(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Niet-weten



Verlichting voor dummy'sHet weten > Niet-weten

Deze pagina: Dwaalteksten over niet weten.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.







Uit en thuis

Meester Eh heeft het op vele manieren gezegd:

Niet weten is ons nabij, wij houden ons verre.

Niet weten is binnen, wij zijn buiten.

Niet weten is hier, wij zijn daar.

Niet weten is thuis, wij zijn uit.

Niet weten is in ons hart, wij zijn in ons hoofd.

Niet weten is inwonend, wij zijn vreemdelingen.

Niet weten is nooit weggeweest, wij zijn nooit teruggegaan.


De Schreeuw

Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Stilte.
Leerling: Wat voor stilte?
Meester: Een oorverdovende stilte.
Leerling: Zo erg?
Meester: Fortissimo furioso.
Leerling: Wat hoort men daarin niet?
Meester: Antwoorden.
De leerling zwijgt geschrokken.
Leerling: Hoe is het daar, in die oorverdovende stilte?
Meester: Hoe moet ik dat weten.
Leerling: U bent daar toch?
Meester: Ik durf het niet te zeggen.
Leerling: Wat moet ik doen om er zelf te komen?
Meester: Ik heb geen idee.
Leerling: Maar je kunt er toch wel komen?
Meester: Wie zegt dat je erheen moet?
Leerling: Bedoelt u dat ik er al ben?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of je wel bent.
De leerling verslikt zich en begint te hoesten.
Nadat hij een slokje water heeft gedronken, zegt de leerling: Is het er fijn?
Meester: Waar?
Leerling: Of vervelend?
Meester: Wat is het verschil?
De leerling drukt zijn nagels in zijn handpalmen en telt tot tien.
Leerling, met verstikte stem: Het komt er dus op neer dat er helemaal geen antwoorden zijn?
Meester: Dat zou nog steeds een antwoord zijn.
De leerling schreeuwt het uit van frustratie.
De meester doet gauw zijn vingers in zijn oren.
Als de leerling eindelijk bedaart, zegt de meester: Zei ik het niet?
Leerling: Wat?
Meester: Fortissimo furioso.


Bijna raak is helemaal mis


Defaitisme is weten dat je net zo goed bij de pakken neer kunt gaan zitten.
Niet weten is geen defaitisme.

Fatalisme is weten dat wij overgeleverd zijn aan onbeheersbare krachten.
Niet weten is geen fatalisme.

Irrationalisme is weten dat wij gedreven worden door onbegrijpelijke krachten.
Niet weten is geen irrationalisme.

Amoralisme is weten dat iedere moraal willekeurig is.
Niet weten is geen amoralisme.

Cynisme is weten dat alles waardeloos is.
Niet weten is geen cynisime.

Nihilisme is weten dat er geen grondwaarden zijn.
Niet weten is geen nihilisme.

Existentialisme is weten dat je zelf zin aan het leven moet geven.
Niet weten is geen existentialisme.

Absurdisme is weten dat het leven belachelijk is.
Niet weten is geen absurdisme.

Solipsisme is weten dat de wereld alleen maar voor mij bestaat.
Niet weten is geen solipsisme.

Idealisme is weten dat alles bewustzijn is.
Niet weten is geen idealisme.

Crypticisme is weten dat het leven een raadsel is.
Niet weten is geen crypticisme.

Nu-isme is weten dat alleen het hier en nu echt is.
Niet weten is geen nu-isme.

Essentialisme is weten dat alles essentie is.
Niet weten is geen essentialisme.

Inessentialisme is weten dat niets een eigen wezen heeft.
Niet weten is geen inessentialisme.

Pluralisme is weten dat de werkelijkheid veelvormig is.
Niet weten is geen pluralisme.

Singularisme is weten dat alleen het individuele werkelijk is.
Niet weten is geen singularisme.

Illusionisme is weten dat de werkelijkheid schijn is.
Niet weten is geen illusionisme.

Nominalisme is weten dat universalia loze namen zijn.
Niet weten is geen nominalisme.

Postmodernisme is weten dat de werkelijkheid bestaat uit de verhalen erover.
Niet weten is geen postmodernisme.

Falsificationisme is weten dat je hypothesen nooit kunt bevestigen.
Niet weten is geen falsificationisme.

Consensualisme is weten dat waarheid een kwestie van afspraak is.
Niet weten is geen consensualisme.

Relativisme is weten dat waarheid relatief is.
Niet weten is geen relativisme.

Subjectivisme is weten dat waarheid persoonlijk is.
Niet weten is geen subjectivisme.

Obscurantisme is weten dat wij beter af zijn als we zo min mogelijk weten.
Niet weten is geen obscurantisme.

Scepticisme is weten dat wij niets weten.
Niet weten is geen scepticisme.

Pyrronisme is weten dat wij ieder oordeel moeten opschorten.
Niet weten is geen pyrronisme.

Ars vivendi is weten hoe je moet leven.
Niet weten is geen ars vivendi.

Ars moriendi is weten hoe je moet sterven.
Niet weten is geen ars moriendi.

Verlichting is weten wie je ten diepste bent.
Niet weten is geen verlichting.

Non-dualisme is weten dat wij niet afgescheiden zijn.
Niet weten is geen non-dualisme.

Monisme is weten dat alles één is.
Niet weten is geen monisme.

Antilogisme is weten dat de werkelijkheid een eenheid van tegendelen is.
Niet weten is geen antilogisme.

Ontologisme is weten dat het zijn zelf de hoogste werkelijkheid is.
Niet weten is geen ontologisme.

Holisme is weten dat alles onontwarbaar samenhangt.
Niet weten is geen holisme.

Universalisme is weten dat alle religies naar hetzelfde verwijzen.
Niet weten is geen universalisme.

Mystiek is weten dat wij één zijn met God.
Niet weten is geen mystiek.


Undo

Leerling: Waarmee kun je niet weten vergelijken?
Meester: Ctrl-Z.
Leerling: Wat?
Meester: Het commando ongedaan-maken op de computer.
Leerling: Wat wordt er dan ongedaan gemaakt?
Meester: Je vorige gedachte.
Leerling: Waarmee?
Meester: Je huidige gedachte.
Leerling: Waarmee maak je die dan weer ongedaan?
Meester: Je volgende gedachte.
Leerling: Dus zo zit dat!
Meester: Gesnopen?
Leerling: Makkie!
Meester: Weg ermee dan.
Leerling: Wat?
Meester: Ctrl-Z.



Struisvogelpolitiek

Leerling: U verschuilt zich in niet weten omdat u niet durft te leven!
Meester: Verschuilen is ook een vorm van leven.
Leerling: U geeft het toe?
Meester: Ik geef een definitie.
Leerling: Maar verschuilt u zich nou of niet?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Ziet u wel!
Meester: Misschien is weten ook een vorm van verschuilen.
Leerling: Waarin?
Meester: De hokjes van je geest?
Leerling: Zoals?
Meester: "Weten", "niet weten", "verschuilen", "leven".
Leerling: Weten duidt op een hokjesgeest?
Meester: Of is "hokjesgeest" ook zo'n hokje?
Leerling: Daar vraagt u me wat.
Meester: Of "hokje"?
Leerling: Verdomd.
Meester: Of "geest"?
Leerling: Niet te geloven!
Meester: Ik bedoel maar.
Leerling: Dus verschuilen we ons allebei!
Meester: Ik zou het echt niet weten.


Twee zielen...

Zegt de ene meester: Eh...
Zegt de andere: U haalt me de woorden uit de mond.


Zonder spreken of zwijgen



Leerling: Hoe breng je niet weten tot uitdrukking zonder spreken of zwijgen?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of je niet weet.
Leerling: Hoe stel je vast of je niet weet?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of je bent.
Leerling: Hoe stel je vast of je bent?
Meester: Eerst maar eens vaststellen wat "zijn" betekent.
Leerling: U hoort mij op weg te helpen, niet op te houden!
Meester: Ik zie het verschil niet.
Leerling: Waar bent u in godsnaam mee bezig!
Meester: Niet weten tot uitdrukking brengen zonder spreken of zwijgen?


Baas boven baas

Leerling: Ik heb niets te zeggen en dat zeg ik.
Meester: Ik heb niets te zeggen en dat ook niet.



Leerling: Ik heb niets te zeggen en dat ook niet.
Meester: Waarom zeg je het dan toch.



Een leerling zwijgt demonstratief.
Meester: Toch weer iets te zeggen gevonden?


Verdomd



Leerling: Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker!
Meester: Ik weet niets en dat ook niet.



Leerling: Ik weet niets en dat ook niet.
Meester: Zeker weten?
Leerling: Verdomd.


Grond

Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Alles tot de grond toe afbreken.



Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Alles tot de grond toe afbreken!
Meester: Wie zegt dat je grond zult vinden?



Leerling: Eindelijk heb ik de ongrond gerealiseerd!
Meester: Zei de aannemer tegen de projectontwikkelaar.


Heen en weer

Leerling: Wat is weten?
Meester: Een vlucht uit niet weten.
Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Een vlucht uit het weten.
Leerling: Bedoelt u dat we voortdurend heen en weer vluchten?
Meester: Tenzij we vanzelf heen en weer gaan.
Leerling: Dat kan ook nog.
Meester: Gesteld dat we inderdaad heen en weer gaan.
Leerling: Wat?
Meester: Want ik kan wel zoveel zeggen.
Leerling: Is dit nou een vlucht uit het weten of een vlucht uit niet weten?
Meester: Dat bedoel ik.


Met wortel en al

Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Het weten met wortel en al uitrukken!
Meester: Toe maar!
Leerling: Hoe zou u het zeggen?
Meester: Het weten terugsnoeien tot de grond?
Leerling: En dan?
Meester: Kijken hoe het weer opkomt?
Leerling: Waarom zou je het weten niet met wortel en al uitrukken?
Meester: Omdat het geen wortel heeft?


Ai

Leerling: Wat is de crux van niet weten?
Meester: Zelfs niet weten van niet weten.
Leerling: Ai, een dubbele ontkenning!
Meester: Ja ja.
Leerling: Ai, een dubbele bevestiging!
Meester: Je had commentator moeten worden.
Leerling:  Bedoelt u met "zelfs niet weten van niet weten" dat je toch kunt weten?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Is dat een bevestiging of een ontkenning?
Meester: Ai, een paradox!


Het toppunt

Leerling: Ik heb een vraag.
Meester: Maar ik geen antwoord.
Leerling: Maar hij gaat over niet weten!
Meester: Daarin ben ik voorgoed afgestudeerd.
Leerling: Over zelfs niet weten van niet weten.
Meester: Wat is daarmee?
Leerling: Is dat nou het toppunt van niet weten of het einde ervan?
Meester: Misschien wel beide.
Leerling: Dat kan ook nog.
Meester: Maar misschien ook niet.
Leerling: Dat kan ook nog.
Meester: Of geen van beide.
Leerling: Dat kan ook nog.
Meester: Maar misschien ook niet.
Leerling: Dat kan ook nog.
Meester: Heb ik hiermee je vraag beantwoord?
Leerling: Natuurlijk niet, idioot!
Meester: Ik zei het toch.
Leerling: Dit is werkelijk het toppunt!
Meester: Het is in elk geval het einde.


Een bord vol


De meester schrijft: NIET WETEN IS...

Een leerling schrijft: Niets aannemen!
De meester schrijft eronder: Zelfs niet dat je niets aanneemt.

Een leerling schrijft: Nergens nestelen!
De meester schrijft eronder: Ook niet in niet nestelen.

Leerling: Alles afbreken!
Meester: Zelfs het afbreken.

Leerling: Overal aan twijfelen!
Meester: Ook aan het twijfelen.

Leerling: Alles ontkennen!
Meester: Zelfs het ontkennen.

Leerling: Niets aanbidden!
Meester: Zelfs niet het niet aanbidden.

Leerling: Vrijheid!
Meester: Ook van de vrijheid.

Leerling: Ruimte voor alles!
Meester: Zelfs voor bekrompenheid.

Leerling: Niets aanhangen!
Meester: Ook geen neutraliteit.

Leerling: De waarheid voorbij!
Meester: Het voorbij-zijn voorbij.

Leerling: Onthecht zijn!
Meester: Zelfs van onthechting.

Leerling: Alles weerspreken!
Meester: Welnee.

Leerling: Je gedachten niet geloven!
Meester: Ook deze niet.

Leerling: Niet reiken!
Meester: Zelfs niet naar niet reiken.

Leerling: Niets zeggen!
Meester: Ook niet dat je moet zwijgen.

Leerling: Alles relativeren!
Meester: Zelfs het relativeren.

Leerling: Ieder oordeel opschorten!
Meester: Ook dit oordeel.

Leerling: Alles aanvaarden!
Meester: Zelfs het afwijzen.

Leerling: Geen standpunt innemen!
Meester: Ook niet over het innemen van standpunten.

Leerling: Alles rustig ondergaan!
Meester: Zelfs je onrust.

Leerling: Niets weten!
Meester: Zelfs niet van niet weten.

De meester legt zijn krijtje neer en slaat zijn handen schoon.
Leerling: Een bord vol niet weten.
Meester: Bon appétit.
Leerling: Doe mij maar friet.
Meester: Conclusie?
Leerling: Geen conclusie.
Meester: Zeker weten?
De leerling knikt van nee.
De leerling schudt van ja.

De meester wijst naar het bord.
Hij zegt: Door welk woord kunnen we "niet weten" vervangen?
Leerling: Verlichting!
Meester: Lees maar voor.
Leerling: Verlichting is niets aannemen. Zelfs niet dat je niets aanneemt. Verlichting is nergens nestelen. Ook niet in niet-nestelen. Verlichting is alles afbreken. Zelfs het afbreken. Verlichting is...
Als de leerling uitgelezen is roept een andere leerling: Zen!
Meester: Lees maar voor.
Leerling: Zen is niets aannemen. Zelfs niet dat je niets aanneemt. Zen is nergens nestelen. Ook niet in niet-nestelen. Zen is...
En zo gaat het verder met termen als "je ware aard", "god", "boeddhanatuur", "realisatie", "zijn", "gewaarzijn", "dada", "mu", "nirwana", "samsara", "liefde", "non-dualiteit", "openheid", "helderheid", "wijsheid" en "wijsheid zonder wijsheid" - tot iedereen aan de beurt is geweest.
Leerling: Wat zou u zelf zeggen?
Meester: Och.
Leerling: In plaats van "niet weten" bedoel ik.
Meester: Eh.
Leerling: Nou?
Meester: Tja.
Leerling: Bedoelt u dat het om de maan gaat en niet om de naam?
De meester schudt driftig zijn hoofd. Hij draait zich om, pakt zijn wisser en poetst met krachtige halen...


... meteen het hele bord maar uit.


Levenswerk

Leerling: Klopt het dat u uw dagboek als uw levenswerk beschouwd?
Meester: Och.
Leerling: Boze tongen beweren dat het helemaal leeg is.
Meester: Het zit anders vol bladzijden.
Leerling: Maar staat er ook wat in?
De meester lacht schaapachtig.
Leerling: Waarom niet?
Meester, fluisterend: Ik ben een beetje een dummy.


Inbeelding

Leerling: Kan het zijn dat u lijdt aan ingebeelde onwetendheid?
Meester: Begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor onwetend houd?
Leerling: Absoluut.
Meester: Nou, ik niet.
Leerling: Houdt u zich dan voor wetend?
Meester: Ik niet.
Leerling: Ik wel.
Meester, verbaasd: Houd jij mij voor wetend?
Leerling: Nee, mezelf.
Meester: En begrijp ik het goed dat jij denkt dat ik mezelf voor iemand houd?
Leerling, verbaasd: Wie niet?
Meester: Kan het zijn dat jij lijdt aan ingebeelde wetendheid?


Een levende en een dode

Leerling: Wat is de overeenkomst tussen een levende en een dode?
Meester: Beiden weten niet.
Leerling: En het verschil?
Meester: Een levende meent te weten, een dode niet.


Een standbeeld

Meester Tja zegt:

Wie van niet weten een standbeeld maakt


roept een beeldenstorm over zich af.


Uitgummen

niet weten is:


voortdurend je eigen gevangenis uitgummen

(als er al een gevangenis is
als er al een gevangene is
als die er al uit wil
als hij al een wil heeft
als er al een gum is)


Bestrijdingsmiddelen

niet weten is:

de werkelijkheid bestrijden met de middelen van het realisme
luchtkastelen bestrijden met de middelen van het idealisme
kennis bestrijden met de middelen van de wetenschap
gedachten bestrijden met de middelen van het denken
stellingen bestrijden met de middelen van de filosofie
bewijzen bestrijden met de middelen van de logica
woorden bestrijden met de middelen van de taal
niet weten bestrijden met niet weten
het bestrijden de rug toekeren
en meteen terug naar af


De vier elementen

Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Water, aarde, vuur en rook.
Leerling: O?
Meester: Water is waarin het weten oplost, aarde is waarin het weten begraven wordt, vuur is waarin het weten verbrandt en rook is waarin het weten opgaat.


De schaatsenrijder en de vlieg

De meester maakt een wandeling met zijn leerling.
In de sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken.
Meester: Een schaatsenrijder ziet wel de oppervlakte maar niet de diepte.
Leerling: Bedoelt u dat je altijd verder moet kijken dan je neus lang is?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester: En maar conclusies trekken.
Thuis botst een bromvlieg onophoudelijk tegen de ruit in een poging om te ontsnappen.
Meester: Een vlieg ziet wel de diepte maar niet de oppervlakte.
Zachtjes legt de leerling de vliegenmepper terug.
De meester trekt een wenkbrauw op.
Leerling: Bedoelt u dat je niet verder moet kijken dan je neus lang is?
De meester zwijgt.
Leerling: Nou?
Meester: En maar conclusies trekken.
Leerling: Bedoelt u dat je beter geen conclusies kunt trekken?
De meester gaapt.
Leerling: Nou?
Meester: En maar conclusies trekken.


Perpetuum mobile

Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Een perpetuum mobile.
Leerling: Waarheen gaat de beweging?
Meester: Het weten uit.
Leerling: En dan?
Meester: Weer terug erin.
Leerling: Een doorgaande beweging.
Meester: Maar waarheen.
Leerling: In beweging blijven, daar gaat het om!
Meester: Wie zegt dat het ergens om gaat?
Leerling: Ik zie wat u bedoelt...
Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?
Leerling: Dit gesprek is zelf een voorbeeld van het perpetuum mobile!
Meester: Van welk perpetuum mobile?
Leerling: Dat van niet weten!
Meester: Wat is niet weten?


In beweging blijven

Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Met de stroom meevaren?
Meester: Dwarsbomen.

Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Dwarsbomen!
Meester: Tegen de stroom in gaan.

Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Tegen de stroom in gaan!
Meester: Met de stroom meevaren.


Gehakt



Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Alles weghakken?
Meester: Het bijltje achter de hand houden.

Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Het bijltje achter de hand houden!
Meester: Het bijltje erbij neergooien.

Meester: Wat is niet weten?
Leerling: Het bijltje erbij neergooien!
Meester: Alles weghakken.


Als ik een boom was

Leerling: Wat is weten?
Meester: Een boom in een potje.


Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Een boom in de vrije natuur.


Leerling: Nou, als ik een boom was zou ik het wel weten.
Meester: Nou, ik niet.


Geen moeilijke keus

Oud vrouwtje: Wat is weten?
Meester: Een balk in je oog. Een steen in je maag. Een brok in je keel. Een last op je schouders. Een doorn in je voet. Een hand vol vliegen. Gal in je hart. Peper in je reet. Zout in je wonden.
Oud vrouwtje: Wat is niet weten?
Meester: Met je mond vol tanden staan.
Oud vrouwtje: Nou, dan zou ik het wel weten.


Een lesje

Piet: Waarom bedriegt u al die kindertjes?
Sint: Opdat ze in mij geloven.
Piet: En dan?
Sint: Dan kunnen ze mij ontmaskeren.
Piet: Waarom wilt u dat?
Sint: Om ze een lesje te leren.
Piet: Welk lesje?
Sint: Dat je niemand moet geloven.
Piet: Behalve jezelf zeker.
Sint: Vooral jezelf niet.
Piet: Waarom niet?
Sint: Zijn zij het niet zelf die in mij geloven?
Piet: Verdomd!
Sint: Vandaar.
Piet: Goed lesje!
Sint: Meen je dat nou?


Niet te geloven

Piet: Gelooft u in Sinterklaas?
Sint: Ik geloof nergens in.
Piet: Behalve dat u nergens in gelooft.
Sint: Dat al helemaal niet.
Piet: Zeker weten?
Sint: Natuurlijk niet!
Piet: Ik geloof er niks van!
Sint: Zeker weten?


Aanhangers

Leerling: Waarom zijn aanhangers van niet weten het niet altijd eens?
Meester: Dat zou je aan een aanhanger van niet weten moeten vragen.



Leerling: Waarom zijn aanhangers van niet weten het niet altijd eens?
Meester: Omdat niet weten geen aanhangers heeft.



Leerling: Waarom zijn aanhangers van niet weten het niet altijd eens?
Meester: Omdat ze niets aanhangen.



Leerling: Waarom zijn aanhangers van niet weten het niet altijd eens?
Meester: Daar ben ik het niet mee eens.


Heb je het door?

Leerling: Steeds denk ik dat ik het doorheb en dan ontglipt het me weer.
Meester: Het gaat niet om het doorhebben.
Leerling: Waarom dan wel?
Meester: Om het ontglippen.
Leerling: Maar daar heb ik nou net niks over te zeggen!
Meester: Heb je het door?


Bijzonder

Leerling: Wat is er zo bijzonder aan niet weten?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Leidt het tot blijvend geluk? Onverstoorbaarheid? Diepe innerlijke vrede? Onvoorwaardelijke liefde? Pure goedheid? Eeuwig leven?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Leidt het tot neutraliteit? Flegma? Willoosheid? Onthechting? Aanvaarding? Berusting?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Durft u het niet te zeggen? Is niet weten een verschrikkelijk geheim? Een woestijn? Een moeras? Een afgrond? Een buitenspelval? Leidt het tot afstomping? Terminale depressiviteit? Eeuwige onrust?  Blijvend ongeluk? Biecht op!
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Dus het is waar.
Meester: Wat.
Leerling: Dat er helemaal niets bijzonders is aan niet weten.
Meester, plotseling enthousiast: Kom daar maar eens om!


Niet innemen

Leerling: Hoe moeten wij omgaan met kennis?
De meester wijst naar een tube zalf.
De leerling leest: "Niet innemen. Alleen voor uitwendig gebruik."
Meester: Zo moeten wij omgaan met kennis.



Leerling: Kennis is als zalf.
Meester: Hoezo?
Leerling: "Niet innemen. Alleen voor uitwendig gebruik."
Meester: Behalve deze kennis zeker?


Sisyphus



Leerling: Waarheen leidt de weg van het weten?
Meester: Bergop.
Leerling: Waarheen leidt de weg van niet weten?
Meester: Bergop.
Leerling: Verrek.
Meester: Verder nog vragen?
Leerling: Wat is de kortste weg naar de top?
Meester: Welke top?
Leerling: Vanwaar anders al die moeite?
Meester: Welke moeite?
Leerling: Dit leven. Deze gesprekken.
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Leerling: Het moet toch ergens goed voor zijn!
Meester: Jij kan het weten.
Leerling: Of wou u zeggen dat er geen top is?
Meester: Hoe moet ik dat weten?
Leerling: Misschien is dát wel het hoogst haalbare.
Meester: Wat.
Leerling: Niet weten of er een top is.
Meester: Wie weet.
Leerling: Volgens mij is dat de top.
Meester: Jij zegt het.
Leerling: Verdorie!
Meester: Wat.
Leerling: Nou weet ik nog niks!
Meester: Zeker weten?
Leerling: Godsamme!
Meester: Dat zeg ik.
Leerling: Wat?
Meester: Bergop.


Lood om oud ijzer?

Leerling: Wat is weten?
Meester: Een leergesprek met jezelf.
Leerling: Komt daar ooit een eind aan?
Meester: Voor de meeste mensen niet.
Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Een dwaalgesprek met jezelf.
Leerling: Komt daar ooit een einde aan?
Meester: Tot nog toe niet.


Niet weten

het vanzelfsprekende verbijstert
het verbijsterende spreekt vanzelf


Rome

Leerling: Onder ons gezegd...
Meester: Wat?
Leerling: Denkt u nou echt dat we niets weten?
Meester: Natuurlijk niet.
Leerling: Wat dan wel?
Meester: Dat al ons weten grondeloos is.
Leerling: Maar dat weet u dan ook zeker.
Meester: Natuurlijk niet.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Anders wist ik toch weer iets.
Leerling: Is uw niet weten wél gegrond?
Meester: Ook mijn niet weten is grondeloos.
Leerling: Hoe komt dat?
Meester: Anders wist ik toch weer iets.
Leerling: Dus uw weten en uw niet weten zijn beide grondeloos?
Meester: Dat weet ik ook niet.
Leerling: Want anders wist u toch weer iets.
De meester knikt.
Leerling: Maar dat maakt uw weten en uw niet weten alleen maar grondelozer.
Meester: Zo kun je dat zien.
Leerling: Wat is dan nog het verschil?
Meester: Waartussen?
Leerling: Weten en niet weten.
Meester: Ik zou het ook niet weten.
Leerling: Dus eigenlijk kunt u geen kant meer op!
Meester: Dus eigenlijk kan ik alle kanten op.


Ervandaan

Leerling: Wat is weten?
Meester: In welk opzicht?
Leerling: In spiritueel opzicht.
Meester: Een vertrekpunt.
Leerling: Waarnaartoe?
Meester: Ervandaan.
Leerling: Naar niet weten?
Meester: Joost mag het weten.
Leerling: Wat is niet weten?
Meester: In spiritueel opzicht?
Leerling: Daarvoor ben ik hier.
Meester: Een vertrekpunt.
Leerling: Waarnaartoe?
Meester: Ervandaan.
Leerling: Nou moe.
Meester: Hoezo.
Leerling: Dat had ik niet gedacht.
Meester: Wat niet.
Leerling: Dat niet weten ook een vertrekpunt zou zijn.
Meester: In plaats van?
Leerling: Een bestemming.
De meester zwijgt.
Leerling: Of niet soms?
Meester: Och.
Leerling: Nou?
Meester: Je moet toch érgens vanuit gaan.
Leerling, juichend: Zie je nou wel!
Meester: Al is het dan maar als vertrekpunt.


Perfect

Leerling: Waarom noemt u het achterwerk de perfecte metafoor voor het verschil tussen weten en niet weten?
Meester: Je staart je blind op de billen maar het venijn zit in de aars.


Een voorbeeld

Leerling: Wat bindt de mens aan zijn weten?
Meester: Een elastiek.
Leerling: Wat heeft dat voor gevolg?
Meester: Hoe vaak je er ook voor wegloopt, je schiet altijd weer terug.
Leerling: U ook?
Meester: Iedereen
Leerling: Maar ik dacht dat u het weten overwonnen had!
Meester: Hoe kom je daar nou bij!
Leerling: Ik heb u nooit op enig weten kunnen betrappen.
Meester: Omdat je niet oplet.
Leerling: Geef eens een voorbeeld.
Meester: Het idee dat een elastiek de mens aan zijn weten bindt?


Bungeejumpen

Leerling: Wat bindt de mens aan zijn weten?
Meester: Een elastiek.
Leerling: Wat heeft dat voor gevolg?
Meester: Hoe harder je ervoor wegloopt, hoe harder je terugschiet.
Leerling: U ook?
Meester: Iedereen.
Leerling: Wat is dan het verschil tussen u en mij?
Meester: Jij blijft rustig in de buurt van het weten rondscharrelen.
Leerling: En u?
Meester: Ik doe aan bungeejumpen.



Leerling: Wat bindt de mens aan niet weten?
Meester: Een elastiek.
Leerling: Wat heeft dat voor gevolg?
Meester: Hoe harder je ervoor wegloopt, hoe harder je terugschiet.
Leerling: U ook?
Meester: Iedereen.
Leerling: Wat is dan het verschil tussen u en mij?
Meester: Ik blijf rustig in de buurt van niet weten rondscharrelen.
Leerling: En ik?
Meester: Jij doet aan bungeejumpen.


Je natuurlijke staat

Leerling: Als je met elastiek aan het weten gebonden bent dan is weten je natuurlijke staat.
Meester: Inderdaad.
Leerling: Maar als je met elastiek aan niet weten gebonden bent dan is niet weten je natuurlijke staat.
Meester: Inderdaad.
Leerling: Wat is nou je natuurlijke staat, weten of niet weten?
Meester: Wil je dat echt weten?
Leerling: Inderdaad.
Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.
Leerling: Waartussen?
Meester: Jou en mij.
Leerling: Wilt u het niet weten of weet u het gewoon niet?
Meester: Dat weet ik ook niet.
Leerling: Wie wel?
Meester: Wie zegt dat iemand het weet?
Leerling: Wilt u zeggen van niet?
Meester: Wat weet ik daarvan?
Leerling: Maar wat is nou je natuurlijke staat?
Meester: Gooi maar in mijn pet.
Leerling: Kom op meestertje, weten of niet weten!
Meester: Misschien is heen en weer gaan tussen weten en niet weten wel je natuurlijke staat.
Leerling, verbluft: Zou het?
Meester: Wie weet.
Leerling: Dat zou een hoop verklaren...
Meester: Gesteld dat er een natuurlijk staat is.
Leerling, verbluft: Daar zegt u me wat!
Meester: En iemand die daarin kan verkeren.
Leerling, verbluft: Daar ging ik inderdaad van uit!
Meester: Misschien is niet weten of er een natuurlijke staat is wel je natuurlijke staat.
Leerling, verbluft: Bij die mogelijkheid had ik nog niet stilgestaan!
Meester: Maar misschien ook niet.
Leerling: Verdorie!
Meester: En dit wou jij een natuurlijke staat noemen?


Geen andere

Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan liefde.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan mededogen.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan eenheid.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan God.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan overgave.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan openheid.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan stilte.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan leegte.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan extase.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan zijn.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet zijn.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan gewaarzijn.
Meester: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.



Leerling: Ik verblijf in niet weten, dat geen andere uitweg kent dan niet weten.
Meester: Ik verblijf nergens. Wat moet ik met een uitweg?


Puzzelen



Leerling: Wat is weten?
Meester: Steeds proberen alles in elkaar te passen.
Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Stukjes zien.


De vraag

Leerling: Weten we nou iets of weten we nou niets?
Meester: Dat is de vraag.
Leerling: En wat is het antwoord?
Meester: Dat zeg ik.
Leerling: Wat dan?
Meester: "Dat is de vraag."


Weten of niet weten


Leerling: Weten of niet weten?
Meester: Weten en niet weten.



Leerling: Weten of niet weten?
Meester: Weten noch niet weten.



Leerling: Weten of niet weten?
Meester: Wetend niet weten.



Leerling: Weten of niet weten?
Meester: "Weten".



Leerling: Weten of niet weten?
Meester: "Niet weten".



Leerling: Weten of niet weten?
Meester: Voorbij weten en niet weten.



Leerling: Weten of niet weten?
Meester: Tja.


Doekjes

Meester: Wat is niet weten?
Leerling: De handdoek in de ring gooien.
Meester: Welke handdoek?
Leerling: Die van het weten natuurlijk.
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Wie wil er nou een doekje voor het bloeden.
Meester: Tja.
Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Je spandoek in de ring gooien.
Leerling: Wat staat erop?
Meester: "Weten is een doekje voor het bloeden", bijvoorbeeld.
Leerling: Is het dat dan niet?
Meester: Ik zou het echt niet weten.



Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Je spandoek in de ring gooien.
Leerling: Wat staat erop?
Meester: "Niet weten is je spandoek in de ring gooien", bijvoorbeeld.
Leerling: Leve de lege spandoek!
Meester: Schrijf dat maar op je spandoek.
De leerling maakt een wegwerpgebaar.
Meester: Wat?
Leerling: Ik gooi de handdoek in de ring.
Meester: Bewaar hem liever voor het bloeden.