Verlichting voor dummy's >
Dwaalmeesters > Meesterschap
Deze pagina: Dwaalteksten over meesterschap en leerlingschap.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
Goeroe Boeroe
Zijn naam is Oeroeboeroe.
Een hele wijze uil.
Een authentieke goeroe!
Hij is mijn diepste kuil.
Abyssus abyssum invocat
Leerling: Wat is de taak van de meester?
Meester: Abyssus abyssum invocat.
Leerling: Wat betekent dat?
Meester: De ene afgrond roept tot de andere.
Eventjes
Leerling: Wanneer ben je leerling?
Meester: Als je eventjes iets weet.
Leerling: Wanneer ben je meester?
Meester: Als je eventjes niets weet.
Leerling: En als je eventjes iets noch niets weet?
Meester: Dan ben je eventjes leerling noch meester.
Leerling: Eindelijk snap ik het!
Meester: Dan ben je weer eventjes leerling.
Om de beurt
Leerling: Ik zal blij zijn als ik geen leerling meer ben.
Meester: Er woont een leerling in ieder van ons.
Leerling: Ook in u?
Meester: Ook in mij.
Leerling: Maar u bent hier toch de meester?
Meester: Er woont een meester in ieder van ons.
Leerling: Ook in mij?
Meester: Ook in jou.
Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?
Meester: Bij jou voert de leerling het hoogste woord.
Leerling: En bij u?
Meester: Bij mij praten ze om de beurt.
Van harte
Leerling: Wat wilt u van mij?
Meester: Niets...
Leerling: Maar?
Meester: Wel van harte.
Leerling: U hebt mij onvoorwaardelijk lief.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: U staat helemaal voor mij open.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: U bent mij keuzeloos gewaar.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Ik laat u helemaal koud.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: U wilt dat ik mezelf kan zijn.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: U wilt dat ik mezelf bén.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: U wilt dat ik bén.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Wat wilt u dan van mij?
Meester: Niets...
Leerling: Maar wel van harte.
Meester: Precies!
Leerling: Wat wilt u van mij?
Meester: Niets...
Leerling: Maar?
Meester: Wel van harte.
Leerling: Moet ik ook niets van anderen willen?
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Moet ik niets van u willen?
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Moet ik niets van mezelf willen?
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Moet ik niets willen?
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Moet ik dan helemaal niets?
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Zolang het maar van harte gaat.
Meester: Dat heb ik niet gezegd.
Leerling: Wat wilt u dan van mij?
Meester: Niets...
Leerling: En dát van harte.
Meester: Precies!
Geen boodschap
Leerling: Zien mensen tegen u op?
Meester: Daar heb ik geen boodschap aan.
Leerling: Als ze dat merken, laten ze u dan vallen?
Meester: Daar heb ik geen boodschap aan.
Leerling: Doet het dan geen zeer?
Meester: Soms wel, soms niet...
Leerling: Maar?
Meester: Daar heb ik geen boodschap aan.
Leerling: En als u er toch een boodschap aan heeft?
Meester: Kan gebeuren.
Leerling: Wat dan?
Meester: Dan heb ik dáár geen boodschap aan.
Leerling: Enzovoort?
Meester: Ad infinitum.
Leerling: Tja.
Meester: Wat?
Leerling: Inspirerend is anders.
Meester: Daar heb ik geen boodschap aan.
Gelijke monniken
Leerling: Zal ik u vousvoyeren of wenst u als gelijke
behandeld te worden?
Meester: Ik heb geen behandeling meer nodig.
De beste leermeester
Leerling: Wat is de beste leermeester?
Meester: Een ezel.
Leerling: Waarom?
Meester: Omdat hij blijft staan zolang je nog wilt vertrekken en blijft lopen zolang je nog wilt afstijgen.
Leerling: Wat is de beste leermeester?
Meester: Een ezel.
Leerling: Waarom?
Meester: Omdat hij altijd de andere kant op gaat.
Leerling: Altijd?
Meester: Tot je voorgoed de weg kwijt bent.
Leerling: Dan wordt hij eindelijk gezeglijk?
Meester: Dan is er geen andere kant meer.
Satsang
Leerling: Wat is satsang?
Meester: Een dwaalgesprek met je goeroe.
Leerling: Wat is verlichting?
Meester: Een dwaalgesprek met jezelf.
Leerling: Wat is het verschil?
Meester: Het eerste is eindig.
Uitgesteld
Leerling: Wat is het verschil tussen u en andere leraren?
Meester: Andere leraren stellen steevast achter of bij of gelijk of gerust
of in of onder of samen of tegenover of teleur of terecht of tevreden of
te weer of te werk of uit of vast of voor of voorop.
Leerling: En u?
Meester: Ik ben voorgoed uitgesteld.
Uitgeteld
Leerling: Wat is het verschil tussen u en andere leraren?
Meester: Andere leraren geloven in de leegte van het boeddhisme of in de eenheid van het monisme of in de niet-tweeheid van het non-dualisme of in de tweeheid van het dualisme of in de drieheid van het Christendom of in de veelheid van het pluralisme.
Leerling: En u?
Meester: Ik ben voorgoed uitgeteld.
Basta!
Leerling: Wie bent u, die ons bijstaat in woord en geschrift?
Meester: Wie niet.
Leerling: Wie niet?
Meester:
Ik ben geen filosoof.
Ik ben geen academicus.
Ik ben geen schriftgeleerde.
Ik ben geen stilist.
Ik ben geen dichter.
Ik ben geen redenaar.
Ik ben geen genie.
Ik ben geen god.
Ik ben niet goddelijk.
Ik ben geen priester.
Ik ben geen verlosser.
Ik ben de stilte niet.
Het is niet stil in mij.
Ik ben geen agnost.
Ik ben geen atheïst.
Ik ben geen theïst.
Ik ben niet de bron.
Ik ben niet het zijn.
Ik ben niet het kennen.
Ik ben niet het absolute.
Ik ben niet het relatieve.
Ik ben niet het zelf.
Ik ben niet geen-zelf.
Ik ben niet de geest.
Ik ben niet geen-geest.
Ik ben niet het bewustzijn.
Ik ben niet dit.
Ik ben niet dat.
Ik ben niet wel.
Ik ben niet niet.
Ik ben niet het niets.
Ik ben niet het ene.
Ik ben niet twee.
Ik ben niet veel.
Ik ben niet alles.
Ik ben niet almachtig.
Ik ben niet alwetend.
Ik ben niet onwetend.
Ik ben niet het niet-weten.
Ik ben geen scepticus.
Ik ben niet wijs.
Ik ben niet dwaas.
Ik ben niet dwijs.
Ik ben niet vrij.
Ik ben niet gebonden.
Ik ben niet onthecht.
Ik ben niet in de wereld.
Ik ben niet van de wereld.
De wereld is niet van mij.
De wereld is niet in mij.
Ik ben het lijden niet voorbij.
Ik ben het voorbijzijn niet voorbij.
Ik heb mijn gedachten niet overwonnen.
Mijn gedachten hebben mij niet overwonnen.
Ik heb de wereld niet verzaakt.
Ik heb mijzelf niet verzaakt.
Ik heb het verzaken niet verzaakt.
Ik heb het juiste antwoord niet.
Ik heb de juiste vraag niet.
Ik weet niet wat verlichting is.
Ik ben niet het licht.
Ik weet niet wat liefde is.
Ik ben de liefde niet.
Ik heb het hart niet op de juiste plaats.
Ik ben niet aan gene zijde.
Ik ben niet aan deze zijde.
Ik ben geen rolmodel.
Ik ben geen dokter.
Ik ben geen psychiater.
Ik ben geen therapeut.
Ik ben geen consulent.
Ik ben geen coach.
Ik ben geen welzijnswerker.
Ik ben geen levenskunstenaar.
Ik ben geen humanist.
Ik ben geen idealist.
Ik ben geen realist.
Ik ben geen optimist.
Ik ben geen pessimist.
Ik ben geen nihilist.
Ik ben geen negativist.
Ik ben geen defaitist.
Ik ben geen fatalist.
Ik ben geen obscurantist.
Ik ben geen bodhisattva.
Ik ben geen goeroe.
Ik ben geen meester.
Ik ben geen leraar.
Ik ben geen vriend.
Ik behoor niet tot een bepaalde school.
Ik ben geen eclecticus.
Ik heb geen meester gehad.
Ik heb niets tegen meesters.
Ik heb geen geloften afgelegd.
Ik heb niets tegen geloften.
Ik ben niet beëdigd.
Ik mediteer niet.
Ik heb niets tegen meditatie.
Ik contempleer niet.
Ik heb niets tegen contemplatie.
Ik bid niet.
Ik heb niets tegen bidden.
Ik brand geen wierook.
Ik heb geen huisaltaar.
Ik heb geen kerk, tempel of moskee.
Ik heb niets tegen kerken, tempels of moskeeën.
Ik voer geen rituelen uit.
Ik heb niets tegen rituelen.
Ik ben niet geroepen.
Ik ben niet gekomen.
Ik ben niet thuisgekomen.
Ik ben niet eeuwig onderweg.
Ik ben geen weg gegaan.
Ik ben niet mijn eigen weg gegaan.
Ik ben de weg niet.
Ik ken de weg niet.
De weg kent mij niet.
Ik ben geen ander.
Ik ben mezelf niet.
Ik ben niet iemand.
Ik ben niet niemand.
Om zijn leerlingen bij de les te houden was de meester steeds harder gaan praten.
Ter afsluiting sloeg hij met zijn vuist op tafel.
Hij riep: En daarmee basta!
Leerling: Doe mij maar chocoladepasta.
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.
Het afscheid
Een leerling gaat naar de meester om afscheid te nemen.
Leerling: Het spijt me, maar ik zie niets meer in u.
Meester: Ik ook niet jongen, ik ook niet.
Aanspreektitel
Leerling: Mag ik u meester
noemen?
Meester: Als je maar niet denkt dat er iets te leren
valt.
Een goede leerling
Leerling: Wat is een goede leerling?
Meester: Een hardleerse leerling.
Leerling: Dat meent u natuurlijk niet.
Meester: Jij zou weleens een hele goeie kunnen worden.
Goed, beter, best
Leerling: Wat is een goede leerling?
Meester: Iemand die niets aanneemt.
Leerling: Wat is een betere leerling?
Meester: Iemand die niets afwijst.
Leerling: Wat is de beste leerling?
Meester: Geen leerling.
Geen idee
Leerling: Wat is een goede meester?
Meester: Een levende meester.
Leerling: Wat is een betere meester?
Meester: Een dode meester.
Leerling: Wat is de beste meester?
Meester: Geen idee.
Leerling: Is dat de beste meester of heeft u geen idee?
Meester: Geen idee.
Een (hele) goeie
Leerling: Wat is het verschil tussen een goeie meester en een hele goeie?
Meester: Een goeie staat je altijd bij.
Leerling: En een hele goeie?
Meester: Die valt je altijd af.
First things first
Leerling: Hoe word ik een goede leerling?
Meester: Eerst maar eens een goede lering zien te vinden.
Af
Leerling: Wat is een goede leerling?
Meester: Een afleerling.
Leerling: En een goede meester?
Meester: Die is meester af.
Uitverkoren
Leerling: Wat is uw roeping?
Meester: Ik ben niet geroepen.
Leerling: Hoe kunt u dan meester zijn?
Meester: Ik ben uitverkoren.
Leerling: Door een hogere macht?
Meester: Erg bescheiden ben je niet.
Zolang
Leerling: Waarom bent u meester geworden?
Meester: Vraag dat maar aan jezelf.
Leerling: Hè?
Meester: Jij
maakt mij tot meester, ik niet.
Leerling: Wanneer zult u
meester-af zijn?
Meester: Zodra jij leerling-af bent.
Leerling: Hoelang zal ik nog leerling
blijven?
Meester: Zolang je mij nog meester noemt.
De prut
Leerling: Wat is een meester?
Meester: Een putjesschepper.
Leerling: Nou moet ík zeker vragen wie de put is.
Meester: Vraag liever wat de prut is.
De lakmoestest
Leerling: Wanneer is een meester succesvol?
Meester: Als zijn leerling geen notie meer heeft van succes.
Definities
Meester: Wat is de definitie van een meester?
Leerling: Iemand die geen onderscheid maakt tussen meester en
leerling.
Meester: Dat is een definitie van een leerling.
Leerling: Iemand die onder voorbehoud onderscheid maakt tussen
meester en leerling?
Meester: Dat is ook een definitie van een leerling.
Leerling: Iemand die zich niet laat definiëren?
Meester: Ook dat is een definitie van een leerling.
Leerling: Kennelijk laat de leerling zich wel definiëren.
Meester: Maar niet door de meester.
Warm
Een leerling wil graag meester worden. Maar wat is een meester? En is hij al zo ver?
Leerling: Hoe noemt men hem die pertinente vragen stelt?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die weet?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die de waarheid kent?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die de vrijheid gevonden heeft?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die zich zelfs van
de vrijheid bevrijd heeft?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die zich het ene weet?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die zijn gedachten de baas is?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die niet meer noemt?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men
hem die zichzelf in god gevonden heeft en god in zichzelf?
Meester: Leerling.
Leerling: Hoe noemt men hem die het hart op de juiste
plaats heeft?
Meester: Welk hart?
Leerling: Tja.
Meester: Dat klinkt al heel wat beter.
Terugtrekken
Een ingewijde gaat op voor het meesterschap.
Hij zegt: Wat moet je doen als iemand conclusies begint te trekken?
Meester: Terugtrekken.
Asofist
Leerling: U bent gewoon een sofist.
Meester: Wat is dat?
Leerling: Iemand die met spitsvondigheden zijn gelijk probeert te halen.
Meester: Wat er niet is, kan men ook niet halen.
Leerling: Waar bent u dan mee bezig?
Meester: Jou het bos insturen.
Leerling: Wat moet ik daar nou weer?
Meester: Je gelijk achterlaten.
Leerling: U bent dus geen sofist?
Meester: Eerder een asofist.
Leerling: Wat is dat?
Meester: Iemand die met spitsvondigheden elk gelijk onderuit probeert te halen.
Meester Foetsie
Meester Foetsie was bijzonder vooruitstrevend.
Eerst hief hij het spreken op.
Toen hief hij het mediteren op.
Toen hief hij de leer op.
Toen hief hij de leerlingen op.
Toen hief hij zichzelf op.
Toen hief hij de hele wereld op.
Ten slotte hief hij het opheffen op.
En toen was alles weer gewoon.
Zo vooruitstrevend was nou meester Foetsie.
Het begrijpelijke
Leerling: De ware meester maakt het onbegrijpelijke
begrijpelijk.
Meester: De ware meester maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.
Leerling: Kom nou gauw!
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: En wanneer komt daar een einde aan?
Meester: Dat merk je vanzelf.
Leerling: Wat zal ik dan merken?
Meester: Dat je het verschil niet meer weet.
De laatste toetssteen
Leerling: Ik erken geen
andere autoriteit dan mezelf!
Meester: Ik erken niet eens
mezelf.
Leerling: Wat is dan uw laatste toetssteen?
Meester: Wat zou ik moeten toetsen?
Weg van de waarheid
Leerling: U bent de weg...
Meester: ...die doodloopt.
Leerling: U bent de snelweg naar...
Meester: De ringweg.
Leerling: U bent de waarheid...
Meester: Die voor
niemand is weggelegd.
Leerling: U bent de weg naar de waarheid.
Meester: Ik
leid weg van de waarheid.
Leerling: Als het maar niet naar de leugen is.
Meester: Ik leid weg van de leugen.
Weer wat geleerd
Leerling: Ik leer helemaal niets van u!
Meester: Dat is op
dit moment het hoogst haalbare.
Leerling: Wát?
Meester: Het zal nog wel even duren voor we aan afleren toekomen.
Leerling: Laat ik nou denken dat ik
iets van u kon opsteken.
Meester: Weer wat geleerd.
(G)een voorbeeld
Leerling: Wat is meesterschap?
Meester: Geen voorbeeld stellen.
Leerling: Aha!
Voor niets
Leerling: Waarom geeft u eigenlijk gratis onderricht?
Meester: Opdat men mij niet serieus neemt.
Leerling: Helpt
het?
Meester: Niets helpt.
Te laat
Leerling: Mag ik bij u in de leer?
Meester: Bij mij gaat men uit de leer.
Leerling: Mag ik dan bij u uit de leer?
Meester: Daarvoor is het al te laat.
Leerling: Waarom?
De meester zei: Omdat we al begonnen zijn.
Een snelle leerling
Leerling: Mag ik bij u in de leer?
Meester: Bij mij gaat men uit de leer.
Leerling: Ik wil leren leven.
Meester: Bij mij leert men sterven.
Leerling: Men heeft mij verzekerd dat ik bij u de hoogste wijsheid...
Meester: Als je ín de leer wilt dan zoek je maar een klasje of een levende meester.
Leerling: Bent u dan geen levende meester?
Meester: Ik ben een dode meester.
Leerling: Wie noemt zichzelf nou een dode meester!
Meester: Iemand die niets meer te zeggen heeft. Net als de doden.
Leerling: Mag ik bij u uit de leer?
Meester: Je begrijpt het niet. Ik heb geen leerlingen.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat er niets te leren valt.
Leerling: E-mail is ook goed!
Meester: Waarvoor?
Leerling: Dan stel ik een vraag en dan geeft u antwoord.
Meester: En wat doe jij in de tussentijd?
Leerling: Afwachten.
Meester: Als je een excuus zoekt om af te wachten, ga je maar naar een klasje of een levende meester.
Leerling: Dit wordt dus helemaal niks.
Meester: Misschien heb ik je toch onderschat.
Zware kost
Leerling: U ligt veel te zwaar op de maag.
Meester: Maar mijn voedingswaarde is nihil.
Verdomd
Leerling: Wat heeft u toch met mij voor?
Meester: Niets, snap dat dan.
Leerling: Wat heb ik daar nou aan?
Meester: Niets, snap dat dan.
Leerling: Maar wat doe ik dan hier?
Meester: Niets, snap dat dan.
Leerling: Maar wat doet u dan hier?
Meester: Niets, snap dat dan.
Leerling: Ik geloof u niet.
Meester: Ik ook niet.
Leerling: En toch geloof ik u.
Meester: Ik ook.
Leerling: Ik snap er niets meer van.
Meester: Ik ook niet.
Leerling: En toch snap ik het.
Meester: Ik ook.
Leerling: Ik geloof verdomd dat ik het heb!
Meester: Zorg dan maar dat je het weer kwijtraakt.
Geen reden
Leerling: Bent u blij als u het bij een leerling ziet dagen?
Meester: Duisteren zul je bedoelen.
Leerling: Voor mijn
part.
Meester: Niet weten is nooit een reden tot blijdschap.
Leerling: Waartoe dan wel?
Meester: Niet weten is nooit een reden.
Pingpong
Leerling: Bent u Ping of bent u Pong?
Meester: Tegen Ping ben ik Pong, tegen Pong ben ik Ping.
Leerling: En tegen Pingpong?
Meester: Die speelt wel met
zichzelf.
In uw voetsporen
Leerling: Wanneer kan ik eindelijk in uw voetsporen
treden?
Meester: Als je ze hebt uitgewist.
Verlost
Leerling: Wanneer zal ik leerling-af zijn?
Meester: Als al je vragen opgebrand zijn.
Leerling: Zal ik dan eindelijk antwoorden hebben?
Meester: Je zult van alle antwoorden verlost zijn.
Leerling: Dan blijf ik dus eeuwig met die vragen zitten.
Meester: Je zult van al je vragen verlost zijn.
Leerling: Zal
ik dan eindelijk gelukkig zijn?
Meester: Je zult van mij verlost zijn.
Leerling: Zal ik dan eindelijk mezelf zijn?
Meester: Je zult van jezelf verlost zijn.
Leerling: U drijft me tot wanhoop.
Meester: Je zult van alle wanhoop verlost zijn.
Leerling: Dus er blijft toch nog iets te hopen over?
Meester: Je zult van alle hoop verlost zijn.
Leerling: Wat blijft er dan wel over?
Meester: Tja.
Leerling: Volledige verlossing, zullen we maar zeggen.
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Alsof
Leerling: Wat is de overeenkomst tussen de meester en de leerling?
Meester: Beiden doen alsof.
Leerling: En het verschil?
Meester: De leerling doet alsof hij weet, de meester doet alsof hij niet weet.
Leerling: Dat verklaart een hoop.
Meester: Natuurlijk niet.
Leerling: Hè?
Meester: We doen toch maar alsof?
Het verschil
Leerling: Wat is de
overeenkomst tussen de meester en de leerling?
Meester: Beiden snappen er niets van.
Leerling: En het verschil?
Meester: De meester geeft het toe.
Stront
Leerling: Hoe onderscheid je
bonafide leraren van malafide?
Meester: We zijn allemaal even
malafide.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Een
leraar kan er wel op schijten maar de leerling moet zijn eigen ramen lappen.
Leerling: Er zijn toch zeker oplichters onder de leraren?
Meester: Stront is stront.
Leerling: Dus?
Meester: Betaal er niet te veel voor.
Second opinion
Leerling: Wanneer zal ik leerling-af zijn?
Meester: Zodra je doorkrijgt dat ik nooit antwoord geef.
Leerling: Zodra ik dat merk, zoek ik ik een andere leraar.
Meester: Wie bedonderd wil worden zal een oplichter vinden.
Een ware leerling
Leerling: Hoe herken je de
ware meester?
Meester: Door hem een vraag te stellen.
Leerling: En als hij het antwoord weet?
Meester: Dan maak
je dat je wegkomt.
Leerling: En als hij het antwoord niet
weet?
Meester: Dan maak je dat je wegkomt.
De leerling maakt dat hij wegkomt.
Meester: Een ware leerling.
Wortels
Meester: Waar liggen je wortels?
Leerling: In de keuken.
Meester: Ik bedoel, aan wie ben je schatplichtig?
Leerling: Lenen is voor behoeftigen.
Meester: Waarom ben je naar mij toegekomen?
Leerling: Ik wist niet dat u hier ook was.
Meester: Het is dat ik in een goede bui ben.
Leerling: Ik dacht precies hetzelfde.
Uitzonderlijk
Leerling: Aan u heb je ook niks.
Meester: Waar vind je dat nog.
Pech gehad
Leerling: Ik wil alleen maar de kennis zonder leraar.
Meester: Ik ben alleen maar de leraar zonder kennis.
De kennis zonder leraar
Leerling: Waar vind ik de kennis zonder leraar?
Meester: Bij een leraar zonder kennis.
Kent u iemand zonder kennis?
Jij bent iemand zonder kennis.
Hoe komt het dat ik dat niet weet?
Doordat je nog van alles weet.
Ben ik daarom nu uw leerling?
Ook al heb ik dan geen lering.
Wat wijs is
Leerling: Wanneer zal ik net zo wijs zijn als u?
Meester: Wanneer je niet meer weet wat wijs is.
Leerling: Maar dat weet ik nu al niet!
Meester: Maar dat weet je nu nog niet.
Aan de haal
Leerling: Leg het me alstublieft nog één keer uit.
Meester: Moet dat.
Leerling: Had u maar geen meester moeten worden.
Meester: Wat ik ook zeg, jij gaat ermee aan de haal.
Leerling: Gaat het erom nergens mee aan de haal te gaan?
Meester: Zie je nou wel.
Leerling: Zag ik het maar.
Meester: Jij denkt dat er iets te zien is.
Leerling: Bedoelt u dat er niets te zien is?
Meester: Zie je nou wel.
De leerling zwijgt.
Na een tijdje zegt de meester: Niet slecht.
Leerling, fluisterend: Gaat het erom te zwijgen?
Ergens je neus insteken
Leerling: Waarom steekt u uw neus in mijn oren?
Meester: Opdat je mij niet zult horen.
Een bijzonder mens
Leerling: U bent een heel bijzonder mens.
Meester: Ja hoor.
Leerling: Nee, echt.
Meester: Vanwege mijn ongeëvenaarde wijsheid zeker.
Leerling: U haalt me de woorden uit de mond.
Meester: Koud kunstje.
Leerling: Hoe dat zo?
Meester: Je bent de zoveelste die dat zegt.
Leerling: Dat bewijst het eens te meer.
Meester: Ik weet precies waar je mee bezig bent.
Leerling: Dan weet u meer dan ik.
Meester: Ik loop al heel wat jaartjes mee.
Leerling: Waar ben ik dan mee bezig?
Meester: Mij tot autoriteit te verklaren.
Leerling: Waarom zou ik dat doen?
Meester: Om bij mij je gelijk te kunnen halen.
Leerling: Welk gelijk dan wel?
Meester: Welk gelijk dan ook.
Leerling: U heeft helemaal gelijk.
Meester: Zie je nou wel!
Leerling: U bent een heel bijzonder mens.
Uitzuiger
Leerling: Volgens mij speelt u een spelletje met mij.
Meester: Welk spelletje speel ik volgens jou?
Leerling: Pak me dan.
Meester: aarom zou ik dat doen?
Leerling: Om mij te slim af te zijn.
Meester: Volgens mij speel jij een spelletje met mij.
Leerling: Welk spelletje dan?
Meester: Ik zal je pakken.
Leerling: Waarom zou ik dat doen?
Meester: Om mij in woorden te vangen.
Leerling: En dan?
Meester: De waarheid uit mij te zuigen.
Leerling: En hoe luidt die waarheid dan wel?
Meester: Zie je nou wel.
U rijdt de verkeerde kant op
Meester ia reed weer eens achterstevoren op zijn ezel door het dorp.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Welnee, de ezel loopt de verkeerde kant op.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Wat is er verkeerd aan die kant?
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Als niemand keek waar hij heen ging, zouden er heel wat minder ongelukken gebeuren.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Ik hoef niet te zien waar ik heen ga.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Als de ezel maar de goede kant op kijkt.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Ik weet toch niet waar ik heen ga.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Maar als de ezel achteruit gaat lopen, zit ik goed.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Wil ik weten waar een ezel heen gaat?
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Zo denkt de ezel dat hij me dwars zit en brengt me toch waar ik wezen moet.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: Het is eenvoudiger voor een man om terug te kijken dan voor een ezel om achteruit te lopen.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: U kijkt zelf de verkeerde kant op.
Iemand zei: Hé meester! U kijkt de verkeerde kant op!
Meester ia zei: De ene ezel leidt de andere.
Waar moet u zo snel heen?
Op een dag galoppeerde Meester ia met veel geraas op zijn ezel door het dorp.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Naar een plek waar mijn ezel stil wil blijven staan.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Hé mensen, waar blijven jullie toch?
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Dat moet je mijn ezel vragen.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Het is de aarde die onder mij door draait.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Hoe hard ik ook ga, ik zit steeds op mijn ezel.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Rennende ezels balken niet.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Dat weet ik pas als ik er ben.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Ik probeer aan mijn ezel te ontkomen.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Als ik maar onderweg ben.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Sorry, de weg is te heet om stil te blijven staan.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Haastige spoed is zeldzaam goed.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Als ik dat wist, zou ik dan nog haast maken?
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Als ik dat wist, ging ik wel de andere kant op.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Dat vraag ik me mijn hele leven al af.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Wie zegt dat ik ergens heen moet?
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Wie snel gaat, is snel nergens.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Naar iemand die me dat kan vertellen.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Weg van alle antwoorden.
Iemand riep: Hé meester! Waar moet u zo snel heen?
Meester ia riep: Weg van alle vragen.