(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Boeddhisme a-z



Verlichting voor dummy'sCitaten >  Spiritualiteit > Boeddhisme

Deze pagina
Citaten over niet weten uit het boeddhisme.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.

Meer citaten (zen-) boeddhisme
> De Grote Weg
> Huang Po
> Nagarjuna
> Niet-weten is het meest nabij
> Poortloze poort
> Santideva
> Tydeman, Nico
> Wetering, Janwillem van de
> Zen a-z

Dwaalteksten zen
> Zen
> Zen 2





India


Samyutta Nikaya (5e eeuw v. Chr.)

Uit de Samyutta Nikaya; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Wel of geen zelf
Toen kwam de zwervende monnik Vacchagotta naar [de plaats] waar de Verhevene was. Er naar toe gekomen, wisselde hij met de Verhevene vriendelijke begroetingen uit. Nadat hij vriendelijke begroetende woorden gewisseld had, ging hij naast hem zitten. En naast hem gezeten, sprak de zwervende monnik Vacchagotta tot de Verhevene het volgende: "Is er, o Gautama, een zelf?"
Toen hij aldus gesproken had, zweeg de Verhevene.
"Maar is er dan, o Gautama, geen zelf?"
En ten tweede male zweeg de Verhevene.
Toen stond de zwervende monnik Vacchagotta op van zijn zitplaats en vertrok. (63)


Diamant-soetra (4e eeuw)

Uit de diamant-soetra; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Niet-kenmerken als kenmerken
Wat denk je, Subuthi, kan een Tathagata herkend worden aan het feit dat hij (bijzondere) kenmerken heeft?
   Subuthi sprak: Dat is niet zo, Verhevene! De Tathagata kan niet herkend worden aan het feit dat hij (bijzondere) kenmerken heeft. Waarom? Verhevene, wat het verwerven van kenmerken betreft: dat is door de Tathagata verklaard als het verwerven van niet-kenmerken.
   Zo toegesproken sprak de Verhevene tot de eerwaarde Subuthi: Als er sprake is van het bezit van kenmerken, Subuthi, is er sprake van een leugen. En als er sprake is van het bezit van niet-kenmerken, is er een leugen. Want de Tathagata kan herkend worden doordat hij niet-kenmerken heeft als kenmerken. (78)

Onbegrijpelijk
Opnieuw sprak de Verhevene tot de eerwaarde Subhuti: Wat denk je, Subuthi, is er enige dharma die door de Tathagata volledig begrepen is als 'het hoogste volledige inzicht' of enige dharma die door de Tathagata is onderricht?
   Nadat hij zo was toegesproken, sprak de eerwaarde Subhuti tot de Verhevene: Voor zover ik de betekenis begreep van wat de Verhevene heeft verklaard, is er niet zoiets als een dharma, die door de Tathagata volledig begrepen is als 'het hoogste volledige inzicht'. In die zin is er geen dharma die door de Tathagata is onderricht. De dharma die door de Tathagata volledig begrepen en onderricht is, is onbegrijpelijk, onuitsprekelijk. Het is niet een dharma, noch een niet-dharma. (80)

Geen concepten
En verder nog, Verhevene, zal er bij hen geen concept van ziel of zelf aanwezig zijn, noch een concept van 'wezen' of van 'levend wezen' of van 'persoon'. Er zal bij hen zelfs geen concept of niet-concept aanwezig zijn. En waarom? Ieder concept, Verhevene, van 'ziel' of 'zelf' is een concept, ieder concept van 'wezen', 'levend wezen' of 'persoon' is een niet-concept. En waarom? Omdat de Boeddha's, de Verhevene, afstand hebben gedaan van alle concepten. (81)


Ishvarakrishna (5e eeuw)

Uit de Verzen van get Samkhya; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

64
Zo ontstaat door de juiste toeleg op het ware de allesomvattende, zuivere en absolute kennis: "Ik ben niet, noch is er 'ik' en 'mij'." (135)

65
Daardoor beschouwt de persoon de natuur op zijn gemak, in de hoedanigheid van toeschouwer, een natuur die, omdat zij door de bedwinging van motieven haar impuls kwijt is, ook verlost is van haar zeven vormen. (135)

66
De één houdt op omdat hij denkt: "Ik heb haar (wel) gezien", de ander omdat ze denkt: "Hij is op me (uit)gekeken." Daarom is zelfs in hun verbinding geen motief meer tot verwekking. (135)


Santideva (ca. 650)

Uit de Bodhicaryavatara, De weg tot het inzicht, Santideva; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Niet het lichaam, niet de waarnemingen
Tanden, haar, noch nagels vormen het 'Ik', noch beenderen of bloed, slijm of spuug of lymfe.
Het 'Ik' is niet merg, zweet of vet; het 'Ik' is niet de ingewanden. Het 'Ik' is niet de darmen, feces of urine.
Het 'Ik' is niet het vlees of de spieren, het is niet de lichaamswarmte of de adem. Het 'Ik' wordt niet gevormd door de lichaamsopeningen en zeker niet door de zes soorten van zintuigelijke waarneming. (107)

Niet de gedachte
De gedachte, verleden of toekomstig, is ook niet het 'Ik', omdat ze nu, op dit moment, niet wordt waargenomen. Is het 'Ik' dan de gedachte van het tegenwoordige moment? Als dat zo was, zou er geen 'Ik' meer bestaan als de gedachte verdwenen was. (109)

Bij nader inzien
De stam van een bananenboom bestaat niet meer als zodanig wanneer hij in stukken gehakt is. Zo bestaat het 'Ik' ook niet echt meer wanneer het dieper en nader onderzocht wordt. (109)

Niemand
[Leerling] Als er dan geen 'wezen', geen 'Ik' bestaat, wie is dan het object van het medelijden van de bodhisattva's?
[Meester] Dat is een 'wezen' dat als 'wezen' wordt voorgesteld, met behulp van een illusie, die geaccepteerd wordt omwille van het doel, de verlossing, het boeddhaschap.
[Leerling] Maar als er geen 'wezen', geen 'Ik' bestaat, wie heeft er dan een doel?
[Meester] Niemand. In werkelijkheid komt ook het streven naar het boeddhaschap voort uit een illusie. (109)

Fictieve eenheid
De Boeddha heeft in zijn onderricht gesproken van 'een handelende persoon' en 'een die de gevolgen van de handeling ervaart' door zich op een fictieve eenheid van het continuüm te baseren, dat eigenlijk een ononderbroken stroom is van vele momenten die op elkaar volgen en niet bestaan op grond van behoeften en oorzaken. (109)

Het lichaam is niet de ledematen
[Meester] Het lichaam is niet de voeten, de benen, de dijen; het lichaam is niet de heupen, de buik, de rug, de borst of de armen; het is niet de handen, de zijden, de oksels of de schouders; niet de nek of het hoofd. Is het lichaam daarbij?
[Leerling] Niet ieder deel op zich wordt het lichaam genoemd, het is meer zo dat het alle ledematen omvat, het is het geheel van alle ledematen.
[Meester] Als je beweert dat het lichaam als geheel in ieder van de ledematen aanwezig zou zijn, zouden er evenveel lichamen zijn als ledematen.
'Lichaam' of 'persoon' is dus niet iets wat daarbinnen te vinden is, noch daarbuiten. Het lichaam kan niet in de ledematen aanwezig zijn en toch bestaat het ook niet afzonderlijk van de ledematen. Hoe bestaat het dan eigenlijk wel? (110)

Lichaam bestaat niet
'Lichaam' bestaat niet!  Uit verblinding past men het begrip 'lichaam' toe op de ledematen. Dit gebeurt doordat een verschijningsvorm foutief geïnterpreteerd wordt, zoals je in een boomstronk een man meent te zien.
Zolang er een complex van oorzaken is waardoor die illusie als werkelijkheid wordt beschouwd, wordt het lichaam als even echt gezien als je die man meent te zien in die boomstronk.
Je kunt het ook zo stellen: zolang er lichaamsdelen zijn, wordt daarin een 'lichaam' gezien. (110)

Ook het atoom niet
Zo kun je verdergaan: wat is een voet? Hij bestaat immers uit een hoopje tenen. En een teen bestaat weer uit een aantal kootjes en die zijn op hun beurt weer onder te verdelen.
Ook die deeltjes zijn niet uiteindelijk reëel, omdat die weer onderverdeeld kunnen worden in atomen. Ook dat atoom is niet uiteindelijk reëel, omdat het weer verspreid wordt over de windrichtingen. Verspreid over de windrichtingen, omdat het geen deeltjes meer bezit, wordt het ruimte en die is niet reëel. Daarom bestaat ook het atoom niet als uiteindelijke realiteit. (110)

Als beelden in een droom
Zo zijn dus alle materiële constructies even echt als beelden in een droom. Wie zich dat bewust is, kan er ook niet meer aan hechten! Als het lichaam dus niet bestaat, wie is er dan man of vrouw? (111)


Tibet


Rangdzjoeng Dordzje (1284 - 1339)

Uit Gebed van het Grote Zegel van de uiteindelijke betekenis; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Vrij van de uitersten
Moge ik vrij van de uitersten van eternalisme (eeuwigheidsleer) en nihilisme, middels de betekenis van de grond van de twee waarheden (absoluut en relatief),
Vrij van de uitersten van lof en blaam, middels het sublieme pad van de twee cumulaties (wijsheid en mededogen),
Vrij van de uitersten van transmigratie en vrede, voor het plukken van de vrucht van het tweevoudige nut (voor zelf en ander)
In aanraking komen met de leer die dwaalt noch misleidt. (230)

Hypostaseringen afkappen
Hypostaseringen op hun grond afkappen is het zelfvertrouwen van de zienswijze. Daarin zonder afleiding volharden is de essentie van meditatieve realisatie. (231)

Projecties van het denken
Alle fenomenen zijn projecties van het denken.
Denken is evenwel zonder denken, de essentie van het denken is immers leeg.
Leeg en onbelemmerd, verschijnt het niettemin;
Moge ik na grondig onderzoek de diepste wortel doorsnijden. (231)

Dualistische fixatie
Niet bestaande subjectieve projecties worden met objectieve waarnemingen verward.
Onder invloed van onwetendheid wordt zelfbewustzijn met een 'ik' verward.
Onder invloed van dualistische fixatie doolt men in uitgestrekte bestaansrijken. (231)

Tegelijk contradictie en overeenstemming
Het is niet iets wat bestaat, want zelfs de 'Overwinnaars' hebben het niet gezien.
Het is niet iets wat niet bestaat, want het is de grond van alle transmigratie en van wat daaraan voorbijgaat.
Tegelijk contradictie en overeenstemming is het de ondeelbare weg van het midden (Madhyamika).
Moge ik de onbegrensde uiteindelijke werkelijkheid van het denken direct ervaren. (231)

Niemand
Er is niemand die kan aantonen: "Dit is het."
Er is niemand die kan weerleggen: "Dit is het niet." ...
Alle "Dit is het" en "Dit is het niet" is in het geheel niet van toepassing. (231, 232)

Het eigen denken
Omdat zowel verschijnselen alsook leegte denken zijn,
En zowel ontstaan alsook vergaan denken zijn,
Moge ik alle hypostaseringen in het denken afkappen. (232)

Het bewegingsloze denken
Mogen de baren van de grove en subtiele voorstellingen op hun eigen plek tot rust komen,
De rivier van het bewegingsloze denken zich natuurlijke settelen. (232)

Leeg
Wanneer ik naar objecten kijk, zie ik ze als denken, zonder object van waarneming.
Wanneer ik naar denken kijk, blijkt het vrij van denken en van nature leeg.
Wanneer ik naar beide kijk, raakt dualistische fixatie spontaan bevrijd.
Moge ik de primordiale staat van het heldere licht van het denken direct ervaren. (232)


Longtsjhenpa Drime Wözer (1308 - 1363)

Uit De in zichzelf bevrijde natuur van het denken in de Grote Perfectie; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Niet dit hier
Ook al wordt de natuur van de fenomenen symbolisch door lege ruimte uitgebeeld,
Fenomenen zijn niet voorstelbaar als natuur van de lege ruimte.
"De natuur van het denken is ongeboren en de fenomenen zijn als lege ruimte":
Ook al spreekt men zo, het is niet meer dan een conventie van spreken,
Zij (deze natuur) is vrij van de categorieën 'zijn' en 'niet-zijn', voorbij aan denken,
Niet als 'dit hier' aan te wijzen en van meet af aan geheel en al perfect. (222)

Doel noch agens
Hola! in de volledig zuivere en ware natuur van de wereld der verschijnselen
Komt plotseling zuiver gewaarzijn vrij van subjectiviteit op.
Al van opkomst af aan verblijft het nergens,
En dan [opeens] neemt men in zichzelf bevrijde Grote Perfectie waar.
De natuur van het denken die zonder oorsprong is en zuiver van begin af aan
Is geheel vrij van inspanning, omdat zij doel noch agens kent! (222)

Zonder enig referentiepunt
Gewaarzijn dat zonder enig referentiepunt is,
Is in essentie vreugde, omdat het geen fixatie op 'het is dit hier' kent.
Zienswijze en meditatie die niet beperkt en sektarisch zijn,
Vervullen met blijdschap, omdat zij geen wijd en smal, noch hoog of laag kenen.
Handelen en resultaat die vrij zijn van acceptatie en afwijzing en van hoop en vrees zijn,
Zijn probleemloos, omdat zij geen winst en verlies kennen.
De natuur van deze illusie die in alle opzichten en tezelfdertijd volmaakt is,
Is een lachertje, omdat zij geen acceptatie en afwijzing van goed of slecht kent. (222)

Vrijheid van conceptueel denken
Verschijnselen en gedachten, die onwerkelijk, ongrijpbaar, vluchtig,
IJl, ononderbroken, onstuitbaar en voortdurend aanwezig zijn,
Wat er ook verschijnt is vrij van de fixatie 'daarin is het' of 'daarin verschijnt het'.
'Zijn' en 'niet-zijn' behoren tot conceptueel denken, vrijheid van conceptueel denken behoort tot de fenomenen zoals ze zijn. (223)

Als een groot spel
Wanneer onbestendige verschijnselen opkomen in een waarnemingsbereik zonder referentiepunt
En kenvermogen zonder fixatie in non-dualiteit bevrijd wordt,
Zijn alle verschijnselen, gedachten en fenomenen als een groot spel van het denken. (223)

Bevrijding van weerlegging en bewijs
In de natuur van het denken - vrij van basis, oorsprong en reële substantie -
Zijn de ongeschapen en spontane kwaliteiten perfect.
Door bevrijding van weerlegging en bewijs, in de fenomenen zoals ze zijn, bereikt men een ontspannen gemoed. (223)

Geconstrueerd
Alle doelbewuste voorstelling is 'geconstrueerd',
Indien zij zonder objectief referentiepunt verrijst, is hetgeen opkomt een actualisering van primordiaal gewaarzijn.
Door bevrijding van afwijzing en acceptatie in hun oorspronkelijke staat bereikt men gemoedsrust.
Door bevrijding van afwijzing en acceptatie in hun oorspronkelijke staat gaat men voorbij het bereik van conceptueel denken. (223)

Vrij van mentale constructen
Wanneer het gewone kenvermogen alert rust, vrij van mentale constructen,
Niet aangedaan door vasthouden aan de wereld van transmigratie en het overstijgen daarvan, is het bevrijd in zijn oorspronkelijke staat.
Aldus bevrijd, in zijn natuurlijke staat en ogenblikkelijk,
Aldaar vrij van conceptueel denken, behoort het tot niets anders dan de conditie van de fenomenen zoals ze zijn,
De onbelemmerde grond van verschijnselen behoort tot de tegelijk heldere en lege sfeer van niet ophoudende manifestatie (van fenomenen zoals ze zijn),
En wanneer het zich manifesteert, bevrijd bij opkomst, behoort het tot de concrete emanatie (van fenomenen zoals ze zijn); daarom is er volstrekte gewisheid:
Het is zeker dat de aandoening van al het conceptuele denken dat behoort tot de wereld van transmigratie overstegen is. (225)

Non-fixatie
Hola! Zeker gezien de aard van verschijnselen en gedachten aan verandering onderhevig is,
Dient men de spiegel van de fenomenen zoals ze zijn, die vrij van enig referentiepunt is, te observeren.
Komt non-fixatie op in fenomenen zonder referentiepunt,
Dat is dan het binnenste van het denken, iets anders is niet aantoonbaar. (225)

De essentiële betekenis
Spontaan tegenwoordig gewaarzijn is de essentiële betekenis van alles dat verschijnt;
Het is de verschijningsvorm van de natuurlijke staat, verander en corrumpeer het niet. (225)

Zonder centrum of omtrek
De ware natuur van alle fenomenen is zonder substantie
En de lege ruimte van niet gefixeerd denken is zonder centrum of omtrek,
En ook al komen ze uit zichzelf op, zonder oorzaak en onbelemmerd,
Los van weerlegging en bewijs en van fixatie op uiterlijke kenmerken zijn zij de eigenlijke betekenis van de natuurlijke staat. (225)


Karma Lingpa (veertiende eeuw)

Uit Uit zichzelf bevrijd naakt schouwen: een kennismaking met gewaarzijn; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Zonder basis
Zeker is dat de natuur van het denken leeg is en zonder basis.
Je eigen denken is zonder substantie en leeg gelijk het hemelruim.
Observeer zelf of je eigen denken zo is of niet.
Leegte is geen zienswijze van extreem nihilisme,
Want er bestaat geen twijfel over dat uit zichzelf ontstaan primordiaal gewaarzijn van het eerste begin af aan (niet alleen leeg maar ook) helder is,
Gelijk de essentie van de zon, uit zichzelf ontstaan en in zichzelf helder.
Observeer of je eigen denken zo is of niet. (217)

Zonder substantie
Het is zeker dat voorstellingen, gemoedsbewegingen en herinneringen niet substantieel op te vatten zijn,
Het zijn ijle bewegingen die gelijk een koele bries zonder substantie verschijnen.
Observeer of je eigen denken zo is of niet. (217)

Uit zichzelf manifest
Het is zeker dat al hetgeen verschijnt uit zichzelf manifest is,
Verschijningen zijn uit zichzelf manifest gelijk reflecties in een spiegel.
Observeer of je eigen denken zo is of niet. (217)

Niets anders
Omdat er elders, buiten het denken, niets bestaat,
Is er niets anders dan het zien van de zienswijze. ...
Hoe vaak je ook kijkt, je kijkt (telkens slechts) naar je eigen denken. (217, 218)

Niemand
Naar buiten, ginds naar het uitspansel van het lege hemelruim gekeken hebbend,
Indien er dan geen verstrooiing van projecties met betrekking tot het denken is, en
Naar binnen, herwaarts naar het eigen denken gekeken hebbend,
Indien er dan niemand is die de projectie van voorstellingen projecteert,
Dan is het eigen denken lucide zonder deze bonte verstrooiing.
Het heldere licht van het eigen gewaarzijn is de fenomenen zoals ze zijn,
Gelijk de zon die opkomt in het lege hemelruim, helder en zonder wolken.
Het is niet onderworpen aan conceptuele voorstellingen en dient opgevat te worden als geheel en al lucide.
Het maakt een wereld van verschil of de werkelijke hoedanigheid daarvan direct wordt waargenomen of niet. (218)

Wonderbaarlijk
Dit heldere licht, van meet af aan ongeboren en uit zichzelf ontstaan,
Wonderbaarlijk, 'kindgewaarzijn' zonder ouders!
Wonderbaarlijk, primordiaal gewaarzijn, door niemand, wie dan ook, geproduceerd en uit zichzelf ontstaan!
Wonderbaarlijk, het ondergaat geen geboorte en is niet onderworpen aan de dood!
Wonderbaarlijk, ook al is het onmiddellijk waarneembaar en helder, het is zonder toeschouwer!
Wonderbaarlijk, ook al zwerft het door de wereld van transmigratie, het komt niet tot euvel!
Wonderbaarlijk, ook al heeft het de volledig ontwaakte staat bereikt, het komt niet tot goedheid!
Wonderbaarlijk, ook al is het alomtegenwoordig, het wordt niet herkend!
Wonderbaarlijk, (toch) hoop je op een ander resultaat, anders dan dit!
Wonderbaarlijk, ook al ben je het zelf, je zocht het toch elders! (218)


China


Sengzhao (384 - 414)

Ook wel Sengchao of Chao genoemd.

Bron: The Book of Chao, a translation from the original Chinese with introduction, notes and appendices, W. Liebental, The Catholic University of Peking, 1948 (Monumenta Serica, Journal of Oriental Studies of the Catholic University of Peking, Monograph XIII).

Uit deel I, On Immutability of Things:

Tegenspreken
Zeggen zij dat (dingen) voorbijgaan dan bedoelen de Wijzen niet dat de dingen letterlijk vergankelijk zijn, maar zij drukken zich op deze wijze uit om het gezonde verstand, dat de dingen voor onvergankelijk houdt, tegen te spreken. Zeggen zij dat (dingen) eeuwig zijn dan bedoelen ze niet dat de dingen letterlijk onvergankelijk zijn, maar zij drukken zich op deze wijze uit om het gezonde verstand, dat de dingen voor vergankelijk houdt, tegen te spreken. Zij veronderstellen beslist niet, zoals gewone mensen, dat de dingen zichzelf in stand houden (terwijl ze veranderingen ondergaan) noch dat de dingen intact blijven (terwijl de omstandigheden veranderen). (50)

Niet tegenstrijdig
De Ch'eng-chü stelt: "De Bodhisattva die zich omringd weet door mensen die in onvergankelijkheid geloven, predikt de doctrine van vergankelijkheid." De Mahyana Sastra stelt: "De dingen bewegen niet, er is geen plaats om naar toe te gaan of om te verlaten." (Deze ongerijmde beweringen) dienen slechts de toehoorder. Ze komen in wezen op hetzelfde neer. Hun woorden mogen tegenstrijdig lijken, zo niet hun doelstelling. (50)

Doelbewust tegenstrijdig
Afhankelijk van de specifieke geestelijke barrière die geslecht moet worden, predikt de Tathagata dit of dat, teneinde bestaande twijfels te overwinnen. Bewust van het feit dat noch positieve beweringen noch negatieve beweringen waar kunnen zijn, doet hij doelbewust tegenstrijdige uitspraken. Paradoxaal en toch niet dubbelzinnig, zo is alleen de taal der Wijzen. ... Hoewel er duizend verschillende manieren zijn om (de waarheid) onder woorden te brengen, zijn ze toch niet inconsistent. (52)



Uit deel II, On Emptiness of the Unreal:

Dingen zijn niet echt
Vandaar dat de Fang-kuang zegt: "Alle dingen (dharma) zijn symbolen, niet echt. Ze lijken op een man die door toverkunst in het leven is geroepen: het is niet dat hij niet bestaat, alleen is hij niet echt. (66)

Dit noch dat
Heb je de naam, dan heb je het ding nog niet; heb je het ding, dan heb je de naam nog niet. Dingen behoren tot de sfeer van het nuttige, namen tot de sfeer van het geldige. Deze sferen vallen niet samen. Als ze niet samenvallen, hoe zou men dan tot de waarheid kunnen komen? Daarom zegt de Chung-kuan: "Dingen zijn niet dit of dat. Maar mensen (wijzen) en maken van het ene ding een 'dit' en van het andere een 'dat' en omgekeerd." 'Dit' en 'dat' verwijzen niet naar één vast ding maar de dwaze meent dat (deze woorden) een definitieve betekenis hebben. 'Dit' en 'dat' bestaan niet totdat iemand ergens naar wijst. Alleen de dwaas meent dat ze voor die tijd al bestonden. Als men het niet-bestaan van 'dit' en 'dat' doorziet, blijft er dan nog iets over waarvan het bestaan bevestigd kan worden? Dus weten we: dingen zijn niet echt, dingen zijn symbolen. (66)



Uit deel III, On Prajna not Cognizant:

Nadat Leren heeft gefaald
Waarlijk, de wijsheid der Wijzen is obscuur en subtiel, diep verborgen en moeilijk te peilen; vormeloos en naamloos, kan zij niet uitgedrukt worden in woorden en symbolen. Zou ik mij moeten gedragen als de Gele Keizer die 'Onwetendheid' gebruikte om de parel te vinden nadat 'Leren' had gefaald, en er in mijn ontoereikende taal over vertellen? Hoe durf ik zelfs maar te beweren dat de Geest van de Wijze beschreven kan worden? Toch zal ik een poging wagen. (69)

Zonder kennis
De Fang-kuang zegt: "Wijsheid is zonder kennis, zonder weten van geboorte en dood." De Tao-hsing zegt: "Er is niets dat wijsheid weet te onderscheiden, niets dat zij ziet." Het onderwerp van deze citaten is een weten, een weerspiegelen zonder kennis, zonder inhoud. Dus moet er een bijzonder soort weten zonder inhoud bestaan, of anders een weerspiegelen dat geen weten is in de gebruikelijke zin van het woord. (70)

Tegelijk wetend en niet-wetend
Wanneer de geest enig object bevat, bevat het niet enig ander object.
De Geest van de Wijze bevat geen objecten.
Hieruit volgt dat hij ieder object bevat.
Weten zonder weten heet alwetendheid. Daarom zegt een soetra: "De Geest van de Wijze bevat geen enkel object en sluit geen enkel object uit." Zo is het. Vandaar dat de Wijze, terwijl hij "met lege geest alles beziend," altijd tegelijk wetend en niet-wetend is. Hij dimt zijn uitstraling, verduistert zijn licht, en weerspiegelt, met lege geest, het Onbekende. (71)

Zonder begrip
Daarom begrijpt de Wijze niet wat hier gebeurt terwijl hij toch het Universum in al zijn diepte weerspiegelt. ... Niets is zo verborgen dat het over het hoofd wordt gezien, maar dit weerspiegelen is geen doelgerichte waarneming. Meer heeft het niet om het lijf, dit niet-wetende weten, opgewekt in de Geest van de Wijze. (72)

Leeg
Op welke wijze bestaat de Geest van de Wijze?
Hoewel reëel, bestaat hij niet.
Hoewel immaterieel, is hij niet onbestaand.
Hij bestaat maar laat zich niet omschrijven; zo is de Geest van de Wijze.
Noch zijn bestaan, noch zijn niet-bestaan kan bevestigd worden.
Niet zijn bestaan want de Geest is zonder vorm en zonder naam.
Niet zijn niet-bestaan want zonder zijn licht zou er geen Wijze zijn.
De Spiegel der Wijsheid, hoewel leeg, weerspiegelt.
Maar hoewel hij weerspiegelt, is hij leeg.
Doordat hij niet beïnvloedt wordt door de indrukken die hij opdoet, raakt hij door alle verwarring toch niet in verwarring.
Dit is hoe de wijze alles wat er plaatsvindt waarneemt, zonder iets in het bijzonder waar te nemen. (72)

Denken zonder denken
Daarom zegt Ratnakuta: "De Bodhisattva denkt zonder denken." ...
Dit is hoe Wijsheid zonder wijsheid is; hoe Waarheid, ofschoon niet bestaand, toch gekend kan worden; hoe de Wijze, ofschoon meebewegend met de de Duizend Veranderingen, zelf onbeweeglijk blijft; hoe zijn reactie, ofschoon hij nergens op reageert, zich toch doet gevoelen. Dit is hoe hij, net als de Natuur, weet zonder weten; hoe hij, net als zij, doet zonder doen. Maar kunnen we dat nog wel weten noemen, of doen? (73)

Van nature niet-wetend
Want er is een soetra die zegt: "Wijsheid, absoluut, is zuiver als de lege ruimte. Er is niets dat zij weet, waarneemt, doet of veroorzaakt." Een dergelijk weten is van nature niet-wetend; er is niets voor nodig om er niet-weten van te maken. (75)

Spreken zonder spreken
Een soetra zegt: "Wijsheid is onbenoembaar, ondefinieerbaar, niet bestaand, niet niet-bestaand, niet werkelijk en niet onwerkelijk. Hoewel blanco is zij toch gevuld met verschijnselen die zij weerspiegelt; hoewel zij weerspiegelt is zij toch blanco." Deze naamloze dharma laat zich niet onder woorden brengen. Desondanks is spraak onvermijdelijk als we erover willen vertellen. Vandaar dat de Wijzen steevast spreken zonder spreken. Ik zal trachten deze paradox uiteen te zetten, ook al schieten mijn woorden evenzeer tekort. (78)

Geen weten maar 'weten'
De Geest van de Wijze: onpeilbaar, zonder inhoud - men kan onmogelijk beweren dat hij bestaat. In de praktijk ononderbroken weerspiegelend - men kan onmogelijk beweren dat hij niet bestaat. Het weten van de Wijze is weliswaar reëel maar niet rationeel. Zijn weten is eerder een 'weten', zijn inzicht eerder een doorzicht. Net zo is zijn niet-weten eerder een 'niet-weten', want wat is het dat hij niet zou weten? (78)

Geen tweespalt
Maar het ontbreken van een object maakt Wijsheid nog niet negatief, en haar doorzicht maakt haar nog niet positief.
Niet onbestaand, hoewel onwetend, is zij 'wetend'.
Niet bestaand, hoewel onwetend, is zij 'niet-wetend'.
Hieruit volgt dat 'weten' hetzelfde is als 'niet-weten' en omgekeerd, zodat men niet kan stellen dat het hier gaat om twee tegengestelde zaken die een tweespalt in de Geest van de Wijze teweegbrengen. (78)

Zonder vasthouden of loslaten
De Wijze verblijft niet in de leegte. Deed hij dat wel, dan zou de leegte toch weer een soort verschijnsel zijn. Door de verschijnselen op te geven maar de leegte te omarmen zou hij lijken op degene die zich, om de pieken te vermijden, in een bergstroom stort. Daarom staat de Superieure Mens met een been in het positieve, zonder er evenwel zijn toevlucht te zoeken, en met het andere been in het negatieve, zonder daar zijn toevlucht te zoeken. Hoewel hij zich aan geen van beide vastklampt, geeft hij ze geen van beide op. (82)

Hoe duisterder de geest
Hoe duisterder de Geest van de Wijze wordt, hoe helderder schijnt het licht van zijn Spiegel; hoe kalmer zijn Geest wordt, hoe spontaner zijn reactie. Zijn dit tegenstrijdigheden? Nee, dat zijn het niet. (85)



Uit een brief van Sengzhao aan Liu I-min over deel III, On Prajna not Cognizant:

Eenzijdig
Ik ben bang dat uw vrienden te veel nadruk leggen op mijn woorden. ... U houdt vast aan wat u weet en houdt uzelf voor onfeilbaar. Daarom ziet u het weten van de Wijze aan voor de aanwezigheid van kennis, zijn niet-weten voor het ontbreken daarvan. Bevestiging en ontkenning zijn beide eenzijdig, en zo lang u aan beide vasthoudt, bevindt u zich niet op de Middenweg die de uitersten mijdt. (105)

Zij weet noch weet niet
Daarom vermijdt de Wijze beide uitersten, en zijn de dingen in zijn ogen bestaand noch onbestaand. Hij eigent ze zich niet toe noch stoot hij ze af. Hij ziet ze zoals ze zijn, waardoor illusies niet kunnen ontstaan, want aan de voorwaarden voor hun ontstaan is niet voldaan. Iets dergelijks geldt voor zijn weten en niet-weten. Daarom zegt een soetra: "Wijsheid erkent noch miskent de dharma. Zij weet noch weet-niet." (105)

Niet-wetend
Weten is iets weten. Als de dharma die de Wijze kent niet iets is, wat weet hij dan? Onder niet weten wordt gewoonlijk verstaan het onvermogen van onbezielde voorwerpen zoals hout, steen en lege ruimte, om zich ergens bewust van te zijn. ... Als ik de term niet-wetend gebruik, bedoel ik echter iets anders, want ik wil daarmee beide alternatieven uitsluiten: [de Wijze] weet noch weet niet (in de gewone betekenis van het woord). Iets dergelijks geldt voor de term niet-bestaand, die dan staat voor bestaand noch onbestaand. (106)



Uit deel IV, On the Namelessness of Nirvana

Maar wat ronddrijven
Denken veronderstelt een geest, lichaam veronderstelt een eigenaar van het lichaam; maar zonder Ego, eigenaar van het lichaam, wordt "de hitte die erts doet smelten niet gevoeld." Zonder Ego, eigenaar van de geest, drijft de geest maar wat rond. Wat er plaatsvindt tussen het persoonlijke zelf en de rest, wat kan Hem [de Wijze] dat schelen? (126)

Nirwana
Spraak vindt zijn oorsprong in woorden, woorden berusten op definities, definities veronderstellen definieerbare dingen. Zonder definities geen woorden. Zonder woorden geen spraak. Zonder spraak geen onderricht. Een soetra zegt: "Nirwana is dharma noch niet-dharma. Met kan het niet leren, men kan het niet denken. Het laat zich niet beredeneren. (129)

Gedaan met de dualiteit
De dingen hebben niet de eigenschap te bestaan of niet te bestaan, noch maakt de Wijze onderscheid tussen het een en het ander. Als de Wijze geen onderscheid maakt, ontstaan er geen afzonderlijke dingen in zijn geest. Als de dingen niet uiteenvallen in bestaand of niet bestaand, behoren ze niet toe aan categorieën. Dit zo zijnd, is het gedaan met de dualiteit. Tegenstellingen gaan op in Eenheid. Van [de Wijze] geen spoor. Dit is Nirwana. (131)

Het rijk van het niet-bereiken
De Werkelijkheid komt tevoorschijn wanneer men de wereld opgeeft, Illusie wordt geboren wanneer men zich aan de wereld vastklampt. Vastklampen is proberen iets te bereiken, opgave reikt naar het naamloze. Hij die de Waarheid volgt, wordt één met de Waarheid, hij die de Illusie volgt, wordt één met illusie. U gelooft in de realiteit van het verkrijgen en streeft ernaar iets te verkrijgen; Ik geloof er niet in en vind mezelf terug in het rijk van het niet-bereiken. (144)

Einde
In Nirwana komt al het aardse tot een mystiek einde. Daarin versmelten Hemel en Aarde, de Duizend Dingen zijn weggespoeld, goden zijn gelijk aan mensen, en identiteit onderscheidt zich niet van verschil. In Nirwana is geen persoonlijk zelf te zien of te horen. Nirwana bereikt men nooit, men bereikt het aldoor. Een soetra zegt: Nirwana is geen Samsara, noch is het iets anders dan Samsara. (144)

Wie?
Als Wereld identiek is met Niet-wereld, wie is het dan de deze bereikt? Als Nirwana gelijk is aan Niet-nirwana, wat wordt er dan bereikt?
De Fang-Kuang zegt: "Is Verlichting een kwestie van Bestaan?
De Boeddha antwoordt: Nee.
Van Niet-bestaan?
Hij antwoordt: Nee.
Van beide?
Hij antwoordt: Nee.
Van geen van beide?
Hij antwoordt: Nee.
Hoe bedoelt u?
Hij antwoord: Verlichting bereiken betekent niet-bereiken."
Daarom zeg ik dat men het bereikt heeft wanneer men het niet-bereiken bereikt heeft. Als bereiken niet-bereiken betekent, wie kan dan nog zeggen dat hij het niet bereikt heeft? (144)

'Het' weten is niet-weten
Het Verre Rijk is niet een land tussen andere landen. Het wordt niet bereikt door aan te komen.
Mystiek Inzicht is geen kennis van bepaalde zaken: 'het' weten is niet-weten.
De vorm van de Kosmos is verborgen in het vormeloze: 'het' zien is niet-zien.
Het Kosmische Geluid zit verstopt in de stilte: 'het' horen is niet-horen. (145)



Uit de inleiding van Walter Liebenthal:

Welk universum?
We moeten goed voor ogen houden dat Sengchao zich niet ten doel stelt een kaart van het Universum op te stellen maar, integendeel, wil aantonen dat het territorium op deze kaart, en de reizigers die er gebruik van maken, helemaal niet bestaan in de gewone zin van het woord. (25)

Subject versus object
Wijsheid weerspiegelt of verlicht de Duizend Dingen. Men zegt dat zij weerspiegelt, niet dat zij waarneemt, want dit laatste veronderstelt alweer een onderscheid tussen waarnemer en waargenomene. (26)

In de Grote Leegte stappen
Chao, als leerling van Kumarajiva, was een Madhyamika.
Madhyamika's zijn geen iconoclasten (net zomin als Ch'anmonniken trouwens). Voor hen behoren goden en hun hemelen, en zelfs het nirwana, opgevat als dit of dat, tot het aardse. Het Mystieke is onkenbaar. Je moet al het bekende laten varen en in de Grote Leegte stappen. Want je hebt geen vaste grond onder je voeten. De Wereld wordt nergens door gedragen. Deze stap - die het stellen van een daad is, en niet het koesteren van een gedachte - was nog nooit eerder gepredikt. (45)