(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Byron Katie 2



Verlichting voor dummy'sDe bekende weg > Byron Katie 2

Deze pagina: Dwaalteksten over het Werk van Byron Katie, tweede reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Zie ook mijn pagina's Byron Katie en Citaten van Byron Katie.





Helder

Leerling: Als mijn denken helder is dan is mijn leven dat ook.
Meester: Als mijn denken helder is dan niets.
Leerling: En als mijn denken troebel is?
Meester: Dan van alles en nog wat.
Leerling: Wat dan?
Meester: Wat niet?
Leerling: Dus helder denken leidt niet tot helder leven?
Meester: Helder denken leidt tot niets.
Leerling: Kunt u...
Meester: Wie?
Leerling: Aan mij uitleggen...
Meester: Aan wíe?
Leerling: Waarom helder denken...
Meester: Waarom wát?
Leerling: Niet tot helder leven leidt?
Meester: Tot wát?
De leerling verzinkt in gedachten.
Na een eeuwigheid zegt hij: Helder.


Willen wat er is

Leerling: Als ik helemaal helder ben, wil ik wat er is.
Meester: Of je nou helder bent of niet, willen is wat er is.
Leerling: Maar de vraag is: welk willen?
Meester: Willen wat er is, willen wat er niet is, niet willen wat er is en niet willen wat er niet is.
Leerling: Ik wou dat er alleen maar willen wat er is was.
Meester: Een typisch voorbeeld van willen wat er niet is.
Leerling: Ik wil niet willen wat er niet is.
Meester: Een typisch voorbeeld van niet willen wat er wel is.
Leerling: Stel dat ik voortaan alleen nog maar wil wat er is?
Meester: Dan zul je nog steeds willen wat er niet is en niet willen wat er wel is.
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Dat is nou eenmaal wat er is.


Bereid

Leerling: Ik wil wat er is.
Meester: Hoe merk je dat?
Leerling: Ik ben overal toe bereid. Ik zie overal naar uit.
Meester: O?
Leerling: Vooral naar het allerergste.
Meester: Toe maar!
De leerling straalt.
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat iedere tegenslag een uitnodiging is om aan het Werk te gaan, en omdat het Werk uiteindelijk tot Zelfrealisatie leidt.
Meester: Waarom zie je vooral uit naar het allerergste?
Leerling: Hoe groter de tegenslag, hoe effectiever het Werk.
Meester: Geef eens een voorbeeld van wat voor jou het allerergste zou zijn.
Leerling: Even denken...
Meester: "Ik ben bereid..."
Leerling: Ik ben bereid failliet te gaan. Ik ben bereid uitgescholden te worden. Ik ben bereid in elkaar geslagen te worden. Ik ben bereid van mijn lief te scheiden. Ik ben bereid...
Meester: Ergens niet toe bereid te zijn?
Leerling: Nou...
De meester steekt zijn hand op en zegt: "Ik zie ernaar uit..."
Leerling: Ik zie ernaar uit opnieuw prostaatkanker te krijgen. Ik zie ernaar uit mijn kinderen te verliezen bij een uitslaande brand. Ik zie ernaar uit...
Meester: Ergens niet naar uit te zien?
Leerling: Probeert u mij voor schut te zetten?
Meester: Waarom geef je geen antwoord?
Leerling: Geef eerst zelf maar eens antwoord.
Meester: Waarop?
Leerling: Op de vraag of u mij voor schut probeert te zetten.
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Waar bent u dan mee bezig?
Meester: Ik stel alleen maar vragen.
De leerling geeft geen sjoege.
Meester: Maar of jij ook bereid bent antwoord te geven?
De leerling kijkt de meester woedend aan.
Meester: Ik ben bereid het hierbij te laten.
Hij staat op en loopt zachtjes neuriënd de tuin in.


Een zware tegenslag

Leerling: Ik hou van tegenslag.
Meester: Waarom?
Leerling: Iedere tegenslag is een uitnodiging om het Werk te doen.
Meester: Is dat waar?
Leerling: Nou en of.
Meester: Kun je dat absoluut zeker weten?
Leerling: Niet absoluut zeker.
Meester: Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn?
Leerling: Heerlijk!
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat alles dan ergens goed voor is.
Meester: Kun je een neutrale of stressvolle reden vinden om aan die gedachte vast te houden?
Leerling: Niet één.
Meester: Wie zou je zijn zonder die gedachte?
Leerling: Ik zou het veel moeilijker vinden om met tegenslag om te gaan.
Meester: Dat zou nog eens een tegenslag zijn.
Leerling: Een grotere is nauwelijks denkbaar.
Meester: Des te beter, zou ik zeggen.
Leerling: Waarom?
Meester: Je houdt toch zo van tegenslag?


Liefhebber

Leerling: Ik ben een liefhebber van de realiteit. Ik wil wat er is.
Meester: Waarom doe je dan het Werk?
Leerling: Om een einde te maken aan mijn lijden.
Meester: Ben je daar dan geen liefhebber van?


Monnikenwerk

Leerling: Lijden is goed want het zet me aan het Werk.
Meester: En het Werk?
Leerling: Het Werk is goed want het maakt een einde aan mijn lijden.
Meester: Nou breekt mijn klomp.
Leerling: Hoezo?
Meester: Lijden is goed want het leidt zijn eigen einde in?
Leerling: Wat is daar mis mee?
Meester: Pijn is goed want dan neem je een aspirientje?
De leerling zegt niets.
Meester: Brand is goed want dan komt de brandweer?
De leerling begint te blozen.
Meester: Oorlog is goed want dan kunnen we vluchten?
Leerling: Ik zeg alleen maar wat Katie zegt.
Meester: Katie is goed want ze houdt me aan het Werk?


Waarom niet?

Leerling: Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?
Meester: Als je niets meer weet, waarom niet?


De grondslag

Leerling: Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?
Meester: Je veronderstelt dat weten de grondslag van willen is.
Leerling: Wilt soms u zeggen van niet?
Meester: Ik zou het echt niet weten.


Als je niets meer weet

Leerling: Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?
Meester: Vraag dat maar aan iemand die niets meer weet.
Leerling: Maar zo iemand bent u toch?
Meester: Als ik zo iemand was dan kon ik dat niet weten.
Leerling: En als u het nou toch wist?
Meester: Dan was ik niet zo iemand.


Niet nodig

Leerling: Hoe weet ik dat ik wat ik wil, niet nodig heb?
Meester: Nou?
Leerling: Ik heb het niet!
Meester: Hoe weet ik of ik wat ik wil, niet nodig heb?
Leerling: Nou?
Meester: Ik weet het niet!


Nodig

Leerling: Hoe weet ik dat ik wat ik niet wil, nodig heb?
Meester: Nou?
Leerling: Ik heb het!
Meester: Hoe weet ik of ik wat ik niet wil, nodig heb?
Leerling: Nou?
Meester: Ik weet het niet!


Ja

Leerling: Ik zeg altijd ja tegen de realiteit.
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Ik wil alleen maar wat er is.
Meester: Willen wat er niet is, en niet willen wat er wel is, hoe is het daarmee gesteld?
Leerling: Daar zeg ik altijd nee tegen.
Meester: Waarom?
Leerling: Dat is niet de realiteit.
Meester: Waarom zeg je er dan nee tegen?


Ja en nee

Leerling: Ik zeg altijd ja.
Meester: Heb je weleens hoofdpijn?
Leerling: Ja.
Meester: Neem je weleens een pijnstiller tegen hoofdpijn?
Leerling: Ja.
Meester: Nou dan?
Leerling: Ik zei toch twee keer ja?
Meester: Ja zeggen tegen hoofdpijn is nee zeggen tegen een pijnstiller. Ja zeggen tegen een pijnstiller is nee zeggen tegen hoofdpijn.
Leerling: Dus ja zeggen tegen het ene is nee zeggen tegen het andere?
Meester: Ja.
Leerling: En daar is niets aan te doen?
Meester: Nee.


Ja of nee

Leerling: Ik zeg altijd ja tegen de realiteit.
Meester: Waar zeg je dan nee tegen?
Leerling: Mijn gedachten over de realiteit.
Meester: Geef eens een voorbeeld van zo'n gedachte.
Leerling: "Mensen mogen niet liegen."
Meester: Daar zeg je nee tegen?
Leerling: Ja, want mensen liegen.
Meester: "Mensen liegen" is de realiteit en "mensen mogen niet liegen" is een gedachte?
De leerling knikt.
Meester: Hoe weet je dat "mensen liegen" de realiteit is?
Leerling: In plaats van?
Meester: Een gedachte.
De leerling zwijgt.
Meester: Wat is "realiteit"?
Leerling: Een concept.
Meester: En "mensen"?
Leerling: Een concept.
Meester: En "liegen"?
Leerling: Een concept.
Meester: '"Mensen liegen" is de realiteit.' Is dat waar?
De leerling zegt niets.
Meester: Dus waar zeg je nou eigenlijk ja tegen?
De leerling kijkt hoofdschuddend uit het raam.
Meester: Wat is "gedachte"?
Leerling, mompelend : Een concept.
Meester: '"Mensen mogen niet liegen" is een gedachte.' Is dat waar?
De leerling zwijgt.
Meester: Dus waar zeg je nou eigenlijk nee tegen?


De realiteit

Leerling: Als ik beweer dat mensen niet moeten liegen, wend ik mij af van de realiteit.
Meester: Van welke realiteit?
Leerling: Van de realiteit dat mensen nou eenmaal liegen.

Meester: Als je op straat je rug recht omdat je bedreigt wordt, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want je doet je groter voor dan je bent. Ik bedoel, nee, want je probeert er alleen maar zonder kleerscheuren vanaf te komen.

Meester: Als je make-up gebruikt, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want je doet je mooier voor dan je bent. Ik bedoel, nee, je verwijt een schilder toch ook niet het gebruik van verf?

Meester: Als iemand je in het voorbijgaan vraagt hoe het gaat, en je zegt "goed" terwijl het niet goed met je gaat, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want je draait eromheen. Ik bedoel, nee, want het is geen echte vraag.

Meester: Als je Sinterklaas viert met je kinderen, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want Sinterklaas bestaat niet. Ik bedoel, nee, want het is gewoon een traditie.

Meester: Als je iemand eeuwig trouw beloofd en een paar jaar later een echtscheiding aanvraagt, heb je dan gelogen?
Leerling: Ja, want je hebt je belofte gebroken. Ik bedoel, nee, niet als je het destijds meende.

Meester: Als je voor de kerk trouwt omdat je partner godsdienstig is terwijl jij dat niet bent, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want je doet alsof. Ik bedoel, nee, zo betuig je je liefde.

Meester: Als je bidt en je hebt je aandacht er niet bij, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want je bidt alleen maar voor de vorm. Ik bedoel, nee, dat kan de beste overkomen.

Meester: Als je je keppeltje afdoet wanneer je een moslimwijk binnengaat of je hoofddoekje bij het betreden van een synagoge, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want je verloochent je geloof. Ik bedoel, nee, zo voorkom je problemen.

Meester: Als je aardig doet bij de groenteboer terwijl je hem helemaal niet mag, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want je draait hem een rad voor ogen. Ik bedoel, nee, je wilt toch gewoon goede waar?

Meester: Als je zegt dat mensen niet moeten liegen terwijl je vaak geen onderscheid weet te maken tussen waarheid en leugen, is dat dan liegen?
Leerling: Ja, want het is een vereenvoudigde voorstelling van zaken. Ik bedoel, nee, niet zolang je het nog niet beseft.

Meester: Hoe denk je nu over de realiteit dat mensen nou eenmaal liegen?
Leerling: Dat is niet de realiteit. Maar wat is dan de realiteit?
Meester: Dat is dan de realiteit.


Dol

Leerling: Mensen liegen, dat is de realiteit.
Meester: Wat is liegen?
Leerling: Niet de waarheid spreken.
Meester: Wat is waarheid?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: De waarheid bestaat, is dat waar?
De leerling zegt niets.
Meester: Kun je dat absoluut weten?
De leerling schudt nauwelijks waarneembaar zijn hoofd.
Meester: Hoe voelt het als de gedachte "de waarheid bestaat" waar zou zijn?
Leerling: Prettig.
Meester: Waarom?
Leerling: Dat geeft houvast.
Meester: Wie of wat zou je zijn zonder die gedachte?
De leerling zegt ongelukkig: Stuurloos.
Meester: Zonder waarheid ben ik stuurloos, is dat waar?
De leerling begint te huilen.
Leerling: U maakt me helemaal dol!
Meester: Ik maak je helemaal dol, is dat waar?
De leerling verbergt zijn gezicht achter zijn zakdoek.
Meester: De waarheid bestaat niet, is dat waar?
De leerling steekt zijn handen in de lucht en zegt: Ik geef me over!
Meester, meedogenloos: Pang!



Aargh!

Leerling: Dé waarheid bestaat niet.
Meester: O?
Leerling: Het enige wat telt is wat waar is voor mij.
Meester: Is dat waar?
De leerling balt zijn vuisten en zegt: Voor mij wel.
Meester: Kun je dat absoluut zeker weten?
Leerling: Nee!
Meester: Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn?
Leerling: Lekker, dus hou er alstublieft over op!
Meester: Wie of wat zou je zijn zonder die gedachte?
Leerling: Ik word stapelgek van al die vragen!
Meester: Is dat waar?
Leerling: Aargh!
Meester: Wie of wat zou je zijn zonder al die vragen?
Leerling: Weet ik veel!
Meester: Aha!


Subjectivisme

Leerling: De enige waarheid is de mijne.
Meester: Is dat de enige waarheid of de jouwe?


Echt

Leerling: De enige echte waarheid is míjn waarheid.
Meester: Maar ben jij wel echt?


Geen groter ja

Leerling: Ik zeg altijd ja. Zelfs een uitgesproken nee is een innerlijk ja.
Meester: Er is geen groter nee dan een ja.
Leerling: Wat?
Meester: Ja zeggen tegen iets is nee zeggen tegen al het andere.
De leerling kijkt hem met open mond aan.
Meester: Het tocht hier.
Leerling: Kan ik niet alleen maar ja zeggen?
Meester: Nee.
Leerling: Ik wil helemaal geen nee zeggen.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Ik wil altijd ja zeggen tegen wat er is.
Meester: Nee is ook wat er is.
Leerling: Is nee zeggen tegen iets ja zeggen tegen al het andere?
Meester: Nee.
Leerling: Niet?
Meester: Nee zeggen tegen iets is alle andere mogelijkheden open houden.
Leerling: Maar daarvoor heb ik wel eerst ergens nee tegen moeten zeggen.
Meester: Ja.
Leerling: Dus er is geen enkele manier om alleen maar ja te zeggen?
Meester: Nee.
Leerling: En er is ook geen enkele manier om alleen maar nee te zeggen?
Meester: Nee.
Leerling: Is er dan tenminste een manier om alle mogelijkheden open te houden?
Meester: Nee.
Leerling: Als ik ja én nee zeg, hou ik toch alle mogelijkheden open?
Meester: Nee.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat je dan niet alleen ja of alleen nee kunt zeggen.
Leerling: En als ik geen ja en geen nee meer zeg?
Meester: Wat dan?
Leerling: Hou ik dan alle mogelijkheden open?
Meester: Nee.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat je dan niet alleen ja of alleen nee of alleen ja en nee kunt zeggen.
Leerling: Dus wat ik ook zeg, ik sluit altijd iets uit?
Meester: Ja.
Leerling: En als ik zwijg?
Meester: Dan sluit je het spreken uit.
Leerling: Wat moet ik dan?
Meester: Tja.
Leerling: Tja?
Meester: Wat je altijd hebt gedaan.
Leerling: Wat heb ik altijd gedaan?
Meester: Wat iedereen altijd doet.
Leerling: Wat doet iedereen altijd?
Meester: Ja zeggen, nee zeggen, ja en nee zeggen, ja noch nee zeggen of je mond houden.
Leerling: Nou ja zeg!
Meester: Een groter ja bestaat niet.


Woef

Leerling: De strijd aangaan met de realiteit is als een kat leren blaffen - hopeloos.
Meester: Wou jij de strijd aangaan met de strijd met de realiteit?
Leerling: Eh...
Meester: Woef.


Soep met ballen

Leerling: Als je denken helder is, zul je je niet langer verzetten tegen wat er is.
Meester: En als verzet nou is wat er is?
Leerling: Helder denken kent geen verzet tegen wat er is.
Meester: Ook in heldere soep zitten ballen.
Leerling: Ik drink alleen nog maar bouillon.
Meester: Je verzet je nog steeds tegen wat er is.


Wie zegt dat?

Leerling: Het denken dat niet weet staat volledig open voor alles wat het leven brengt.
Meester: Zei het denken dat weet.


Het onbegrensde denken

Leerling: Het onbegrensde denken is pure openheid.
Meester: Zelfs voor geslotenheid staat het open.


Vergeving versus realisatie

Leerling: Vergeving is je realiseren dat wat jij dacht dat er gebeurde, nooit gebeurd is.
Meester: Realisatie is jezelf vergeven dat je nooit weet wat er gebeurd is.


Wat ons gevangen houdt

Leerling: Het is uiteindelijk niet wat er gebeurt dat ons gevangen houdt, maar onze beleving ervan.
Meester: Is dat wat er gebeurt of is het jouw beleving ervan?


Dankbaarheid

Leerling: Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.
Meester: Wat zou je zijn zonder dit verhaal?



Leerling: Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.
Meester: Zonder verhaal geen dankbaarheid.


Geen garantie

Leerling: Als je niets meer weet, zul je nooit meer depressief zijn!
Meester: Jij kan het weten.
Leerling: Dat moét wel.
Meester: Verklaar je nader.
Leerling: Wie niets weet, heeft immers niets om somber van te worden.
Meester: Wou je zeggen dat depressiviteit wordt veroorzaakt door negatieve gedachten?
De leerling knikt.
Meester: Misschien worden negatieve gedachten wel veroorzaakt door depressiviteit.
Leerling, geschrokken: Is dat zo?
Meester: Misschien worden beide wel veroorzaakt door een onderliggende factor.
Leerling: Zoals?
Meester: Een lage suikerspiegel, een overdosis stresshormoon, slaapgebrek, het weer, auto-immuniteit, een allergie, overprikkeling, alles tegelijk - weet ik veel.
De leerling zegt niets.
Meester: Misschien moet het hele universum wel precies in de huidige constellatie verkeren om precies op dit moment precies deze combinatie van depressiviteit en negatieve gedachten in jou te bewerkstelligen.
Leerling: Dan kan ik het wel schudden.
Meester: Dan moet het zogezegd zo zijn.
Leerling: Maar moet het zogezegd zo zijn?
Meester: Wat weet ik daarvan?
Leerling: Dus niet weten biedt geen enkele garantie?
Meester: Dat kan ik niet garanderen.


Liefdewerk oud papier

Leerling: Gaat niet weten gepaard met een bepaalde gemoedstoestand?
Meester: Het een heeft met het ander niets uit te staan.
Leerling: Volgens sommigen is niet weten zuivere liefde.
Meester: Als ik wist wat het was zou ik het geen niet-weten noemen.
Leerling: Volgens anderen is het pure vreugde.
Meester: Denk je soms dat niet weten je immuun maakt voor verdriet?
Leerling: Daar reken ik wel op.
Meester: Niet weten is nergens op rekenen.
Leerling: Het is duidelijk niet úw ervaring.
Meester: Wat heb je nou aan ervaring.
Leerling: Nou...
Meester: Resultaten behaald in het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.
Leerling: Voelt u liefde voor al wat is?
Meester: Al wat is omvat heel wat meer dan liefde.
Leerling: Aanvaardt u onvoorwaardelijk al wat er op uw pad komt?
Meester: Ook afwijzing komt op mijn pad.
Leerling: Nou weet ik nog niks!
Meester: Dan weet je evenveel als ik.


Tekort

Leerling: Ik ben alleen maar liefde.
Meester: Je doet jezelf tekort.

Leerling: Ik ben alleen maar haat.
Meester: Je doet jezelf tekort.

Leerling: Ik ben zowel liefde als haat.
Meester: Je doet jezelf tekort.

Leerling: Ik ben liefde noch haat.
Meester: Je doet jezelf tekort.

Leerling: Ik weet niet wat ik ben.
Meester: Je doet jezelf tekort.

Leerling: Ik zeg niets.
Meester: Je doet jezelf tekort.

Leerling: Ik doe mezelf tekort.
Meester: Niet als je het niet kunt laten.
Leerling: Hoezo niet?
Meester: Dan doe je het niet zelf.

Leerling: Hoe voorkom ik dat ik mezelf tekort doe?
Meester: Waarom zou je jezelf niet tekort mogen doen?
Leerling: Omdat ik niet wil lijden.
Meester: Je doet jezelf tekort.


Ik niet

Leerling: Ik weet zeker dat iedereen van mij houdt, maar niet iedereen realiseert het zich.
Meester: Ik niet.
Leerling: Weet u niet zeker dat iedereen van mij houdt of weet u niet zeker dat niet iedereen het zich realiseert, of weet u niet zeker dat iedereen van u houdt of weet u niet zeker dat niet iedereen het zich realiseert, of weet u niet zeker dat u van mij houdt of weet u niet zeker dat u het zich niet realiseert, of wat?
Meester: Ik niet.


Alles of niets

Leerling: Als je je gedachten niet gelooft, ben je álles!
Meester: "Alles" is ook maar een gedachte.
Leerling: Zo hou je niets meer over!
Meester: "Niets" is ook maar een gedachte.


Alle antwoorden

Leerling: Alle antwoorden zitten in jezelf.
Meester: Dat kan best wezen...
Leerling: Maar?
Meester: Wie zegt dat er antwoorden zijn?


In jezelf

Leerling: Alle antwoorden zitten in jezelf.
Meester: Dat kan best wezen...
Leerling: Maar?
Meester: Waar ben je zelf?


De vraag

Leerling: Het antwoord zit in jezelf.
Meester: Maar wat is de vraag?


Ik

Leerling: Ik ben het antwoord.
Meester: En ik de vraag.


Je hart

Leerling: Je hoeft alleen maar naar je hart te luisteren.
Meester: En als je hart nou zwijgt?



Leerling: Je hoeft alleen maar naar je hart te luisteren.
Meester: En als het nou tegenstrijdige dingen roept?



Leerling: Je hoeft alleen maar naar je hart te luisteren.
Meester: Hoe weet je dat het niet raaskalt?


De enige autoriteit

Leerling: De enige autoriteit ben je zelf.
Meester: Wie zegt dat?



Leerling: Niet naar anderen luisteren, niet naar jezelf luisteren, dat is mijn devies.
Meester: Van wie heb je dat nou weer.


Zorgen

Leerling: Ik zoek mijn innerlijke goeroe.
Meester: Daar maak ik me geen zorgen om.
Leerling: Waar maakt u zich wel zorgen om?
Meester: Dat je hem vindt.


Proefwerk

Leerling: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is een constante staat van dankbaarheid.
Meester: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een lakmoesproef voor zelfrealisatie.



Leerling: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is een constante staat van dankbaarheid.
Meester: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een constante staat.



Leerling: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een constante staat van dankbaarheid of van wat dan ook.
Meester: Waarin dan wel?
Leerling: In het hier en nu.
Meester: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in het hier en nu.



Leerling: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in het hier en nu.
Meester: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven.



Leerling: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven.
Meester: Gezakt.


Het beste

Leerling: Het hele leven is een uitnodiging tot zelfrealisatie. Je grootste vijand is je grootste leraar en tegenslag is het beste wat je kan overkomen.
Meester: Is dat waar? Weet je dat zeker? Wie zou je zijn zonder die gedachte?


De hel

Leerling: "De hel, dat zijn de anderen."
Meester: Jean-Paul Sartre.
Leerling: "De hel, dat zijn je gedachten."
Meester: Byron Kathleen Reid.
Leerling: Wie heeft er gelijk?
Meester: De hel is ook maar een gedachte.
Leerling: O, gelukkig!
Meester: Dat moet je nog maar afwachten.
Stilte.
Leerling: Weet u zeker dat de hel maar een gedachte is?
Meester: Och.
Leerling: Nou?
Meester: Dat is ook maar een gedachte.


Zolang

Leerling: Zolang je nog ergens verdrietig, bang of boos over bent, is het Werk niet gedaan.
Meester: Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.



Leerling: Zolang je nog iets gelooft, is het Werk niet gedaan.
Meester: Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.


Overwerk

Leerling: Op een dag stapte mijn moeder in de auto en verliet voor altijd haar gezin.
Meester: Wat vind je daarvan?
Leerling: Mijn moeder moet zich verontschuldigen omdat ze me in de steek heeft gelaten.
Meester: Is dat waar?
Leerling: Nee. Maar die gedachte blijft maar terugkomen.
Meester: Keer het om.
Leerling: Ik moet mij verontschuldigen omdat ik mijn moeder in de steek heb gelaten.
Meester: Is dat even waar of meer waar?
Leerling: Ja, want sindsdien wil ik niets meer van haar weten.
Meester: Weet je nog een omkering?
Leerling: Ik moet mij verontschuldigen omdat ik mezelf in de steek heb gelaten.
Meester: Is dat even waar of meer waar?
Leerling: Ja, omdat ik mezelf steeds maar kwelde met de gedachte dat mijn moeder zich moest verontschuldigen.
Meester: Je denken heeft je in de steek gelaten.
Leerling: Precies.
Meester: Dus je moeder moet zich verontschuldigen omdat ze jouw in de steek heeft gelaten en jij moet je verontschuldigen omdat je haar en jezelf in de steek hebt gelaten.
De leerling knikt.
Meester: Hoe voel je je nu?
Leerling: Graag zou ik zeggen "opgelucht" maar ik voel me nog gespannener dan anders.
Meester: Hoe komt dat, denk je?
Leerling: Misschien omdat de schuldenlast eerder groter is geworden dan kleiner.
Meester: Dat komt er nou van met al die waarheden.
Leerling: Wat zou u gezegd hebben?
Meester: Wanneer?
Leerling: Toen ik zei dat mijn moeder zich moet verontschuldigen?
Meester: Ik zou gezegd hebben: "Je veronderstelt dat je moeder iets over haar gedrag te zeggen heeft."
Leerling: En toen ik zei dat ik me bij mijn moeder en bij mezelf moet verontschuldigen?
Meester: Je veronderstelt dat je iets over je eigen gedrag te zeggen hebt.
Leerling: Ik denk dus nog steeds verkeerd.
Meester: Je veronderstelt dat je verkeerd kunt denken.
Leerling: Wilt u zeggen dat iedere gedachte goed is?
Meester: Je denkt wat je denkt.
Leerling: Ik heb het dus nog steeds niet door.
Meester: Je veronderstelt dat je het door kunt hebben.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.
Leerling: Als iemand het weet...
Meester: Je veronderstelt dat ik iemand ben.
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Die hebben we al gehad.


Zonder

Leerling: Je kunt niets verkeerd doen!
Meester: Wie zou je zijn zonder dat verhaal?
Leerling: Het is geen verhaal, het is de waarheid.
Meester: Wie zou je zijn zonder dát verhaal?
De leerling kijkt hem verontrust aan.
De meester kijkt het klaslokaal rond en zegt: Denken we er allemaal zo over?
Sommige leerlingen knikken van ja, anderen schudden van nee.
Meester: Wie weet het beter?
Leerlingen:
  • Je kunt niets goed doen.
  • Je kunt niets goed of verkeerd doen.
  • Je kunt iets goed én verkeerd doen.
  • Je kunt iets in talloze opzichten verkeerd doen.
  • Je kunt iets in talloze opzichten goed doen.
  • Je kunt iets in talloze opzichten goed en verkeerd doen.
  • Maar zonder opzicht kun je iets goed noch verkeerd doen.
  • Iets is van zichzelf niet goed of verkeerd maar het denken maakt dat ervan.
Leerling: En u, meester, hoe denkt u erover?
Meester: Wie zegt dat je op kunt houden met verhalen vertellen?
Leerling: Wie zou u zijn zonder dat verhaal?
Meester: Dat was geen verhaal, het was een vraag.


Het verschil

Leerling: Wat spreekt u het meest aan in het werk van Byron Katie?
Meester: Haar verheerlijking van het leven.
Leerling: Wat spreekt u het minst aan in haar werk?
Meester: Haar verheerlijking van het leven.
Leerling: Niet weten spreekt me anders ook niet aan.
Meester: Mij al evenmin.
Leerling: Niet weten spreekt u ook niet aan?
Meester: Niet weten spreekt niemand aan.
Leerling: Maar waarom dan niet?
Meester: Omdat het niets te zeggen heeft.
Leerling: Dat kun je van Katie in elk geval niet zeggen.
Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.


De essentie

Leerling: Wat is het Werk?
Meester: De illusie dat je je gedachten onderzoekt.
Leerling: Wat is de essentie van die illusie?
Meester: Dezelfde als die van iedere illusie.
Leerling: Wat is de essentie van iedere illusie?
Meester: Een gedachte.
Leerling: Het Werk is niet meer dan een gedachte?
Meester: Ook dat is een illusie.
Leerling: Iedere gedachte is een illusie?
Meester: Ook dat is een gedachte.
Leerling: Maar wat is dan de essentie?
Meester: Dat is dan de essentie.


Waaraan anders

Leerling: Wie aan Katie komt, komt aan mij!
Meester: Waaraan anders?
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: : Zie jij Katie ergens?
De leerling kijkt verbaasd om zich heen.
Meester: Nou dan.


Daarom

Leerling: Waarom gaat u zo respectloos met het Werk om?
Meester: Omdat het Werk dat van mij vraagt.


Eind goed al goed

Leerling: Wie Katie afwijst verwerpt zichzelf!
Meester: Een goed begin is het halve werk.
Leerling: Wie zichzelf verwerpt verliest de liefde!
Meester: Beter ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd.
Leerling: Wie de liefde verliest raakt alles kwijt!
Meester: Eind goed, al goed.