Verlichting voor dummy's > De bekende weg > Zeg dat dan meteen Deze pagina: Herleiding van spirituele en religieuze gezegden tot niet weten. Auteur: Hans van Dam. Deze website: NIET-WETEN.NL. ThuiskomenLeerling: Verlichting is terugkeren naar je oorspronkelijke staat. Meester: Bedoel je dat je al eerder verlicht bent geweest? Leerling: Jazeker. Meester: Wanneer dan? Leerling: Als baby. Meester: Baby's zijn verlicht? Leerling: De verlichte wordt weer als een baby. Meester: Wat houdt dat in? Leerling: Niet onderscheiden. Niet oordelen. Eén zijn met de wereld. Meester: Onderscheidt de baby niet of weet hij niet te onderscheiden? Leerling: Nou... Meester: Oordeelt hij niet of weet hij niet te oordelen? Leerling: Voor zover ik weet... Meester: Is de baby één met de wereld of weet hij het verschil niet tussen zichzelf en zijn moeder en de dingen om hem heen? Leerling: Hij weet het niet, denk ik. Meester: Herinner je je dat of gis je maar wat? Leerling: Herinneren is een groot woord... Meester: Dus met de oorspronkelijke staat bedoel je een staat van niet weten, gelijk een baby? Leerling: Ja, maar... Meester: Niet weten te onderscheiden, niet weten te oordelen? Leerling: Ik weet het niet precies, maar... Meester: En ook dat is nog een gok? Leerling: Het lijkt er wel op. Meester: Dus met "Verlichting is terugkeren naar je oorspronkelijke staat" bedoel je alleen maar "toen wist ik niks en nou nog niet?" Leerling: Eh... Meester: Zeg dat dan meteen. Alleen maar ditLeerling: Alleen maar Dit!Meester: Wat bedoel je met "Dit"? Leerling: Als ik dat wist zou ik het wel zeggen. Meester: Weet je het niet? De leerling haalt zijn schouders op. Meester: Je weet er niets van? Leerling: Nee. Meester: Je weet niet wat er is en wat het is en of het is? Leerling: Dat zeg ik toch? Meester: Wat bedoel je met "alleen maar"? Leerling: Dat er niets anders is. Meester: Hoe weet je dat? Leerling: Ik zou niet weten wat er anders moest zijn dan dit. Meester: Maar eigenlijk weet je het niet? Leerling: Als u erop staat. Meester: Dus "alleen maar Dit" betekent zoveel als "ik weet niet wat er is en wat het is en of het is en of er nog iets anders is"? De leerling haalt zijn schouders op. Meester: Nou? Leerling: Weet ik veel! Meester: Zeg dat dan meteen. EénLeerling: Alles is één.Meester: Heb je het nageteld? Leerling: U weet heus wel wat ik bedoel. Meester: Vertel. Leerling: Hoe langer ik erover nadenk, hoe vager het onderscheid tussen mij en de rest van de wereld. Meester: Heb je daadwerkelijk vastgesteld dat er geen onderscheid is of heb je het onderscheid nog niet kunnen vinden? Leerling: Eh... dat laatste. Meester: Dus eigenlijk weet je het niet. Leerling: Daar komt het wel op neer, ja. Meester: Is dat wat je bedoelt als je zegt dat alles één is? De leerling zwijgt. Meester: Zeg dat dan meteen. Gods wegenLeerling: Gods wegen zijn wonderbaarlijk. Meester: Pardon? Leerling: Ik bedoel dat mijn eindige verstand te klein is om het Oneindige te kunnen bevatten. Meester: Hè? Leerling: Ik heb het over het numineuze. Meester: Het wat? Leerling: Dat het leven één groot mysterie is. Meester: Wat bedoel je nou toch? Leerling: Dat ik er verdomme geen zak van snap! Meester: Zeg dat dan meteen. Romeinen 11.33
Leerling: Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe
ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.Meester: In je eigen woorden? Leerling: Hoe langer ik erover nadenk, hoe minder ik ervan snap. Meester: Zeg dat dan meteen. Op de wieken van de windLeerling: De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen wil. Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen, hoogste mens, naar Gods beeld en godsvormig. Die gaat ver boven alle begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen bedenken. Op de vleugels van de wind wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: "Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis"; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit.*Meester: Wat wil je nou eigenlijk zeggen? Leerling: Eh... hoe onbegrijpelijk... mond vol tanden... de mens... lege handen... alleen maar vraagtekens... ik weet niet... zelfs dat niet... Meester: Wat? De leerling kijkt hem hulpeloos aan. Meester: Zeg dat dan meteen. * Tekst ontleend aan een preek van de veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber. Meer teksten van Tauber vindt u elders op deze site. Niemand hierLeerling: Niemand hier.Meester: Hoe bedoel je? Leerling: Ik ben niet-iemand, niemand. Ik besta niet echt. "Ik" bestaat niet. "Ik" is een wijze van spreken. Meester: Hoe kom je tot die gedachte? Leerling: Wie zou ik moeten zijn? Mijn naam? Die is toevallig. Mijn herinneringen? Die zijn vluchtig. Mijn persoonlijkheid? Die verandert voortdurend. Mijn lichaam? Idem dito. Mijn werk, mijn prestaties, mijn rollen, mijn netwerk? Allemaal zo veranderlijk als het weer. Meester: Je kunt geen vaste kern ontdekken? Leerling: Precies! Meester: Dus eigenlijk weet je niet wie je bent? Leerling: Jawel, ik ben niemand. Meester: Maar kun je van niemand wel zeggen dat hij ís? Leerling: Daar vraagt u me wat. Meester: Dus met "niemand hier" bedoel je eigenlijk "ik weet niet wie of wat ik ben en of ik ben?" De leerling haalt zijn schouders op. Meester: Zeg dat dan meteen. Het is wat het isLeerling: Het is wat het is.Meester: Wat? Leerling: Gewoon. Meester: O. Leerling: Weet u wel? Meester: Nee. Leerling: O. Meester: Wat bedoel je nou? Leerling: Dat het is wat het is. Meester: Wat dat ook moge wezen? Leerling: Precies! Meester: Maar je weet niet wat het wezen mag? Leerling: Nee, anders had ik dat wel gezegd. Meester: Dus je weet niet wat het is? Leerling: Ik veronderstel van niet. Meester: En wat bedoel je met het? Leerling: Als ik dat wist had ik het wel benoemd. Meester: Dus eigenlijk zei je twee keer niks. Leerling: Van u geleerd. Meester: Dus "het is wat het is" betekent zoveel als "ik kan er geen kaas van maken"? Leerling: Dat zal dan wel. Meester: Zeg dat dan meteen. Leerling: Maar dat klinkt zo stom! Meester: Stom is stom, hoe je het ook zegt. LeegteLeerling: Niets heeft een wezen.Meester: Heb je dat persoonlijk gecontroleerd? Leerling: Nee, dat niet. Meester: Dus sommige dingen zouden wel een wezen kunnen hebben? Leerling: Lijkt me stug. Meester: Wat betekent het voor jou dat iets geen wezen heeft? Leerling: Dat je geen onveranderlijke kenmerken kunt vinden. Meester: Je bedoelt dat je niet weet wat het eigenlijk is? Leerling: Oppervlakkig gezien weet je het wel maar als je erbij stilstaat niet. Meester: Dus als je zegt dat niets een wezen heeft, bedoel je eigenlijk dat je van sommige dingen, en misschien wel van alle dingen, niet weet wat ze zijn? Leerling: Dat is precies wat ik bedoel. Meester: Zeg dat dan meteen. OnuitsprekelijkLeerling: De waarheid laat zich niet in woorden uitdrukken.Meester: Bedoel je dat je niet weet hoe je het moet zeggen? Leerling: Precies. Meester: Waarom noem je het dan de waarheid? Leerling: Ik moet toch iets zeggen. Meester: Maar je had net zo goed het Hoogste kunnen zeggen? Leerling: Waarom niet? Meester: God? Leerling: Welja. Meester: De Leugen? Het Laagste? De Duivel? Leerling: Strikt genomen wel, ja. Meester: Want eigenlijk weet je niet hoe je het moet zeggen. Leerling: Dat zeg ik. Meester: En eigenlijk weet je ook niet wat het is dat je niet weet te zeggen. Leerling: U drijft het wel op de spits. Meester: En is het wel iets of is het veeleer niets? Leerling: Hoe moet ik dat nou weten? Meester: Ook dat weet je niet. Leerling: Strikt genomen niet, nee. Meester: En ruim genomen? Leerling: Ook niet. Meester: Is dat wat je bedoelt met "de waarheid laat zich niet in woorden uitdrukken"? De leerling zwijgt stuurs. Meester: Zeg dat dan meteen. Prajna zonder gnosis
Leerling: Prajna bevat geen gnosis.Meester: Wijsheid is zonder kennis. De leerling knikt. Meester: Sengzhao, Chinese wijsgeer, vijfde eeuw na Christus. Leerling: Inderdaad. Meester: Wat betekent het precies? Leerling: Het hoogste inzicht heeft geen inhoud. Meester: Wat? Leerling: Geen object... alleen het derde oog... onzegbaar... Meester: Nou? De leerling loopt rood aan en zegt: Dat we niks weten. Meester: Niks? Leerling: En dat ook niet. Meester: We? Leerling: Ik. Meester: Ik? De leerling kijkt hem wanhopig aan. Meester: Zeg dat dan meteen. PrajnaparamitaLeerling: In de stroom van Wijsheid gaat de verlichte voorbij alle Wijsheid.Meester: De Hartsoetra. Leerling: Wie kent hem niet. Meester: Maar wat is toch die Wijsheid voorbij alle Wijsheid? Leerling: Weet u dat dan niet? Meester: Help me eens op weg. Leerling: Het Hoogste Inzicht! Meester: Wat is het Hoogste Inzicht? Leerling: De Diepste Waarheid! Meester: Wat is de Diepste Waarheid? Leerling: Datgene wat geen oor kan horen en geen oog kan zien! Meester: Wat is het dat geen oor kan horen en geen oog kan zien? Leerling: En dat noemt zich nou meester. Meester: Nou? Leerling: De Wijsheid voorbij alle Wijsheid! Meester: Nog een keertje, om mijnentwil. Leerling: In de stroom van Wijsheid gaat de verlichte voorbij alle Wijsheid. Meester: Wat vindt hij daar? Leerling: Wie? Meester: De verlichte. Leerling: Waar? Meester: Voorbij alle wijsheid. Leerling: Wijsheid zonder, eh, kennis dus. Zonder object. Zonder inhoud. Zonder weten. Meester: Waaraan ontleent deze Wijsheid dan zijn karakter van wijsheid? Leerling: Uitsluitend aan niet weten. De Wijsheid voorbij alle Wijsheid is een zuiver niet weten. Meester: Voorbij alle Wijsheid gaan, betekent dus al het weten achter je laten? De leerling knikt. Meester: Hoe weet je dat eigenlijk? Leerling: Dat staat in de Hartsoetra. Meester: Je hebt het niet zelf ondervonden? Leerling: Niet als zodanig. Meester: Dus eigenlijk weet je het niet? Leerling: Ik heb al zo vaak... Meester: Dus als je zegt: "In de stroom van Wijsheid gaat de verlichte voorbij alle Wijsheid" bedoel je eigenlijk dat de verlichte misschien niets weet, maar dat je dat eigenlijk niet weet? De leerling zegt niets. Meester: Nou? Leerling: Dat weet ik eigenlijk niet. Meester: Dat ook al niet? De leerling schudt nauwelijks merkbaar zijn hoofd. Meester: Zeg dat dan meteen. Sum qui sumLeerling: Ik ben die ik ben.*Meester: Het onderwerp is gelijk aan het gezegde. Leerling: Nu u het zegt. Meester: Zoiets noemt men een tautologie. Leerling: Een tautologie? Meester: Een manier om niets te zeggen zonder in leugens te vervallen. Leerling: Dat was precies de bedoeling. Meester: Waarom? Leerling: Ik zou niet weten wat ik anders moest zeggen. Meester: Om wát uit te drukken? Leerling: Tja. Meester: Zeg dat dan meteen. * Wijze waarop Jahweh zichzelf omschrijft in Exodus 3:14; ook wel vertaald als "Ik ben die ik zijn zal" en "Ik zal zijn wie ik zijn zal". SunyataLeerling: Sunyata!Meester: Insgelijks. Leerling: U weet toch wel wat dat betekent? Meester: Proost, dacht ik? Leerling: Proost! Meester: Een groet? Leerling: Een groet! Meester: Of was het nou een belediging? Leerling: Sunyata is Sanskriet voor leegte. Meester: Dat zeg ik. Leerling: U zei heel wat anders. Meester: Wat betekent het precies? Leerling: Dat niets is wat het lijkt. Meester: Wat is het dan wel? Leerling: Nou, eh... Meester: Sunyata betekent "Nou, eh"? Leerling: Het betekent dat een ding niets anders is dan alle andere dingen waarvan het voor zijn bestaan afhankelijk is. Meester: En al die andere dingen? Leerling: Daarvoor geldt precies hetzelfde. Meester: Dus iets is alle andere dingen en alle andere dingen zijn ook alle andere dingen? Leerling: Dat is sunyata. Meester: Dus eigenlijk betekent het dat je van niets weet wat het is? Leerling: Nou, eh... Meester: Maar wel dát het is? Leerling: Ik zou graag ja zeggen, maar wat betekent dat dan nog. Meester: Dus je weet van geen enkel ding wat het is en of het is? Leerling: Dat zal dan wel. Meester: Zeg dat dan meteen. De via negativaLeerling: Het numineuze laat zich alleen langs de via negativa benaderen. Meester: Langs de wat? Leerling: De negatieve weg. Niet dit - niet dat. Neti neti. Meester: Wat moet ik me daarbij voorstellen? Leerling: Je geeft een opsomming van allerlei begrippen of tegenstellingen waaraan het onzegbare ongelijk is. Meester: Geef eens een voorbeeld. Leerling: God is liefde noch haat, één noch veel, begrensd noch onbegrensd, persoonlijk noch onpersoonlijk, menselijk noch onmenselijk, bestaand noch onbestaand. Meester: Juist ja. En wat is ie dan wel? Leerling: Tja. Meester: Dat weet je niet? Leerling: Als ik het wist, zou ik de via negativa niet bewandelen. Meester: Dus eigenlijk is de via negativa een stijlfiguur om duidelijk te maken dat je iets niet weet? Leerling: Het is een methode om boven het bekende uit te stijgen. Meester: Een eufemisme voor "Ik weet het niet"? De leerling mompelt iets onverstaanbaars. Meester: Zeg dat dan meteen. De weg en de waarheidLeerling: Ik ben de weg en de waarheid. Meester: Waarheen loopt die weg? Leerling: Naar de waarheid natuurlijk. Meester: Waar is die weg voor nodig als je de waarheid al bent? Leerling: Oké, dan ben ik gewoon de waarheid. Meester: En wat is de leugen? Leerling: Dat weet ik niet want ik ben de waarheid. Meester: Als je de leugen niet kent, hoe weet je dan of je de waarheid bent? Leerling: Omdat alles de waarheid is. Meester: Heb je dat persoonlijk vastgesteld? Leerling: Natuurlijk niet. Meester: Maar hoe weet je het dan? De leerling haalt zijn schouders op. Meester: Dat weet je niet? De leerling schudt zijn hoofd. Meester: Maar je weet wel dat het zo is? De leerling kijkt naar de grond. Meester: Nou? Leerling, fluisterend: Ik weet niet wat ik zeg. Meester: Zeg dat dan meteen. Van het doek en de filmLeerling: Ik ben het doek, niet de film. Meester: Hoe bedoel je? Leerling: Ik heb mezelf jarenlang geïdentificeerd met de hoofdrolspeler in de film die zich voortdurend voor mijn ogen en in mij afspeelt. Meester: En nu? Leerling: Nu besef ik dat het maar een film is. Meester: En wie ben jij dan? Leerling: Het doek waarop de film geprojecteerd wordt. Meester: Of de toeschouwer? Leerling: Dat kan ook. Meester: Maar niet de acteur. Leerling: Die in geen geval. De meester zegt niets. Leerling: Ik ben het kennen, niet het gekende. De meester zwijgt. Leerling: Ik ben het minnen, niet het beminde. De meester gaapt. De leerling slaat zijn opschrijfboekje open. Hij leest voor: Ik ben het bewustzijn, niet de inhoud. Ik ben de computer, niet de software. Ik ben de geest, niet zijn gedachten. Ik ben God, niet zijn schepping. Ik ben het krijtbord, niet het krijt. Ik ben het boek, niet de tekst. Ik ben de leegte, niet de verschijnselen daarin. Ik ben de lucht, niet de wolken. Ik ben Brahman, niet Maya. Ik ben het nu, niet het verleden en de toekomst daarin. Ik ben openheid, niet wat er binnenkomt. Ik ben de ruimte, niet de dingen daarin. Ik ben de spiegel, niet de weerspiegelingen. Ik ben de stilte, niet de geluiden daarin. Ik ben de televisie, niet de programma's daarop. Ik ben de toeschouwer, niet het spektakel. Ik ben de vorm, niet de inhoud. Ik ben het wateroppervlak, niet de rimpels. Ik ben het water, niet de golf. Plotseling meent de leerling iets vreemds te horen. Het is een snurkend geluid. De leerling kijkt op. Leerling: Meester? De meester schrikt op. Hij rekt zich uit en wrijft uitgebreid in zijn ogen. Meester: Hoe ben je tot die conclusie gekomen? Leerling: Welke conclusie? Meester: Dat je het doek bent. Leerling: Ik heb jarenlang naar mezelf gezocht. Wie ben ik? Wat is mijn wezen? Wat is het dat hetzelfde blijft doorheen alle veranderingen? Meester: Ga door. Leerling: Maar ik heb niets kunnen vinden. Meester: Helemaal niets? Leerling: Niets dat aldoor hetzelfde blijft. Meester: Nee? Leerling: Ik ben er niet in geslaagd te bepalen wie of wat ik ten diepste ben. Meester: Ocharm. Leerling: Zeg dat wel. Meester: En toen? Leerling: Toen heb ik me een tijdje heel leeg gevoeld. Meester: En toen? Leerling: Toen viel het kwartje. Meester: Eindelijk. Leerling: Zeg dat wel. Meester: Welk kwartje was dat? Leerling: Het kwartje dat dát is wat ik ben. Meester: Wat? Leerling: Leegte. Meester: O? Leerling: Onbepaaldheid. Meester: Juist. Leerling: Onbepaalbaarheid. Meester: Aha. Leerling: Ik ben het onbepaalde en het onbepaalbare. Meester: Tjonge. Leerling: Ik ben die ik ben. Meester: Waar heb ik dat meer gehoord? Leerling: Ik ben die ik zijn zal. Meester: Dat zien we dan wel weer. Leerling: Ik weet het zeker. Meester: En daarom zeg je dat je het doek bent en niet de film? Leerling: Precies. Meester: Nou, gefeliciteerd ermee. Leerling: Zeg dat wel! Meester: Maar wat bedoel je nou eigenlijk? Leerling: Dat ik... dat ik... dat ik... Meester: Nou? Leerling: Omdat ik er niet achter kan komen wie... Meester: Ga door. Leerling: Omdat ik geen idee heb hoe... of wat... Meester: Nou? De leerling zucht diep en zakt een beetje in elkaar Hij zegt met een klein stemmetje: Dat bedoel ik dus. Meester: Wat? Leerling: Dat ik niet weet wie of wat ik ben. Meester: Dat is alles? De leerling knikt beschaamd. Meester: Even recapituleren. Als jij zegt dat je het doek bent en niet de film dan bedoel je eigenlijk dat je nog steeds niet weet wie je bent? De leerling durft hem niet aan te kijken. Meester: En al die andere fraaie uitdrukkingen? Leerling, piepend: Hetzelfde. Meester: Vijftig manieren om te zeggen dat je er met je verstand niet bij kan? De leerling haalt mompelend zijn schouders op. Meester: Wat zeg je? Leerling: Daar komt het wel op neer. Meester: Zeg dat dan meteen. SpontaniteitLeerling: De verlichte herkent men aan zijn spontaniteit.Meester: Verklaar je nader. Leerling: Zonder nadenken reageert hij onmiddellijk en trefzeker op iedere situatie. Meester: Waarom zou de verlichte niet meer nadenken, denk je? Leerling: Dat heeft hij niet meer nodig. Meester: Waarom niet? Leerling: Omdat hij in één klap de juiste... Meester: De juiste? Leerling: Omdat hij geen onderscheid meer maakt tussen juist en onjuist. Meester: Waarom is hij daarmee gestopt, denk je? Leerling: Omdat hij er... Meester: Nou? Leerling, mompelend: Toch niet uitkwam. Meester: Dus? Leerling: Kun je net zo goed het eerste het beste doen wat je invalt. Meester: Dus met "spontaniteit" bedoel je eigenlijk "gewoon maar wat doen want je moet toch wat"? De leerling perst zijn lippen opeen. Meester: Zeg dat dan meteen. Het zelf realiserenLeerling: Eindelijk heb ik het zelf gerealiseerd!Meester: Wat heb je gedaan? Leerling: Ik heb mijn ware zelf gevonden! Meester: Waar lag het? Leerling: Overal, dat is nou net de grap. Meester: Ik kom niet meer bij. Leerling: Idioot hè. Meester: Maar waarom zeg je dan dat je het gevonden hebt? Leerling: Zo zeg je dat nou eenmaal. Meester: Het klinkt in ieder geval goed. De leerling steekt zijn neus in de wind. Meester: Je zou haast denken dat je wat gepresteerd had. Leerling: Vindt u ook niet? Meester: Drommels nog aan toe. En wat houdt dat ware zelf zoal in? Leerling: Alles dus. Meester: En daar heb je al die jaren voor nodig gehad? Leerling: Ik heb mijzelf en de wereld minutieus onderzocht en uiteindelijk moeten vaststellen dat er geen verschil is. Meester: Je kon de grens tussen binnenwereld en buitenwereld niet vinden? De leerling kijkt hem wantrouwend aan. Meester: Begrijp ik het goed dat je gewoon niet meer weet waar jij ophoudt en waar de wereld begint? De leerling knikt beduusd. Meester: En dat je niet eens meer weet of er wel een jij of een wereld is? Leerling: Dat kan ik niet tegenspreken. Meester: Dus als je zegt dat je het zelf hebt gerealiseerd, bedoel je eigenlijk dat je geen idee meer hebt hoe het allemaal in elkaar steekt? De leerling kijkt hem sip aan. Meester: Zeg dat dan meteen. In de mislukking van het denken
Leerling: God spreekt in de mislukking van het denken.Meester: Wie zegt dat? Leerling: Immanuel Kant, dacht ik. Meester: Wat kan hij daarmee bedoeld hebben? Leerling: Dat God groter... Meester: Over wiens denken had hij het, denk je? Leerling: Zijn eigen denken, denk ik. Meester: Zou hij zijn eigen denken als mislukt hebben beschouwd? Leerling: Daar lijkt het wel op. Meester: Wanneer zeg je dat je denken mislukt is? Leerling: Als het... nietszeggend is? Meester: Wat betekent het dat God spreekt in de mislukking van het denken? Leerling: Dat... Hij niets zegt? Meester: Heeft God gezegd dat hij een Hij is? Leerling: Niet dat ik weet. Meester: Of een Zij? Leerling: Niet dat ik weet. Meester: Of een Het? Leerling: Niet dat ik weet. Meester: Heeft God gezegd dat Hij bestaat? Leerling: Niet dat ik weet. Meester: Of dat Hij niet bestaat? Leerling: Niet dat ik weet. Meester: Of dat Hij spreekt in de mislukking van het denken? Leerling: Niet dat ik weet. Meester: Of dat Hij daarin zwijgt? Leerling: Niet dat ik weet. Meester: Wie spreekt er hier met mij? Leerling: Ik? Meester: En wat zegt ik? Leerling: Ik zegt steeds "niet dat ik weet". Meester: Zegt ik dat of weet ik dat? Leerling: Ik weet het niet, ik zegt maar wat. Meester: Wie of wat spreekt er in de mislukking van jouw denken? Leerling: Ik zou het echt niet weten. Meester: Spreekt de mislukking van je denken eigenlijk niet voor zich? De leerling slaakt een zucht. Meester: Maar wat ze nou wil zeggen... Leerling: Ik mag een boon zijn als ik het weet. Meester: Zeg dat dan meteen. De weg is het doelLeerling: De weg is het doel.Meester: Sofisterij. Leerling: Wat? Meester: Waarom zou de weg het doel zijn? Leerling: Omdat de weg nou eenmaal nergens heen gaat. Meester: Hoe weet je dat de weg nergens heen gaat? Leerling: Wablief? Meester: Heb je dat persoonlijk vastgesteld? Leerling: Omdat... het komt mij voor... ze zeggen... de algemene consensus... het is toch logisch... wat zou er... Meester: Heb je iedere weg tot het einde toe afgelopen? Leerling: Maar dat kan toch helemaal niet? Meester: Wat lul je dan. Leerling: Maar stél nou dat er inderdaad geen eindbestemming zou zijn... Meester: O, gaan we op die toer. Leerling: Werk nou even mee. Meester, zuchtend: Stel. Leerling: Wat kan het doel dan anders zijn dan de weg zelf! Meester: Wat betekent dat nou helemaal. Leerling: Dat de weg zichzelf rechtvaardigt natuurlijk. Meester: In welk opzicht? Leerling: Eh... Meester: Volgens welke gedachte? Leerling: Nou... Meester: Wat is het verschil tussen zelfrechtvaardigend en ongerechtvaardigd? De leerling schuift ongemakkelijk heen en weer. De meester trommelt met zijn vingers op tafel. Leerling: Dat weet ik eigenlijk niet. Meester: Wat weet je eigenlijk wel? Leerling: Eigenlijk niks. Meester: Is dat wat je bedoelt met "de weg is het doel?" Leerling: Daar lijkt het wel op. Meester: Zeg dat dan meteen. |








