(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Wie ben je



Verlichting voor dummy's > De wereld > Wie ben je

Deze pagina: Dwaalteksten over identiteit.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.





De Grote Constante

in den beginne wist ik niets
niemand hoefde mij de weg te wijzen!
alles ging vanzelf
ik speelde met verve
al was het destijds nog geen rol
maar mijn ouders die wisten wel beter:
niemand zijn was iets voor baby's

ik stierf als niemand
en verrees als kind van God
religie zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand kende de Hoogste
kind zijn van God betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als kind van God
en verrees als mens
humanisme zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand begreep de soort
mens zijn betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als mens
en verrees als denker
filosofie zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand kende de waarheid
filosoof zijn betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als denker
en verrees als ziel
psychologie zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand doorzag de psyche
ziel zijn betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als ziel
en verrees als lichaam
fysiologie zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand begreep het fysiek
lichaam zijn betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als lichaam
en verrees als dier
biologie zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand doorgrondde het leven
dier zijn betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als dier
en verrees als stof
natuurkunde zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand doorzag de materie
stof zijn betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als stof
en verrees als geest
idealisme zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand begreep het bewustzijn
geest zijn betekende nog steeds
niet weten wie ik was

ik stierf als geest
en verrees als het al
holisme zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand vatte de kosmos
alles zijn betekende nog steeds
niet weten wie ik was

ik stierf als alles
en verrees als niets
boeddhisme zou mij de weg wel wijzen!
ik speelde met verve mijn rol
maar niemand doorgrondde de leegte
niets zijn betekende nog steeds:
niet weten wie ik was

ik stierf als niets
en verrees niet meer
de weg is vergeten, ik blijf wel hier
ik speel nog met verve
al is het geen rol
en weet nu dat niemand iets weet -
al ben ik zelfs daarvan niet zeker



Omsmelten

Leerling: Wat is mijn zelf?
Meester: Een munt.
Leerling: Wat zijn de keerzijden daarvan?
Meester: Je ware zelf en je valse zelf.
Leerling: Hoe verlos ik mij van mijn valse zelf?
Meester: Door de hele munt om te smelten.
Leerling: Ik moet mij van mijn valse zelf verlossen door mijn hele zelf op te geven?
Meester: Opgeven, kwijtraken, wie zal het zeggen.
Leerling: Maar dan raak ik ook mijn ware zelf kwijt!
Meester: Zo gewonnen, zo geronnen.
Leerling: Maar dat wil ik helemaal niet!
Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf?


Laat maar zien

De meester zei tot zijn leerlingen: Toon mij je ware masker.



Demasqué

Leerling: Wat zit er onder uw oorspronkelijke gezicht?
Meester: Mijn ware masker.

Leerling: Wat zit er onder uw ware masker?
Meester: Een masker.

Leerling: Wat zouden we zien als iedereen zijn masker aflegde?
Meester: Hetzelfde als altijd.
Leerling: Te weten?
Meester: Tja.


Authenticiteit

Leerling: Wat is authenticiteit?
Meester: Een masker van echtheid.

Leerling: Wat is inauthenticiteit?
Meester: Een masker van onechtheid.


Wie ben je?



De meester zegt: Wie ben je?
De leerlingen roepen:
Ik ben mezelf.
Ik ben mijn gezin.
Ik ben mijn beroep.
Ik ben mijn vaderland.
Ik ben mijn personalia.
Ik ben mijn stamboom.
Ik ben mijn godsdienst.
Ik ben mijn voetbalclub.
Ik ben mijn prestaties.
Ik ben mijn hobby's.
Ik ben mijn karakter.
Ik ben mijn rollen.
Ik ben mijn idealen.
Ik ben mijn opleiding.
Ik ben mijn plannen.
Ik ben mijn ambities.
Ik ben mijn verwachtingen.
Ik ben mijn verleden.
Ik ben de fouten die ik heb gemaakt.
Ik ben mijn gebreken.
Ik ben mijn ego.
Ik ben mijn persoonlijkheid.
Ik ben uniek.
Ik ben als iedereen.
Ik ben mijn bezittingen.
Ik ben mijn verlanglijstje.
Ik ben wat ik niet heb.
Ik ben niet wat ik heb.
Ik ben degene die niet om bezit geeft.
Ik ben mijn geest.
Ik ben mijn ziel.
Ik ben mijn hart.
Ik ben mijn intuïtie.
Ik ben mijn bewustzijn.
Ik ben mijn lichaam.
Ik ben mijn handen.
Ik ben mijn geslachtsdeel.
Ik ben mijn ballen.
Ik ben aarde.
Ik ben water.
Ik ben lucht.
Ik ben vuur.
Ik ben een steenbok.
Ik ben een weegschaal.
Ik ben mijn gedachten.
Ik ben mijn herinneringen.
Ik ben mijn gevoelens.
Ik ben mijn angsten.
Ik ben mijn waarnemingen.
Ik ben mijn handelingen.
Ik ben mijn bedoelingen.
Ik ben wat ik zie.
Je ziet wat ik ben.
Ik ben wat jij ziet.
Wat je ziet dat ben ik niet.
Ik ben een mens.
Ik ben een mensaap.
Ik ben een aap.
Ik ben een dier.
Ik ben een beest.
Ik ben het goede.
Ik ben mijn goede daden.
Ik ben mijn goede bedoelingen.
Ik ben het kwade.
Ik ben wat ik doe.
Ik ben wat ik laat.
Ik ben de macht waarover ik beschik.
Ik ben de macht die mij toekomt.
Ik ben de macht waarnaar ik verlang.
Ik ben machteloos.
Ik ben voorbij macht en machteloosheid.
Ik ben wie ik ben.
Ik ben wie ik wil zijn.
Ik ben wie ik denk dat ik ben.
Ik ben wie anderen denken dat ik ben.
Ik ben wat ik denk dat anderen denken dat ik ben.
Ik ben wie anderen zeggen dat ik ben.
Ik ben een projectie van anderen.
Ik ben de ander.
Ik ben de meester.
De anderen zijn mij.
Ik ben de waarnemer van het waargenomene.
Ik ben de kenner van het gekende.
Ik ben de ruimte waarin alles kan zijn.
Ik ben openheid naar de wereld.
Ik ben de liefde die alles omarmt.
Ik ben de weg.
Ik ben de waarheid.
Ik ben het leven.
Ik ben het licht.
Ik ben de werkelijkheid.
Ik ben een spiegel van de werkelijkheid.
De werkelijkheid is een spiegel van mij.
Ik ben de Boeddha.
Ik ben Brahman.
Ik ben God.
Ik ben een deel van god.
Ik ben goddelijk.
Ik ben een schepping van god.
Ik ben een gedachte in god.
Ik ben een instrument van god.
Ik ben het koninkrijk gods.
Ik ben de duivel.
Ik ben een knooppunt in een eindeloos netwerk van relaties.
Ik ben een zandkorrel in de woestijn.
Ik ben alles.
Ik ben het Ene.
Nietes, ik!
Ik maak deel uit van het Ene.
Ik ben de wereld.
Ik ben energie.
Ik ben het Absolute.
Ik ben het Bewustzijn.
Ik ben een manifestatie van het Bewustzijn.
Het Bewustzijn manifesteert zich in mij.
Ik ben het onbegrensde.
Ik ben het alomtegenwoordige.
Ik ben de schepper.
Ik ben de vernietiger.
Ik ben beide.
Ik ben het hier en nu.
Ik ben de tijd.
Ik ben tijdloos.
Ik ben eeuwig.
Ik ben een flits van zijn in een eeuwig niet-zijn.
Ik ben een leerling.
Ik ben een meester ook al weet ik het nog niet.
Ik ben vrijheid.
Ik ben de vrijheid voorbij.
Ik ben een geworpene.
Ik ben degene die zich afvraagt wie hij is.
Ik ben degene die zich steeds met het een of ander identificeert.
Ik ben degene die zich steeds van zijn identificaties probeert te bevrijden.
Ik ben alwetendheid.
Ik ben alonwetendheid.
Ik ben een wonder.
Ik ben het Mysterie zelf.
Ik ben mij een raadsel.
Ik ben de duisternis
Ik ben een afgrond.
Ik weet niet wie ik ben.
Ik kan niet weten wie ik ben.
Ik weet niet dat ik ben.
Ik ben degene die niet weet of het er wel toe doet wie of wat ik ben.
Ik kan niet weten of ik ben.
Het doet er niet toe wie of wat ik ben.
Ik ben ik.
Ik niet.
Ik ben dit noch dat maar niet niets.
Ik ben niet-iemand.
Ik ben het niets.
Ik ben niet.
Ik ben niets van dit alles.
Ik ben zonder wezen.
Ik ben wat ik denk te zijn, ook al is dat steeds wat anders.
Ik ben een idee.
Ik ben een verhaal.
Ik ben een illusie.
Ik ben dit alles en nog veel meer.
Kan mij het schelen wie ik ben.
Kan mij het schelen wat ik ben.
Kan mij het schelen of ik ben.
Ik ben het zijn zelf.
Ik ben.
Ik zeg niets.
Iemand zegt niets.
Iemand doet iets geks.
Iemand doet niets.
Als eindelijk iedereen aan de beurt is geweest zegt de meester: Wie heeft er nou gelijk?
De leerlingen roepen:
Ik!
Nee, ik!
Nee, ik!
Nee, ik!
En zo gaat het maar door.
Dan roepen ze:
Iederéén heeft gelijk!
Nee, niemand heeft gelijk!
De waarheid ligt voorbij gelijk en ongelijk!
De waarheid ligt voorbij alle woorden!
Welke waarheid?
Waarheid is een woord!
Een waar woord!
Wat zegt u, meester?
De meester zegt: Tja.


Ik ben mijn lichaam

Meester: Wie ben je?
Leerling: Ik ben mijn lichaam.
Meester: Welk lichaam bedoel je?
De leerling spreidt zijn armen en draait een rondje om zijn as.
Meester: Dit lichaam?
De leerling knikt.
Meester: Hoe lang heb je dit lichaam al?
Leerling: Altijd al gehad.
Meester: Ben je zo geboren dan?
Leerling: Natuurlijk niet.
Meester: Wie was je voor je lichaam volwassen werd?
Leerling: Gewoon, mezelf.
Meester: Ook als kind al?
Leerling: Natuurlijk.
Meester: Ook als baby al?
Leerling: Natuurlijk.
Meester: Ook als foetus?
Leerling: Ik veronderstel van wel.
Meester: Als embryo?
Leerling: Ik denk...
Meester: Als klompje ongedifferentieerde cellen?
Leerling: Dat is te zeggen...
Meester: Als eencellige?


De leerling schudt nauwelijks waarneembaar zijn hoofd.
Meester: Dan ben je niet je lichaam.


Ik ben mijn hersenen

Meester: Wie ben je?
Leerling: Ik ben mijn hersenen.
Meester: Als ik je lichaam wegsnijd en je hersenen in leven houd, ben jij het dan nog?
Leerling: Volgens mij... wel.
Meester: Als ik je hersenen vervolgens in een nieuw lichaam zet van een ander geslacht en een andere leeftijd en met heel andere kwalen en talenten dan de jouwe, ben jij het dan nog?
De leerling kijkt bedenkelijk.
Meester: Als ik je ten slotte een hersenspoeling geef waardoor je al je oude ideeën en waarden kwijtraakt en je voortaan identificeert met een nieuw land, een nieuwe politiek stelsel, een nieuwe groep intimi, een nieuw beroep et cetera, ben jij het dan nog?
Leerling: Ik denk het niet, eerlijk gezegd.
Meester: Dan ben je niet je hersenen.


Goedgelovig

Meester: Wie ben je?
Leerling: Ik ben mijn hersenen.
Meester: Gesteld dat je ze hebt.
Leerling: Nou ja!
Meester: Ik meen het serieus.
De leerling kijkt hem aan of hij gek is.
Meester: Heb je persoonlijk vastgesteld dat je hersenen hebt of heb je het van horen zeggen?
Leerling: Ik ben nota bene neurochirurg!
Meester: Ooit jezelf geopereerd?
Leerling: Dat niet, maar...
Meester: Ooit een scan van je eigen hersenen gezien?
Leerling: Eh, toevallig niet nee.
Meester: Een e.e.g. misschien?
Leerling: Dat ook niet, maar...
Meester: Is er ooit een hersenbiopt genomen?
Leerling: Stel je voor!
Meester: Hoe weet je dan dat je hersenen hebt?
Leerling: Iedereen heeft hersenen!
Meester: Heb je iedereen geopereerd?
Leerling: Dat niet, maar...
Meester: Heb je iedereen gescand misschien?
Leerling: Dat niet, maar...
Meester: Heb je iedereen aan de elektro-encefalograaf gehad?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Nou dan.
Leerling: Wil u nou werkelijk beweren dat ik geen hersenen heb?
Meester: Welnee, wat kan mij dat nou schelen.
Leerling: Wat wilt u dan wel zeggen?
Meester: Ik wil niks zeggen, ik wil alleen wat demonstreren.
Leerling: Wat dan?
Meester: Hoe goedgelovig je wel niet bent.


Afhakken


Leerling: Ik ben mijn lichaam.
Meester: Dus als ik er een paar stukken afhak hou je op te bestaan?
Leerling: Dat gaat meteen wel weer erg ver.
Meester: Maar je wordt wel anders?
Leerling: Vast wel.
Meester: Maar word je dan ook minder, net als je lichaam?
Leerling: Ikzelf?
Meester: Nou?
Leerling: Dat zal haast niet.
Meester: Wordt je soms meer als je aankomt?
Leerling: Als ik zwaarder wordt?
Meester: Ja?
Leerling: Ik ben een tijdje moddervet geweest.
Meester: En was je toen meer?
Leerling: Eerder minder.
Meester: Dan ben je niet je lichaam.


Al sla je me dood

Een leerling staat naakt voor zijn meester op het podium en de andere leerlingen zitten eromheen.
Meester: Dus je blijft erbij?
Leerling: Ik ben mijn lichaam.
Meester: Geen twijfel mogelijk?
Leerling: Zonder lichaam ben ik niemand.
De meester knipt de leerling zijn haren af en zegt: Ben je er nog?
Leerling: Mijn haren waren toch al dood.
De meester rukt hem de nagels uit.
Leerling: Alles voor de wetenschap.
De meester zet zijn tenen af.
Leerling: Ik geef toe dat ik er zonder tenen ook nog ben.
De meester zet achtereenvolgens de voeten, onderbenen en dijen van de leerling af, en omdat deze niet protesteerde, meteen maar zijn geslachtsdelen en heupen.
Leerling: Joehoe.
Meester: Je bent in ieder geval eerlijk.
Leerling: Anders kunnen we wel ophouden.
De meester amputeert zijn handen, zijn onderarmen, zijn bovenarmen, zijn sleutelbeenderen en zijn schoudergordel.
Leerling: Ik moet toegeven...
Meester: Je zei "ik".
Leerling: Ongelooflijk.
De meester snijdt de romp weg, zet het hoofd op tafel en zegt: Ben je er nog?
Leerling: Wel heb ik ooit...
De meester scalpeert hem, beitelt zijn neus weg, snijdt zijn lippen af, rukt zijn tong uit, verwijdert de nek en de onderkaak en zegt: En?
Zoals afgesproken knippert de leerling ter bevestiging dat hij er nog is met zijn oogleden.
De meester snijdt de oogleden af, steekt de ogen uit en verwijdert een voor een de schedelplaten.
Meester: Ben je er nog?
Geen reactie.
Meester: HALLO!
De leerling geeft geen krimp.
De meester haalt zijn schouders op..
Iemand slaat de klep van het zoutzuurbad open.
De meester laat de hersenen in het zuur zakken en doet een voor een de geamputeerde lichaamsdelen erbij. Enige tijd klinkt er niets dan het sissen van vervloeiend weefsel.
Ten slotte zegt de meester in de richting van het zuurbad: En?
Geen antwoord.
De meester doet zachtjes de klep dicht en staart uit het raam.
Na een poosje waagt een leerling het zijn keel te schrapen.
De meester schrikt op.
Leerling: Mag ik wat vragen?
De meester knikt vaag.
Leerling: Ben je nou zijn lichaam of niet?
Meester: Al sla je me dood.


Ik ben mijn persoonlijkheid



Leerling: Ik ben mijn persoonlijkheid.
Meester: Wat is dat?
Leerling: Datgene wat mij uniek maakt.
Meester: Maar je bent grotendeels hetzelfde als iedereen.
Leerling: Nou, en?
Meester: Waarom vereenzelvig je je dan met die paar verschillen?
Leerling: Waarmee anders?
Meester: Zijn eeneiige tweelingen hetzelfde?
Leerling: Die hebben nooit dezelfde persoonlijkheid.
Meester: Stel dat we jou klonen en jij en je kloon hebben dezelfde persoonlijkheid, zijn jullie dan identiek?
Leerling: We blijven afzonderlijke individuen.
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat we niet hetzelfde denken.
Meester: Dan ben je niet je persoonlijkheid.


Ik ben mijn gedachten

Leerling: Ik ben mijn gedachten.
Meester: Welke gedachten?
Leerling: Wat ik maar denk.
Meester: Maar dat verandert toch steeds?
Leerling: In grote lijnen denk ik altijd hetzelfde.
Meester: Hoe lang al?
Leerling: Zolang ik me kan heugen.
Meester: Dacht je als kind hetzelfde als nu?
Leerling: Niet precies, denk ik.
Meester: En als baby, toen je nog niets wist en geen woord sprak?
Leerling: Toen zeker niet, nee.
Meester: Weet je nog wat je in de baarmoeder dacht?
Leerling: Hoe kan dat nou!
Meester: Was je toen een ander?
Leerling: Doe niet zo gek.
Meester: Dan ben je niet je gedachten.


Ik ben mijn herinneringen

Leerling: Ik ben mijn herinneringen.
Meester: Dan was je tien jaar geleden niet wie je nu was.
Leerling: Waarom niet?
Meester: Omdat er allemaal nieuwe herinneringen bij gekomen zijn.
Leerling: Maar daarom ben ik nog niet anders.
Meester: Wat is er dan hetzelfde gebleven?
Leerling: De herinneringen uit de periode daarvoor.
Meester: Weet je alles van tien jaar geleden nog even goed als alles van vandaag?
Leerling: Natuurlijk niet.
Meester: Er zijn dus herinneringen verloren gegaan.
Leerling: Wat wilt u daarmee zeggen?
Meester: Hoe kun je nou je herinneringen zijn als ze steeds veranderen?
Leerling: Sommige herinneringen verdwijnen immers nooit.
Meester: Wat is je oudste herinnering?
Leerling: Ik weet nog toen ik drie was...
Meester: En dat is je oudste?
Leerling: Volgens mij wel.
Meester: Wie was je voor die tijd?
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Als je je herinneringen bent en je herinnert je niets van voor die tijd, wie was je dan toen?
Leerling: Nou gewoon.
Meester: Gewoon?
Leerling: Mezelf denk ik.
Meester: Dan ben je niet je herinneringen.


Ik ben het eeuwige heden



Leerling: Ik ben het nu.
Meester: Wanneer ben je tot die slotsom gekomen?
Leerling: Ik weet het nog precies, dat was op 12 oktober 2007, om twee over zes 's middags.


Ik ben mijn werk


Leerling: Ik ben mijn werk.
Meester: Je werk?
Leerling: Ik ben kunstenaar.
Meester: Hoe lang ben je al kunstenaar?
Leerling: Al twintig jaar.
Meester: Hoe oud ben je?
Leerling: Vijftig.
Meester: Wie was je voor je kunstenaar werd?
Leerling: Nou, eh...
Meester: Of was je toen niet?
Leerling: Natuurlijk wel.
Meester: Dan ben je niet je werk.


Ik ben mijn prestaties

Leerling: Ik ben mijn prestaties.
Meester: Wie was je voordat je prestaties begon te leveren?
Leerling: Degene die ze ging leveren.
Meester: Is dat iemand anders dan degene die ze heeft geleverd?
Leerling: Wat? Eh... nee.
Meester: Dan ben je niet je prestaties.


Uitgelezen


Leerling: Ik ben wat ik lees.
Meester: Waar heb je dat nou weer gelezen.

Leerling: Ik ben het papier, niet de tekst.
Meester: Waar heb je dat nou weer gelezen.


De v-v-via n-n-negativa

Meester: Wat ben je?
Leerling: Ik ben niet mijn hersenen, niet mijn lichaam, niet mijn persoonlijkheid, niet mijn gedachten, niet mijn herinneringen, niet het nu, niet mijn werk, niet mijn prestaties, niet wat ik lees, niet het papier en ook niets anders.
Meester: Dat vroeg ik niet.
Leerling: Dat vroeg u wel.
Meester: Waarom opsommen wat je niet bent als ik je vraag wat je wel bent?
Leerling: Het is een apofatische omschrijving van mijn ware aard.
Meester: Wie denk je wel dat je voor je hebt.
Leerling: Ik b-b-bewandel de v-v-via n-n-negativa, ik bedoel, niet dit, niet dat, neti neti, u weet wel...
Meester: Waarom zeggen wat je niet bent en niet wat je wel bent?
Leerling, schreeuwend: Omdat ik dat niet weet!
Meester: Zeg dat dan meteen.


Aangenaam

Leerling: Mag ik u voorstellen, mijn vader en mijn moeder.
De meester geeft hen een hand en zegt: Aangenaam.
De meester wijst naar de leerling en zegt: Waar is hij eigenlijk geboren?
Moeder: In het Academisch Ziekenhuis.
Meester: Hoe weet u dat hij niet verwisseld is met een ander kind?


Gefeliciteerd

Leerling: Vandaag ben ik jarig!
Meester: Hoe bedoel je?
Leerling: Dit is de dag waarop ik zoveel jaar geleden geboren ben.
Meester: Ben jij geboren dan?
Leerling: Natuurlijk, anders was ik er niet!
Meester: Kun jij je geboorte herinneren?
Leerling: Nee, dat niet.
Meester: Een enkeling beweert van wel.
Leerling: Nou, ik niet.
Meester: Hoe weet je dan dat je geboren bent?
Leerling: Van horen zeggen.
Meester: Door wie?
Leerling: Moeder, vader, tantes, grootouders, ...
Meester: Mensen zeggen zoveel.
Leerling: Ik heb foto's van mijn eigen geboorte.
Meester: Hoe weet je dat jij het bent die daar geboren wordt?
Leerling: Dat staat op de achterkant.
Meester: Er kan wel zoveel op de achterkant staan.
Leerling: Maar de naam op de achterkant is de mijne.
Meester: Zoveel mensen dragen jouw naam. Zelfs fictieve.
Leerling: Maar het kindje op de foto heeft ook rood haar.
Meester: Zoveel mensen hebben rood haar.
Leerling: En toch ben ik het.
Meester: Je bent toch zeker geen plaatje.
Leerling: En toch ben ik geboren.
Meester: Weet je dat honderd procent zeker?
Leerling: Wat zegt u tegen mensen die zich hun geboorte wel herinneren?
Meester:  Ik vraag hen hoe ze weten dat hun herinnering klopt.
Leerling: En wat zeggen ze dan?
Meester: In eerste instantie of na enig aandringen?
Leerling: Na enig aandringen.
Meester: Dat ze dat niet weten.
Leerling: Dus u wilt beweren dat ik niet geboren ben?
Meester: Wat weet ik daar nou van.


Een roze strik

Leerling: Wanneer bent u geboren?
Meester: Dat herinner ik me niet.
Leerling: Wat is uw eerste herinnering?
Meester: Dat ik een grijs konijn kreeg met een roze strik om zijn hals.
Leerling: En daarvoor?
Meester: Daarvoor niets.
Leerling: Vreemd hè, hoe de vroegste herinneringen zoekraken.
Meester: Als ze er al waren.
Leerling: Dat kan niet anders!
Meester: Ik zou niet weten waarom.
Leerling: U gaat me toch zeker niet vertellen dat u er zomaar ineens was om een grijs konijn in ontvangst te nemen.
Meester: Met een roze strik.
Leerling: Voor mijn part.
Meester: Ik zou niet weten waarom niet.
Leerling: Dat zou pas een sprookje zijn!
Meester: Wat denk jij dan?
Leerling: Dat u geboren bent, net als iedereen.
Meester: Dat zou pas een sprookje zijn!
Leerling: Denkt u werkelijk dat u er zomaar ineens was?
Meester: Ik niet.
Leerling: Dus u meent toch geboren te zijn?
Meester: Ik niet.


Een onvermijdelijke onmogelijkheid

Leerling: Het is een wonder dat ik besta!
Meester: Hoezo?
Leerling: Dat uit al die spermacellen juist het mijne werd uitverkoren.
Meester: Een kans van hooguit een op honderd miljoen.
Leerling: Per zaadlozing!
Meester: En hoeveel zaadlozingen waren er wel niet voor nodig.
Leerling: En dan ook nog eens precies dit eitje.
Meester: Een kans van nog eens een op een miljoen.
Leerling: Vermenigvuldig dat maar eens met elkaar.
De meester prevelt wat voor zich uit en zegt tenslotte: Ik kom op een kans van een op een triljoen, zegge en schrijve.
Leerling: In feite ben ik een onmogelijkheid!
Meester: Nou niet overdrijven.
Leerling: Hoezo.
Meester: Eén eitje moest er toch als eerste rijpen en één zaadje moest er toch als eerste aankomen.


Een DNA-test

Meester: Ben jij geadopteerd?
Leerling: Hoe komt u daar nou bij!
Meester: Niet dan?
Leerling: Ik ben opgevoed door mijn biologische ouders.
Meester: Hoe weet je dat?
Leerling: Dat is gewoon zo.
Meester: Hoezo?
Leerling: Anders hadden ze me dat heus wel verteld.
Meester: Dat weet je niet.
Leerling: Maar er is een geboortekaartje!
Meester: Kost een habbekrats bij de eerste de beste drukker.
Leerling: Er is een geboortebewijs!
Meester: Die verstrekt men zonder getuigen.
Leerling: Er is vast wel een doktersattest.
Meester: Dat weet je niet zeker?
Leerling: Nooit opgevraagd.
Meester: Een attest getuigt sowieso alleen van zijn eigen bestaan.
Leerling: Er zijn fotoalbums.
Meester: Die hebben geadopteerde kinderen ook.
Leerling: Er zijn lichamelijke overeenkomsten.
Meester: Iedereen heeft lichamelijke overeenkomsten.
Leerling: Mijn ouders zouden me nooit beduvelen.
Meester: Denk je dat adoptie-ouders altijd eerlijk zijn tegen hun kind?
Leerling: Ik vertrouw op mijn intuïtie.
Meester: Die heeft je jarenlang in Sinterklaas laten geloven.
Leerling: Wat zou u wel als bewijs aanvaarden?
Meester: Een DNA-test?
Leerling: Wedden van niet?
Meester: O?
Leerling: U zou mij vragen hoe ik weet dat het laboratorium bonafide is.
Meester:  Heel goed!
Leerling: Dus u denkt dat ik geadopteerd ben.
Meester: Welnee.
Leerling: U denkt van niet?
Meester: Dat ook niet.
Leerling: Maar u vindt dat ik het moet uitzoeken?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling, verbluft: Maar wat vindt u dan wel?
Meester: Tja.


Error

Meester: Hoeveel ouders heb je?
Leerling: Twee natuurlijk, zoals iedereen.
Meester: Hoeveel grootouders?
Leerling: Twee maal twee is vier natuurlijk, zoals iedereen. Wilt u foto's zien?
Meester: Hoeveel overgrootouders?
Leerling: Twee maal vier is acht natuurlijk.
Meester: Hoeveel betovergrootouders?
Leerling: Twee maal acht is zestien natuurlijk.
Meester: En zo verder?
Leerling: Vanzelfsprekend.
Meester: Dat weet je zeker?
Leerling: Zo zeker als twee maal twee vier is.
Meester: Hou oud ben je?
Leerling: Vijfentwintig.
Meester: Als we voor het gemak aannemen dat alle ouders zich precies op hun vijfentwintigste voortplanten, wanneer deden je betovergrootouders het dan?
Leerling: Mijn ouders vijfentwintig jaar geleden. Mijn grootouders vijftig jaar geleden. Mijn overgrootouders vijfenzeventig jaar geleden, Mijn betovergrootouders honderd jaar geleden. Vier generaties per eeuw.
Meester: Als je een eeuw geleden zestien voorouders had, hoeveel had je er dan twee eeuwen geleden?
Leerling: Zestien maal zestien is 256.
Meester: Een straat vol. Drie eeuwen geleden?
Leerling: Maal zestien is... even mijn rekenmachine... 4096.
Meester: Een dorp vol. En vier eeuwen geleden?
Leerling: Maal zestien is... 65536, ruim 65 duizend.
Meester: Een stad vol. Vijf eeuwen geleden?
Leerling: Maal zestien is... 1.048576 voorouders, ruim een miljoen.
Meester: Een metropool vol. En zes eeuwen geleden?
Leerling: 16.777.2216, ruim zestien miljoen.
Meester: De Nederlandse bevolking. Zeven eeuwen geleden?
Leerling: 298.435.456, ruim een kwart miljard.
Meester: De Amerikaanse bevolking. Acht eeuwen geleden?
Leerling: 4.294.967.296, ruim vier miljard.
Meester: De wereldbevolking in 1985. Negen eeuwen geleden?
Leerling: 68.719.476.740, ruim 68 miljard.
Meester: Tienmaal de huidige wereldbevolking. Een millennium geleden?
Leerling: Dat zijn er... ongeveer 300 miljard.
Meester: Er moeten alleen nog staanplaatsen geweest zijn.
De leerling staart verbijsterd naar zijn rekenmachine.
Meester: En duizend jaar daarvoor, rond Jezus' geboorte?
De leerling drukt de kwadraattoets in en zegt: Ik krijg een foutmelding!
Meester: Die zakrekenmachines van tegenwoordig.
Leerling: Maar dat kan toch helemaal niet!
Meester: En je wist het nog wel zo zeker.


Jantje Beton

Leerling: Ik denk dus ik ben.



Gedachtespelletjes

Leerling: Ik denk dus ik ben.
Meester: Je denkt dat je bent.

Leerling: Ik ben wat ik denk.
Meester: Dat had je gedacht.


Het bewijs

Leerling: Ik denk dus ik ben.
Meester: Dat betwijfel ik.
Leerling: Hoe zou ik kunnen denken zonder te zijn?
Meester: Hoelang duurt een gedachte?
Leerling: Een paar seconden.
Meester: Hoelang duurt zijn?
Leerling: Aha, ik zie het probleem.
Meester: Nou, hoelang?
Leerling: Een heel mensenleven.
Meester: Hoe kan iets wat maar een paar seconden duurt als bewijs dienen voor iets wat een heel mensenleven duurt?
Leerling: Zijn kent geen tijd.
Meester: Hoe kan iets wat maar een paar seconden duurt als bewijs dienen voor iets waar geen eind aan komt?


Een invuloefening


Leerling: Wie bent u?
Meester: Een invuloefening.
Leerling: Hè?
Meester: Ik ben wat de mensen van mij maken.
Leerling: En wat bent u voor uzelf?
Meester: Vul maar in.


Een invulling

Meester: Wat ben je ten diepste?
Leerling: Een invuloefening.
Meester: Dat maak jij ervan.

Meester: Wat ben je ten diepste?
Leerling: Niet eens een invuloefening.
Meester: Dat maak jij ervan.


Alles of niets

Leerling: Ik heb grote bewondering voor u.
Meester: Alleen maar om je in groot gezelschap te kunnen wanen.
Leerling: U wantrouwt mijn motieven.
Meester: Ik neem niet aan dat een mens door motieven wordt bewogen.
Leerling: Mijn bewondering voor u is anders oprecht.
Meester: Daar twijfel ik niet aan.
Leerling: Maar?
Meester: Je bewondert een innerlijk afgodsbeeld.
Leerling: olgens mij heb ik een heel realistisch beeld van u.
Meester: Hoe kan een bééld nou realistisch zijn.
Leerling: Hoe moet ik u dan zien?
Meester: Zoals ik ben.
Leerling: En wat moet ik me daarbij voorstellen?
Meester: Niets.
Leerling: Bedoelt u dat u het niets bent?
Meester: Dat is nog steeds een voorstelling.
Leerling: Maar wat bedoelt u dan.
Meester: Niet-voorstellen.
Leerling: Maar ik kan me alleen maar iets voorstellen.
Meester: Stel je dan maar alles voor.
Leerling: Bedoelt u dat u alles bent?
Meester: Dat is nog steeds een voorstelling.


Iedereen

Leerling: Iedereen is een vraagteken voor me geworden.
Meester: Zelfs die zekerheid ben ik kwijt.



Niets aan te doen

Leerling: Hoe word ik mezelf?
Meester: Hoe zou je jezelf nou niet kunnen zijn.
Leerling: Wie ben ik dan?
Meester: Op dit moment?
De leerling knikt.
Meester: Degene die zichzelf wil worden.
Leerling: En wie mag dat wel wezen?
Meester: Degene die meent zichzelf niet te zijn, die meent zichzelf te kunnen worden, die meent beter af te zijn als hij zichzelf is en die meent dat zijn meester hem daarbij kan helpen.
Leerling: En dat is wat ik volgens u ben?
Meester: Op dit moment wel ja.
Leerling: Hoe komt u daar nou bij!
Meester: Dat heb je net zelf gezegd.
Leerling: Volgens mij was u het die het zei.
Meester: Wat was je vraag ook alweer?
Leerling: Hoe word ik mezelf.
Meester: Nou dan.


Wanneer eigenlijk wel?

Meester: Wie ben je?
Leerling: Ik ben degene die zijn ware zelf zoekt.
Meester: Doe je dat of ben je dat?
Leerling: Dat ben ik.
Meester: Altijd?
Leerling: Ik ben al mijn hele leven op zoek.
Meester: Ook als je de krant zit te lezen?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je televisie kijkt?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je zit te roddelen?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je zit te flirten?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je boodschappen doet?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je aan het kokkerellen bent?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je aan het klussen bent?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je aan het administreren bent?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je voor de kinderen zorgt?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je aan het werk bent?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je feestviert?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je aan het tennissen bent?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je bij de dokter zit?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: En als je ligt te slapen?
Leerling: Dan natuurlijk niet.
Meester: Wanneer dan eigenlijk wel?



Filmfans


Leerling: Ik ben niet de film.
Meester: Die film ken ik!
Leerling: Wat?
Meester: Hij heet "Ik Ben het Doek."


De druppel

Leerling: Ik ben de druppel die de hele oceaan bevat.
Meester: En ik de gloeiende plaat.


Rimpels


Leerling: Gedachten zijn rimpels aan de oppervlakte van de oceaan.
Meester: Welke oceaan?
Leerling: De oceaan van liefde.
Meester: En wat ben jij in deze beeldspraak?
Leerling: De oceaan natuurlijk.
Meester: Mooie gedachte.


Koning Winter

Leerling: Ik ben de kenner van het gekende.
Meester: Wie zegt dat er zoiets is?
Leerling: Waar gezien wordt is iets dat ziet.
Meester: En waar gevroren wordt is iets dat vriest.


Loskomen

Leerling: Niet weten geeft je de kans om los te komen van het idee dat je...
Meester: Los kunt komen.
Leerling: Ik wou zeggen, van het idee dat je gedachten en gevoelens van jou zijn.
Meester: Maar ook van de gedachte dat ze niet van jou zijn.
Leerling: Hoelang blijft u mij nog tegenspreken?
Meester: Zolang jij nog tegen mij blijft spreken.


Een absence

Leerling: Wat is niet weten?
Meester: Een absence.
Leerling: Van gedachten zeker?
Meester: Ben je gek.
Leerling: Waarvan dan wel?
Meester: Van de denker.
Leerling: Voor hoelang?
Meester: Voorgoed.
Leerling: Dat meent u niet!
Meester: Natuurlijk niet.
Leerling: Waarom zegt u het dan?
Meester: Ik had mijn hoofd er even niet bij.


Als ik dat eens wist

Leerling: Wie bent u?
Meester: Als ik dat eens wist.
Leerling: Wat dan?
Meester: Als ik dat eens wist.
Leerling: Weet u dat ook al niet?
Meester: Als ik dat eens wist.


Daarom niet

Leerling: Waarom weet ik niet wat ik ben?
Meester: Omdat je niet-weten bent.
Leerling: Als ik niet-weten ben, waarom weet ik dat dat niet?
Meester: Omdat je niet-weten bent.


Ja of nee

Leerling:  Ik ben niet-weten.
Meester: Jij kan het weten
Leerling: Was dat een bevestiging of een ontkenning?
Meester: Dat moet je zelf maar weten.


Verzamelaars

Leerling: Wilt u mij alstublieft een nieuwe naam geven?
Meester: Wou je er nog een identiteit bij?

Leerling: Ik wil voortaan anoniem door het leven.
Meester: Wou je er nog een identiteit bij?


Wat ik ben

Leerling: Niet weten wat ik ben is wat ik ben.
Meester: Toch weer een identiteit gevonden?


Wie zegt dat?

Ik wil het even over uw stem hebben. De stem die in u spreekt en zich bij gelegenheid door uw mond een weg naar buiten baant. Die stem die de ene keer zulke vreselijke dingen beweert en de andere keer zulke sympathieke, de ene keer zulke diepzinnige en de andere keer zulke banale. Die stem: is dat werkelijk uw stem? Bent u daar de eigenaar van? Bent u werkelijk de spreker of wordt er in en door u heen gesproken?

Als de stem in u uw stem is, waarom kunt u hem dan niet het zwijgen opleggen? Hoe komt het dat hij dingen zegt waar u zelf nooit opgekomen zou zijn? En als het niet uw stem is, hoe kan het dan dat hij klinkt als de uwe? Hoe kan het dat u meestal de enige bent die hem hoort? Hoe kan het dat u er toch een zekere mate van zeggenschap over schijnt te hebben?

Zeg mij, als het niet uw stem is die in u spreekt, van wie is hij dan wel? Van niemand? Van een ander? Van de collectieve mensheid? Van de geheime dienst? Van het universum? Van het bewustzijn? Van god? Horen wij onbedoeld het Vertoog in zichzelf mompelen, of is het slechts het brein dat wauwelt in den blinde - de cortex om precies te zijn, het gebied van Broca om nog preciezer te zijn? Of is het niet Broca maar Brahman die zijn stem in u verheft? Zeg het me, en zeg me wie het me zegt, en zeg me hoe ik weet of ik hem kan vertrouwen als hij over zichzelf spreekt, als hij zegt dat u het bent of dat u het niet bent of dat ik het ben of dat we helemaal niet kunnen weten wie het is die dit alles zegt.

Uw stem. Is die steeds dezelfde? Is uw kinderstem dezelfde als uw volwassen stem? Met welke stem sprak u voordat u leerde spreken? Met welke stem spreekt u als u dronken bent? Met welke stem spreekt u in uw dromen? Met welke stem spreekt u als u droomt dat u iemand anders bent? Wiens stem is het die in uw droom spreekt namens een ander? Wiens stem is het die ijlt als u koorts heeft? Wiens stem is het die in uw herinneringen en toekomstdromen de rol van de ander vervult? Wiens stem is het die daar raaskalt na een ernstig auto-ongeluk met hersenbeschadiging tot gevolg? Wiens stem is het die al na een paar maanden Alzheimer niets meer van euthanasie wil weten? Wiens stem is het die u kromgebogen van de pijn hoort kreunen voordat u hem eindelijk als de uwe herkent?

Als het steeds dezelfde stem is die tegen u spreekt, waarom spreekt hij zichzelf dan steeds tegen? Als het steeds andere stemmen zijn, waarom klinken ze dan allemaal hetzelfde? Klinken ze eigenlijk wel allemaal hetzelfde? Als u steeds maar één stem tegelijk hoort, hoe weet u dan of alle stemmen in u hetzelfde of anders klinken? Wiens stem hoort u nu werkelijk terwijl u deze woorden leest: die van mij, uw ingebeelde schrijver, als ik mezelf tenminste die eer mag gunnen, of die van uzelf, uw ingebeelde ik, als ik u tenminste die eer mag gunnen - of spreken wij samen met dezelfde stem, of zijn wij beiden slechts toehoorders? Als u deze vragen niet alleen leest, zoals ik zelf denk ik zou doen, maar daadwerkelijk beantwoordt, zoals de bedoeling is (wie zegt dat en waarom?), van wie is dan de stem die antwoord geeft op deze vragen? Had hij ook géén antwoord kunnen geven? Zo niet, waarom noemt u hem dan toch de uwe? Of, als hij geen antwoord geeft, had hij dat ook wel kunnen doen? Zo niet, waarom noemt u hem dan toch de uwe?

Als u meent dat er meerdere stemmen in u spreken, welke dan? Zijn het de al dan niet vermeende jantjes in uw hoofd die allemaal wat anders willen, de krent, de vragensteller, de aanhouder, de bruinwerker, de hulpvaardige, de gevoelige, de verlegene, de susser en de twijfelaar? Spreekt daar het kind in u dat zijn zin wil doordrijven, de ouder in u die hem dat verwijt en de volwassene in u die de verantwoordelijkheid neemt, zoals de transactionele analyse het wil? Liever een ander drietal? Id, ego en superego? Small mind, big mind en supermind? Liever een tweetal? Dr. Jekyll en mr. Hyde? Good cop, bad cop? Is het de duivel zelf die u verleidt en uw geweten dat zich verweert?

Of heeft u het meervoudig persoonlijkheidssyndroom, met een eigen stem voor elk van uw (uw!) twee tot tweehonderd persoonlijkheden. Of heeft wellicht iedere gedachte zijn eigen stem. Dat zou toch kunnen: iedere gedachte een eenmalige, een wegwerpstem, steeds anders maar altijd schijnbaar eigen, en u zelf niets meer of minder dan die ene zelfbedwelmende gedachte op dat ene onvergankelijke moment. Nee? Wie zegt dat? Die stem zeker weer. Vertrouwt u hem dan nog steeds? Nee? Is het gedaan? Wie zegt dat? Diezelfde stem zeker weer. Vertrouwt u hem dan nog steeds?


Wie en wat


niemand ben ik niet
iemand ben ik niet
allen ben ik niet
alles ben ik niet
iets ben ik niet
niets ben ik niet
en dat is wie ik ben
ja, dat is wat ik ben


Goed nieuws

Leerling: Ik kom steeds dichter bij mezelf!
Meester: Dat gaat vanzelf weer over.


Vieren

Leerling: Ik blijf tegenwoordig heel dicht bij mezelf!
Meester: Tijd om de teugels te vieren.


Vallen

Leerling: Ik val helemaal met mezelf samen!
Meester: Ik val alleen nog maar.


Een graf


Leerling: Wat is zelfkennis?
Meester: Een graf voor het zelf.

Leerling: Zelfkennis is een graf voor het zelf!
Meester: Wat een zelfkennis.

Leerling: Zelfkennis is een graf voor het zelf.
Meester: Alsof het zelf géén graf is.


Ware zelfkennis

Leerling: Wat is ware zelfkennis?
Meester: Niet weten wie je bent.



Hoog, hoger, hoogst

Leerling: Wat is zelfkennis?
Meester: Niet weten wie je bent.
Leerling: Wat is hogere zelfkennis?
Meester: Niet weten wat je bent.
Leerling: Wat is de hoogste zelfkennis?
Meester: Niet weten of je bent.
Leerling: Wat is de allerhoogste zelfkennis?
Meester: Niet weten of je dat niet weet.


Eindconclusie

Leerling: Ik heb het helemaal gehad met u!
Meester: Anders ik wel.