(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Ethiek



Verlichting voor dummy'sHet leven > Ethiek

Deze pagina: Dwaalteksten over normen en waarden.
Auteur: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.








Lekker makkelijk

Leerling: Stop dierenleed! Draag geen bont!
Meester: Zou je liever te jong sterven of nooit zijn geboren?
Leerling: Te jong sterven. Daar hoef ik echt niet over na te denken.
Meester: Waarom zou dat voor pelsdieren anders zijn?
Leerling: Bent u dan voor het gebruik van bont?
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Dan moet u er wel op tegen zijn.
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Dan moet u wel neutraal zijn.
Meester: Niet dat ik weet.
Leerling: Het zou een mooi zootje worden als iedereen zich zo opstelde.
Meester: Ik stel mij niet op.
Leerling: Lekker makkelijk.
Meester: Niets zo moeilijk.
Leerling: Hebt u dan helemaal geen medelijden?
Meester: Met wie?
Leerling: Met de dieren die geslacht worden om hun pels natuurlijk!
Meester: Ook.
Leerling: Met wie dan nog meer?
Meester: Met jou.
Leerling: Waarom in godsnaam?
Meester: Omdat jij aan dierenleed lijdt.
Leerling: Schei nou toch uit!
Meester: En met de fokkers, daar heb ik ook medelijden mee.
Leerling: Nou wordt 'ie helemaal mooi!
Meester: Denk je soms dat het leuk is om bedreigd te worden?
Leerling: Ze vragen er toch om?
Meester: Ik heb nog nooit iemand om een dreigement horen vragen.
Leerling: U weet best wat ik bedoel.
Meester: En met de liefhebbers van bont natuurlijk.
Leerling: Wat?
Meester: Omdat ze zich steeds schuldiger voelen.
Leerling: Dat is ze verdomme geraden ook!
Meester: En zomaar ineens uitgescholden kunnen worden.
Leerling: En dan komen ze er nog goed vanaf!
Meester: Ben je zelf ooit in die positie geweest?
Leerling: Ik draag geen bont!
Meester: Ben je weleens gepest?
Leerling: Op school. Jarenlang.
Zijn gezicht betrekt en zijn kin begint te trillen.
Meester: Nou dan.


Leren schoenen

Leerling: Draag geen bont!
Meester: Waarom niet?
Leerling: Dat is zielig voor pelsdieren.
Meester: Hou je van pelsdieren?
Leerling: Nou en of!
Meester: Zou je ook niet van ze kunnen houden?
Leerling: Ondenkbaar!
Meester: Is dat de reden dat je actie moet voeren?
Leerling: Ongetwijfeld.
Meester: Sommige mensen houden van bont.
Leerling: Nou én?
Meester: Zouden ze er ook niet van kunnen houden?
Leerling: Ze, eh...
Meester: Zou dat de reden kunnen zijn dat ze bont moeten dragen?
De leerling zwijgt.
Meester: O ja, wat ik nog zeggen wou...
Leerling: Wat?
Meester: Je draagt leren schoenen.



Gemeen

Leerling: Waarom kopen mensen in hemelsnaam nog bont?
Meester: Misschien wel omdat ze zo van pelsdieren houden.
Leerling: Een dodelijke liefde.
Meester: Ze weten ze in ieder geval te waarderen.
Leerling: Ze zitten helemaal vast in hun eigen voorkeuren.
Meester: Ook dat hebben jullie gemeen.


Medeplichtigheid

Leerling: Ik ben veganist!
Meester: Wat houdt dat in?
Leerling: Dat ik niets dierlijks eet en niets gebruik waarvoor dieren nodig zijn.
Meester: Dat zou je wel willen.
Leerling: Ik gebruik zelfs geen gelatine meer.
Meester: Maar je eet nog wel?
Leerling: Uitsluitend plantaardig en biologisch.
Meester: Je eet gewassen?
Leerling: Is daar iets mis mee?
Meester: Arme planten.
Leerling: Planten hebben geen gevoel.


Meester: Wat eten die planten eigenlijk?
Leerling: Hè?
Meester: Wat eten de planten die jij eet?
Leerling: Planten eten niet.
Meester: Kunstmest?
Leerling: Ik ben tegen kunstmest!
Meester: Poep dus.
Leerling: Wat heeft dat er nou weer mee te maken?
Meester: Waar komt die poep vandaan?
Leerling: O.
Meester: Nou?
Leerling: Van koeien, en zo.
Meester: En waarvoor worden die koeien nog meer gebruikt?
De leerling zwijgt.
Meester: Of denk je dat ze uitsluitend voor de poep worden gehouden?
De leerling kijkt naar de grond.
Meester: Dacht je soms dat een boer van mest alleen kan leven?
De leerling schudt zijn hoofd.
Meester: Koeien leveren melk en als ze niet genoeg melk meer leveren gaan ze naar het slachthuis.
Leerling: Maar niet voor mij!
Meester: Zonder zuivelliefhebbers en vleeseters geen veganisten.


De praktijk

Leerling: Wat is ethiek voor u?
Meester: Geen moralisme, geen immoralisme, geen amoralisme.
Leerling: Wat is democratie voor u?
Meester: Niet voor zijn, niet tegen zijn, niet neutraal zijn.
Leerling: Wat is kiezen voor u?
Meester: Niet stemmen, niet blanco stemmen, niet thuisblijven.
Leerling: Hoe brengt u een en ander in de praktijk?
Meester: Dat hoeft niet.
Leerling: O?
Meester: Het is de praktijk die het in mij brengt.


Voor je het weet

Leerling: Oordelen is verkeerd!
Meester: Dat was een oordeel.



Leerling: Ik ben een slecht mens.
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat ik anderen veroordeel.
Meester: Dat waren twee oordelen.


Aannames

Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?
Meester: Wie zegt dat je er vanaf moet?



Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?
Meester: Wie zegt dat je er vanaf kunt?



Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?
Meester: Wie zegt dat het van jou is?


Hoe je er vanaf komt

Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?
Meester: Je komt er niet vanaf.
Leerling: Wat moet ik er dan mee aan?
Meester: Dat onder ogen zien.
Leerling: Maar ik kan het gewoon niet aanzien.
Meester: Omdat je erover oordeelt.
Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?
Meester: Je komt er niet vanaf.
Leerling: Wat moet ik er dan mee aan?
Meester: Dat onder ogen zien.
Leerling: Maar ik kan het gewoon niet aanzien.
Meester: Omdat je erover oordeelt.
Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?


Heerlijk

Leerling: Het lijkt me heerlijk om niet meer te oordelen.
Meester: Als je niet meer oordeelde, zou het je niets meer kunnen schelen.


De hoogste deugd

Leerling: Niet oordelen is de hoogste deugd.
Meester: Dat is nog steeds een oordeel.



Leerling: De hoogste deugd heeft geen maatstaf nodig.
Meester: Dat is nog steeds een maatstaf.


De werkelijkheid


Leerling: Oordelen verhullen de werkelijkheid.
Meester: Oordelen maken deel uit van de werkelijkheid.



Leerling: Oordelen maken deel uit van de werkelijkheid.
Meester: Oordelen scheppen de werkelijkheid.



Leerling: Oordelen scheppen de werkelijkheid.
Meester: Oordelen vernietigen de werkelijkheid.



Leerling: Oordelen vernietigen de werkelijkheid.
Meester: Welke werkelijkheid?


Een demonstratie

Twee leerlingen groeten op dezelfde respectvolle wijze de meester.
Meester: De houding van de ene leerling is goed, die van de andere niet.
De leerlingen in kwestie verstijven van hoop en angst.
De andere leerlingen spitsen de oren.
De meester zegt niets meer.
De spanning is om te snijden.
De meester begint zacht neuriënd heen en weer te wiegen.
Een leerling die het niet meer uithoudt, roept: Wie is de ene, wie de andere?
De meester haalt zijn schouders op.
Leerling: Nou?
Meester: Jullie geloven ook alles.


De werkelijkheid zelf

Meester: Als je iets "gemeen" noemt...
Leerling: Iets?
Meester: Een gedachte, een opmerking, een daad, een mens.
Leerling: Ja?
Meester: Beschrijf je dan de werkelijkheid zelf of spreek je alleen maar een oordeel uit?
Leerling: Je beschrijft de werkelijkheid zelf.

Meester: Stel,  je wordt onder bedreiging van een mes beroofd van je portemonnee.
Leerling: Nou, dat mag je gerust gemeen noemen.
Meester: Ook als je een rijke vrek bent die bestolen wordt door de mensen die hij zelf uitperst?
Leerling: Dan niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Gerechtigheid.

Meester: En als de dader Robin Hood heet en de buit verdeeld onder de armen?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Solidariteit.


Meester: En als degene die jou beroofd eerder op de dag door jou beroofd is?
Leerling: Dan al helemaal niet.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Een koekje van eigen deeg.


Meester: En als de dader een figurant is en jij een politieman-in-opleiding tijdens een arrestatie-oefening?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Een simulatie.

Meester: En als het mes van plastic is, de portemonnee Monopoly-geld bevat en de dader je vriendje is waarmee je boefje speelt?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Kinderspel.

Meester: En als het een scène in een misdaadfilm is?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Spannend.


Meester: En als de beroving een grap is met een verborgen camera?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Leedvermaak.

Meester: En als de dader het geld steelt als laatste redmiddel voor zijn doodzieke kind?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Goed vaderschap.

Meester: En als de beroving in scène is gezet om iemand van zijn naïviteit af te helpen?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Therapeutisch.

Meester: En als de dader zelf is opgevoed met geweld en nooit geleerd heeft te werken voor zijn geld?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Onmacht.

Meester: En als de dader wordt gechanteerd om te stelen voor een bende?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Overmacht.

Meester: En als het allemaal droomt?
Leerling: Dan ook niet natuurlijk.
Meester: Hoe zou je het dan noemen?
Leerling: Een illusie.

Meester: Als je oordeel wisselt naar gelang de omstandigheden, wat heeft het dan nog met de gebeurtenis zelf te maken?
Leerling: Niets, denk ik.
Meester: Dus als je iets gemeen noemt, beschrijf je dan de werkelijkheid zelf of spreek je alleen maar een oordeel uit?
Leerling: Je spreekt alleen maar een oordeel uit.
Meester: Is dit een oordeel of een beschrijving van de werkelijkheid zelf?
Leerling: Ik... zou het echt niet weten.
Meester: Nou dan.


Expres


Meester: Als een boom omwaait en op een voorbijganger valt, heeft de boom het dan gedaan?
Leerling: Sleep hem voor de rechter!
Meester: Zou je de boom gemeen noemen?
Leerling: Natuurlijk niet!
Meester: Als een dakdekker uitglijdt en op een voorbijganger valt, heeft de dakdekker het dan gedaan?
Leerling: Onzin!
Meester: Waarom niet?
Leerling: Omdat hij het niet expres deed.
Meester: Zou je hem gemeen noemen?
Leerling: Hij gleed toch zeker uit?
Meester: Als iemand vanaf een viaduct een tegel op een passerende auto...
Leerling: Dat is gemeen!
Meester: Waarom?
Leerling: Omdat er boos opzet in het spel is!
Meester: Stel nou dat de dader in een psychose handelt.
Leerling: Dat... zou wat anders zijn.
Meester: Stel dat hij om een andere reden op dat moment echt niet anders kon.
Leerling: Ik kan het me nauwelijks voorstellen.
Meester: Er is iets gebeurt of hij heeft bepaalde gevoelens, herinneringen of gedachten die hem onafwendbaar tot zijn daad aanzetten. Zou je hem dan nog steeds gemeen noemen?
Leerling: Als hij echt niet anders kon...
Meester: Weet je ooit of iemand op enig moment anders kon?
De leerling zwijgt.
Meester: Dus vraag ik je nogmaals, kan men iemand ooit een dader noemen?
Leerling: Als je zo redeneert moet je voortaan iedereen een slachtoffer noemen.
Meester: Weet je ooit of iemand op enig moment niet anders kon?


Een diploma

Leerling: Wat is de toegevoegde waarde van niet weten?
Meester: Niet weten voegt geen waarde toe.
Leerling: Is het dan een soort ontwaarding?
Meester: Niet weten neemt geen waarde weg.
Leerling: Maar wat is niet weten dan?
Meester: Dat wat alles in zijn waarde laat.
Leerling: In het bijzonder?
Meester: Dat wat nergens de waarde van kent.
Leerling: Ik dacht dat u op iets moois aanstuurde.
Meester: Zoals?
Leerling: Onvoorwaardelijke Liefde.
Meester: O, dat.
Leerling: Nou?
Meester: Daar weet ik niks van.
Leerling: Dit klinkt meer als een brevet van onvermogen.
Meester: Wou je nog een diploma ook?


Schuld

Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?
Meester: Je veronderstelt dat jij er verantwoordelijk voor bent.
Leerling: Wie anders?
Meester: Is het jouw schuld dat je blauwe ogen hebt?
Leerling: Natuurlijk niet.
Meester: Is het jouw schuld dat je iedere dag moet eten?
Leerling: Natuurlijk niet.
Meester: Is het jouw schuld dat je je moerstaal spreekt?
Leerling: Nee, maar ...
Meester: Is het jouw schuld dat je de normen en waarden van je cultuur met je meezeult?
Leerling: Ik neem aan van niet, maar...
Meester: Is het dan jouw schuld dat er voortdurend allerlei oordelen in je opkomen overeenkomstig de normen en waarden van je cultuur?
Leerling: Wilt u beweren dat ik er niets aan kan doen?
Meester: Wie?
Leerling: Wat?
Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat ik iemand ben.
De leerling kijkt hem aan of hij gek geworden is.
Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat jij iemand bent.
De mond van de leerling zakt open.
Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat je een vrije wil hebt.
Leerling: Wilt u soms zeggen dat...
Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat ik niet in de vrije wil geloof.
Leerling: Mag ik hieruit opmaken...
Meester: Is het jouw schuld dat je altijd maar conclusies trekt.
Leerling: Ik zal het nooit meer doen!
Meester: Dat had je gedroomd.
Leerling: Bedoelt u dat ik er niets over te zeggen heb?
Meester: Zie je wel?


Verkeerd

Leerling: Waarom is oordelen verkeerd?
Meester: Als oordelen verkeerd is, dan ook het oordeel dat oordelen verkeerd is.
Leerling:  En als oordelen niet verkeerd is?
Meester: Dan ook niet het oordeel dat oordelen verkeerd is.
Leerling: Nou weet ik nog niks.
Meester: Is dat verkeerd?


Hoog


Een leerling loopt recht op de meester af en smijt zijn vaandel op de grond.
Meester: Wat krijgen we nou?
Leerling: Ik weiger nog langer met dat belachelijke ding rond te lopen.
Meester: Oh?
Leerling: Bovendien heb ik mijn lesje onderhand wel geleerd.
Meester: Welk lesje?
Leerling: "Draag niets hoog in het vaandel" natuurlijk.
Meester: Geloof je dat werkelijk?
Leerling: Nou en óf!
De meester raapt het vaandel op, slaat het stof eraf en geeft het terug aan de leerling.
Meester: Schrijf het dan maar gauw in je vaandel.


Grassprietjes

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje verkeerd.
Meester: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed.



Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed of verkeerd.
Meester: In welk universum?



Leerling: Nergens ligt ook maar een grassprietje goed of verkeerd.
Meester: Heb je ze allemaal gecontroleerd?



Leerling: Zelfs over het kleinste grassprietje heb ik niets te melden.
Meester: Waarom doe je het dan toch?



Valse wijsheid

Leerling: Wat is optimisme?
Meester: Valse hoop.
Leerling: Wat is pessimisme?
Meester: Valse wanhoop.
Leerling: Wat is realisme?
Meester: Valse zekerheid.
Leerling: Wat is scepticisme?
Meester: Valse twijfel.

Een dag later wil de leerling bewijzen dat hij zijn lesje geleerd heeft.
Leerling: Optimisme is valse hoop, pessimisme is valse wanhoop, realisme is valse zekerheid, scepticisme is valse twijfel!
Meester: Valse wijsheid.
Leerling: Maar dat heeft u zelf gezegd!
Meester: Wanneer dan?
Leerling: Gisteren!
Meester: Gisteren moest ik iets anders rechtzetten.


Een waardeloze meester

Leerling: Gaat u weleens stemmen?
Meester: Volgens mij wel
Leerling: Maar u weet toch niets?
Meester: Dat weet ik eigenlijk niet.
Leerling: Hoe kunt u dan stemmen?
Meester: Is niet stemmen soms beter dan wel stemmen?
Leerling: Dat weet ik niet.
Meester: Nou, ik ook niet.
Leerling: Dus u gaat stemmen omdat er geen reden is om niet te stemmen?
Meester: Ik weet niet of dat de reden is.
Leerling: Wat is dan de reden?
Meester: Ik weet niet of er wel een reden is.
Leerling: Dus u zou net zo goed niet kunnen gaan stemmen?
Meester: Dat weet ik ook niet.
Leerling: Het is een wonder dat u nog in beweging komt.
Meester: Beweging is niet wonderlijker dan stilstand.
Leerling: Wat bent u toch een waardeloze meester!
Meester: Hoezo?
Leerling: Ik leer helemaal niets van u!
Meester: En een moeite dat het kost.


Het belangrijkste

Meester: Wat is het belangrijkste aan een wiel?
Leerlingen:
  • Het loopvlak dat de voorwaartse beweging mogelijk maakt.
  • De spaken die de last overbrengen op de naaf.
  • De naaf die de last overbrengt op de as.
  • De as die het koetswerk draagt.
  • Het koetswerk zelf natuurlijk!
  • Je hebt nergens iets aan zonder een weg.
  • Het is de grond die de weg draagt.
  • Wat moet je met een weg als je geen bestemming hebt?
  • Het gaat niet om de bestemming, het gaat om de reis.
  • Het gaat niet om de reis, het gaat om de reiziger.
  • Het gaat om al deze dingen bij elkaar.
  • Het gaat om het ene, dat alle dingen mogelijk maakt.
Leerling: Meester?
Meester: Waarom zou iets het belangrijkste zijn?
Leerling: Bedoelt u soms van niet?
Meester: Waarom zou niets het belangrijkste zijn?


Een ramp

Leerling: Niets heeft nog betekenis!
Meester: En?
Leerling: Het is een ramp!
Meester: Toch weer betekenis gevonden?


Vanuit ieder opzicht


Leerling: Ik wil het goede doen en het kwade laten.
Meester: Niets is louter goed of kwaad.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Wat goed is in het ene opzicht, is kwaad in het andere.
Leerling: Ik wil alleen maar doen wat goed is in ieder opzicht.
Meester: Dan moet je alles laten.
Leerling: Ik wil alleen maar laten wat goed is in geen enkel opzicht.
Meester: Dan moet je alles doen.
Leerling: Erg behulpzaam bent u niet.
Meester: Bekijk het eens zonder opzicht.
Leerling: Hè?
Meester: Bekijk het dan maar vanuit ieder opzicht.


De een zijn dood...


Leerling: Doden is verkeerd, redden is goed.
Meester: Men doodt om te redden.
Leerling: In de oorlog misschien, maar niet in het dagelijks leven.
Meester: Driemaal daags, althans, degenen die het zich kunnen veroorloven.
Leerling: Wat bedoelt u?
Meester: Eten.
Leerling: Wat heeft dat er nou weer mee te maken?
Meester: Eten is redden door te doden.
Leerling: Je kunt toch vegetarisch eten?
Meester: Vegetarisme is planten doden in plaats van dieren.
Leerling: Maar planten zijn lagere wezens dan dieren.
Meester: Dan zullen we het maar niet hebben over de verdelgingsmiddelen die in de landbouw worden gebruikt om insecten te bestrijden.
Leerling: Met biologische landbouw kan men ...
Meester: Of over het vee dat de noodzakelijke biologische mest produceert en uiteindelijk toch opgegeten wordt. Als is het maar door onze huisdieren.
Leerling: Het is een schande!
Meester: Wat moeten onze huisdieren anders eten? Of geef je ze liever een spuitje?
De leerling zwijgt.
Meester: Laten we het ook maar niet hebben over de vernietiging van de oorspronkelijke ecosystemen die iedere vorm van landbouw met zich meebrengt.
Leerling: Misschien moest ik maar stoppen met eten.
Meester: Niet eten is een vorm van zelfdoding die men versterving noemt.
Leerling: In elk geval dood je er geen andere levende wezens mee.
Meester: Vergeet je darmflora niet.
Leerling: Verdorie nog aan toe!
Meester: Maar de wormen zullen je dankbaar zijn.


Zonder handen

Leerling: Ik wil het goede doen en het kwade laten.
Meester: Niets is goed of kwaad in zichzelf.
Leerling: Hoe bedoelt u?
Meester: Hetzelfde mes snijdt komkommers en kelen door.
Leerling: Maar een mitrailleur is toch zeker puur slecht!
Meester: Een mitrailleur kan redden en doden.
Leerling: De wereld zou beter af zijn zonder schiettuig.
Meester: Het is met blote handen dat de meeste moorden worden gepleegd.
Leerling: Nou én?
Meester: Zou de wereld beter af zijn zonder handen?


Alleen maar goed


Meester: Geef eens een voorbeeld van iets dat alleen maar goed is.
Leerling: Helpen is alleen maar goed.
Meester: Helpen is afhankelijk maken.
Leerling: Wanneer iemand in nood verkeert, is het mijn morele plicht...
Meester: Helpen is iemand zijn zelfrespect ontnemen
Leerling: Wilt u zeggen dat je beter niet kunt helpen?
Meester: Niet helpen is iemand in zijn sop gaar laten koken.
Leerling: Maar wat moet ik dan doen?
Meester: Wie zegt dat je iets moet doen?
Leerling: Moet ik dan alles maar laten?
Meester: Wie zegt dat je iets moet laten?
Leerling: Ik wil de juiste keuzes maken!
Meester: Wie zegt dat je een vrije wil hebt?
Leerling: Wilt u soms zeggen van niet?
Meester: Wat weet ik daarvan?
Leerling: Kunt u me dan helemaal niets aanraden?
Meester: Niets is alleen maar goed.


Gij zult niet doden


Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Strafrecht.



Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Ongewenste kinderen.



Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Overbegrazing.



Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Epidemieën.



Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Uitzichtloos lijden.



Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Levenslang.


Plagen

Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Plagen.
Leerling: Waartoe leiden plagen?
Meester: Mislukte oogsten.
Leerling: Waartoe leiden mislukte oogsten?
Meester: Hongersnood.
Leerling: Waartoe leidt hongersnood?
Meester: De hongerdood.


Overbevolking

Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Overbevolking.
Leerling: Waartoe leidt overbevolking?
Meester: Oorlog.
Leerling: Waartoe leidt oorlog?
Meester: Doden.
Leerling: Waartoe leidt doden?
Meester: Geboden.


Suïcide


Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Schuldgevoelens en schaamte.
Leerling: Waartoe leiden schuldgevoelens en schaamte?
Meester: Zelfhaat.
Leerling: Waartoe leidt zelfhaat?
Meester: Suïcide.
Leerling: Waartoe leidt suïcide?
Meester: Een verbod op zelfmoord.
Leerling: Waartoe leidt een verbod op zelfmoord?
Meester: Schuldgevoelens en schaamte.


Hoe dan ook

Leerling: Waartoe leidt het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Het opheffen van de doodstraf.
Leerling: Waartoe leidt het opheffen van de doodstraf?
Meester: Meer moorden.
Leerling: Waartoe leidt de doodstraf?
Meester: Justitiële dwalingen met een fatale afloop.


De diepere betekenis

Leerling: Wat betekent volgens u het gebod Gij zult niet doden?
Meester: Uiteindelijk?
Leerling: Uiteindelijk.
Meester: Gij zult niet leven.


Andere levensvormen

Leerling: Zou u kunnen doden?
Meester: Ik dood en ik laat voor mij doden.
Leerling: Wát?
Meester: Kippen, duiven, kwartels, koeien, varkens, paarden, herten, wilde zwijnen, vissen, kikkers, schildpadden, ratten, muizen, mollen, vissen, bomen, struiken, planten, grassen, bacteriën, virussen, schimmels, noem maar op.
Leerling: Ik bedoelde eigenlijk mensen.
Meester: Ik wil je niet ongerust maken...
Leerling: Maar?
Meester: Waarom zou iemand die alle levende wezens onder de zon doodt en laat doden, een uitzondering maken voor mensen?
Leerling, benauwd: Dat weet ik eigenlijk niet.
Meester: Nou, ik ook niet.


In opdracht

Leerling: Zou u kunnen doden?
Meester: Ik dood en ik laat voor mij doden.
Leerling: U bedoelt zeker dieren en planten?
Meester: Ik bedoel eigenlijk mensen.
Leerling: Wát?
Meester: Er sterven voortdurend mensen voor mij en door mij.
Leerling: Maar hoe dan?
Meester: In het verkeer, in fabrieken, in mijnen, in gevangenissen, in ziekenhuizen, in de lucht, onder water, op het slagveld, noem maar op. Mijn moeder is nota bene gestorven tijdens mijn bevalling.
Leerling: Ik bedoelde eigenlijk door uw eigen hand.
Meester: Ik wil je niet ongerust maken...
Leerling: Maar?
Meester: Waarom zou iemand die zonder met zijn ogen te knipperen mensen voor zich laat sterven, moeite hebben hen eigenhandig te doden?
Leerling, benauwd: Dat weet ik eigenlijk niet.
Meester: Nou, ik ook niet.


Eigenhandig

Leerling: Zou u zelf mensen kunnen doden?
Meester: Met mijn blote handen?
De leerling knikt.
Meester: Of met wapens?
Leerling: Desnoods.
Meester: Ik kan mij tientallen situaties voorstellen waarin ik iemand om het leven breng, en dat doe ik dan ook regelmatig.
Leerling: Wat doet u regelmatig?
Meester: Mij situaties voorstellen waarin ik iemand om het leven breng.
Leerling, opgelucht: O.
Meester: Wat voorstellen betreft ben ik beslist een ervaringsdeskundige, om niet te zeggen, een routinier, een ouwe rot.
Leerling: En?
Meester: Mijn bloed kookt als ik alleen maar aan zo'n situatie denk.
Leerling: Heeft u zo'n situatie ooit daadwerkelijk bij de hand gehad?
Meester: Nee.
Leerling: Stelt dat u gerust?
Meester: Niet in het minst.
Leerling, benauwd: Waarom niet?
Meester: Je weet nooit wanneer het moment daar is.


Ik reken nergens op

Leerling: Zou u iemand kunnen doden als het nodig is?
Meester: Als het erop aankomt?
Leerling: Bijvoorbeeld om uw eigen leven of dat van uw geliefde te redden?
Meester: Ik mag het graag denken...
Leerling: Maar?
Meester: Ik ben nogal bang aangelegd.
Leerling: Ik eerlijk gezegd ook.
Meester: Dus ik reken nergens op.
Leerling: Ik eerlijk gezegd ook niet.

Leerling: Denkt u dat u het doden achterwege kunt laten als het nergens voor nodig is?
Meester: Ik mag het graag denken...
De leerling zei: Maar?
Meester: Ik ben nogal bang aangelegd.
Leerling: Hè?
Meester: Als je bang bent, heb je jezelf niet meer in de hand.
Leerling: Op die manier.
Meester: Dus ik reken nergens op.
Leerling: Ik eerlijk gezegd ook niet.

Leerling: Heeft een mens die niet bang is zichzelf wél in de hand?
Meester: Ik mag het graag denken...
Leerling: Maar?
Meester: Waarom zou angst de enige onzekere factor zijn?
Leerling: Waar denkt u aan?
Meester: Lust. Woede. Drank. Sadisme. Paranoia. Jaloezie. Bravado. Groepsdruk. Massahysterie. Hongersnood. Een hersentumor. Ik noem maar wat.
Leerling: God ja.
Meester: Of de duivel.
Leerling: O!
Meester: Dus ik reken nergens op.
Leerling: Ik eerlijk gezegd ook niet.

Leerling: Hebben wij dit gesprek eigenlijk wel in de hand?
Meester: Ik mag het graag denken...
Leerling: Maar?
Meester: Wie weet of de Grote Schrijver het ons niet oplegt.
Leerling: Wie dat ook moge wezen.
Meester: Tja.
Leerling: Ook daar zullen we wel nooit achter komen.
Meester: Dus ik reken nergens op.
Leerling: Ik eerlijk gezegd ook niet.


De heilige koe

Leerling: Wat is de belangrijkste oorzaak van verkeersongelukken in India?
Meester: De heilige koe.



Wie het kleine niet eert

Leerling: Ik wil alle levende wezens redden!
Meester: Joepie!
Leerling: Waar zal ik beginnen?
Meester: Ik heb schaamluizen.



Van het een komt hetzelfde

Leerling: Wat is de oorzaak van diefstal?
Meester: Bezit.
Leerling: Wat is de oorzaak van bezit?
Meester: Diefstal.


Ook geen oplossing


Leerling: Waartoe leidt het voorschrift om niet te stelen?
Meester: Gevangenissen.



Leerling: Waartoe leidt het voorschrift om niet te stelen?
Meester: Armoede.



Leerling: Waartoe leidt het voorschrift om niet te stelen?
Meester: Kindersterfte.



Leerling: Moeten we het voorschrift om niet te stelen niet opheffen?
Meester: Joost mag weten waar dat weer toe leidt.


Eert uw vader en uw moeder

Leerling: Wat is eer?
Meester: De kiem van eerwraak.


Eer de Sangha

Leerling: Wat is eer?
Meester: Blinde trouw.
Leerling: Waarheen leidt blinde trouw?
Meester: Nationalisme.
Leerling: En wat nog meer?
Meester: Oorlog.
Leerling: En wat nog meer?
Meester: Concentratiekampen.
Leerling: En wat nog meer?
Meester: Kamikaze.
Leerling: En wat nog meer?
Meester: Harakiri.
Leerling: Is eer dan nergens goed voor?
Meester: Wat is er mis met harakiri?


Gevaarlijke zaak

Leerling: Wat is eer?
Meester: Iets waarin men aangetast kan worden.


Onophoudelijk

Leerling: Wat is eer?
Meester: Iets wat niet bestaat en toch onophoudelijk verdedigd moet worden.



Kan niet missen

Leerling: Waartoe leidt eer?
Meester: Schande.


Roemloos

Vraag: Hoe heet de plaats waar men roemloos ten onder gaat?
Antwoord: Het veld van eer.


Van het een komt het ander

Leerling: Wat is eer?
Meester: Trots.
Leerling: Wat is trots?
Meester: Zelfverheffing.
Leerling: Waartoe leidt zelfverheffing?
Meester: Het misprijzen van anderen.


Geen seksueel misbruik

Leerling: Wat betekent het voorschrift geen seksueel misbruik in de praktijk?
Meester: Onthouding.
Leerling: Waartoe leidt onthouding?
Meester: Seksueel misbruik.


Niet liegen

Leerling: Wat betekent niet liegen in de praktijk?
Meester: Niet spreken.
Leerling: Wat is niet spreken?
Meester: Liegen zonder woorden.
Leerling: Wat is spreken?
Meester: Liegen met woorden.
Leerling: Wat is liegen?
Meester: Een woord.
Leerling: Dus gelogen?
Meester: Ik zeg niks.


Vrije wil

Leerling: Waartoe leidt het idee van de vrije wil?
Meester: Geboden.
Leerling: Waartoe leiden geboden?
Meester: Overtredingen.
Leerling: Waartoe leiden overtredingen?
Meester: Rechtszaken.
Leerling: Waartoe leiden rechtszaken?
Meester: Schuldbekentenissen.
Leerling: Waartoe leiden schuldbekentenissen?
Meester: Het idee van de vrije wil.


Schadelijk

Leerling: Ik heb beloofd om geen middelen te gebruiken die de geest beschadigen.
Meester: Dat kan de beste overkomen.
Leerling: Welke middelen zijn het meest schadelijk voor de geest?
Meester: Geloften?


Het toppunt

Een leerling vraagt om instructies.
Meester: Weet je dat zeker?
Leerling: Nou en of!
Meester: Je hebt er zelf om gevraagd.
Leerling: Wilt u het zwart op wit?
Meester: Ik heb er maar één.
Leerling: Welke dan?
Meester: Volg geen instructies.
Stilte.
Leerling: Maar daarin zit de ongehoorzaamheid al ingebouwd!
Meester: Hoezo?
Leerling: Als ik uw instructie opvolg moet ik hem negeren.
Meester: O.
Leerling: En als ik hem negeer dan volg ik hem automatisch op.
Meester: Tja.
Leerling: Dan kunt nog beter geen instructies geven.
Meester: Je hebt er zelf om gevraagd.
Leerling: Niet om deze.
Meester: Je hebt vooraf geen voorwaarden gesteld.
Leerling: Maar dit wekt alleen maar verwarring!
Meester: En dat is wel het laatste wat je wilt?
Leerling: Dat kun je wel zeggen!
Meester: Waarvoor kom je dan wel?
Leerling: Voor helderheid.
Meester: Ook als dat het toppunt van verwarring blijkt te zijn?
De leerling trekt wit weg.
Meester: Maak je niet druk...
De leerling kijkt hem onzeker aan.
Meester: Zover ben je nog lang niet.



Lest best

Leerling: Wat is vergeving?
Meester: Gezien vanuit de dader of vanuit het slachtoffer?
Leerling: Vanuit de dader.
Meester: Een zevenvoudig misverstand.
Leerling: Zevenvoudig?
Meester: Eerst is er het misverstand dat je iets fout kunt doen.
Leerling: Dat is een.
Meester: Dan is er het misverstand dat je iets kunt doen.
Leerling: Dat is twee.
Meester: Dan is er het misverstand dat je bent.
Leerling: Dat is drie.
Meester: Dan is er het misverstand dat je bij iemand anders in het krijt kunt staan.
Leerling: Dat is vier.
Meester: Dan is er het misverstand dat de ander je die schuld kan kwijtschelden.
Leerling: Dat is vijf.
Meester: En ten slotte is er het misverstand dat de ander ís.
Leerling: Dat is zes.
Meester: Voilà.
Leerling: En de zevende dan?
Meester: De zevende?
Leerling: U zei dat er zeven misverstanden zijn.
Meester: Dat is de zevende.


Veelstromenland

Je moet meegaan met de stroom, zei de raadsman.
Dan ga ik bij de NSB, zei zijn landgenoot.

Je moet meegaan met de stroom, zei de raadsman.
Dan ga ik bij het verzet, zei zijn landgenoot.

Je moet meegaan met de stroom zei de raadsman.
Dan zit ik het uit, zei zijn landgenoot.

Je moet meegaan met de stroom, zei de raadsman.
Dan duik ik onder, zei zijn landgenoot.

Je moet meegaan met de stroom, zei de raadsman.
Dan vaar ik naar Engeland, zei zijn landgenoot.

Je moet meegaan met de stroom, zei de raadsman.
Dan pleeg ik zelfmoord, zei zijn landgenoot.

Je moet meegaan met de stroom, zei de raadsman.
Ik kan niet zwemmen, zei zijn landgenoot.