; eerste reeks.
Auteur: Hans van Dam.
Opgaan in verbijstering
wie zoekt zal vragen vinden
zijn vragen zullen gepaard gaan met verbazing
zijn verbazing zal veranderen in verwondering
zijn verwondering zal overgaan in verbijstering
zijn verbijstering zal niet overgaan
maar hijzelf zal erin opgaan
zijn wereld zal erin opgaan
zijn verbijstering zal erin opgaan
en het opgaan zal niet overgaan
Noch de eeuwigheid
meester Nebbisj zegt
hij die de betekenis van mijn woorden zal vinden
zal de betekenis van mijn woorden verliezen
hij zal de betekenis van alle woorden verliezen
en de dood niet smaken
noch de eeuwigheid
Hebben en kwijtraken
de mensen zien niet
dat ze niets hebben
dus ook niets kunnen kwijtraken
behalve misschien de gedachte
dat ze iets hebben
dat ze kwijt kunnen raken
en eventueel de gedachte
dat ze niets hebben
dus ook niets kunnen kwijtraken
Wat dan?
indien zij die u leiden u zeggen
ziet, het rijk is in de hemel
dan veronderstellen zij een rijk
indien zij zeggen
ziet, het rijk is op aarde
dan veronderstellen zij een rijk
zolang gij zich laat leiden
door hen die een rijk veronderstellen
zult gij een rijk veronderstellen
en almaar zoeken
wanneer gij zich daarentegen laat leiden
door hen die geen rijk veronderstellen
zult gij eveneens geen rijk veronderstellen
en bij de pakken neerzitten
tot ge maar weer opstaat
indien gij het een noch het ander veronderstelt
en zich niet laat leiden door een ander
en zich niet laat leiden door uzelf
en het zoeken staakt noch voortzet
ja, wat dan
Arm noch rijk
wanneer gij uzelf waarlijk zult kennen
zult gij uzelf waarlijk niet kennen
zelfs niet als degene
die zichzelf waarlijk niet kent
noch zult gij gekend worden
noch zult gij anderen kennen
noch zult gij daarmee inzitten
noch zult gij zich om die reden
of om welke reden dan ook
arm wanen
of rijk
Meetellen
wie tot twee telt
zal verdeeld zijn
wie tot één telt
zal verdeeldheid zien
en mensenredder worden
maar wie niet langer telt
die telt niet langer
mee
Voor en achter
Een discipel zei
Toon mij wat zich voor mijn gelaat bevindt.
Meester Nebbisj zei
Nooit zult gij uw eigen gelaat kennen.
Nooit zult gij zelfs maar de plaats
van uw eigen gelaat kennen.
Hoe zoudt ge dan kunnen weten
wat zich voor uw gelaat bevindt
en wat erachter?
Een woord
meester Nebbisj zei
waarom zou
een woord uit mijn mond
een antwoord zijn
een woord uit uw mond
een vraag
De openbaring
geen antwoord zal onthuld worden
geen vraag zal ongeopenbaard blijven
antwoord en ge zult bevraagd worden
tot uw antwoord geen antwoord en
uw vraag geen vraag meer is
Begeerte overwinnen
een discipel zei
hoe overwin ik mijn begeerte
meester Nebbisj zei
wie honger heeft zoekt eten
wie eten heeft zoekt honger
wie opgewonden is zoekt rust
wie rustig is zoekt opwinding
wie zoekt wil vinden
wie vindt wil zoeken
zo overwint men
onophoudelijk
zijn begeerte
Overgeven
wie zwaar
op de maag ligt
moet zichzelf
overgeven
De wijze visser
de mens is als een wijze visser
die één grote vis gevangen had
en vele kleintjes
de wijze visser dacht
als ik die grote
nou eens zelf eet
en de kleine verdeel
onder de hongerigen
de wijze visser dacht
als ik die grote
nou eens terugzet
voor volgend jaar
en de kleine droog
voor de winter
hij dacht
of zal ik ze zouten
hij dacht
of zal zal ik ze roken
hij dacht
als ik die grote
nou eens verkoop
en de kleine
als aas gebruik
toen werd het hem
vreemd te moede
de wijze visser dacht
was ik maar geen wijze visser
was ik maar een dwaze timmerman
was ik maar een discipel
of een meester
desnoods
hij dacht
ach, was Lot maar hier bij mij
en hij pinkte een traantje weg
plots werd de wijze visser pijnlijk getroffen
door het brekende licht in de vissenogen
zachtjes zette hij de dieren terug
voor vele kwam de redding te laat
op hun zij dobberden ze rond de boot
of zonken meteen naar benee
de wijze visser dacht
nee, nee, nee
het valt bepaald niet mee
een wijze visser te zijn
de wijze visser
hij wierp opnieuw zijn net en dacht
- want ophouden kon hij niet -
wie oren heeft om te horen
stoppe ze dicht
maar welke doofheid
is bestand tegen
innerlijke wijsheid
De zaaier
Ziet, de zaaier ging uit.
Hij vulde zijn handpalm
en wierp handenvol op de weg.
Het zaad kwam tussen ezelshoeven
en verspreidde zich met de dieren
naar alle windstreken.
De vogels kwamen
en aten hun kropjes rond.
Toen wierp hij handenvol op de rotsgrond.
Het zaad schoot geen wortel in de aarde
en hief geen aren ten hemel
maar viel uiteen
en voedde de grassprietjes.
Het was het begin
van een vruchtbare bodem.
Andere graankorrels wierp hij tussen de doornen.
De doornen verstikten het zaad.
De wormen aten de resten
en beluchtten de grond.
De vogels aten de wormen
en schuilden tussen de doornen.
Andere graankorrels vielen op groeizame aarde.
Ze zonden een goede vrucht naar de hemel
en verstikten een keur aan kruiden.
Er kwamen er zestig per maat
en honderdtwintig per maat!
De vlinders bleven weg.
Roestzwammen tierden welig.
De halmwesp vermenigvuldigde zich
met in zijn kielzog de graankever
met in zijn kielzog de korenmot.
De schuren werden leeggegeten
door de ratten.
De ratten verspreidden ziekten.
Er kwam hongersnood.
De mensen schraapten
het halfverteerde zaad
uit de spleten.
De mensen aten
wormen.
De mensen aten
vogels.
Op hun broodmagere ezels
speurden broodmagere mensen
in alle windstreken
naar verspreide aren
en ontdekten
nieuwe
vergezichten.
Vragenvuur
meester Nebbisj declameerde:
ik heb vuur op de wereld geworpen
opdat gij in vlammen opgaat
om uit de as te herrijzen
als onmens in een onwereld
alwaar wij als geen
van niets zullen spreken
tot in de eeuwen
der eeuwen
amen
op normale toon vervolgde hij:
maar was het wel de wereld
waarop ik het vuur wierp
of wierp ik het op mij
was het wel vuur wat ik wierp
of waren het slechts vragen
behoedt het vuur niet zichzelf
en dooft het niet vanzelf
of zal ik eeuwig branden
in mijn eigen vragenvuur
In het duister
wie in het licht vertoeft
zal overal duisternis ontwaren
maar wie in het duister verblijft
zal alles op zien lichten
Twee noch één
twee zijnde
zoekt gij het ene
één zijnde
maakt gij de ander tot twee
opdat gij hem alsnog
tot één kunt maken
twee noch één zijnde
wat zult gij nog doen
wat zult gij nog laten
Groot en klein
De discipelen zeiden tot hem:
Eens zult gij ons verlaten.
Wie zal dan groot zijn over ons?
Meester Nebbisj zei hun:
Hoe kan ik u verlaten
als ik nooit bij u ben geweest?
Hoe kan ik bij u blijven
als ik nooit ben weggeweest?
Nooit was ik groot over u,
dat hebt gij mij slechts toegedicht.
Nooit zal iemand groot zijn over u.
Ook gij zelf zult niet groot zijn over u
maar wie groot is over zichzelf
zal klein zijn onder zichzelf
en eronder lijden.
Wie klein is onder zichzelf
zal groot zijn over zichzelf
en eronder lijden.
Negen woorden
meester Nebbisj zei
vergelijkt mij en zegt mij
op wie ik lijk
Hester sprak als eerste
ze zei eenvoudig
gij lijkt overal op
meester Nebbisj zei
dat is niet incorrect
maar ook niet erg precies
Jacob sprak als tweede
hij zei schuchter
gij lijkt nergens op
meester Nebbisj zei
hoe treffend en
maar nauwelijks mis
Rachel sprak als derde, zeggende
gij lijkt overal en nergens op
en dat is nog teveel gezegd
meester Nebbisj zei
niet langer ben ik uw leermeester
want gij zijt verdronken
in de zee van weteloosheid
en hij nam haar terzijde
en zei drie maal drie is negen
woorden tegen haar
later bracht Rachel verslag uit:
toen ik naar zijn leer vroeg
zei hij toonloos
ik weet niets
ik raakte zijn arm aan en zei
verklaar u nader, vader, alstublieft
hij zei alleen maar
zelfs niet niets
ik pakte zijn handen vast en zei
maar zijt gij daar ten minste zeker van
hij keek me niet aan toen hij zei
nee, dat niet
daarna zweeg hij
hij bleef maar zwijgen
hij zocht platte stenen
en keilde ze over het meer
de gezellen zeiden
met grote ogen
waarom heeft hij dat
niet eerder gezegd
Rachel zei
zoudt gij hem
verstaan hebben
ze zei
ik zelf, ik zou hem
niet verstaan hebben
daarna zwegen ze
ze bleven maar zwijgen
ze zochten platte stenen
en keilden ze over het meer
Iets anders heb ik niet
een discipel vroeg
moeten wij vasten of bidden
of aalmoezen geven
meester Nebbisj zei
indien gij vast
zult gij zich
geheel
of gedeeltelijk
onthouden
van eten
of drinken
indien gij bidt
zult gij
in groepsverband
of alleen
al dan niet hardop
spreken tot God
of tot wie gij
als goddelijk vereert
hetzij om te loven
te danken
of om hulp en steun
af te smeken
(met name het laatste)
indien gij aalmoezen geeft
zult gij giften doen
aan behoeftigen
of aan bedelaars
en hij voegde eraan toe
zulks per definitie
iets anders heb ik niet
Goede raad
indien gij in enig land gaat
eet wat men u voorzet
of weigert het
of geeft het weg
geneest degenen
die ziek zijn
of lacht hen toe
of lacht hen uit
of vermijdt hen
uit lijfsbehoud
om andere redenen
of zonder reden
want wat in uw voorste
zal binnengaan
zal uw achterste
weer uitkomen
maar wat uw voorste
zal uitkomen
is niet via uw achterste
ingegaan
Pas op!
weest voor mij op uw hoede
als voor iedere onbevlekte
keert mij de rug toe
negeert mij
werpt u niet neer
op uw aangezicht
en aanbidt mij niet
opdat gij u niet
tijdelijk
terugvindt
in een ander
maar voorgoed
verliest
in uzelf
Ineens
meester Nebbisj zegt:
wellicht denken de mensen
dat ik gekomen ben
om vrede over de wereld te verspreiden
maar ik ben niet gekomen
ineens was ik er
hoe, dat weet ik zelf niet
De volgende
soms dringt de gedachte zich op
dat ik verdeeldheid op aarde ben komen werpen
- het vuur, het zwaard, de oorlog -
om de mensen te verlossen
van de wereld
en zichzelf
dan weer meen ik op aarde te zijn
om de mensen te verlossen
van verlossers
als ikzelf
of althans
van hun gedachten
of ik denk
niet zij moeten verlost worden
ík moet verlost worden
van mijn ingebeelde discipelen
van hen voor wie ik denk
van mijzelf aan wie ik denk
als deze of gene
die dit moet of dat
en zus denkt of zo
dan weer stel ik mij
de vraag
waarom zou ik
mijn gedachten
geloven
en zie
ik ben verlost
en zie
daar is alweer
de volgende
Niets te doen
mijn taak
volbrengt zichzelf
want eendracht
zaait tweedracht
en verdeeldheid
is ook geen leven.
Nog geen tipje
een discipel zei:
zegt ons tenminste
hoe het allemaal
begonnen is
meester Nebbisj zei
dacht ge werkelijk
zelfs maar het begin
te kunnen ontsluieren
Verklaring
zalig noch onzalig
hij die niet weet
van zaligheid of onzaligheid
Stenen
meester Nebbisj gooide
een mand met stenen
leeg en zei
indien gij mijn discipelen zijt
en mijn woorden hoort
zullen deze stenen u dienen
stenigt eerst uw meester
opdat het leiden hem vergaat
stenigt dan elkander
opdat het volgen u vergaat
stenigt dan uw stenen
opdat het stenigen u vergaat
De boom
het rijk der hemelen
is gelijk aan de boom
die een schuilplaats is
voor de vogelen
tot de bliksem inslaat
De put
het rijk der hemelen
is gelijk aan de put
waaraan de koe zich laaft
waarin het kalf verdrinkt
De mesthoop
het rijk der hemelen
is gelijk aan de mesthoop
die nu zo vreeslijk stinkt
en straks de grond bevrucht
De vissen
het rijk der hemelen
is gelijk aan de vissen
bevrijdt uit het net
van de wijze visser
de kieuwen gescheurd
en jammerlijk
verdronken
Toeristen
mijn discipelen gelijken op toeristen
die wandelen op het meer
en zwemmen in de rotsen
Oude maagden
mijn discipelen gelijken op oude maagden
op zoek naar een verkrachter
om hun kuisheid te verdedigen
Gauwdieven
mijn discipelen gelijken op gauwdieven
die mij het geheim komen ontfutselen
dat ze mij zelf hebben toegedicht
Bouwlieden
mijn discipelen gelijken op bouwlieden
die bij wijze van huis
een lange rechte muur bouwen
met ramen en een deur erin
en eindeloos redetwisten
over wat nu binnen is
en buiten
Vrij
ikzelf gelijk op een holte
in de leegte
van een ruimte
de toegang is vrij
en vinden zult gij
niets
Ook dát
meester Nebbisj zei
het rijk der hemelen
dat zijt gij zelf
en hij knipoogde
zijn discipelen riepen
maar wij willen
onszelf niet
zijn
meester Nebbisj zei
ook dát is het rijk
der hemelen
Leid ons binnen in uw geheim
mijn geheim laat zich niet kennen
het laat zich niet ontkennen
behalve door niet-kennen
het is ook niet van mij
het is ook niet verhuld
en ook niet openbaar
het laat zich niet delen
het laat zich niet vermenigvuldigen
het laat zich niet berekenen
het laat zich niet zoeken
het laat zich niet vinden
het laat zich niet kwijtraken
het laat zich niet onder woorden brengen
het laat zich niet onder woorden begraven
het laat zich niet verzwijgen
ik kan u mijn geheim niet geven
ik kan het u niet onthouden
ik kan het u niet afnemen
met niets om voor te waken
waarom uw lendenen omgordt
laat toch de rovers tot u
want het voordeel
waar ze naar uitkijken
zij zullen het niet vinden
Met welk oog
een discipel zei
met welk oog kunnen wij
het rijk zien
meester Nebbisj zei
kijkt met uw beide ogen
en gij zult diepte zien
en van waarheid spreken
maakt van twee ogen één
en gij zult ondiepte zien
en van waarheid spreken
maakt van één oog geen
en gij zult duisternis zien
en van waarheid spreken
maakt van twee ogen tienduizend
en gij zult facetten zien
en van waarheid spreken
maakt van uw pijnappelklier een derde oog
en gij zult het binnenste van uw schedel zien
en van waarheid spreken
maar spreken is geen zien
en zien is geen zijn
en luisteren heeft geen zin
en zwijgen evenmin
daarop deed hij
zijn mond toe
en zijn ogen toe
en bekeek hun verwarring
doorheen zijn trillende
wimpers
Meesterschap en leerlingschap
u ergens toe oproepen is niet aan mij
noch is het aan u om erop in te gaan
goed noch slecht is mijn juk
en niet aan mij om te vergeven
noch aan u om te ontvangen
zacht noch hard is mijn gezag
en niet aan mij om uit te oefenen
noch aan u om te ondergaan