe. 'Dan zal ik ze jullie vertellen. Ten eerste, je moet soms een steen opofferen om er twee te winnen. Ten tweede, je mag maar een stap tegelijk zetten. Ten derde, je mag alleen vooruit en niet terug. En ten vierde, als je de andere kant van het bord bereikt hebt, mag je je overal heen verplaatsen!' Toen keek hij van de een naar de ander en vulde aan: 'En de spelregels van dit spel zijn ook de spelregels van het onze.' (157) Jezelf beroven Reb Jechiël Meïr van Gostynin ging tijdens de heilige week van Sjavoeot bij reb Menachem Mendel van Kotsk studeren. Toen hij terugkwam, vroeg zijn schoonvader: 'Wat heb je in die periode in Kotsk bestudeerd?' 'Omdat het Sjavoeot was,' zei reb Jechiël Meir, 'hebben we de tien geboden bestudeerd.' 'Verbazingwekkend,' plaagde zijn schoonvader hem. 'Omdat het hier thuis ook Sjavoeot was, hebben wij ook de tien geboden bestudeerd. Zijn de geboden anders in Kotsk? Maak je daarom zo'n lange reis om te bestuderen wat we thuis ook bestuderen?' 'Ja, precies!' antwoordde reb Jechiël Meïr. 'De geboden zijn anders in Kotsk.' 'Hoezo dan?' vroeg zijn schoonvader. 'Wat hebt u geleerd van het gebod "U zult niet stelen"?' 'Precies wat er staat: U zult niets van een ander nemen wat niet aan u toebehoort,' antwoordde zijn schoonvader. 'Daarin ligt het verschil,' zei reb Jechiël Meïr. 'Hier hebben jullie geleerd dat "U zult niet stelen" betekent dat je niet van elkaar mag stelen. In Kotsk hebben we geleerd dat we ook niet van onszelf mogen stelen.' (163) De kalkoenenprins Reb Nachman van Breslov vertelde het volgende verhaal. Ér was eens een prins die ziek werd en dacht dat hij een kalkoen was. Hij weigerde kleren te dragen en leefde onder de eetkamertafel en at de kruimels die op de grond vielen. De koning deed een beroep op de beste doktoren, maar niemand had een remedie. Een rondtrekkende wijsgeer hoorde van de kwestie en bood zijn diensten aan. De koning stemde toe en de wijze trok zijn kleren uit en leefde met de prins, aan wie hij zichzelf voorstelde als een medekalkoen, onder de tafel. Na een paar weken vroeg de wijze of hij een gewaad aan mocht. "Wat doe je?" vroeg de kalkoenenprins. "Kalkoenen dragen geen gewaden." "Er bestaat geen wet die zegt dat wij kalkoenen geen gewaden mogen dragen," zei de wijsgeer en hij overhandigde zijn vriend een gewaad. De prins overwoog wat hij zou doen en deed het gewaad toen aan. Een paar dagen later liet de wijze, gekleed in een gewaad, een complete maaltijd onder de tafel opdienen. "Wat doe je nou?" vroeg de kalkoenenprins. "Er is geen enkele reden waarom wij kalkoenen van restjes en kruimeltjes zouden moeten leven terwijl er een volledige maaltijd op ons staat te wachten." De prins genoot samen met de wijze van het feestmaal. Toen een week later het eten werd opgediend, koos de wijze ervoor om aan tafel te eten, zittend op een stoel. Om de vraag van de prins voor te zijn, zei de wijsgeer: "Er is geen wet die het ons kalkoenen verbiedt om aan tafel te zitten. Het is bovendien veel comfortabeler om zo te eten. Kom maar en probeer het zelf." Dat deed de prins en in de loop van de tijd genas hij volledig van zijn ziekte.' (167) Waar ben ik? Reb Chanoch Henich van Alexander vertelde het volgende verhaal: 'Er was eens een man die ontzettend vergeetachtig was. Zijn geheugen was zo slecht dat hij zich 's morgens als hij wakker werd niet meer kon herinneren waar hij de avond ervoor zijn kleren neer had gelegd. Het werd zo erg dat hij de slaap niet kon vatten omdat hij zich zo druk maakte over het vinden van zijn spullen als hij weer wakker zou worden. Op zekere avond kreeg hij echter een geweldig idee. Hij pakte een potlood en een stuk papier en schreef precies op waar hij elk kledingstuk had gelaten. Hij legde zijn aantekeningen op het nachtkastje bij zijn bed en viel snel in slaap, ervan overtuigd dat hij de volgende ochtend alles goed terug zou kunnen vinden. Dat was inderdaad zo. Hij werd wakker, pakte de aantekeningen van zijn nachtkastje en las de kledingstukken een voor een op: "Broek - op rugleuning stoel"; en daar lag hij. Hij trok hem aan. "Overhemd - aan bedstijl"; en daar was het. Hij trok het aan. "Hoed - op bureau"; daar lag hij. Hij zette hem op zijn hoofd. In een paar minuten was de man compleet aangekleed. Maar plotseling werd hij erg bang. "Ja, ja," zei hij hardop. "Hier zijn mijn broek, mijn overhemd en mijn hoed, maar waar ben ik?" Hij zocht en zocht en zocht, maar hij kon zichzelf nergens vinden.' Reb Chanoch Henich wachtte even en zei ten slotte: 'En zo is het ook met ieder van ons.' (187) uit: Chassidische vertellingen, Martin Buber, 1967(titels van Buber tenzij anders vermeld) Bij de boom der kennis Men zegt dat de ziel van de Baalsjemtow eens, toen alle zielen nog verzameld waren in die van Adam, in het uur dat hij bij de boom der kennis stond, vluchtte en niet at van de vrucht van de boom. (79) Kennis De Baalsjem zei: 'Als ik een hoge graad van kennis bereikt heb, weet ik dat geen letter van de leer in mij is en dat ik geen stap in de dienst van God heb gedaan.' Dit woord van de Baalsjem berichtte rabbi Mosje van Kobrin aan een andere tsaddik. Die vroeg hem: 'Er staat toch in de Midrasj: 'kennis hebt gij verworven, wat ontbreekt u dan nog?' De rabbi van Kobrin antwoordde: 'Zo is het naar waarheid. Als je kennis verworven hebt, weet je eerst wat je ontbreekt.' (94) Grenzen van raadgeving De leerlingen van de Baalsjem hoorden over een man praten als over een wijze. Enkele hunner voelden het verlangen opkomen hem op te zoeken en gewaar te worden wat hij leerde. De meester gaf hun toestemming; maar zij vroegen nog meer: 'En waaraan zullen wij merken of hij een echte tsaddik is?' 'Vraag hem eens', antwoordde de Baalsjem, 'hoe jullie het moeten aanpakken dat onheilige gedachten jullie niet meer zullen storen onder het bidden en studeren. Als hij jullie raad geeft, weten jullie dat hij een nietswaardige is. ... (106) De vijftigste poort Een leerling van rabbi Baruch had buiten weten van zijn leermeester onderzoekingen gedaan naar het wezen Gods en was in zijn gedachte steeds verder doorgedrongen, tot hij in een warwinkel van vertwijfelingen raakte, en al wat tot nog toe zo zeker was hem onzeker toescheen. Toen rabbi Baruch bemerkte dat de jongeling niet meer bij hem kwam zoals hij gewend was, reed hij naar diens woonplaats, stapte onverwachts zijn kamer binnen en richtte het woord tot hem: 'Ik weet wat verborgen is in je hart. Je bent door de vijftig poorten der rede gegaan. Men begint met een vraag, en piekert en bepiekert het antwoord en de eerste poort gaat open: naar een nieuwe vraag. En weer doorgrond je ze, vindt haar oplossing en stoot de tweede poort open - om opnieuw een vraag in het oog te krijgen. En zo maar door, dieper en dieper, tot je de vijftigste poort hebt opengestoten. Daar staart de vraag je aan, die geen mens bereikt; want als iemand ze zou kunnen beantwoorden, dan was er geen keuze meer. Maar als je de fout maakt verder naar voren te dringen, stort je in de afgrond.' 'Dus zou ik de weg terug moeten naar het begin?' riep de leerling. 'Je keert niet terug', sprak rabbi Baruch, 'als je omkeert; dan sta je aan de andere kant van de laatste poort, en daar sta je in 't geloof.' (129) Alles is een wonder Men vroeg rabbi Baruch: 'Waarom wordt God in de hymne 'Schepper der geneesmiddelen, Geduchte der lofprijzingen, Heer der wonderen' genoemd? Komt het dan de geneesmiddelen toe naast de wonderen, ja zelfs nog daarvoor te staan?' Hij antwoordde: 'God wil niet geprezen worden als de Heer van bovennatuurlijke wonderen. Daarom is hier door de geneesmiddelen de natuur erbij gehaald en op de eerste plaats gezet. Maar in werkelijkheid is alles een wonder.' (130) Mooi spreken Een geleerde man, die eens sabbatsgast was aan rabbi Baruchs tafel, zei tegen hem: 'Laat ons nu eens wat over de leer horen, rabbi, u spreekt zo mooi!' 'Voordat ik mooi spreek', antwoordde de kleinzoon van de Baalsjem, 'moge ik stom worden!' (131) Onderwijs zeggen en zijn Rabbi Loeb, zoon van Sara, de verborgen tsaddik, die de wereld rondging langs de loop der wateren om de zielen van levenden en doden te verlossen, verhaalde: 'Dat ik de maggid opzocht, was niet om onderwijs van hem te horen: maar om te zien, hoe hij de veters van zijn vilten schoenen los- en vastmaakt.' (142) Hoe men een geestelijk mens wordt ... 'Je weet toch', antwoordde de maggid hem, 'wat onze wijzen zeggen: wie wijs wil worden, trekke naar het zuiden, wie rijk worden wil, noordwaarts. Wat moet nu degene doen die het alle twee wil?' De man wist niet wat hij moest antwoorden. De maggid ging door: 'Wie zichzelf niets acht en zich tot niets maakt, wordt geestelijk en een geestelijk mens neemt geen ruimte in, die kan tegelijk in het noorden en in het zuiden zijn.' ... (144) Dromen Rabbi Pinchas zei: 'Dromen zijn een afscheiding van het verstand, en het verstand loutert zich erdoor. Alle wijsheden der wereld echter zijn afscheidingen der Leer en de Leer loutert zich daardoor. Daarom zegt de psalm: 'Als de Heer laat terugkeren de wederkerenden naar Zion, zullen we zijn als degenen die dromen. Want dan zal openbaar worden dat alle wijsheden slechts gediend hebben voor het louteren van de Leer en alle ballingschap slechts daartoe dat het verstand van Israël zich louterde en alles was als een droom.' (168) Behoefte Aanvankelijk leefde rabbi Jechiel Michael in grote armoede; toch verliet hem de vreugde geen enkel uur. Eens vroeg iemand hem: Rabbi, hoe bidt gij ne elke dag: 'Gezegend is Hij Die mij alles doet toekomen wat ik behoef?' Want u mist toch alles wat een mens nodig heeft. Hij antwoordde: 'Vast en zeker is wat ik behoef juist armoede en die wordt mij rijkelijk geschonken.' (171) Helemaal niets Rabbi Ahron kreeg de vraag wat hij bij zijn meester, de grote maggid, had geleerd. 'Helemaal niets', zei hij. En toen men bleef aandringen op nadere uitleg, voegde hij er nog bij: 'Het helemaal niets heb ik er geleerd. De betekenis van het helemaal niets heb ik er geleerd. Ik heb geleerd dat ik helemaal niets ben en dat ik er toch ben.' (226) Kennen De rabbi van Berditsjew en zijn leerling Ahron waren eens op reis en onderweg de gasten van de grote rabbi Elimelech in Lizensk. Toen de rabbi van Berditsjew verder reed, bleef zijn leerling in Lizensk, ging in de 'kluis' zitten, het bede- en leerhuis van rabbi Elimelech en studeerde daar, zonder hem daar iets van gezegd te hebben. Toen de tsaddik daar 's avonds naartoe kwam, merkte hij hem pas op. 'Waarom ben je niet met je rabbi vertrokken?' vroeg hij. 'Mijn rabbi', antwoordde Ahron, 'ken ik al en dus ben ik maar hier gebleven om ook u te leren kennen.' Rabbi Elimelech kwam vlak bij hem staan en pakte hem aan zijn jas. 'Je rabbi denk je te kennen!' riep hij, 'je kent zijn jas nog niet eens!' (256) Het eerste blad Rabbi Levi Jitzchak kreeg de vraag: 'Waarom ontbreekt in alle tractaten van de babylonische Talmoed het eerste blad en begint elk met het tweede?' Hij antwoordde: 'Al heeft een mens nog zoveel geleerd, hij moet zich toch altijd voor ogen blijven houden, dat hij nog niet aan het eerste blad toegekomen is'. (256) De verborgen leer Rabbi Levi Jitzchak zei: 'Er staat in Jesaja: 'Een leer zal van mij uitgaan.' Hoe moet dat worden verstaan? Wij geloven toch in volmaakt geloof dat de Thora die Mozes op de Sinaï ontving, niet verruild kan worden en dat geen andere ooit werd gegeven; onveranderlijk is ze en het is ons verboden ook maar een van haar letters aan te tasten? Maar in waarheid zijn niet alleen de zwarte letters, maar ook de witte tussenruimten tekenen van de leer, alleen kunnen wij ze niet lezen zoals de letters. In de komende tijd zal God de witte verborgenheid van de Thora openbaren. (257) Het lijden Toen rabbi Smjelke en zijn broer bij de maggid van Mezritz waren gekomen, brachten zij dit naar voren: 'Onze wijzen hebben een woord gesproken dat ons niet met rust laat, omdat wij het niet begrijpen kunnen. Dat is het woord dat de mens God voor het kwaad evenzeer lofprijzend moet danken als voor het goede en het met dezelfde blijdschap moet ontvangen. Geef ons raad, rabbi, hoe we dit moeten opvatten.' De maggid antwoordde: 'Ga naar het leerhuis, daar zullen jullie Sussja vinden die daar zijn pijpje rookt. Hij zal jullie de uitleg zeggen.' Ze gingen het leerhuis binnen en legden rabbi Sussja hun vraag voor. Hij lachte: 'Daar hebben jullie wel de goeie voor uitgezocht! Jullie zult je tot een ander moeten wenden, en niet tot iemand zoals ik, die zijn leven lang geen kwaad overkwam.' ... (261) Over Adam Sussja vroeg eens aan zijn broer, de wijze rabbi Elimelech: 'Broedertjelief, er staat toch in de heilige boeken geschreven, dat de zielen van alle mensen in Adam waren besloten. Dan waren wij er ook bij, toen hij van de appel at. Ik kan het niet begrijpen, dat ik hem heb laten eten - dat jij hem hebt laten eten.' Elimelech antwoordde: 'Wij moesten, zoals ze allemaal moesten. Want als hij niet gegeten had, zou het gif van de slang eeuwig in hem gebleven zijn en zou hij eeuwig gedacht hebben: Ik hoef alleen maar van deze boom te eten en dat word ik als God - ik hoef alleen maar van deze boom te eten, dan word ik als God.' (266) Van het grote enthousiasme Sjneur Zalman besloot na de dood van de maggid de stad Mezritz definitief te verlaten. Toen hij door de zoon van de maggid, rabbi Abraham de Engel, die hem in de gehime wijsheid had onderricht, afscheid nam, zei deze dat hij hem begeleiden wilde en ging bij hem in de wagen zitten. Buiten de stadspoort riep rabbi Abraham de voerman toe: 'Drijf de paarden aan en laat ze lopen tot ze vergeten dat ze paarden zijn.' Zalman nam die woorden ter harte. 'Tot ik deze manier van dienen goed geleerd heb, zal nog geruime tijd voorbijgaan', zei hij en hij bleef nog een jaar in Mezritz. (288) Vraag en antwoord De raw sprak een leerling, die net bij hem binnenkwam, zo aan: 'Mosje, wat is dat, God?' De leerling zweeg. De raw vroeg het voor de tweede en de derde keer. 'Waarom zwijg je?' 'Omdat ik het niet weet.' 'Weet ik het dan wel?' sprak de raw. 'Maar ik moet zeggen; want zo is het dat ik het zeggen moet: Hij is er duidelijk en buiten Hem is niets er duidelijk, en dat is Hij.' (289) Inzicht Men zegt dat rabbi Israël in zijn jeugd achthonderd boeken over de Kabbala doorvorste. Maar toen hij voor het eerst voor het aangezicht van de maggid van Mezritz trad, zag hij in een oogwenk dat hij niets wist. (306) Danken voor het kwaad Een chassid vroeg de Lubliner: 'De tekst uit de Misjna: 'De mens moet God voor het kwade lofprijzend danken', vult de Gemara aan: 'met vreugde en een vrolijk hart'. 'Hoe kan dat nu?' De tsaddik hoorde dat de vraag kwam uit een hart vol verdriet. 'Jij', antwoordde hij, 'begrijpt de Gemara niet en ik begrijp de Misjna zelf niet. Want is er dan werkelijk kwaad in de wereld?' (333) De weg des levens Rabbi Mosje Leib sprak: 'De weg door deze wereld is als een messnede. Aan de ene kant is de onderwereld en aan de andere kant is de onderwereld, en de weg des levens loopt daar tussendoor.' (373) De plaats van het vuur Rabbi Mosje Leib sprak: 'Vuur zoek je? Je vindt het in de as.' (373) De toekomst weten Er wordt verteld: Als de jonge Hesjel over het veld liep, hoorde hij uit het ruisen der gewassen de toekomstige dingen en als hij door de straten liep, hoorde hij uit de stappen van de mensen de toekomstige dingen; maar als hij zijn toevlucht zocht in de stilte van zijn eigen kamertje, zeiden de ledematen van zijn eigen lichaam hem de toekomstige dingen. Toen werd het hem bang te moede om de keuze van de Weg, of hij die wel werkelijk kon volbrengen als hij wist waarheen zijn schreden hem droegen. Dus schepte hij moed en bad dat het van hem af mocht worden genomen. En de barmhartige God willigde zijn verzoek in. (384) In de voetsporen van zijn vader Toen rabbi Noach van Lechiwitz, de zoon van rabbi Mordechai, de opvolger geworden was van zijn vader, bemerkten zijn leerlingen, dat hij zich in allerlei anders gedroeg en vroegen hem daarnaar. 'Ik doe het', zei hij, 'precies als mijn vader. Die deed niets na en ik doe niets na.' (427) Het gewichtigste Spoedig na de dood van rabbi Mosje van Kobrin werd aan een van zijn leerlingen door de 'oude van Kotzk', rabbi Mendel, gevraagd: 'Wat was voor uw meester het gewichtigste?' Hij dacht even na en gaf dan antwoord: 'Waarmee hij op dat moment bezig was.' (442) Tegen de kwezels Toen de rabbi van Magelnitz eens op het poerimfeest de rol van het boek Esther voorlas, stond daar een jongmens bij, die na de voorlezing zei: 'Ik ben bang dat ik niet precies genoeg heb geluisterd en in het stil meespreken het een of ander woord heb overgeslagen.' 'Daar heb je nu', zei de rabbi later tegen zijn getrouwen, 'een echte kwezel. Zo iemand is het om niets anders te doen dan om de geboden plicht na te komen. Maar wiens ziel erop gericht is de wil Gods in dat gebod te vervullen, en geheel en al aan de wil Gods verbonden is, die kan het wel overkomen dat hij iets mist van het gebodene, maar raakt hem niet. Want er staat geschreven: 'In de liefde voor haar zult ge voortdurend ronddolen.' (447) Geen tegenstellingen De rabbi van Magelnitz sprak: 'Het is bekend dat de schijnbaar tegenstrijdige uitspraken van onze wijzen, enerzijds zowel als anderzijds, 'Woorden van de levende God' zijn. Ieder van hen besliste overeenkomstig zijn eigen verworteling in de hemel en daarboven zijn alle woorden waarheid, want daarboven is er geen tegenstrijdigheid en alle tegenstellingen, zoals verbod en toestemming, strafbaarheid en straffeloosheid zijn daar één enige eenheid. Pas in hun uitbreiding naar beneden ontstaat de scheiding tussen wat verboden en geoorloofd is.' (447) De persoonsverwisseling Rabbi Jitzchak van Worki vertelde: 'Toen ik eens met mijn heilige meester, rabbi David van Lelow, onderweg was, en wij in een verre stad verbleven, viel plotseling op straat een vrouw op hem aan en sloeg op hem in. Ze meende in hem haar man te herkennen, die haar vele jaren eerder had verlaten. Toen na enkele ogenblikken reeds het misverstand werd opgehelderd, brak ze helemaal overstuur in tranen uit. 'Wees kalm,' zei rabbi David tegen haar, 'je hebt immers niet mij, maar je man geslagen.' En hij voegde er wat zachter aan toe: 'Hoe dikwijls slaat men op iemand los, omdat men hem voor een ander houdt dan hij is.' (453) De ware wijsheid De rabbi van Zans stond eens aan het raam en keek op straat. Toen hij een man voorbij zag gaan, klopte hij tegen de ruit en beduidde hem binnen te komen. Zodra die in de kamer was, vroeg rabbi Chajim hem: 'Zeg eens, als jij een beurs vol dukaten vond, zou je hem dan aan de rechtmatige bezitter teruggeven?' 'Rabbi,' antwoordde de man, 'zonder uitstel zou ik, als ik de eigenaar kende, hem het gevondene geven.' 'Je bent een dwaas', zei de man van Zans. Weer ging hij aan het raam staan, riep een andere voorbijganger naderbij en legde hem dezelfde vraag voor. 'Ik ben toch geen dwaas,' antwoordde die, 'dat ik een geldbeurs, die mij in handen gevallen is, weer weggeef.' 'Een booswicht ben je', zei de rabbi van Zans en liet een derde binnenkomen. Die gaf ten antwoord: 'Rabbi, hoe kan ik weten op welke trap ik me dan bevinden zal? Of het mij gelukken zal over de boze aandrift te zegevieren? Misschien overmant hij mij en eigen ik mij het vreemde goed toe; maar misschien ook staat God, gezegend zij Hij, mij bij tegen hem en geef ik het gevondene terug aan de rechtmatige bezitter.' 'Hoe voornaam zijn je woorden!' riep de tsaddik, 'jij bent de ware wijze'. (477) Op zoek naar de weg In de maand Elul, als de mensen hun zielen voor de dagen des gerichts voorbereiden, placht rabbi Chajim verhalen te vertellen met een melodie die alle toehoorders tot bekering bewoog. Zo vertelde hij: Eens verdwaalde iemand diep in het bos. Na een tijdje verdwaalde nog iemand en trof de ander aan. Zonder te weten wat die had beleefd, vroeg hij hem langs welke weg men eruit kon komen. 'Die weet ik niet', antwoordde de eerste, 'maar ik kan je de wegen wijzen die nog dieper het struikgewas ingaan en laten we dan gemeenschappelijk naar de weg zoeken.' 'Gemeente,' zo besloot de rabbi zijn vertelling, 'laat ons gemeenschappelijk naar de weg zoeken.' (478) Geven en nemen Rabbi Jitzchak Eisik sprak: 'Het parool des levens is: 'Geven en nemen'. Ieder mens moet een weldoener zo goed als een ontvanger zijn. Wie niet alle twee tegelijk is, die is een onvruchtbare boom.' (485) De weg naar volmaaktheid Eens kreeg de 'Jehudi' het verzoek de dertienjarige Chanoch, de latere rabbi van Alexander, in de Gemara te examineren. De jongen moest een uur nadenken over de hem opgegeven plaats, eer hij die kon verklaren. Daarna legde de tsaddik zijn hand tegen Chanochs wang en zei: 'Toen ik dertien was, ontvouwden zich moeilijker plaatsen dan deze in een oogwenk en toen ik achttien was, gold ik als een 'grote in de Thora'. Maar het kwam in mij op, dat een mens alleen met leren niet tot volmaaktheid kan komen. Ik begreep wat van onze vader Abraham verteld is: hoe hij zon, maan en sterren onderzocht en nergens God vond en hoe zich in het niet-vinden Gods tegenwoordigheid openbaarde. Met dit inzicht liep ik drie maanden rond. Dan zocht ik net zo lang, tot ik tot de waarheid van het niet-vinden kwam.' (488) Leermeester en leerling Rabbi Chanoch vertelde: Een heel jaar verlangde ik ernaar naar mijn meester rabbi Bunam te gaan om eens met hem te praten. Maar iedere keer als ik het huis binnenging, voelde ik mij niet mans genoeg. Tenslotte voelde ik toen ik huilend buiten liep, dat ik direct naar de rabbi moest gaan. Hij vroeg: 'Waarom huil je?' 'Ja, ziet u, ik ben toch een schepsel op de wereld,' zei ik, 'en ik ben met al mijn leden en zintuigen geschapen en ik weet niet waartoe ik geschapen ben en waarvoor ik goed ben in de wereld.!' 'Och mijn dwaasje,' zei hij, 'daar loop ik ook mee rond. Je moet vanavond maar eens bij mij eten.' (510) Blaas Toen rabbi Bunam eens in zijn bedehuis een man de eervolle opdracht gaf de sjofar te blazen, ving die aan wijdlopige voorbereidingen te treffen om zijn ziel op de juiste wijze in te stellen op de intentie der tonen. 'Dwaas', riep de tsaddik, 'blaas!' (511) De dwaas en de verstandige Rabbi Bunam sprak eens: 'Als ik knappe schriftverklaringen zou willen geven, zou ik heel wat naar voren kunnen brengen. Maar de dwaas zegt wat hij weet, terwijl de verstandige weet wat hij zegt.' (514) De verborgenheid Rabbi Bunam zei: 'Voor het komen van de Messias zal de verborgenheid zo groot zijn, dat ook de tsaddikim die in witte gewaden rondlopen, niet weten zullen waar en wanneer, en zelfs zij verward en wankel zullen worden in hun geloof aan de Messias.' Een andere maal sprak hij: 'Voor het komen van de Messias zal de zomer zonder hitte zijn en de winter zonder kou, geleerden zonder leer en chassidim zonder chassidut.' (523) Het boed Adam Eens zei rabbi Bunam: 'Ik was voornemens een boek te schrijven, dat zou een riem papier omvatten en 'Adam' heten en daarin zou de hele mens beschreven staan. Maar toen heb ik me bedacht, dat het beter was dit boek niet te schrijven.' (523) De firmamenten Een tsaddik die tegen de rabbi van Kotzk was, liet hem eens zeggen: 'Ik ben zo groot, ik reik tot aan het zevende firmament.' Hij liet hem antwoorden: 'Ik ben zo klein, alle zeven firmamenten liggen bovenop me.' (531) Waartoe is de mens geschapen? Rabbi Mendel van Kotzk vroeg eens aan zijn leerling, rabbi Jaakob van Radzimin: 'Jaakob, waartoe is de mens geschapen?' Hij antwoordde: 'Opdat hij zijn ziel ter vervolmaking voere.' 'Jaakob,' zei de tsaddik: 'hebben wij het zo bij onze meester Bunam geleerd?! Waarlijk, de mens is geschapen om de hemel op te heffen.' (534) Wat kan jou dat schelen? Een chassid kwam bij de rabbi van Kotzk: 'Rabbi,' klaagde hij, 'ik moet maar piekeren en piekeren en het laat mij niet los!' 'Wat is het dan', vroeg de rabbi, 'waarover je moet piekeren?' 'Ik moet piekeren: Is er nu werkelijk een gericht en een rechter?' 'Wat kan jou dat schelen?' 'Rabbi! Als er geen gericht en geen rechter is, wat heeft dan de hele schepping voor nut!' 'Wat kan jou dat schelen?' 'Rabbi! Als er geen gericht is en geen rechter, wat hebben dan de woorden van de Thora voor nut!' 'Wat kan jou dat schelen!' 'Rabbi, rabbi! Wat dat mij schelen kan?! Hoe kunt u dat nu zeggen! Wat moet mij dan kunnen schelen?' 'Als dat jou dan zoveel kan schelen', zei de man van Kotzk, 'dan ben je immers een goede Jood - en een goede Jood mag piekeren: hem kan niets gebeuren.' (538) Wederkerigheid Men zei eens tegen rabbi Mendel van een zeker mens, dat hij groter was dan een ander die men eveneens bij naam noemde. Rabbi Mendel antwoordde: 'Als ik ik ben, omdat ik ik ben en jij jij bent, omdat jij jij bent, dan ben ik ik en dan ben jij jij. Maar als ik daarentegen ik ben, omdat jij jij bent en jij jij bent, omdat ik ik ben, dan ben ik ik niet en jij jij niet.' (540; oorspronkelijke titel: Niet de een aan de ander afmeten) Afgodendienst De man van Kotzk sprak: 'Als een mens een gezicht maakt voor een gezicht dat geen gezicht is, dat is afgodendienst.' (541) De hoofdprijs Rabbi Jechiel Meïr, de latere rabbi van Gostynin, kwam bij zijn meester, de rabbi van Kotzk, en berichtte hem met een vrolijk gezicht (want hij was tot dan een arme man geweest) dat hij de hoofdprijs in een loterij had gewonnen. 'Dat is mijn schuld niet', zei de tsaddik. Rabbi Jechiel reed naar huis en verdeelde het geld onder vrienden die gebrek leden. (543) Sterven en leven Bij het Psalmvers: 'Ik zal niet sterven maar leven', sprak rabbi Jitzchak: Eerst moet de mens zich overgeven in de dood om waarachtig te kunnen leven. Maar wanneer hij het doet, bemerkt hij dat hij niet sterven moet, maar leven. (549) Geen spreuk en geen woorden Enige tijd na de dood van rabbi Jitzchak, toen elk van zijn beide zonen reeds een eigen gemeente had, troffen zij elkander eens op een derde plaats, en men richtte daar een feestmaal aan te hunner eer. Bij het maal hield rabbi David een uitvoerige leerrede, maar rabbi Mendel zweeg. 'Waarom spreek je ook geen woorden der leer?' vroeg zijn broer hem. 'Er staat in de psalm,' antwoordde hij: 'Er is geen spraak en er zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen - maar over de ganse aarde gaat hun vloed.' ... (557) De kunst van het zwijgen Toen hij in Kotzk was, vroeg de rabbi van Kotzk: 'Waar heb jij de kunst van het zwijgen geleerd'. Toen hij op het punt was antwoord te geven, bedacht hij zich en oefende zijn kunst uit. (558) De eerlijke slaap Toen eens op oudejaarsavond een van wijd en zijd gekomen menigte in het leerhuis van Worki bijeen was, sommigen aan tafel zittend en studerend en anderen, diegenen die geen onderkomen hadden gevonden, rustend met hun rugzakken op de grond, want vel waren te voet hier naartoe gekomen, kwam rabbi Mendel binnen zonder dat het door het lawaai wat de studerenden maakten, werd opgemerkt. Hij keek eerst eens naar die en dan naar degenen die op de grond lagen. 'Uw slaap', zei hij, 'bevalt mij beter dan uw studie.' (559) De ontevredene Toen rabbi Jitzchak Meïr in zijn jeugd onder de leerlingen van rabbi Mosje van Kosnitz, de zoon van de maggid van Kosnitz, vertoefde, gebeurde het dat de meester hem, omdat hij hem bij de oplossing van een moeilijke vraag op een verrassend doeltreffende wijze geholpen had, op het voorhoofd kuste. 'Ik heb een rabbi nodig', zei Jitzchak Meïr, 'die mij het vlees van de botten scheurt en niet een die mij kust.' Spoedig daarna verliet hij Kosnitz. (560) Het gevaar Op een reis reed de man van Ger met een van zijn vertrouwden een steile berg af. Geschrokken zetten de paarden zich in galop en waren niet te houden. De chassid keek de wagen uit en huiverde; toen hij echter de tsaddik aankeek, was diens gezicht even bedaard als altijd. 'Hoe bestaat het', vroeg hij, 'dat u niet onder de indruk van het gevaar raakt?' 'Wie het echte gevaar in ieder ogenblik bespeurt', antwoordde de tsaddik, 'die wordt door geen ogenblikkelijk gevaar meer verschrikt.' (561) uit de Encyclopedie van de mystiek en de mysteriegodsdienstenUit de Encyclopedie van de mystiek en de mysteriegodsdiensten, John Ferguson, vertaald en bewerkt door Simon Vinkenoog, 1979:Maar wij kunnen het verhaal vertellen Als de Baäl Sjem Tov met een moeilijke taak geconfronteerd werd, ging hij naar een bepaalde plek in het bos om er een vuur aan te steken, in gebed te mediteren en zijn probleem was opgelost. Een generatie later ging de maggid van Mesentz naar dezelfde plek in het woud, om te zeggen: "Wij kunnen niet langer het vuur aansteken, maar wij kunnen het gebed bidden", om daarin zijn oplossing te vinden. Nog een generatie later zei rabbi Mosje Leib van Sassof: "Wij kunnen het vuur niet aansteken; wij kennen de geheime meditaties niet; maar wij kunnen naar die plek in het woud gaan", en daarheen gaande vond hij zijn oplossing. Weer een generatie later was het rabbi Israël van Risjin die zijn stoel niet verliet, en zei: "Wij kunnen het vuur niet aansteken; wij kunnen de gebeden niet zeggen; wij kennen de plek niet, maar wij kunnen het verhaal vertellen." (54) |

