Verlichting voor dummy's > De bekende weg > Byron Katie Deze pagina: Dwaalteksten over het Werk van Byron Katie. Auteur: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. Zie ook mijn pagina's Byron Katie 2 en Citaten van Byron Katie. Het WerkByron Katie houdt niet van moeilijk. Vandaar dat haar weg of methode
gewoon het Werk (the Work) of het Onderzoek heet.Het Werk bestaat uit vier standaardvragen en een zogeheten omkering, waarmee men zich in eerste instantie van vooroordelen over anderen ontdoet en in tweede instantie ook van vooroordelen over zichzelf. De standaardvragen luiden: 1. Is het waar? 2. Kun je dat wel weten? 3. Wat gebeurt er als je dat gelooft? 4. Wie zou je zijn zonder die gedachte? De omkering verkrijg je bijvoorbeeld door in het vooroordeel de naam van de ander te vervangen door die van jezelf, of door een bevestigende zin ontkennend te maken, en omgekeerd. In feite is iedere grammaticale variatie op het oorspronkelijke vooroordeel goed. Aan de hand van drie voorbeelden uit je eigen leven probeer je aan te tonen dat de omkering minstens even waar is als het oorspronkelijke vooroordeel. Het Werk kan gegeneraliseerd worden naar alle typen oordelen, verhalen, theorieën, concepten, ideeën, leefregels en overtuigingen over anderen, jezelf, je lichaam en de wereld. Wie nu meent dat hem aan het eind van het Werk iets moois wacht - vrede, vreugde, dankbaarheid, wijsheid, onbevreesdheid, overgave, verlichting, vriendelijkheid, universele liefde, onbegrensd mededogen - veronderstelt een individu, een wereld, een vrije wil, een doel en een weg. Maar bestaan die wel? Kun je dat weten? Wat gebeurt er als je dat gelooft? Wie zou je zijn zonder die gedachte? Keer het om. Wie meent dat het individu, de wereld, de vrije wil, het doel en de weg illusoir zijn, is meteen Werkeloos. Maar zijn ze dat echt? Kun je dat weten? Wat gebeurt er als je dat gelooft? Wie zou je zijn zonder die gedachte? Keer het om. Katie's Canon
Meester: Ik vind het geweldig dat jullie allemaal gekomen zijn! De leerlingen glimlachen breed. Meester: Laten we meteen beginnen. Wie wil er iets zeggen? Leerlingen:
Meester: Ik vind het geweldig wat jullie allemaal zeggen! De leerlingen glimlachen breed. Meester: Maar om het nou niet weten te noemen... De glimlach bevriest op hun gezicht. Meester: Is er iemand onder ons die dit niet weten zou durven noemen? De leerlingen kijken strak voor zich uit. Meester: Ik vind het geweldig dat jullie allemaal zwijgen! Niemand verroert een vin. Meester: Hoe voelt het als jullie deze gedachten geloven? De leerlingen glimlachen breed. Meester: Maar zijn ze wel waar? De glimlach bevriest op hun gezicht. Meester: Wie zouden jullie zijn zonder deze gedachten? De leerlingen kijken strak voor zich uit. Meester: Niemand? Geen sjoege. Meester: Werkeloos. Arbeid maakt vrijLeerling: Kunt u mij het Werk aanraden? Meester: Wanneer bent u geboren? Leerling: In 1929. Meester: Dan moet u zowat mijn oudste leerling zijn! Leerling: Ik heb de tweede wereldoorlog nog meegemaakt! Meester: En nog gelooft u dat arbeid vrij maakt? Leerling: Wou u soms zeggen van niet? Meester: Dat zou u wel willen, hè? Leerling: Dit is al Het Werk, of niet soms? Meester: Is dat waar? Het halve Werk
Leerling: Byron Katie heeft me van al mijn negatieve gedachten verlost!Meester: Nou de positieve nog. De gemakkelijke
Leerling: Wat is volgens u het Werk?Meester: Het Halve Werk. Leerling: Welke helft? Meester: De gemakkelijke helft. OneindigLeerling: Het denken is van nature oneindig. Het kan schoonheid vinden in alle dingen.Meester: Het denken is van nature oneindig. Het kan lelijkheid vinden in alle dingen. OnfeilbaarLeerling: Ik kan niet falen!Meester: Je kunt niet slagen. Een vorm van succesLeerling: Als je mislukking als een vorm van succes kunt zien, hoef je nooit meer te falen!Meester: En als je het niet als een vorm van succes kunt zien? De enige
Meester: Wat is het Werk?Leerling: Stressvolle gedachten onderzoeken zodat alleen goede gedachten overblijven. Meester: De enige goede gedachte is een dode gedachte. Leerling: De enige goede gedachte is een dode gedachte. Meester: Pang! Het Hele WerkLeerling: Het Werk leidt tot volmaakte helderheid.Meester: Het Hálve Werk leidt tot volmaakte helderheid. Leerling: En het Hele Werk? Meester: Dat leidt tot niets. Leerling: Is dat iets goeds of iets slechts? Meester: Nou heb je het weer over het Halve Werk. Een workaholicLeerling: Waartoe leidt het Halve Werk?Meester: Een bestaan zonder angst, verdriet of woede. Een leven vol liefde, vreugde, vriendelijkheid, verwondering en dankbaarheid. Leerling: Dat lijkt me geweldig. Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen. Leerling: Ik dacht dat u een ervaringsdeskundige was. Meester: Eerder een workaholic. Leerling: Waartoe leidt het Hele Werk? Meester: Ik zou het echt niet weten. Leerling: Waarom zou je de klus dan in vredesnaam afmaken? Meester: Wat zal ik daar eens op zeggen. Leerling: Ik kan maar één reden verzinnen. De meester zwijgt. Leerling: Nou hoort u te vragen welke. Meester, lusteloos: Welke? Leerling: Dat je het niet kunt laten. Meester: Maar of dat ook zo is? Leerling: Dus daartoe leidt het Hele Werk... Meester: Waartoe? Leerling: Dat je niets meer weet. Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen. Het dubbele WerkLeerling: Wat is het Werk?Meester: Iets wat je later weer ongedaan moet maken. TjaMeester: Hoe lang doe je het Werk nou al?Leerling: Een jaar. Meester: Wat levert het op? Leerling: Ik krijg steeds meer ruimte terwijl ik steeds verder ineenschrompel. Meester: Waar is die ruimte? Leerling: Wat? Meester: Waar die ruimte is. De leerling kijkt onzeker om zich heen. Meester: En wat schrompelt er precies ineen? Leerling: Nou... dat is te zeggen... ik... Meester: Wat als je over vijf minuten ineens denkt dat je steeds minder ruimte krijgt? Leerling: Dan is... een van beide gedachten onwaar. Meester: Waarom niet beide? Leerling: Omdat de waarheid van de ene de onwaarheid van de andere impliceert. Meester: Je veronderstelt dat gedachten waar kunnen zijn. Leerling: Wilt u soms zeggen van niet? Meester: Waarom zou ik? Leerling: Misschien omdat u denkt van niet? Meester: Maar als ik nou niet weet of gedachten waar kunnen zijn? Leerling: Dan kunt u zich de moeite besparen. Meester: Tenzij ik het niet voor het zeggen heb. Leerling: Daar heeft u ook weer gelijk in. Meester: Niet als gedachten niet waar kunnen zijn. Leerling: Stel dat gedachten niet waar kunnen zijn... Meester: Ga door. Leerling: Wat betekent de gedachte "ik krijg steeds meer ruimte terwijl ik steeds verder ineenschrompel" dan nog? Meester: Misschien wel niets. Leerling: Dat snap ik niet. Meester: Misschien bevindt de enige "ruimte" die "je" ooit "krijgt" zich wel in de gedachte dat je steeds meer ruimte krijgt. De leerling knikt. Meester: Stel dat dat zo is, wat gebeurt er dan als die gedachte het veld ruimt? Leerling: Dan ruimt die ruimte ook het veld. Meester: Precies. Leerling: Evenals het "ik" en het "krijgen" en het "steeds meer"? De meester knikt. Leerling: En dat ineenschrompelen dan? Meester: Nou? Leerling: Wie weet bestaat dat ook alleen maar in de gedachte dat "ik" "steeds verder" "ineenschrompel". De meester wacht geduldig af. Leerling: Wat blijft er over van mijn ineenschrompeling als die gedachte zelf ineenschrompelt? Meester: Precies. Leerling: Bedoelt u dat een gedachte alleen maar waar is voor de duur van die gedachte? Meester: Wat als die gedachte ineenschrompelt? Leerling: Bedoelt u dat gedachten geen andere betekenis hebben dan zichzelf? Meester: Wat als die gedachte ineenschrompelt? Leerling: Want dan zou de werkelijkheid alleen maar bestaan uit gedachten over de werkelijkheid! Meester: Wat als die gedachte ineenschrompelt? Leerling: Bedoelt u dat ik me niet moet laten verleiden door welke gedachte dan ook? Meester: Wat als die gedachte ineenschrompelt? Leerling: Ik denk dat ik dan in niet weten of in de stilte of in de eeuwige vrede of in de bron zelf terecht kom. Meester: Wat als die gedachte ineenschrompelt? Het blijft lang stil. Ten slotte zegt de leerling: Tja. De infrastructuurEen leerling komt afscheid nemen van de meester.Hij zegt: Het spijt me maar ik moet ervandoor. De meester geeft hem een hand en zegt: Waar ga je heen? Leerling: Naar Katie. Meester: Wat ga je daar doen? Leerling: Het Werk natuurlijk. Meester: Wat verwacht je ervan? Leerling: Een leven zonder lijden, angst, verdriet of woede. Een leven van onvoorwaardelijke liefde. Een leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid. Meester: O. Leerling: Waarom gaat u niet mee? Meester: Joost mag het weten. Leerling: Geef me Joost dan maar even. De meester geeft hem een hand en zegt: Joost, aangenaam. Leerling: Laat die plichtplegingen maar zitten. Leg uit. Joost: Mij ontbreekt de infrastructuur. Leerling: De wat? Joost: De grondslag die het Werk mogelijk maakt. De leerling kijkt hem niet begrijpend aan. Joost: Zonder rails of bovenleiding kan een trein niet rijden. Leerling: Dat snap ik. Maar wat heb je in hemelsnaam nodig voor het Werk, afgezien van pen en papier? Joost: O, alleen maar een ik met een vrije wil, die tegen het lijden kan kiezen en iets kan bewerkstelligen. Een wereld waarbinnen iets bewerkstelligd kan worden. Een onwrikbaar tijdsbesef want zonder wereld zijn er geen blijvende resultaten mogelijk. Kennis van, en geloof in, concepten als leven, werken, denken, innerlijke waarheid, persoonlijke integriteit, overtuigingen, angst, verdriet, woede, lijden, onvoorwaardelijke liefde en vriendelijkheid. Kortom, zaken die voor jou vanzelfsprekend zijn maar tegen mij zwijgen als het graf. Leerling: Wou jij beweren dat de wereld met alles erop en eraan een illusie is? Joost: Dat zou nog steeds een grondslag zijn. Leerling: En die is er niet? Joost haalt zijn schouders op. Leerling: Wou jij Katie een leugenaar noemen? Joost: Ook daarvoor ontbreekt de grondslag. Leerling: Zo schieten we niet op. Joost: Persoonlijk schiet ik liever af. Leerling: Wat, bijvoorbeeld? Joost: Gedachten, bijvoorbeeld. Leerling: Geef me dan de meester maar weer. Joost: Dag dag. Leerling: Is dat waar? Meester: Wat? Leerling: Van die infrastructuur waar Joost het over had? Meester: Tja. Leerling: Daar was ik al bang voor. Meester: "Tja" is niets om bang voor te zijn. De leerling staat gedecideerd op en zegt: Dit gesprek sterkt mij alleen maar in mijn voornemen. De meester staat ook op en zegt monter: Aan het Werk dan maar! Leerling: Wilt u mij ten afscheid geen succes wensen? Meester: Jawel... Leerling: Maar? Meester: Wat heet succes? Napraatje met een andere leerling Leerling: En als u nou zelf ineens het Werk gaat doen? Meester: Dan ga ik zelf ineens het Werk doen. Leerling: Zou dat niet inconsequent zijn? Meester: Kan best wezen... Leerling: Maar? Meester: Waarom zou ik consequent willen zijn? Leerling: Daar vraagt u me wat. Meester: Dat lijkt maar zo. Leerling: Ik bedoel, als er geen gronden zijn om het Werk te doen en u doet het toch, dan klopt dat toch niet? Meester: Tenzij er ook geen gronden zijn om het Werk te laten. Leerling: Daar heeft u weer gelijk in. Meester: Het is al lang geleden dat ik gelijk heb gehad. Leerling: Bedoelt u dat u ongelijk heeft? Meester: Het is al lang geleden dat ik ongelijk heb gehad. Leerling: Wilt u zeggen dat gelijk en ongelijk niet bestaan? Meester: Het is al lang geleden dat ik iets wilde zeggen. Leerling: Bedoelt u dat u niets wilt zeggen? Meester: Het is al lang geleden dat ik niets wilde zeggen. Leerling: Misschien moest ik ook maar naar Katie gaan. Meester: Ik kan je geen ongelijk geven. Leerling: En geen gelijk ook, zeker? Meester: Daarvoor moet je bij Katie zijn. Het SpelLeerling: Wat is het Werk?Meester: Een fase in Het Spel. Leerling: Welk Spel? Meester: Het Grote Gedachtenspel. Leerling: Hoeveel fasen kent het Grote Gedachtenspel? Meester: Het Grote Gedachtenspel kent drie fasen. Leerling: Welke fasen zijn dat? Meester: Eerst spelen je gedachten met jou. Leerling: Hoe komt dat? Meester: Doordat je ze onvoorwaardelijk gelooft. Leerling: En dan? Meester: Dan speel jij met je gedachten. Leerling: Hoe komt dat? Meester: Doordat je onvoorwaardelijk in het Werk gelooft. Leerling: En dan? Meester: Dan is er alleen nog maar Het Spel. Leerling: Houdt Het Spel ooit op? Meester: Dat ligt eraan in welke fase je zit. Leerling: In de fase waarin u zit? Meester: Welk Spel? Een goed gesprek
Meester: Wat is volgens jou een goed gesprek?Leerling: Een gesprek waar je iets van opsteekt. De meester zwijgt. Leerling: Wat is volgens u een goed gesprek? Meester: Een gesprek waar je niets van opsteekt. Leerling: O. Meester: Maar wat heet goed. Leerling: Wat is volgens u een beter gesprek? Meester: Een gesprek waarin je een mening kwijtraakt. Leerling: O. Meester: Maar wat heet beter. Leerling: Wat is volgens u het beste gesprek? Meester: Een gesprek waarin je de weg kwijtraakt. Leerling: Heel interessant. Meester: O. De leerling staat op, geeft de meester een hand en zegt: Ik vond dit een goed gesprek. Meester: Volgende keer beter. Niet bepaald
Leerling: Als je je gedachten niet langer gelooft, verlies je nooit meer je kalmte!Meester: Geloof je dat? Prompt verliest de leerling zijn kalmte. Meester: En, hoe voelt dat? Leerling: Niet bepaald rustig. Meester: Nee. Leerling: Maar ook niet bepaald onrustig. Meester: Hoe dan wel? Leerling, verrast: Niet bepaald. Meester: En hoe voelt dát? Leerling: Niet bepaald fijn. Meester: Nee. Leerling: Maar ook niet bepaald vervelend. Meester: Wat dan wel? Leerling: Niet bepaald. Meester: En dat wou jij kalmte noemen? Leerling: Niet bepaald. HallelujaLeerling: God, spaar me voor het verlangen naar liefde, goedkeuring en waardering, amen!Meester: God, spaar me voor het verlangen naar bevrijding, amen. Leerling: God, spaar me voor het verlangen naar bevrijding, amen! Meester: God, spaar me voor het verlangen, amen. Leerling: God, spaar me voor het verlangen, amen! Meester: God, spaar me voor onthechting, amen. Leerling: God, spaar me voor onthechting, amen! Meester: God, spaar me, amen. Leerling: God, spaar me, amen! Meester: God, spaar me niet, amen. Leerling: God, spaar me niet, amen! Meester: Me? Leerling: God, spaar u niet, amen! Meester: God? Leerling: God? Meester: Amen. Leerling: Amen. Meester: Halleluja. Leerling: Halleluja! Meester: God, spaar me voor de jubelaars. Positief of negatiefMeester: Waarvoor dient het Werk?Leerling: Om je negatieve gedachten te onderzoeken. Meester: Waarom zou je je negatieve gedachten willen onderzoeken? Leerling: Omdat je eronder lijdt. Meester: Is dat een positieve gedachte of een negatieve? Leerling: Eh.. een negatieve. Meester: Dan zou ik daar maar eens mee beginnen. Goed WerkLeerling: Alles komt precies op tijd. Meester: Is dat een positieve gedachte of een negatieve? Leerling: Een positieve. Meester: Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn? Leerling: Fijn. Meester: Waarom? Leerling: Omdat ik me dan nergens meer druk over hoef te maken. Meester: Komt het weleens in je op dat "alles komt precies op tijd" ook maar een gedachte is? De leerling zwijgt. Meester: Eerlijk zeggen. De leerling mompelt: Soms. Meester: Hoe voelt het als de gedachte "alles komt precies op tijd" niet waar zou zijn? Leerling: Vreselijk. Meester: Dus de ene keer krijg je er een fijn gevoel van, de andere keer een naar? De leerling knikt. Meester: Afhankelijk van de vraag of je hem wel of niet gelooft? De leerling bijt op zijn lip. Meester: Wie bepaalt of je hem wel of niet gelooft? Leerling: Ik niet. Meester: Hoe weet je dat? Leerling: Anders zou ik hem wel altijd geloven. Meester: Waarom? Leerling: Vanwege dat lekkere gevoel. Meester: Is "alles komt precies op tijd" nou een positieve gedachte of een negatieve? Leerling: Op zichzelf beschouwd? De meester knikt. De leerling haalt zijn schouders op. Meester: Als je niet weet of het op zichzelf beschouwd een positieve of een negatieve gedachte is, moet je er dan wél mee aan het Werk of juist niet? Leerling, ontmoedigd: Ik zou het echt niet weten. Meester: Goed Werk! Misschien...Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid.Meester: Je veronderstelt dat je daar invloed op hebt. Leerling: Wou u soms zeggen van niet? Meester: Wat weet ik daarvan? Leerling: Waarom zegt u het dan? Meester: Misschien wel om je gedachten over de werkelijkheid te veranderen. Leerling: Waarom zegt u misschien? Meester: Misschien wel omdat ik eigenlijk geen idee heb waarom ik iets zeg. Leerling: Waarom zegt u opnieuw misschien? Meester: Misschien wel omdat ik eigenlijk geen idee heb of dat wel zo is. De leerling knikt maar zegt niets. Zijn ogen beginnen te glinsteren. Meester: Waarom vraag je niet door? Leerling: Misschien wel omdat ik het doorheb. Meester: Misschien valt er wel niets door te hebben. Leerling: Misschien is dat wel wat ik doorheb. Meester: Waarom zeg je misschien? Leerling: Misschien wel omdat het alleen maar een gedachte is. Meester: Waarom zeg je opnieuw misschien? Leerling: Misschien wel omdat ik eigenlijk geen idee heb wat een gedachte is. De meester knikt maar zegt niets. Zijn ogen beginnen te glinsteren. De verzoeningLeerling: Het Werk zorgt ervoor dat ik mij kan verzoenen met de realiteit.Meester: Ook als het de realiteit is dat het Werk niet werkt? Leerling: Wou u beweren dat het Werk niet werkt? Meester: Wat weet ik van de realiteit? De makelaarLeerling: Hoe is het om niks te weten?Meester: Dat weet ik niet. Leerling: Wat weet u dan wel? Meester: Niks, dat is het hem nou juist. Leerling: Wat zou u zeggen met het mes op de keel? De meester denkt lang na en zegt: Dat ik de deur niet meer uit hoef? Leerling: Is dat alles? Meester: Ik heb er nou al spijt van. Leerling: "Dat ik de deur niet meer uit hoef." De meester inspecteert zijn vingernagels. Leerling: Nergens meer voor? Meester: Voor zover ik weet. Leerling: Nooit meer? Meester: Voor zolang het duurt. Leerling: Hm. Meester: Maar vraag me niet waarom. Leerling: Mag ik zo vrij zijn dat thuis te noemen? Meester: De deur niet meer uit hoeven? De leerling knikt. De meester haalt opnieuw zijn schouders op. Leerling: Wat is het dat u thuis gevonden heeft? Meester: Ik zou het echt niet weten. Leerling: Of het moest niet weten zijn. De meester haalt zijn schouders op. Leerling: Zou u thuis omschrijven als blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, innerlijke vrede of grenzeloze vreugde? Meester: Dan nog liever niet weten. Leerling: Wat kan er mooier zijn dan blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, innerlijke vrede of grenzeloze vreugde? Meester: Al sla je me dood. Leerling: Is het misschien dat uw thuis ruimer is dan blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, innerlijke vrede of grenzeloze vreugde? Meester: Ik zie niet in wat daar mooi aan zou zijn. Leerling: Dat het ruimte biedt aan al wat is, en niet alleen aan de mooie dingen? Meester: Ik vind een onbegrensde ruimte niet mooier dan een begrensde. Leerling: Mag ik dit opvatten als een poging om ruimte te scheppen voor begrensdheid? Meester: Opvatten is niet mijn forte. Leerling: Zou je niet weten kunnen uitleggen als totale openheid? Meester: Ik heb niets tegen geslotenheid. Leerling: Zo groot is uw openheid! Meester: Je bent voor jezelf begonnen. Leerling: Wat? Meester: Ga maar na. Eerst dwing je me te zeggen dat ik de deur niet meer uit hoef. Dan bouw je achter die deurloze deur een knus huisje met de naam Niet-Weten. Vervolgens prijs je die fictieve bouwval aan als een paleis van blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, innerlijke vrede en/of grenzeloze vreugde. En als ik niet toehap, begin je over de ruimte, openheid en onbegrensdheid van het omringende landschap. Leerling: Neem me niet kwalijk. Meester: Je had makelaar moeten worden. Leerling: Ik bén makelaar. Meester: Maar ik geen klant. Leerling: U woont al ergens? Meester: Ik woon al nergens. Leerling: Legt u het dan eens uit in uw eigen woorden. Meester: Dat heb ik al gedaan. Leerling: Dat is me dan ontgaan. Meester: Ik snap het zelf ook niet. Leerling: Wat? Meester: Zeg, ik blijf niet aan de gang. Leerling: Toe nou! Meester: Weer het mes op de keel? Leerling: Ik moet het weten. Meester: Weten is niet de weg. Leerling: U weet alleen dat u de deur niet meer uit hoeft? Meester: Dat neem ik terug. Leerling: Want dat weet u ook niet? Meester: Je ziet wat ervan komt. Leerling: Volgens mij weet u het echt niet! Meester: Hoe zou je dat vinden? Leerling: Ik zou het echt niet weten. Meester: Aha! De verzoeningLeerling: Kan het Werk mij verlossen van de gedachte dat ik te dik ben?Meester: Waarom denk je dat? Leerling: Het leert je toch om je met de realiteit te verzoenen? Meester: Misschien is denken dat je te dik bent wel de realiteit. Het betere WerkLeerling: Ik overweeg om weer chocola te gaan eten.Meester: Waarom zou je? Leerling: Omdat het de vaatwanden soepel houdt. Meester: Is dat waar? Leerling: Ze zeggen het. Meester: Maar weet je het ook? Leerling: Ik heb het niet persoonlijk vastgesteld. Meester: En waarom zou je geen chocola eten? Leerling: Omdat je er dik van wordt. Meester: Is dat waar? Leerling: Alleen in grote hoeveelheden. Meester: Dan zijn we eruit. Leerling: Eh... zal ik nou weer chocola gaan eten of niet? Meester: Precies. Leerling, verward: Is dit nou het Werk? De meester knikt. Leerling: Volgens mij doen we iets niet goed. Meester: Volgens mij doen we het maar al te goed. Gedachte of werkelijkheid
Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid.Meester: Wat is het verschil? Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid. Meester: Wat is het verband? Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid. Meester: Is dat een gedachte of de werkelijkheid? Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid. Meester: Gedachten maken deel uit van de werkelijkheid. Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid. Meester: De werkelijkheid maakt deel uit van je gedachten. Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid. Meester: Je veronderstelt dat je het voor het zeggen hebt. Leerling: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid. Meester: Spreek voor jezelf. Leerling: Als ik dat doe weet ik meteen niks meer te zeggen. Meester: Nou hebben we het ergens over! Dát
Leerling: Iemand die bij iedere vervelende gedachte meteen het Werk doet, ziet steeds de Realiteit onder ogen.Meester: De wat? Leerling: De Realiteit. Meester: Verklaar je nader. Leerling: Het Werk zorgt zogezegd voor de juiste... belichting. Meester: Waarvoor? Leerling: Voor een perfecte foto. Meester: Van de Realiteit? Leerling: Precies! De meester proest het uit. Meester: Sorry. Leerling, gelaten: Uitgelachen worden is ook de realiteit. Meester: Is dat een prettige gedachte of een vervelende? De leerling verwaardigt zich niet te antwoorden. De meester begint zachtjes voor zich uit te neuriën. Leerling: Hoe ziet uw realiteit eruit? Meester: Wiens realiteit? Leerling: De realiteit van niet weten. Meester: De wat? Leerling: Doe niet zo flauw. Meester: Hartiger kan ik het niet maken. Leerling: Nou? De meester zucht diep en zegt: Compleet overbelicht. Leerling: Blanco? Meester: Zo kun je het ook zeggen. Leerling: Maar wat betekent blanco? Meester: Compleet onderbelicht. Leerling: Onderbelicht? Meester: Zeg maar gerust onbelicht. Leerling: Zwart? Meester: Als de nacht. Leerling: Of je het nou overbelicht, onderbelicht of onbelicht noemt, het lijkt me niet bepaald de Realiteit die u onder ogen ziet. Meester: Ik heb geen idee wat dat mag wezen. Leerling: Maar wat ziet u dan wel onder ogen? Meester: Dát. Niets uitgezonderdLeerling: Mits oprecht uitgevoerd, bevrijdt het Werk je van alle gedachten.Meester: Ook van deze. Leerling: Wilt u beweren dat het Werk niet werkt? Meester: Ook van die. KinderwerkLeerling: Kunt u mij het Werk aanraden?De meester haalt zijn schouders op. Leerling: Bedoelt u dat ik het beter niet kan doen? De meester haalt zijn schouders op. Leerling: Volgens Tony Parsons bestendigt het Werk het geloof in de illusie van afgescheidenheid. Meester: Misschien bestendigt Tony Parsons wel het geloof in de illusie van eenheid. Leerling: Wat vindt u trouwens van Tony Parsons? Meester: Een intrigerende man, denk ik weleens, en nog lief ook. Leerling: Denkt u ook weleens wat anders? Meester: Dat gaat maar door. Leerling: Kunt u hem aanraden? De meester haalt zijn schouders op. Leerling: Wat vindt u van Byron Katie? Meester: Een intrigerende vrouw, denk ik weleens, en nog lief ook. Leerling: Denkt u ook weleens wat anders? Meester: Dat gaat maar door. Leerling: Kunt u haar aanraden? De meester haalt zijn schouders op. Leerling: U geeft natuurlijk de voorkeur aan uw eigen niet weten. Meester: Niet weten is van niemand. Leerling: Of van iedereen. Meester: Maar zeker niet van mij. Leerling: Wat is er wel van u? Meester: Ik zou het echt niet weten. Leerling: Los daarvan? Meester: Wat was ook alweer de vraag? Leerling: Of uw voorkeur uitgaat naar niet weten. Meester: O ja. Leerling: Nou? De meester haalt zijn schouders op. Leerling: U wordt verondersteld mij te helpen! Meester: Ik doe mijn best. Leerling: U haalt alleen maar uw schouders op! De meester haalt zijn schouders op. Leerling: Nou doet u het weer! Meester: Dat is zogezegd mijn Werk. Leerling, schamper: Een kind kan de was doen. Meester: Als dát geen aanbeveling is... Geen, geen, geenLeerling: Wat is cognitieve therapie?Meester: Een methode om irreële gedachten te vervangen door reële. Leerling: Wat is filosofie? Meester: Een methode om onware gedachten te vervangen door ware. Leerling: Wat is wetenschap? Meester: Een methode om speculatieve gedachten te vervangen door empirische. Leerling: Wat is religie? Meester: Een methode om aardse gedachten te vervangen door hemelse. Leerling: Wat is spiritualiteit? Meester: Een methode om negatieve gedachten te vervangen door positieve. Leerling: Waaraan geeft u de voorkeur? Meester: Ik zou het echt niet weten. Leerling: Wat is niet weten? Meester: Geen methode. DLeerling: Wat is het doel van geen methode? Meester: Geen doel. Leerling: Hoe voelt het om geen-doel te hebben? Meester: Geen idee. Leerling: Nou weet ik nog niks. Meester: Dát is niet weten. Psychotherapie of spiritualiteitLeerling: Is het Werk van Byron Katie psychotherapie of spiritualiteit?Meester: Ben ik een mens of een dier?
Leerling: Beide. Meester: Nou dan. Andere leerling: Geen van beide. Meester: Nou dan. Andere leerling: Ik weet het eigenlijk niet. Meester: Nou dan. Andere leerling: Wat heeft dat er nou mee te maken. Meester: Nou dan. VisiesLeerling: Kan men het Werk zien als een voorbereiding op spiritualiteit?Meester: Jazeker. Leerling: Kan men het Werk zien als een hinderpaal voor spiritualiteit? Meester: Jazeker. Leerling: Kan men spiritualiteit zien als een levenslang Werk? Meester: Jazeker. Leerling: Kan men spiritualiteit zien als een ontmaskering van het Werk? Meester: Jazeker. Leerling: Kan men het Werk zien als een ontmaskering van spiritualiteit? Meester: Jazeker. Leerling: Kan men al deze standpunten tegelijk huldigen? Meester: Jazeker. Leerling: En nog andere ook? Meester: De enige grens is je verbeelding. Leerling: Kan men ze ook allemaal verwerpen? Meester: Jazeker. Leerling: Wat is uw centrale visie op het Werk? Meester: Ik zie alles perifeer. Leerling: Laat ik het zo zeggen, welke visie komt het dichtst bij niet weten? Meester: Geen-visie. Vriend of vijandLeerling: Volgens Jan van Delden zijn gedachten onze vijanden. Alleen door ze te negeren vinden we bevrijding.De meester negeert hem. Leerling: Volgens Byron Katie zijn gedachten onze vrienden. Alleen door ze te onderzoeken vinden we bevrijding. De meester kijkt hem onderzoekend aan. Leerling: Wie heeft er nou gelijk? Meester: Wat denk je zelf? Leerling: Dat weet ik juist niet! Meester: Dan valt er ook niets niets te negeren of te onderzoeken. De leerling kijkt hem verbijsterd aan. Meester: Nog andere brandende kwesties? MeesterwerkLeerling: Is het Werk van Byron Katie iets wat je doet of iets wat je overkomt?Meester: Heb je het al gedaan? Leerling: Nog niet. Meester: Is het je al overkomen? Leerling: Ook niet. Meester: Waar hebben we het dan over? Leerling: En als het Werk erop zit? Meester: Welk Werk? Leerling: Waarom weigert u antwoord te geven? Meester: Sinds wanneer is weigeren geen antwoord geven? Leerling: U stelt alleen maar vragen! Meester: Betere antwoorden heb ik niet. Leerling: Dit werkt niet. Meester: Daar moet ík het van hebben. De verliezerLeerling: Als je de strijd aangaat met de realiteit, verlies je altijd!Meester: Is dit al de realiteit of nog steeds de strijd? Een typisch gevalLeerling: Het ergste wat je kan overkomen is een niet onderzochte gedachte!Meester: Een typisch geval van een niet onderzochte gedachte. Het ergsteLeerling: Het ergste wat je kan overkomen is een niet onderzochte gedachte!Meester: Het ergste wat je kan overkomen is weten wat erg is. Leerling: Het ergste wat je kan overkomen is weten wat erg is. Meester: Het ergste wat je kan overkomen is weten. Leerling: Het ergste wat je kan overkomen is weten. Meester: Je denkt nog steeds dat je iets weet. Leerling: Ik denk niet langer dat ik iets weet. Meester: Je denkt nog steeds dat je dat kunt weten. Het enigeLeerling: Het enige lijden is een niet onderzochte geest!Meester: Onderzoek dat eerst maar eens. SmoelwerkEen leerling zegt: Het enige lijden is een niet onderzochte geest!De meester gooit onverwachts een beker accuzuur in zijn gezicht. De leerling schreeuwt iets onverstaanbaars. De meester schreeuwt terug: Is dat waar? De leerling schreeuwt iets onverstaanbaars. De meester schreeuwt terug: Kun je dat absoluut zeker weten? De leerling schreeuwt iets onverstaanbaars. De meester schreeuwt terug: Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn? De leerling schreeuwt iets onverstaanbaars. De meester schreeuwt terug: Wie zou je zijn zonder die gedachte? De leerling houdt op met schreeuwen. De meester schreeuwt: Keer het om. De leerling zakt bewusteloos in elkaar. De meester zegt: Als je dat maar weet. Zeg dat welLeerling: Wij lijden aan onze opvattingen over het leven, nooit aan het leven zelf.Meester: Een opvatting die al heel wat leed veroorzaakt heeft. Geloven of onderzoekenLeerling: Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus.Meester: Geloof je dat of heb je het onderzocht? Leerling: Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus. Meester: Wie zegt dat er een keus is? TerugkerenLeerling: Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze, dan laten ze mij los.Meester: Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze niet, ze laten mij niet los. Leerling: Waarom laten ze u niet los? Meester: Omdat ze mij niet vasthouden. Leerling: Waarom houden ze u niet vast? Meester: Terugkeren is makkelijker. OnderzoekenLeerling: Je kunt je gedachten niet uitzetten maar je kunt ze wel onderzoeken.Meester: Kun je je gedachten wel aanzetten? Leerling: Ook niet. Meester: O? Leerling: Ze wellen spontaan in je op. Meester: Kun je ze dan misschien veranderen? Leerling: Ook niet. Meester: O? Leerling: Ze veranderen vanzelf, of ze veranderen niet. Meester: Wat kun je er dan wel mee? Leerling: Je hebt geen enkele zeggenschap over je gedachten. Meester: Je kunt ze alleen maar onderzoeken? Leerling: Dat zeg ik. Meester: Wat is onderzoeken anders dan het aanzetten, veranderen en uitzetten van allerlei gedachten? De leerling kijkt hem met open mond aan. Na een poosje zegt de meester: Ik dacht al zoiets. Leerling: Wilt u zeggen dat we onze gedachten ook niet kunnen onderzoeken? Meester: Jij bent hier degene die iets wil zeggen. Leerling: Maar ik heb mijn gedachten al zo vaak onderzocht! Meester: Wie zegt dat jij dat deed? Leerling: Dat... dat dacht ik. Meester: Wie zegt dat dat werkelijk gebeurd is? Leerling: Dat meen ik mij te herinneren. Meester: Wie zegt dat een herinnering meer is dan een loze gedachte, nu? Leerling: Zo komt het mij soms voor. Meester: Onderzoek dat dan eerst maar eens. Te laatLeerling: Waarom houden uw gedachten u niet vast?Meester: Omdat ik zelf alleen maar een gedachte ben. De leerling schrijft het meteen op in zijn aantekenboekje. De meester roept nog: Het was maar een gedachte! Maar het is alweer te laat. VliegwerkLeerling: Al is de leerling nog zo snel, de meester achterhaalt hem wel.Meester: Al is de meester nog zo snel, het weten achterhaalt hem wel. Volgens mijMeester: Hoe zit dat nou eigenlijk met onze gedachten?Leerlingen:
Meester: Volgens mij niet. Van de werkelijkheid afkerenLeerling: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je denkt dat er een gerechtvaardigde reden is om te lijden.Meester: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je denkt dat er een reden nodig is om te lijden. Leerling: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je denkt dat er een reden nodig is om te lijden. Meester: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je denkt. Leerling: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je denkt. Meester: Denk je dat nou werkelijk? Leerling: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je... Meester: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je denkt dat je je op een of andere manier van de werkelijkheid af kunt keren. Leerling: Je keert je volledig af van de werkelijkheid als je denkt dat je je op een of andere manier van de werkelijkheid af kunt keren. Meester: Denk je dat? De leerling knikt. Meester: Dan is dat is jouw werkelijkheid. Leerling: Ik dacht eigenlijk de uwe. Meester: Wie zegt dat ik een werkelijkheid heb? Leerling: Waarin bevindt u zich anders? Meester: Wie zegt dat ik mij ergens in bevindt? Leerling: Zijn is érgens zijn. Meester: Dat kan best wezen... Leerling: Maar? Meester: Wie zegt dat ik ben? VriendelijkerLeerling: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.Meester: Of omgekeerd. Leerling: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen. Meester: Is dat de realiteit of een vriendelijk verhaal erover? Leerling: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen. Meester: Maar het verhaal is tenminste begrijpelijk. Vijf leerlingen
Leerling: somber: Alles gebeurt met mij, niet voor mij.Meester: Wie zou je zijn zonder die gedachte? Leerling, blij: Alles gebeurt voor mij, niet met mij. Meester: Wie zou je zijn zonder die gedachte? Leerling, neutraal: Dingen gebeuren gewoon, dat heeft niets met mij te maken. Meester: Wie zou je zijn zonder die gedachte? Leerling, strijdlustig: Bij iedere gedachte moet je je afvragen wie je zou zijn zonder die gedachte. Meester: Wie zou je zijn zonder die gedachte? Leerling, gelaten: Ik laat het allemaal maar over me heen komen. Meester: Wie zou je zijn zonder die gedachte? Fysiek of mentaalLeerling: Er zijn geen fysieke problemen—alleen mentale.Meester: Eerst het verschil maar eens vaststellen.
Een probleem
Leerling: Een probleem in de wereld is niets anders dan een verkeerde voorstelling in je eigen denken. |









