(klik op ▼, ► om in / uit te klappen)

Citaten daoïsme

Opdracht

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?
En mijn even oude vader: Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.
Ik zei: Ik begrijp precies wat je bedoelt.

Deze website draag ik op aan iedereen die het net als ik, om wat voor reden dan ook, niet meer weet - in het bijzonder aan mijn moeder die op 25 juli 2011 en mijn vader die op 21 april 2012 ook het niet weten voorgoed achter zich lieten.

Disclaimer

Citaten op deze website zijn over het algemeen niet representatief voor de auteur of het werk in kwestie.

Ik ben het nergens mee eens of oneens, ook hiermee niet. Ik erken of ontken niets, ook dit niet. Dat geldt niet alleen voor de citaten maar ook en vooral voor alles wat gezegd moest blijven in mijn dwaalteksten.

Christendom a-z



Verlichting voor dummy'sCitaten >  Religie > Christendom a-z

Deze pagina: Citaten over niet weten uit het Oude Testament.
Samensteller: Hans van Dam.
Deze website: NIET-WETEN.NL.
De titels van de citaten zijn van mij, tenzij anders vermeld.






Alle citaten uit het Oude Testament zijn afkomstig uit de Nieuwe Bijbel Vertaling.


Genesis

Eet niet van de boom van de kennis van goed en kwaad
2.7 Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.
2.8 God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt.
2.9  Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.
2.15  God, de Heer, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken.
2.16 Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten,
2.17 maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
2.18 God, de Heer, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.
2.19  Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten.
2.20  De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste.
2.21 Toen liet God, de Heer, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees.
2.22  Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de Heer , een vrouw en hij bracht haar bij de mens.
2.23  Toen riep de mens uit:
‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw,
een uit een man gebouwd.’
2.24  Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.
2.25  Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.
3.1 Van alle in het wild levende dieren die God, de Heer, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’
3.2  ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten, ‘antwoordde de vrouw,
3.3  ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’
3.4  ‘Jullie zullen helemaal niet sterven, ‘zei de slang.
3.5  ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’
3.6 De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.
3.7 Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.
3.8  Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen.
3.9 Maar God, de Heer, riep de mens: ‘Waar ben je?’
3.10  Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’
3.11 ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’
3.12  De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’
3.13  ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de Heer, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
3.14 God, de Heer, zei tegen de slang:
‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,
het vee zal je voortaan mijden,
wilde dieren wenden zich af;
op je buik zul je kruipen
en stof zul je eten,
je hele leven lang.
3.15  Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw,
tussen jouw nageslacht en het hare,
zij verbrijzelen je kop,
jij bijt hen in de hiel.’
3.16 Tegen de vrouw zei hij:
‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last,
zwoegen zul je als je baart.
Je zult je man begeren,
en hij zal over je heersen.’
3.17 Tegen de mens zei hij:
‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,
gegeten van de boom die ik je had verboden.
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
zwoegen zul je om ervan te eten,
je hele leven lang.
3.18  Dorens en distels zullen er groeien,
toch moet je van zijn gewassen leven.
3.19 Zweten zul je voor je brood,
totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:
stof ben je, tot stof keer je terug.’
3.20 De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden.
3.21 God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.
3.22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven.
3.23  Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen.
3.24  En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.


Jesaja

Talloze raadgevers
47.11  Het kwade zal je overkomen,
en je weet het niet te bezweren.
Ongeluk zal je overvallen,
en afwenden kun je het niet.
Onverwachts komt de ondergang,
waarvan je geen vermoeden had.
47.12  Ga maar door met je bezweringsformules
en met de talloze toverkunsten
waarmee je je van jongs af aan hebt afgemat:
misschien kun je nog iets uitrichten,
misschien laat het onheil zich afschrikken.
47.13  Wat heb je je afgetobd met talloze raadgevers!
Laten zij die naar de sterren staren,
die de hemel kunnen uitleggen,
die je per maand laten weten wat je overkomen zal,
laten zij nu aantreden, laten zij je redden!
47.14  Ze worden als kaf, het vuur zal hen verteren,
ze zijn niet meer te redden uit de macht van de vlammen.
En dat zal geen vuur zijn om brood op te bakken,
geen gloed om je aan te warmen.
47.15  Zoveel hebben ze jou dus te bieden,
zij voor wie je je hebt afgemat,
met wie je van jongs af aan handeldreef:
ieder van hen zwerft een eigen kant uit
en er is niemand die jou redt.


Job

De tong van wijze mannen
12.12  Valt de wijsheid aan de oudsten toe?
Groeit inzicht met het vorderen van de jaren?
12.13  Nee, God bezit de wijsheid en de kracht,
hij heeft inzicht en verstand.
12.14  Wat God verwoest, wordt niet weer opgebouwd,
wie hij gevangenzet, wordt niet meer bevrijd.
12.15  God bedwingt de wateren, en stromen vallen droog,
laat hij ze gaan, dan ontwrichten ze de aarde.
12.16  Kracht en voorspoed zijn aan hem te danken,
hij heerst over bedrieger en bedrogene.
12.17  Raadsheren stuurt hij barrevoets weg
en van rechters maakt hij dwazen.
12.18  Hij rukt koningen hun mantel af
en bindt hun een lendendoek om.
12.19  Priesters stuurt hij barrevoets weg
en heersers brengt hij ten val.
12.20  Hij knevelt de tong van wijze mannen
en berooft de ouden van hun oordeelskracht.

Waar moet je haar zoeken?
28.9  De mens zet het houweel in het gesteente,
hij keert de bergen om vanaf hun voet.
28.10  In de rotsen hakt hij tunnels uit
en zijn oog ontdekt hun kostbaarheden.
28.11  Hij damt de ondergrondse stromen in
en brengt naar het licht wat diep verborgen is.
28.12  Maar de wijsheid–waar moet je haar zoeken,
en het inzicht–waar is het te vinden?
28.13  Geen sterveling kent de weg erheen,
de wijsheid is niet in het land der levenden.
28.14  De oervloed zegt: ‘Ze is niet bij mij, ‘
de diepste zee: ‘Bij mij evenmin.’
28.15  De wijsheid is niet te koop voor enig goud,
noch kan ze in zilver worden afgewogen.

Bij geruchte
28.20 Maar van waar stamt de wijsheid dan,
en het inzicht–waar is het te vinden?
28.21  De wijsheid is verborgen voor de blik der levenden,
ook aan de vogels in de lucht laat ze zich niet zien.
28.22  De afgrond en de dood, ze zeggen beide:
‘Onze oren kennen haar slechts bij geruchte.'


Prediker

Leegte
1.2  Lucht en leegte, zegt Prediker,
lucht en leegte, alles is leegte.

Hij draait en waait
1.6  De wind waait naar het zuiden,
dan draait hij naar het noorden.
Hij draait en waait en draait,
en al draaiend waait de wind weer terug.

Vergeten
1.11  De vroegere generaties zijn vergeten,
en ook de komende zullen weer worden vergeten.

Een trieste bezigheid
1.12  Ik, Prediker, was koning van Israël in Jeruzalem.
1.13  Ik heb met heel mijn hart elke vorm van wijsheid onderzocht, want ik wilde alles wat onder de hemel gebeurt doorgronden. Het is een trieste bezigheid. Een kwelling is het, die de mens door God wordt opgelegd.
1.14  Ik heb alles gezien wat onder de zon gebeurt, en vastgesteld dat het niet meer is dan lucht en najagen van wind.

Wijsheid
1.16  Ik zei tegen mezelf: Ik heb meer en groter wijsheid verworven dan iedereen die voor mij in Jeruzalem heeft geregeerd. Ik heb veel wijsheid en kennis opgedaan.
1.17  Ik heb me er met hart en ziel voor ingespannen te ontdekken wat wijs is, en wat dwaas en onverstandig is. Maar ook dat, zo heb ik ingezien, is enkel najagen van wind.
1.18  Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet. En wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.

Hetzelfde lot
2.1 Ik zei tegen mezelf: Kom, laat ik proberen de genoegens van het leven te smaken en te genieten van het goede. Maar ook dat, ontdekte ik, is enkel leegte.
2.12 Ik nam nog eens in ogenschouw wat wijs is, en wat dwaas en onverstandig is. Wat zou de koning na mij doen met alles wat zijn voorgangers tot stand hebben gebracht?
2.13  Zeker, ik zag wel in dat wijsheid nuttiger is dan dwaasheid, zoals het licht nuttiger is dan de duisternis.
2.14  Een wijze ziet tenminste wat hij doet, terwijl een dwaas in het duister tast. Maar ik weet ook dit: beiden treft hetzelfde lot.
2.15  Wat de dwaas treft, treft ook mij, zei ik tegen mezelf, dus waarvoor ben ik eigenlijk zo uitermate wijs geweest? Ook dat is enkel leegte.
2.16  Want zowel de wijze als de dwaas zal snel worden vergeten, beiden worden ze voorgoed vergeten. Hoe bitter dat de wijze sterft, niet anders dan de dwaas.
2.18  Van alles waarvoor ik me had afgebeuld onder de zon kreeg ik een afkeer. Ik zou het moeten achterlaten voor mijn opvolger,
2.19  en wie zou kunnen zeggen of hij wijs of dwaas zou zijn? Toch zou hij de macht verwerven over alles wat ik met mijn wijsheid had bereikt. Ook dat is enkel leegte.

Beter één hand
4.5  Het is waar, een dwaas zit met zijn handen in zijn schoot en kwijnt zo langzaam weg.
4.6  Maar beter is één hand gevuld met rust dan beide vuisten vol gezwoeg en najagen van wind.

Zijn naam is Mens
6.10  Wie en wat de mens is, werd al lang geleden vastgesteld: zijn naam is Mens en hij is niet in staat het op te nemen tegen hem die meer macht bezit dan hij.
6.11 Alles wat er meer over gezegd wordt, vermeerdert slechts de leegte. Wat is hiervan het voordeel voor de mens?
6.12  Wie weet wat goed is voor de mens gedurende het luttel aantal dagen van zijn leeg bestaan? Ze zijn voor hem zo vluchtig als een schaduw. Wie kan hem vertellen wat er na hem komen zal onder de zon?

Overdreven wijsheid
7.15  Dit heb ik in mijn leeg bestaan gezien: een rechtvaardig mens gaat aan zijn rechtvaardigheid ten onder, een onrechtvaardig mens leeft lang ondanks zijn slechte daden.
7.16  Wees daarom niet al te rechtvaardig en meet jezelf geen overdreven wijsheid aan. Waarom zou je jezelf te gronde richten?
7.17  Maar gedraag je ook niet al te onrechtvaardig en wees niet overmatig dwaas. Waarom zou je sterven voor je tijd?

Ze bleef ver weg
7.23 Dit alles heb ik met mijn wijsheid onderzocht. Ik zei tegen mezelf: Laat ik wijsheid zoeken, maar ze bleef ver weg.
7.24  Ver is alles wat er is geweest, dieper nog dan diep. Wie zal ooit inzicht vinden?
7.25  Ik heb met heel mijn hart kennis gezocht en alles wat er is heb ik proberen te doorgronden. Ik heb wijsheid gezocht en wilde tot een slotsom komen; van het kwaad heb ik de dwaasheid willen kennen, van de dwaasheden de waanzin.
7.26  En wat ik vind is altijd weer een vrouw die bitterder dan de dood is, die een valstrik is. Haar hart is een klapnet en haar handen zijn ketenen. Een mens die God behaagt zal aan haar ontsnappen, maar een zondaar laat zich door haar strikken.

Gedachtespinsels
7.27  Al met al, zegt Prediker, is dat de slotsom van mijn onderzoek.
7.28  Ik heb met hart en ziel gezocht, maar nog altijd niet gevonden. Onder duizend mensen vond ik er maar één die ook werkelijk een mens was, maar het was geen vrouw.
7.29  Alles wat ik vond is dit: de mens is een eenvoudig schepsel. Zo is hij door God gemaakt, maar hij heeft talloze gedachtespinsels.
8.16  Ik zocht met heel mijn hart naar wijsheid. Alles wat de mens op aarde onderneemt, wilde ik doorgronden. Nooit geeft hij zijn ogen rust, dag noch nacht,

Hij doet wat hij doet
8.17  maar bij alles wat God doet onder de zon, zo heb ik ingezien, doet hij wat hij doet. De mens is niet in staat de zin ervan te vinden. Hij tobt zich af en zoekt ernaar, maar hij vindt hem niet, en al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin ervan te vinden.

Geen mens
9.1 Ik vestigde mijn aandacht op het volgende en heb het onderzocht: Wat de wijzen en rechtvaardigen tot stand brengen, is in de hand van God. Ook hun liefde, ook hun haat. Geen mens kan in de toekomst zien.

Tijd en toeval
9.10  Doe wat je hand te doen vindt. Doe het met volle inzet, want er zijn geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid in het dodenrijk. Daar ben je altijd naar op weg.
9.11 Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hardloper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom, hij die bekwaam is het respect. Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.
9.12  Nooit weet de mens wanneer zijn tijd gekomen is: zoals de vissen verraderlijk worden gevangen door de fuik en de vogels door de val, zo wordt de mens verrast door de verraderlijke tijd, wanneer die als een klapnet op hem valt.

Naar welke kant een boom valt
11.2  Bewaar je brood in zeven delen, zelfs in acht, want je weet niet welke ramp de aarde treffen zal.
11.3  Wanneer de wolken vol zijn, gieten ze hun regen uit over de aarde. Naar welke kant een boom ook valt, naar het noorden of het zuiden, hij blijft liggen op de plaats waar hij valt.
11.4  Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe.
11.5  Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt.
11.6  Zaai van de morgen tot de avond. Laat je hand niet rusten, want je weet niet of het zaad de ene of de andere, of elke keer ontkiemen zal.

Leegte
12.8 Lucht en leegte, zegt Prediker,
alles is leegte.


Romeinen

Ondoorgrondelijk
11.33  Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.
11.34  ‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?


Spreuken

Onnozel
14.15 Wie onnozel is, hecht aan ieder woord geloof,
wie verstandig is, let op elke stap.

Niets houdt stand
21.30 Wijsheid, inzicht, plannen,
niets houdt stand tegen de HEER.


Mattheüs 5:3


Hedendaags Nederlands
Zalig zijn de armen van geest.

Middel-Nederlands
Salich zijn de arme van gheeste.

Fries
Sillich de earmen fen geast.

Grunnings
Zoaleg dij aarm van gaist binnen.

Latijn
Beati pauperes spiritu.

Engels
Blessed are the poor in spirit.
Those people who know they have great spiritual needs are happy.

Frans
Heureux les pauvres en esprit.

Duits
Selig sind die da geistlich arm sind.
Glückselig die Armen im Geiste.

Spaans
Dichosos los que reconocen su pobreza espiritual.
Bienaventurados los pobres en espíritu.

Italiaans
Beati i poveri in ispirito



Nota bene
De Griekse term waarvan armoede van geest een vertaling is, verwijst vermoedelijk naar mensen zonder bezit of scholing, in tegenstelling tot de Farizeeën, schriftgeleerden bij uitstek, die hoog op de maatschappelijke ladder stonden. Zelf interpreteer ik Mattheüs 5:3 als een verwijzing naar niet-weten, domweg omdat mij dat goed uitkomt. Bij gebrek aan theologische scholing kan ik deze interpretatie niet onderbouwen. Anderen lezen armoede van geest bijvoorbeeld als nederigheid van hart of willoosheid.