Verlichting voor dummy's >
Citaten >
Filosofie > Arthur Schopenhauer
Deze pagina: Citaten over niet weten van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.
Schopenhauer, Arthur (1788 - 1860)
Uit
De wereld als wil en voorstelling 1, Arthur Schopenhauer,
1997:
Geen zon en geen aarde
De wereld is mijn voorstelling - dit is een waarheid die voor elk
levend en kennend wezen geldt, of schoon alleen de mens haar in het
reflexieve, abstracte bewustzijn kan brengen; doet hij dit dan is bij
hem het stadium van de filosofische bezinning ingetreden. Dan wordt het
hem duidelijk en staat het voor hem vast, dat hij geen zon kent en geen
aarde, maar altijd alleen maar een oog dat een zon ziet, een hand die
een aarde voelt; dat de wereld om hem heen er alleen is als
voorstelling, dat wil zeggen uitsluitend en alleen in relatie tot iets
anders, namelijk iets dat voorstelt - en dat is hij zelf. (57)
Zelfs
ons lichaam
We mogen dus alle gegeven objecten, zonder uitzondering, ja zelfs ons
eigen lichaam ... slechts als voorstelling beschouwen en ze alleen met
de term voorstelling aanduiden. (59)
Het subject
Datgene
wat alles kent en door niets gekend wordt, is het
subject. Het
is de drager van de wereld, de algemene, altijd veronderstelde
voorwaarde van al wat verschijnt, van al wat object is; want alles wat
bestaat, bestaat enkel voor het subject. (59)
Veelheid noch
eenheid
Zoals alle objecten van de aanschouwing is het [lichaam]
ingebed in de vormen van al het kennen, namelijk tijd en ruimte,
waardoor er veelheid is. Maar het subject, het kennende en nooit
gekende, ligt niet binnen die vormen, integendeel, het wordt altijd al
door die vormen zelf vooropgesteld. Aan het subject komt dus geen
veelheid toe noch het tegendeel ervan, namelijk eenheid. We kennen het
nooit, maar het is nu juist datgene wat kent, in alle gevallen waarin
sprake is van kennis. (60)
Materie
Want het verstand
voegt ruimte en tijd samen tot de voorstelling van
materie, dat
wil zeggen van activiteit. Deze wereld als voorstelling bestaat slechts
voor het verstand, zo goed als ze slechts door het verstand. (69)
Droom
"Wij
hebben dromen; zou het hele leven wellicht een droom zijn?", of
preciezer geformuleerd: "Is er een onfeilbaar criterium dat bepaalt of
iets een droom is of werkelijkheid, of iets een hersenschim is of een
reëel object?" (74)
Door een slaap omringd
De veda's en
de purana's weten voor de totale kennis van de werkelijke wereld, die
ze de sluier van Maya noemen, geen betere metafoor te bedenken dan die
van de droom, en ze gebruiken deze dan ook veelvuldiger dan welke andere
ook. Plato zegt bij herhaling dat de mensen slechts in een droom leven
en dat alleen de filosoof ernaar streeft om wakker te blijven. Pindarus
zegt: "de mens is de droom van een schaduw", en Sophocles: "Blijkbaar
zijn wij levenden niets anders dan bedrieglijke gestalten en een
vluchtig schaduwbeeld." In dit gezelschap neemt Shakespeare een zeer
prominente plaats in: "Van dezelfde stof / Zijn wij als dromen; en ons
kleine leven / Is door een slaap omringd." (76)
Het eerste oog
Er
waren dus eerder dieren dan mensen, eerder vissen dan landdieren,
eerder planten dan vissen, en het anorganische was er eerder dan het
organische. De oermassa moet dus een lange reeks van veranderingen
hebben doorgemaakt voordat het eerste oog open kon gaan. En toch blijft
het bestaan van die hele wereld altijd afhankelijk van dat eerste oog
dat openging, ook al was het maar het oog van een insect. Want zo'n oog
is het noodzakelijke medium van het kennen, en uitsluitend door en voor
het kennen bestaat de wereld; zonder het kennen is ze niet eens
denkbaar. (92)
Geen tijd
Maar zonder dag oog, dat wil
zeggen zonder het kennen, was er ook geen 'tevoren', geen tijd. Dat wil
overigens niet zeggen dat de tijd een begin kent; veeleer ligt elk begin
altijd al binnen de tijd. (94)
Qualitas occulta
Elke
verklaring die niet terugleidt naar een verhouding waaraan men niet meer
de vraag naar het "waarom" kan stellen, blijft staan bij een
geaccepteerde
qualitas occulta: zulk een
qualitas occulta is
ook elke oorspronkelijke natuurkracht. Elke natuurwetenschappelijke
verklaring moet uiteindelijk bij een dergelijke
qualitas occulta stoppen,
dus bij iets dat volkomen duister blijft. Zij moet dan ook het diepste
wezen van een steen net zo onverklaard laten als dat van een mens; ze
kan net zomin rekenschap afleggen van de zwaarte, de cohesie, de
chemische eigenschappen van de steen als van het kennen en het handelen
van de mens. (162)
Relatief
Maar elke verklaring [is]
slechts relatief: zij verklaart de dingen slechts in zoverre ze met
elkaar in betrekking staan en laat altijd iets onverklaard, iets wat
stilzwijgend wordt vooropgesteld. In de wiskunde is dit bijvoorbeeld
ruimte en tijd; in de mechnica, in de natuurkunde en in de scheikunde is
dat de materie, de kwaliteiten, de oorspronkelijke krachten, de
natuurwetten; in de plantkunde en in de dierkunde is dat de variatie in
de species en in het leven zelf; in de geschiedwetenschap is dat de
mensenlijke soort met al zijn eigenaardigheden wat betreft het denken en
willen ... .(163)
Vreemd en problematisch
De
filosofie
heeft de eigenaardigheid dat ze helemaal niets als bekend
vooropstelt: alles is haar even vreemd en problematisch, niet alleen de
onderlinge verhoudingen tussen de verschijnselen maar ook de
verschijnselen zelf, ja, zelfs de wet van de toereikende grond waartoe
de andere wetenschappen alles met een gerust gemoed herleiden. Overigens
zou de filosofie met een dergelijke herleiding geen stap verder komen,
omdat elke schakel van de keten haar even vreemd is en ook omdat de aard
van die samenhang voor haar net zo problematisch is als wat erdoor
wordt verbonden - of dit verband nu is aangetoond of niet, het blijft
hoe dan ook problematisch. (163)
Niet de verschijnselen zelf
Bovendien
is de filosofie het meest algemene weten, waarvan de hoofdprincipes
geen afleidingen kunnen zijn uit een ander, nog algemener principe. Het
principe van de tegenspraak regelt alleen de overeenstemming van
begrippen; het produceert zelf geen begrippen. De wet van de toereikende
grond verklaart alleen relaties tussen verschijnselen, niet de
verschijnselen zelf. Daarom mag het de filosofie niet te doen zijn om
het vinden van een
causa efficiens of een
causa finalis die
de wereld als geheel zou verklaren. (164)
Illusie
Want
telkens wanneer een mens op enigerlei wijze van zijn stuk wordt
gebracht, door een ongeluk ten gronde wordt gericht, of wanneer hij
vertoornd raakt of de moed verliest, dan bewijst hij daarmee dat hij tot
het besef komt dat de dingen anders zijn dan hij had verwacht, dat hij
dus met een illusie leefde, de wereld en het leven niet kende, dat hij
niet wist dat de levenloze natuur door middel van het toeval, en de
levende natuur door middel van tegengestelde doeleinden en ook door
kwaad opzet, de wil van het individu op elk moment doorkruist. (172)
Geheimzinnig
Want
ofschoon de etiologie tot dusverre haar doel op de meest volmaakte
wijze in de mechanica heeft bereikt en op de meest onvolmaakte in de
fysiologie, blijft desondanks de kracht, waardoor een steen op de grond
valt of het ene lichaam het andere wegstoot voor ons in wezen niet
minder vreemd en geheimzinnig als de kracht die verantwoordleijk is voor
de bewegingen en de groei van het dier. (182)
De
verschijnselen en hun ordening
Bijgevolg zou ook de meest
complete etiologische verklaring van de gehele natuur eigenlijk nooit
meer zijn dan een register van onverklaarbare krachten en een
betrouwbare opgave van de regels, op grond waarvan de verschijnselen van
die krachten zich in tijd en ruimte voordoen, elkaar opvolgen en voor
elkaar plaatsmaken. Maar het innerlijk wezen van de zich aldus
manifesterende krachten zou ze altijd onverklaard moeten laten, omdat de
wet die zij volgt niet verder reikt; ze zou dus nooit verder komen dan
de verschijnselen en hun ordening. (183)
Onbekend gezelschap
Of,
als ik me een komische vergelijking mag permitteren, omdat ze zoveel
treffender is, - wanneer een filosofisch onderzoeker geconfronteerd zou
worden met een complete etiologie van de gehele natuur, zou het hem te
moede zijn als iemand die op een voor hem onverklaarbare wijze in een
volstrekt onbekend gezelschap verzeild raakt, waarvan de leden hem ieder
op hun beurt een ander lid voorstellen als hun vriend en neef, totdat
hij volkomen in het gezelschap is ingevoerd; hem zal echter telkens
wanneer hij zijn genoegen uitspreekt over de kennismaking, de vraag op
de lippen branden: "Maar hoe kom ik toch in godsnaam in dat hele
gezelschap terecht? (183)
Uit
De wereld als wil en voorstelling 2, Arthur Schopenhauer,
1997:
Een zijden draadje
Want pas nadat men het milennia lang
met
objectief filosoferen had geprobeerd, kwam men tot de
ontdekking dat van de vele dingen die de wereld zo raadselachtig en
problematisch maken, het meest opvallende dit is, dat, hoe onmetelijk en
massief ze ook mag zijn, haar bestaan slechts aan één zijden draadje
hangt, namelijk het toevallige bewustzijn waarin ze existeert. (14)
Uit
één en dezelfde vorm
Deze eigenaardigheid waarmee het bestaan
van de wereld onherroepelijk behept is, voorziet haar - al haar
empirische
realiteit ten spijt - van het stempel van de
idealiteit en
dus van de loutere
verschijning, zodat ze tenminste in dit
opzicht moet worden beschouwd als verwant met de droom, ja zelfs als
vallend binnen één en dezelfde klasse. Want de hersenfunctie die ons
tijdens het slapen een volmaakt objectieve, aanschouwelijke en zelfs
tastbare wereld voortovert, moet een even groot aandeel hebben aan de
presentatie van de objectieve wereld tijdens het waken. Hoewel ze in hun
materie verschillen, zijn beide werelden uit één en dezelfde vorm
gegoten. Deze vorm is het intellect, het functioneren van de hersenen.
(14)
In abstracto
Dat de
objectieve wereld ook zou
bestaan, wanneer er geen enkel kennend wezen zou existeren, lijkt op
het eerste oog zo zeker als wat, omdat het zich in abstracto laat
denken zonder dat de tegenspraak die het in zich draagt aan de dag
treedt. Maar wanneer we deze abstracte gedachte willen
realiseren,
dat wil zeggen wanneer we haar willen herleiden tot aanschouwelijke
voorstellingen, waaraan ze immers (net als al het andere abstracte) haar
inhoud en waarheid moet ontlenen; wanneer we dus proberen ons een
objectieve
wereld zonder kennend subject voor te stellen, dan zullen we tot
het besef komen dat wat we ons voorstellen in feite het tegendeel is van
wat we oorspronkelijk bedoelden, namelijk niets anders dan het proces
in het intellect van een kennend wezen dat een objectieve wereld
aanschouwt, dus uitgerekend dat wat we wilden uitsluiten. (16)
Het
lichaam als object
Als
object, dat wil zeggen als iets
wat uitgebreid is, ruimte in beslag neemt en actief is, ken ik mijn
lichaam alleen in de aanschouwing van mijn hersenen. Deze aanschouwing
komt tot stand via de zintuigen en op de gegevens van de zintuigen past
het aanschouwende verstand zijn functie toe - het zoeken van de oorzaak
bij het gevolg; terwijl het oog het lichaam ziet of de handen het
betasten, construeert mijn verstand de ruimtelijke figuur, die zich in
de ruimte manifesteert als mijn lichaam. (17)
Tegenwicht
Door
de objectieve wereld afhankelijk
van ons te maken biedt het
idealisme het nodige tegenwicht tegen de afhankelijkheid van de
objectieve wereld waarin
wij door de natuur worden geplaatst. De
wereld die ik bij mijn dood verlaat, is tevens alleen maar mijn
voorstelling. Het zwaartepunt van de existentie komt weer in het
subject
te liggen. Wat bewezen wordt is niet - zoals in het spiritualisme -
de onafhankelijkheid van het kennend wezen van de materie, maar de
afhankelijkheid van alle materie van hem. (26)
De materialist
Ook
al meent de materialist dat hij verder niets postuleert dan deze
materie - bijvoorbeeld atomen - ; toch voegt hij er onbewust niet alleen
het subject aan toe, maar ook ruimte, tijd en causaliteit, die berusten
op speciale bepalingen van het subject. (28)
Mijn hoofd in de
ruimte
Ondanks alle
transcendentale idealiteit behoudt de
objectieve wereld haar
empirische realiteit. Het object is
weliswaar geen ding-op-zichzelf, maar als empirisch object is het toch
reëel. Weliswaar is de ruimte alleen aanwezig in mijn hoofd, maar in
empirische zin bevindt mijn hoofd zich in de ruimte. (32)
Waar
doet het zeer?
Zoals we ons namelijk inbeelden dat we de dingen
direct waarnemen op de plaats waar ze zich bevinden, terwijl het zich
allemaal toch heus in de hersenen afspeelt - zo denken wij ook de pijn
van een lichaamsdeel te voelen in het lichaamsdeel zelf, terwijl ook de
pijn in de hersenen wordt gevoeld, de plek waar ze door de zenuw van het
aangedane lichaamsdeel naartoe wordt geleid. (40)
Fantoompijn
Daarom
ten slotte voelt degene die een arm of been heeft verloren, toch nog
bij tijd en wijle pijn in dat lichaamsdeel, omdat de zenuwen die naar de
hersenen lopen nog intact zijn. (40)
Naar buiten
Kortom,
in beide gevallen wordt dat wat zich afspeelt in de hersenen,
waargenomen alsof het zich buiten de hersenen bevindt: bij de
aanschouwing door tussenkomst van het verstand dat zijn voelsprieten
naar de buitenwereld uitsteekt, en bij het gewaarworden van de ledematen
door tussenkomst van de zenuwen. (40)
Blinde vlek
...
moeten we constateren dat alle religies op hun hoogtepunt uitmonden in
mystiek en mysterie, dat wil zeggen in duisternis en verborgenheid, die
voor het kennen slechts de betekenis hebben van een blinde vlek,
namelijk het punt waar alle kennis onherroepelijk ophoudt. In het denken
kan dit punt alleen maar uitgedrukt worden door negaties; in de
zintuiglijke aanschouwing wordt het aangeduid door symbolische tekens,
in de tempels door duisternis en zwijgen, en in het brahmanisme zelfs
door de eis tot het stilzetten van al het denken en aanschouwen, ten
behoeve van de diepste inkeer in de grond van het eigen zelf, onder het
in gedachten uitspreken van het mysterieuze
Om. (761)
Negatie
Dit
is ook de reden waarom mijn leer, wanneer ze op haar culminatiepunt is
aangekomen, een
negatief karakter krijgt, en waarom ze dus met
een negatie eindigt. Ze kan hier namelijk alleen spreken van dat wat
ontkend, wat opgegeven wordt; wat in plaats daarvan gewonnen wordt, wat
daarmee bereikt wordt, kan ze ... niet anders aanduiden dan met "niets",
en ze kan alleen de hoop uitspreken dat het slechts een relatief, en
geen absoluut "niets" is. (763)
De mirabili divina ignorantia
Bovendien
is het op zijn minst waarschijnlijk dat het niet aan ons ligt dat wij
geen antwoorden op deze vragen krijgen, maar dat zo'n antwoord per
definitie onmogelijk is, waar of wanneer dan ook; dat deze dingen niet
alleen relatief maar ook absoluut ondoorgrondelijk zijn; dat niet alleen
niemand ze kan begrijpen maar dat ze op zichzelf onbegrijpelijk zijn,
aangezien ze met geen mogelijkheid passen in de vormen van onze kennis.
(Dit is in overeenstemming met wat Scotus Eriugena zegt: "
de mirabili
divina ignorantia, qua Deus non intelligit quid ipse sit" [over de
wonderbaarlijke goddelijke onwetendheid, op grond waarvan God niet eens
weet wat hijzelf is]. (800)
Land waarop men niet kan staan
Maar
wanneer we ons van de wereld losmaken om de bovengenoemde vragen te
beantwoorden, dan hebben we ook de enige bodem verlaten waarop niet
alleen het leggen van oorzakelijke verbanden mogelijk is, maar ook
kennis als zodanig: dan is alles "
instabilis tellus, innabilis unda"
[land waarop men niet kan staan, water waarin men niet kan zwemmen].
(801)
Van alle kennis verstoken
Het diepste wezen van
de dingen is niet iets wat kent, geen intellect, maar iets wat juist van
alle kennis verstoken is: de kennis wordt er slechts als accident aan
toegevoegd, als hulpmiddel bij de verschijning van dat wezen ... (801)
Uit
Het nut van vrome leugens: over godsdienst, Arthur
Schopenhauer, 2007; hoofdstuk 1,
Over de metafysische behoefte van de
mens, ontleend aan
De wereld als wil en voorstelling II,
1997:
De verwondering
Alleen voor het van gedachten
verstoken dier schijnen de wereld en het bestaan vanzelfsprekend te
zijn; voor de mens zijn ze echter een probleem, waarvan zelfs het meest
primitieve en bekrompen exemplaar van de soort zich op bepaalde heldere
momenten levendig bewust wordt, en dat bij ieder des te duidelijker en
vaker in het bewustzijn treedt, naarmate dat bewustzijn lucider en
bespiegelender is en het zich door ontwikkeling meer stof tot nadenken
heeft eigen gemaakt. In hoofden met een filosofische aanleg ontwikkelt
dit zich ten slotte tot wat Plato 'de verwondering, een zeer wijsgerige
gemoedstoestand' noemt ... (26)
Het niet-zijn
In feite
is het bewustzijn dat het niet-zijn van de wereld net zo goed mogelijk
is als haar zijn, de onrust die het nooit aflopend uurwerk van de
metafysica in beweging houdt. (27)
Nog onbekender
Ook
de fysica (in de ruimste zin van het woord) houdt zich bezig met de
verklaring van de verschijnselen in de wereld. Maar het ligt reeds in de
aard van haar verklaringen besloten dat ze ons niet kunnen bevredigen.
... Want de fysica verklaart de verschijnselen door iets wat nog
onbekender is dan deze verschijnselen op zichzelf al zijn, namelijk door
natuurwetten, die op hun beurt berusten op natuurkrachten, waartoe ook
de levenskracht behoort. (28)
Nooit of te nimmer
De
eerste onvolkomenheid is dat het
begin van de alles verklarende
keten van oorzaken en gevolgen, dat wil zeggen van de samenhangende
veranderingen,
nooit of te nimmer te achterhalen is, maar net als
de grenzen van de wereld in ruimte en tijd voortdurend in een oneindige
verte verdwijnt. (29)
Onbekende grootheid
De tweede
onvolkomenheid is dat alle werkende oorzaken, waaruit men alles
verklaart, altijd stoelen op iets volstrekt onverklaarbaars, namelijk op
de oorspronkelijke
eigenschappen van de dingen en de zich hierin
openbarende
natuurkrachten, op grond waarvan die oorzaken op een
bepaalde manier werken, bijvoorbeeld zwaarte, hardheid, impuls,
elasticiteit, warmte, elektriciteit, chemische krachten enzovoort, en
die in elke gegeven verklaring overblijft, als een absoluut niet weg te
denken onbekende grootheid in een voor de rest volmaakt opgeloste
algebraïsche vergelijking. (29)
Geen potscherf
Er is
geen potscherf, ook al is ze nog zo waardeloos, die niet volledig is
samengesteld uit louter onverklaarbare eigenschappen. (29)
Een
mysterie
Ik zeg dus: op fysische wijze is alles, maar ook niets
verklaarbaar. Net zoals voor de beweging van een aan het rollen
gebrachte bol, moet uiteindelijk ook voor het denken van de hersenen een
fysische verklaring als zodanig mogelijk zijn, een verklaring die dit
laatste net zo begrijpelijk maakt als het laatste. Maar juist dat
eerste, dat we zo volledig menen te begrijpen, is ons in de grond van de
zaak net zo duister als het laatste. Want wat nu precies het innerlijke
wezen is van de expansie in de ruimte, van de ondoordringbaarheid, van
de beweeglijkheid, van de hardheid, van de elasticiteit en van de
zwaarte - dat alles blijft, ook na alle fysische verklaringen, een
mysterie, net als het denken. (31)
Net zo geheimzinnig
Omdat
echter bij [het denken] het onverklaarbare het opvallendst aan de dag
treedt, maakte men hier terstond een sprong vanuit de fysica in de
metafysica en werd een substantie gehypostaseerd van een heel andere
aard dan al het lichamelijke, er werd een ziel in de hersenen geplant.
Was men niet zo bot geweest om alleen door de opvallendste verschijning
gefrappeerd te kunnen worden, dan had men ook de spijsvertering door een
ziel in de maag, de vegetatie door een ziel in de plant, de chemische
affiniteit door een ziel in de reagentia, ja zelfs het vallen van een
steen door een ziel in deze steen moeten verklaren. Want de kwaliteit
van elk anorganisch lichaam is net zo geheimzinnig als het leven in het
levende. (30)
Botanica
Strikt genomen zou men kunnen
beweren dat de hele natuurwetenschap in de grond van de zaak niet meer
presteert dan de botanica: namelijk het bijeenbrengen van het
gelijksoortige, met andere woorden het classificeren. (31)
Verschijning,
niet ding-op-zichzelf
Ten tweede blijkt de ontoereikendheid van
het zuivere naturalisme uit die fundamentele filosofische waarheid ...
dat al wat
object is, zowel wat betreft zijn objectieve bestaan
als zodanig maar ook wat betreft de wijze van bestaan (het formele
aspect ervan) volstrekt afhankelijk is van het kennend
subject,
en dus verschijning is en niet ding-op-zichzelf. (34)
Net als
een droom
Met het naturalisme of met de zuiver fysische wijze van
beschouwen zullen we dus nooit kunnen volstaan; ze zijn als een
rekensom die nooit opgaat. Causale ketens zonder begin en einde,
ondoorgrondelijke fundamentele krachten, oneindige ruimte, tijd zonder
begin, eindeloze deelbaarheid van de materie en dit alles bovendien
afhankelijk van een kennend brein, de enige plek waar het bestaat, net
als een droom, en zonder welke het verdwijnt - dit alles vormt het
labyrint waarin het fysicalisme ons eindeloos laat ronddolen. (35)
Zelfbewustzijn
Maar
zij die denken dat smeltkroes en retort de enige bron van alle wijsheid
zijn, zijn op hun manier net zo abuis, als eertijds hun antipoden, de
scholastici. Zoals deze namelijke worstelden met hun abstracte
begrippen, waarin ze helemaal verstrikt zaten en daarbuiten niets kenden
en niets onderzochten, zo zijn die natuurvorsers volledig verstrikt in
hun empirie, wijzen alles af wat ze niet met eigen ogen kunnen zien en
menen daarmee tot in de diepste diepte van de dingen door te dringen,
niet vermoedend dat tussen de verschijning en dat wat zich daarin
manifesteert, namelijk het ding-op-zichzelf, een diepe kloof gaapt, een
radicaal onderscheid dat alleen kan worden opgehelderd door de kennis en
de nauwkeurige afbakening van het subjectieve element van de
verschijning en door het besef dat de belangrijkste en definitieve
kennis over het wezen der dingen alleen geput kan worden uit het
zelfbewustzijn. (36)
Wij zijn het zelf
En ofschoon
niemand door de sluier van de vormen van de aanschouwing heen het
ding-op-zichzelf kan kennen, draagt ieder van ons het met zich mee, ja,
wij zijn het in feite zelf. (42)
Diepe nacht
Welke
fakkel we ook mogen aansteken, en welke ruimte deze ook moge verlichten,
steeds zal onze horizon door diepe nacht begrensd blijven. (46)
Blaaskaken
Zij
die beweren dat ze de uiteindelijke, dat wil zeggen de eerste gronden
der dingen kennen en dus weet hebben van een oerwezen, een absolutum -
of hoe men het verder ook moge noemen - evenals van het proces, de
oorzaken, de motieven, of wat dan ook, ten gevolge waarvan de wereld
ontstaat of opwelt of valt, of geproduceerd wordt, in aanzijn wordt
gebracht, 'vrijgelaten' en naar buiten gewerkt wordt - zulke lieden
hoeven we niet serieus te nemen; het zijn blaaskaken, als het al geen
charlatans zijn. (46)
Het Socratische adagium
Want het
noodzakelijke uitgangspunt voor elke vorm van authentiek filosoferen is
dat men diep doordrongen is van het Socratische adagium: 'Het enige wat
ik weet, is dat ik niets weet.' (48)