Het Leven van de Heilige Antonius
|
Leven en gesprekken van onze Heilige Vader Antonius,
geschreven aan en gericht tot de monniken in den vreemde,
van de hand van onze heilige vader
Athanasius, Bisschop van Alexandrië.
[Geschreven in
356—362 n. Chr.]
Een
edele strijd bent u aangegaan met de monniken in Egypte door uw
voornemen hen te evenaren, of zelfs te overtreffen, in uw beoefening
van de weg van de deugd. Want ook bij u bestaan er inmiddels kloosters
en is de benaming monnik algemeen bekend. Terecht zal iedereen deze
vastberadenheid dan ook prijzen, en zal God het, in antwoord op uw
gebed, in vervulling doen gaan.
|
Athanasius die de Vita Anthonii aan het schrijven is. Liber vita sanctissimi Anthonii, 15e eeuw. Biblioteca Medicea Laurenziana, Florence.
|
| U
hebt mij gevraagd een verslag te geven van de levenswandel van de
heilige Antonius. U wilde weten hoe hij met zijn ascese begonnen is,
wat voor soort man hij daarvóór was, hoe hij zijn leven besloot, en of
alles wat er van hem gezegd wordt, op waarheid berust, zodat u zich
ertoe kunt brengen hem na te volgen. |
 |
Ik
heb uw opdracht van harte aanvaard. Want alleen al de herinnering aan
Antonius is voor mij zeer zinvol. En ik weet dat u, na alles te hebben
vernomen, deze man zult gaan bewonderen en verlangen zijn
vastberadenheid na te volgen. Want Antonius’ leven is voor monniken een
uitstekend model wat betreft de ascese. Weiger dus niet te geloven
wat u heeft gehoord van hen die berichten over hem brachten; maar denk
eerder dat zij u nog maar weinig hebben verteld, want in ieder geval
zijn zij nauwelijks in staat geweest zulke grote zaken in al hun
bijzonderheden te verhalen. En hoewel ik, op uw verzoek een aantal
omstandigheden over hem in mijn geheugen opgeroepen heb en deze zoveel
als mogelijk zal sturen wat ik in een brief kan vertellen, moet u niet
nalaten degenen die u hiervandaan per schip bereiken, uit te horen.
Maar zelfs als iedereen zijn verhaal verteld heeft, zal het totale
verslag nog nauwelijks in verhouding tot zijn verdiensten staan. Toen
ik uw brief ontving, wilde ik eerst enkele monniken ontbieden, die meer
dan anderen gewoon waren hem veelvuldig te bezoeken, om zo een aantal
nieuwe details te vernemen om u toe te zenden.
Maar het gunstige vaarseizoen liep ten einde en de brievenbesteller
drong aan op spoed. Daarom heb ik voor uw vroomheid vlug opgeschreven
wat ik zelf wist — want ik heb hem dikwijls bezocht — en wat ik van hem
heb kunnen leren, want geruime tijd was ik zijn dienaar, ja, ik goot
water over zijn handen.
Bij ieder feit was ik bedacht op de waarheid, zodat niemand ongelovig
zou worden door te veel te horen, noch dat, van de andere kant, wie te
weinig zou horen, de man zou minachten. |
| Master of the View of Ste-Gudule; St. Antonius, (ca. 1460-1480); The Bowes Museum, Engeland. |
1.
Antonius was, zoals u moet weten, een Egyptenaar van geboorte. Zijn
ouders waren mensen van een goede familie die een aanzienlijk vermogen
bezaten. #
Omdat zij christenen waren, werd hij in hetzelfde geloof opgevoed.
Als kind groeide hij op bij zijn ouders en behalve hen en het huis
kende hij niets en niemand anders. Maar toen hij opgegroeid was en de
jongensjaren bereikte, en ouder werd, kon hij het niet verdragen om te
leren lezen omdat hij niets gaf om het gezelschap van andere jongens.
Zijn enige verlangen was om, zoals het over Jakobus geschreven staat, als eenvoudig man in zijn huis te wonen. |
#
Ik vermoed dat Athanasius hier de zaken wat overdrijft met dat
"aanzienlijke vermogen". Want ik kan me niet voorstellen dat zij hun
enige zoon dan geen betere opvoeding zouden hebben gegeven, ook al was
hij dan een 'loner', zoals uit de volgende passage blijkt. Ze hadden
hem een privé leraar kunnen bezorgen, zodat hij tenminste zou kunnen
lezen en schrijven. Ook zouden zij als leden van een "goede familie"
toch zeker Grieks gesproken hebben, de lingua franca in dat
gebied voor al meer dan 500 jaar. Ik denk dus dat zij een vrije familie
waren — dus geen slaven of dagloners — met een beetje bezit en dat
Athanasius hun welvaart heeft overdreven om het offer van Antonius
groter te doen lijken.
Maar dit beeld zal beklijven, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de afbeelding van Antonius op het schilderij "De Roeping van Antonius"(links onder).
En ook tijdens missen t.g.v. de Antonius-viering wordt dit vaak benadrukt. |
 |
Hij ging gewoonlijk met zijn ouders mee naar de kerk. #
Als
kind was hij niet lui, en ook toen hij ouder was, minachtte hij zijn
ouders niet maar gehoorzaamde zowel zijn vader als zijn moeder. Hij was
oplettend bij wat gelezen werd en onthield wat hij daarin aan nuttigs
voor zichzelf vond. Als kind leefde hij in redelijke welvaart, maar
toch viel hij zijn ouders niet lastig met vragen om allerlei luxe
voedsel, want dit was voor hem geen bron van genot. Hij was gewoon
tevreden met wat hij kreeg en verlangde verder niets. |
#
Het is enigszins vreemd dat er in zo'n klein gehucht als Come een kerk
zou zijn en zeker in een tijd van intense Christenvervolgingen. Om de
twee meest fervente christenvervolger te noemen die omstreeks zijn
jeugd aan het bewind waren: Decius (249–251) en Diocletianus (284-305).
Het eerste jaar van de regering van Diocletianus is als "jaar der
martelaren" bekend geworden en zelfs het begin van de Koptische
jaartelling geworden.
De Romeinse christenvervolging kwam ten einde onder keizer Constantijn
de Grote. Hij gaf de christenen vrijheid van godsdienst in 313 bij het
edict van Milaan.
Dus hoe moeten we ons deze 'kerk' voorstellen?
Het zal zeker niet zo'n kathedraal zijn als hier links afgebeeld op het schilderij "De Roeping van Antonius"; uit 1530; Rijksmuseum Amsterdam. |
| Antonius
is uitgedost in zeer kostbare kleren, en heeft een hoed in de hand die
doet denken aan een kardinaalshoed. Op zijn borst hangt een kruis, niet
zo goed zichtbaar, maar ik vermoed dat het een T-kruis
is. Op de achtergrond deelt hij zijn bezittingen uit aan de armen (zie
ook hieronder). Zou de centrale vrouwspersoon in het groepje links zijn
zuster zijn? |
2.
Na de dood van zijn vader en moeder bleef hij alleen achter met een
jong zusje. Hij was zo'n achttien of misschien twintig jaar toen hij de
zorg voor het huishouden en zijn zusje op zich nam. Er waren nog geen
zes maanden voorbijgegaan sinds de dood van zijn ouders toen hij eens
zoals gewoonlijk naar de kerk ging en bij zichzelf nadacht over de
apostelen, hoe deze alles achterlieten en de Verlosser volgden, (Mt
4,20 ) hoe anderen (Hand. 4,35 )
hun bezittingen verkochten en de opbrengst daarvan aan de voeten van de
apostelen legden, zodat die kon worden verdeeld onder de behoeftigen,
en wat voor groots hen in de hemel te wachten stond. (Kol. 1,5 ) |
#
Antonius' keuze voor het kluizenaarschap, het 'vaarwel van de wereld',
zou mijns inziens eerder bepaald kunnen zijn door de dood van zijn
ouders dan door de boodschap die hij in "de kerk" vernam. Zoals mij
bij mijn sadhoe-research is gebleken, zijn het vaak juist dit soort
traumatische ervaringen (verlies van ouders, echtgenote, kinderen,
werk, huis) die iemand (zeker een jonge man net uit de puberteit
gekomen) tot een dergelijk drastische stap aanzetten. |
Terwijl
hij daarover peinsde, ging hij de kerk binnen, en het kwam zo uit dat
daar toen uit het Evangelie voorgelezen werd en hij hoorde hoe de Heer
tot de rijke man zei: “Als je volmaakt wil zijn, ga dan heen, verkoop
al je bezittingen, en geef het aan de armen. Kom dan hier en volg mij,
en je zult een schat in de hemel hebben.” (Mt. 19,21 )
Alsof God zelf hem deze gedachten aan de heiligen ingegeven had en deze
passage juist omwille van hem gelezen werd, ging Antonius onmiddellijk
de kerk uit en schonk de bezittingen van zijn voorouders (dat waren
meer dan acht hectare zeer goed en vruchtbaar bouwland) aan zijn
dorpsgenoten, zodat deze voor hem en zijn zus geen blok aan het been
meer zouden zijn. De roerende goederen verkocht hij ook allemaal en de
aanzienlijke hoeveelheid geld die hij had vergaard, verdeelde hij onder
de armen, maar hij hield wel wat achter ten behoeve van zijn zusje. |
 |
| Op dit tableau in de kerk van Aalst is het moment afgebeeld dat Antonius zijn geld weggeeft en hij en zijn zus het ouderlijk huis verlaten. |
| [2 Eerste ascetische periode 270-286] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
3.
Toen hij weer eens de kerk binnenging, en hoorde dat de Heer in het
Evangelie zegt: “Maak je geen zorgen voor de dag van morgen,” (Mt. 6,34
)
kon hij niet langer blijven, maar ging naar buiten, en gaf ook die
dingen aan de armen. Zijn zusje vertrouwde hij toe aan bekende en
betrouwbare maagden, en deed haar in een nonnenklooster om haar daar te
laten opvoeden.
|
 |
 |
| Deze
episode is vooral in de vorm van tableaux uitgevoerd, zoals we
hierboven een voorbeeld zien, aan de buitenmuur van de kerk van Nukerke. |
Op
dit schilderij van de 'Meester van de Osservanza' (Sano di Pietro?) uit
c. 1430/1435, zien we Antonius die zijn geld weggeeft aan de armen —
een weduwe met kinderen, een bejaarde vrouw, een blootsvoetse bedelaar,
twee blinden. Op de achtergrond zijn paleis (!) te Siena (!). |
Zelf
wijdde hij zich voortaan buitenshuis aan de ascese, waarbij hij op
zichzelf lettend, zich met geduld trainde. Er waren toen in Egypte nog
niet zo veel kloosters en geen enkele monnik kende het hartje van de
woestijn. Allen die aan zichzelf aandacht wilden besteden oefenden zich
vlakbij hun eigen dorp in afzondering in de ascese. #
Welnu, in het volgende dorp woonde een oude man die van jongs af aan als kluizenaar had geleefd. ## Nadat Antonius deze man gezien had begon hij hem in zijn vroomheid te imiteren.
Aanvankelijk hield hij zich op in plaatsen buiten zijn dorp. Maar daarna, zodra hij hoorde dat er ergens een goede man ### was,
zocht hij hem op, zoals de verstandige bij dat doet. Hij keerde dan
niet eerder terug naar zijn eigen plek voordat hij die man gezien had
en van hem als het ware proviand voor zijn reis op de weg van de deugd
had gekregen. |
# De vraag is of deze eenzame asceten Christenen waren. Waren het geen Essenen, Therapeuten, Gymnosofisten?
Antonius was in ieder geval dus niet de eerste asceet, misschien wel de eerste christelijke asceet, of misschien, volgens Athanasius dan, op zijn minst de eerste christelijke kluizenaar in de woestijn.
## En was deze kluizenaar, de eerste guru van Antonius, een Christen?
### En waren deze guru’s Christenen? |
Op
die plek verbleef hij dus aanvankelijk om sterker te worden in zijn
voornemen niet meer naar de woonplaats van zijn ouders terug te keren
en ook de herinnering aan zijn verwanten uit te bannen, maar heel zijn
verlangen en al zijn energie te richten op het verbeteren van zijn
ascese. Hij werkte echter met zijn handen, want hij had gehoord: “Wie
niet werkt mag ook niet eten.” (2 Tess. 3,10 )
Een deel van de opbrengst besteedde hij aan brood, de rest gaf hij aan
de behoeftigen. Hij bad onophoudelijk, omdat hij wist dat men in stilte
zonder onderbreking moet bidden. Hij was zo oplettend bij wat er
gelezen werd dat hij niets van de geschreven woorden ter aarde liet
vallen maar alles onthield, waardoor zijn geheugen daarna de plaats van
boeken innam. |
 |
4.
Omdat hij zich zo gedroeg, was Antonius bij alle mensen geliefd. Zelf
onderwierp hij zich oprecht aan de goede mannen die hij bezocht, en hij
bemerkte waar elk hem voorbijstreefde in ijver en ascese. Hij zag bij
de een beminnelijkheid, bij de ander de onophoudelijkheid van het
gebed. Hij observeerde bij de een de afwezigheid van woede, bij de
ander menslievendheid. Hier trok de een zijn aandacht omdat hij waakte,
en daar de ander omdat hij studeerde. Hij bewonderde de een om diens
volharding, de ander om zijn vasten en slapen op de grond. Hij
constateerde bij de een zachtmoedigheid, bij de ander lankmoedigheid.
Hij bemerkte de vroomheid jegens Christus en de liefde jegens elkaar
die allen bezielden. |
De heilige Antonius die door de raaf gevoed wordt.
Een gebeurtenis die eigenlijk met Paulus van Thebe verband houdt. Philipp Uffenbach. 1590. |
Daarvan
vervuld keerde hij dan terug naar zijn eigen plek waar hij zich aan de
ascese wijdde. Daarna beijverde hij zich ervoor om de eigenschappen die
hij bij elk van hen gezien had in zichzelf te verenigen en verlangde
ernaar bij zichzelf de deugden van allen zichtbaar te maken. Hij
was jegens zijn leeftijdsgenoten niet afgunstig, op één punt na: hij
moest niet hun mindere lijken als het ging om de hogere dingen.
En hij deed het zo dat hij er niemand verdriet mee deed, maar dat de
anderen zich over hem verheugden. Alle mensen uit zijn dorp en de goede
mannen met wie hij intiem omging, noemden hem, als ze zagen dat hij
zo'n soort man was, de ‘door God geliefde’, en sommigen groetten hem
als hun zoon, anderen als hun broer. |
5.
De hater van het goede, de afgunstige duivel, kon het niet verdragen
zo'n vastberadenheid bij een jonge man te zien, en alles wat hij
gewoonlijk tegen anderen deed, trachtte hij nu ook tegen hem ten
uitvoer te brengen. Hij probeerde hem allereerst van de ascese af te
brengen door hem de herinnering aan zijn rijkdom in te fluisteren, de
zorg voor zijn zus, de aanspraken van zijn familie, geldzucht,
eerzucht, de diverse genietingen van het eten, de andere geneugten des
levens, en tenslotte de moeilijkheid van de deugd en de inspanning die
dat kost. Hij gaf hem ook te denken over de zwakheid van het lichaam en
de lange duur van het leven. En zo wierp de duivel een hele stofwolk
van gedachten op in Antonius' geest, omdat hij zijn vastberaden doel
wilde beletten.
|
 |
Maar
toen de Vijand zag dat hij te zwak was voor de vastberadenheid van
Antonius en dat hij eerder zelf het onderspit zou delven vanwege diens
standvastigheid, vertrouwde hij, afgeslagen door het geloof en
bezwijkend onder de aanhoudende gebeden van Antonius, uiteindelijk op
de wapens ‘die in de navel van de buik’ zijn, en waar hij zich ook op
beroemde. Dat is namelijk zijn eerste valstrik voor jonge mensen. |
| Alexandre Louis Leloir. De Verzoeking van Sint Antonius, 1871. |
Hij
viel de jonge man aan door hem 's nachts te verstoren en overdag lastig
te vallen zodat toeschouwers de strijd opmerkten die er tussen hen
plaatsvond. De een kwam met onreine gedachten, en de ander
bestreed die met gebeden. De een probeerde hem met begeerte in vlam te
zetten, de ander, als iemand die leek te blozen, beschermde zijn
lichaam met geloof, gebeden en vasten.
|
En de duivel, ongelukkig schepsel, bestond het zelfs de gestalte van
een vrouw aan te nemen en al haar gedragingen na te bootsen, alleen om
Antonius te verleiden. Maar hij, zijn geest gevuld met Christus en de
adel van de ziel die Hij inspireert, doofde de gloeiende kolen van het
bedrog van de ander. Nog eens hield de vijand hem het gemak van het
genot voor, maar hij, als een man vervuld van woede en verdriet,
richtte zijn gedachten op de dreiging van het vuur en het knagen van de
worm en door deze in stelling te zetten tegenover zijn tegenstander,
doorstond hij de verleiding ongedeerd.
Dit alles strekte alleen maar tot schande van zijn vijand. Want hij die had gedacht gelijk te zijn aan God (Gen. 3,5 )
werd nu door een jongeman bespot. Hij die zich erop beroemde boven
vlees en bloed te staan werd door een mens van vlees en bloed op de
vlucht gejaagd. De Heer werkte namelijk voor Antonius, Hij die voor ons
vlees heeft aangenomen en het lichaam de overwinning op de duivel heeft
gegeven. Daarom kan ieder die de strijd werkelijk voert, zeggen: “Niet
ik, maar de genade van God met mij.” (1 Kor 15,10 )
|
 |
| Félicien Rops. La Tentation de St-Antoine, (1878). Bibliothèque Royale de Belgique |
6.
Tenslotte, toen de draak zelfs op die manier niet in staat bleek
Antonius eronder te krijgen, maar moest toezien hoe hijzelf uit diens
hart werd gestoten, knarsetandend — zoals het ook geschreven staat,
(Ps. 112,10 en Marc. 8,18 ) — en als het ware buiten zichzelf, zo verscheen hij aan Antonius als een zwart jongetje, een zichtbare vorm aannemend die overeenkwam met de kleur van zijn geest.
En hij kroop zogenaamd voor hem en bestookte hem niet langer met
gedachten, want hoe arglistig hij ook was, hij was verslagen, maar hij
sprak tenslotte met menselijke stem en zei: “Ik heb velen misleid,
velen neer geworpen, maar nu ik jou en jouw inspanningen net zo aanval
als de anderen, blijk ik te zwak.”
Toen vroeg Antonius hem: “Wie ben jij, die daar zulke dingen tegen mij zegt?”
Hij antwoordde met klaaglijke stem: “Ik ben een vriend van de ontucht.
Ik heb het op mij genomen om jongeren die kant op te lokken. Ik wordt
dan ook ‘geest van ontucht’ genoemd. Hoe velen die kuis wilden leven
heb ik wel niet op een dwaalspoor gebracht! Hoe velen die sober wilden
leven heb ik wel niet misleid, hoe velen die kuis waren zijn door mij
wel niet op andere gedachten gebracht door mijn aansporingen! Ik ben
degene die de profeet bedoelt met zijn verwijt aan mensen die gevallen
zijn: ‘De geest van ontucht heeft hen misleid.’ (Hos 4,12 )
Want het was door mijn toedoen dat ten val zijn gekomen. Ik ben degene
die jou zo vaak heeft lastiggevallen maar even vaak door jou is
afgeslagen.”
Antonius dankte de Heer en zei dapper tegen hem: “Je bent werkelijk een heel verachtelijk wezen, want je bent zwart van geest en zwak als een kind. Voortaan heb ik geen last meer van jou. ‘Want de Heer is mijn helper, ik kan lachen om mijn vijanden.'" (Psalm 118,7 )
Toen de zwarte dat hoorde, sloeg hij direct op de vlucht, huiverend bij
deze woorden en durfde niet langer zelfs in de buurt van die man te
komen. |
7.
Dat was de eerste zege die Antonius op de duivel behaalde, of liever,
dit was het werk van de Verlosser in hem, “Die de zonde veroordeeld
heeft in het vlees want zo moest de eis van de wet vervuld worden door
ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.”
(Rom 8,4 )
Maar toch werd Antonius in het vervolg niet zorgeloos en minachtte hij
hem niet ook al was de Boze gevallen. En ook de Vijand, hoewel
schijnbaar verslagen, hield niet op hinderlagen te leggen, want hij
liep weer rond als een leeuw, op zoek naar een gelegenheid hem aan te
vallen. (1 Petr. 5,8 ) Antonius, die uit de Schrift wist dat de listen van de Vijand talrijk zijn, (Ef. 6,11 )
beoefende ijverig de ascese en was erop bedacht dat, ook al had de
duivel niet de kracht gehad om zijn hart door middel van lichamelijk
genot te misleiden, hij zeker zou proberen om hem met een andere
methode in een hinderlaag te lokken. Want de demon houdt van zonde.
Meer en meer beteugelde Antonius zijn lichaam en hield het onderworpen aan strenge tucht (1 Kor. 9,27 )
voor het geval hij bij toeval aan de ene kant gewonnen zou hebben, hij
aan de andere kant neergetrokken zou worden. Zo besloot hij zich een
strengere levenswijze aan te wennen. Velen waren verwonderd, maar
hijzelf verdroeg de inspanning gemakkelijk. Want de geestdrift van de
ziel, die al zo lang in hem huisde, had een juiste houding in hem
bewerkstelligd zodat hij, na slechts een kleine inwijding van anderen
gekregen te hebben, daarin een grote inzet betoonde.
|
| Zijn
nachtwaken ging zo ver dat hij dikwijls de gehele nacht slapeloos
doorbracht. En dat niet één keer, maar vaak, tot de verwondering van
velen. Hij at maar één keer per dag, na zonsondergang, * soms
één keer in de twee dagen, dikwijls zelfs in de vier dagen. Zijn
voedsel bestond uit brood en zout, zijn drank alleen uit water. Dat er
van vlees en wijn geen sprake was, hoef ik niet eens te zeggen; immers,
ook bij de andere geloofsijveraars zou men zoiets niet aantreffen. # |
*
Eerst eten na zonsondergang was ook regel bij de Therapeuten, de
zoekers van de wijsheid door Philo beschreven. Want, zeiden zij, "de
geëigende tijd voor het mediteren is het licht, die voor de
lichaamsbehoeften het donker." (Philo, De vita contemplativa, nr. 34)
De Esseniërs daarentegen aten op het vijfde uur (= elf uur 's morgens?).
# Hij was dus vegetariër.
|
Een
biezenmat diende voor hem om op te slapen, maar meestal lag hij op de
kale grond. Hij wees het zich insmeren met olie af, want het past niet
dat jonge mannen die zich met inzet aan de ascese te wijden, zich bezig
houden met dingen die het lichaam verwekelijken, zei hij. Ze moesten
het laten wennen aan inspanningen, indachtig het woord van de apostel,
“Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.” (2 Kor. 12,10 ) “Want,” zei hij, “de geestkracht van de ziel neemt toe naarmate de geneugten van het lichaam verminderd worden.”
Hij was tot de werkelijk wonderbaarlijke conclusie gekomen, dat
vooruitgang in deugdzaamheid, en de wereldverzaking voor dat doel, niet
gemeten moeten worden in tijd maar in het verlangen en de
vastbeslotenheid. |
 |
Zelf
dacht hij tenminste nooit aan de voorbije tijd, maar dag bij dag, alsof
hij aan het begin stond van zijn ascese, vergrootte hij zijn
inspanningen om vooruitgang te boeken, waarbij hij vaak de uitspraak
van Paulus bij zichzelf herhaalde: “Vergetend wat achter mij ligt,
strek ik mij uit naar wat voor mij ligt.” (Fil. 3,13 ) Ook hield hij zich deze woorden van de profeet Elia voor: “Zowaar de Heer leeft voor wie ik heden sta.” (1 Kon. 18,15 )
Hij placht op te merken dat Elia met het woord 'heden' de voorbije tijd
niet wilde meten, maar dat hij als iemand die altijd weer opnieuw
begint, zich beijverde om zich dagelijks weer zo voor God te
presenteren als men voor God verschijnen moet, namelijk rein van hart,
en bereid zijn wil te gehoorzamen en alleen aan Hem. Hij hield zichzelf
altijd voor: de asceet moet altijd het leven van de grote Elia
bekijken, alsof hij zijn eigen leven als het ware daarin gespiegeld
ziet. |
| (Navolger van) Hiëronymus Bosch. Verzoeking van St. Antonius (c.1500-25) Museo del Prado, Madrid, Spanje |
8. Aldus zichzelf een strenger regime opleggend, vertrok hij naar de grafkamers # die
ver bij zijn dorp vandaan lagen. Hij droeg een van zijn vrienden op hem
om de zo veel dagen brood te brengen en ging een van de grafkamers
binnen. Nadat de ander de deur achter hem gesloten had, bleef hij
alleen binnen. De vijand kon dat niet verdragen en was zelfs bang
dat hij binnenkort de woestijn met asceten zou vullen, en kwam op een
nacht met een menigte demonen. Hij diende hem zo veel zweepslagen toe
dat hij zonder nog iets te kunnen zeggen van de pijn op de grond bleef
liggen. Antonius verzekerde dat de marteling zo buitensporig was
geweest, dat geen slagen door mensen toegediend hem ooit zo hadden
kunnen pijnigen.
|
 |
De
"grafkamer" waar hij verbleef was zeker geen doodskist zoals men zich
wel in de Middeleeuwen voorstelde, maar zal meer geleken hebben op zo'n
grafhuisje als hier rechts afgebeeld. |
 |
| Necropolis van Bagawat. Meer hierover op pagina. |
#
De keuze voor deze grafkamers in de necropolis is natuurlijk niet
toevallig. Daar hoopte hij ongetwijfeld geesten van overledenen tegen
te komen; daar is hij op die manier dichter bij de hemel. Ongetwijfeld
was dit ook toen al een oude traditie in Egypte, met zijn verering van
de doden en het vaste geloof in een leven na de dood. (Zie ook pagina op deze site.)
Dit verblijf in de necropolis komt overeen met de Indiase ascetische
praktijk van het verblijf op de shmashana, de crematieplaats, wat voor
dezelfde reden, ook nog door hedendaagse sadhoes, gedaan wordt. Sadhoes
die dit als kern van hun ascese nemen, worden aangeduid als Aghori's.
In de mythologie van Shiva wordt hiervan ook gewag gemaakt: het is zijn
favoriete verblijfplaats waar hij de beste meditatie bereikt, in het
gezelschap van geesten en 'demonen'.
Shmashana
markeert het einde van de fysieke fase van het leven. De dood is een
eerste vereiste voor elke nieuwe schepping, een 'sterven uit het leven'
markeert het begin van het spirituele leven.

Smashan Tara, 1986
Robert Beer
|
Maar door Gods voorzienigheid — want de Heer laat degenen die hun hoop
op hem vestigen nooit in de steek — kwam zijn vriend hem de volgende
dag de broden brengen. Hij opende de deur en zag hem voor lijk op de
grond liggen. Hij tilde hem op en bracht hem naar de kerk in het dorp
waar hij hem op de grond legde. Veel van zijn verwanten en de mensen
uit het dorp gingen om Antonius heen zitten als om een dode. Rond
middernacht kwam Antonius bij zinnen en ging overeind zitten. Toen hij
zag dat iedereen in slaap was gevallen en alleen zijn vriend nog wakker
was, wenkte hij hem met zijn hoofd om naderbij te komen. Hij vroeg zijn
vriend hem weer naar de grafkamers terug te dragen zonder iemand wakker
te maken.
9. Hij werd dus door de man gedragen en, zoals hij gewend was, toen de
deur gesloten werd, was hij binnen weer alleen. Staan kon hij niet
vanwege de slagen, maar hij bad liggend op de grond. En na het gebed
riep hij uit: “Hier ben ik, Antonius, ik vlucht niet voor jullie
zweepslagen! Want zelfs al geven jullie me er nog meer, ‘niets kan mij
scheiden van de liefde van Christus.’” (Rom. 8,35 ) Daarna zong hij de psalm “Al stelt zich een leger op tegen mij, mijn hart zal niet vrezen.” (Ps. 27,3 )
Deze dingen dacht en zei de asceet, en de vijand, die het goede haat,
verbaasde zich erover dat hij zelfs na die slagen de moed had om terug
te keren. Toen riep hij zijn hellehonden bij elkaar en zei woedend tot
hen: “Jullie zien dat het ons niet gelukt is die man te stoppen met een
geest van ontucht en met slagen, integendeel, hij daagt ons zelfs uit!
We moeten hem op een andere manier aanpakken.”
Nu is het voor de duivel niet moeilijk om andere vormen aan te nemen.
Toen het nacht was geworden, maakten de demonen zo'n ontzettend lawaai
dat het wel leek of die hele plaats door een aardbeving werd getroffen.
De demonen leken de vier muren van zijn vertrek te doorbreken en erdoor
naar binnen te komen, waarbij ze het uiterlijk van wilde beesten en
kruipende dingen hadden aangenomen. Direct was de hele plek vol van
gestalten van leeuwen, beren, luipaarden, stieren, slangen, adders,
schorpioenen en wolven, en elk daarvan bewoog zich op zijn eigen
manier.
De leeuw brulde en wilde hem aanvallen, de stier leek hem op de horens
te willen nemen, de slang kroop naar hem toe maar kon niet bij hem
komen, de wolf stormde op hem af maar werd tegengehouden. De razernij
van al deze verschijningen tegelijk en het lawaai van hun geluiden was
zeer angstaanjagend.
|
Antonius werd door hen geslagen en gestoken en daardoor kreeg zijn
lichaam nog meer pijn te verduren. Maar onvervaard, en er nog waakzamer
door, bleef hij liggen. Hij kreunde wel vanwege de pijn van zijn
lichaam, maar helder van geest, en alsof hij de spot met hen dreef zei
hij: “Als er enige kracht in jullie was geweest, dan was het genoeg
geweest als er maar één van jullie was gekomen. Maar omdat de Heer
jullie kracht gebroken heeft, proberen jullie me nu bang te maken door
met z'n allen te komen. Het is echter een teken van jullie zwakheid dat
jullie het uiterlijk van wilde beesten aannemen.” Hij sprak met kracht:
“Als jullie het kunnen en macht over mij hebben gekregen, aarzel dan
niet maar val aan! Maar als jullie het niet kunnen, waarom vallen
jullie me dan tevergeefs lastig? Want het geloof in onze Heer is voor
ons een zegel en een muur ter bescherming.”
Na vele pogingen knarsten zij met hun tanden tegen hem want (Hand. 7,54 ) ze hadden niet hem maar zichzelf voor schut gezet.
10. Ook op dat moment was de Heer de worsteling van Antonius niet
vergeten maar schoot hem te hulp. Want toen hij omhoog keek, zag hij
het dak als het ware opengaan en een lichtstraal naar hem neerdalen. De
demonen waren plotseling verdwenen, de pijn in zijn lichaam was
onmiddellijk opgehouden en het gebouw was weer intact. Toen Antonius
deze hulp bemerkte en weer beter kon ademhalen, omdat hij van zijn
pijnen verlost was, vroeg hij aan het visioen dat hem verscheen: “Waar
was u? Waarom bent u niet direct bij het begin verschenen om mij het
leed te besparen?” Toen kwam er een stem tot hem: “Ik was hier wel,
Antonius, maar ik wachtte om jouw worsteling te kunnen zien. Omdat je
nu stand hebt gehouden en geen nederlaag hebt geleden, zal ik voor
altijd jouw helper zijn en jou overal beroemd maken.” Toen hij dat
hoorde, stond hij op en bad. En hij ontving zo veel kracht dat hij
merkte dat hij in zijn lichaam meer kracht had dan voorheen. Hij was
toen ongeveer 35 jaar oud. |
| [3 Kluizenaar in de woestijn 286-306] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
| 11.
Toen hij de volgende dag naar buiten ging, was zijn inzet voor de
toewijding aan God nog groter. Hij ging naar de al eerder genoemde
grijsaard toe en vroeg deze om samen met hem in de woestijn te gaan
wonen. Toen die dat weigerde, zowel vanwege zijn leeftijd als ook omdat
dat toen nog niet de gewoonte was, # vertrok hij zelf terstond in zijn eentje naar het gebergte. |
# Athanasius
suggereert — zoals ik al eerder opmerkte — dat er in de tijd van
Antonius nog geen kluizenaars in de woestijn vertoefden, wat niet
correct is. Zoals bijvoorbeeld blijkt uit het citaat van Philo
hierboven, waren er in Egypte al ascetische groeperingen actief, lang
voordat Antonius op het toneel verschijnt. En deze verbleven ook in de
woestijn.
En er waren al asceten voor de door Philo genoemde Therapeuten en
Essenen, en ook in de Egyptische woestijn, m.n. de gymnosofisten die
door Apollonius genoemd worden, verre afstammelingen van de Indiase
gymnosofisten. |
Maar
toen de vijand zijn ijver zag en hem daarin opnieuw wilde dwarsbomen,
zorgde hij ervoor dat hij onderweg het schijnbeeld van een grote
zilveren schaal te zien kreeg. Antonius doorzag echter de list van de
hater van het goede. Hij bleef staan en ontmaskerde de duivel die in de
schaal zat, door tot de schaal te zeggen: “Hoe komt nu een schaal in de
woestijn? Over deze weg wordt niet gereisd en er is hier ook geen spoor
van reizigers. De schaal is zo groot dat een val niet onopgemerkt zou
blijven. Ook zou degene die hem verloren is zijn teruggekeerd om
hem te zoeken en hij zou hem hebben gevonden, want deze plek is
verlaten. Dus dit is een list van de duivel. Hiermee kun je mijn plan
niet dwarsbomen, duivel! ‘Laat dit maar met jou naar ten verderve
gaan!’" (Hand. 8,20 ) Toen Antonius dat zei, loste de schaal op als rook voor een vuur.
|
 |
12.
Toen hij verder ging, zag hij niet slechts een schijnbeeld van goud,
maar echt goud op de weg liggen. Ofwel de vijand liet hem dit zien,
ofwel een hogere Macht beproefde de atleet en wilde zo aan de duivel
laten zien dat hij niet taalde naar echt geld. Dit heeft hijzelf nooit
verteld en wij weten er ook niet meer van dan dat het goud was wat hij
zag. Antonius was verbaasd over de hoeveelheid, maar hij liep er zo
snel langs alsof hij over vuur liep, en hij draaide zich niet meer om
maar haastte zich verder met zo'n gezwinde spoed dat de plek verborgen
bleef. |
| Sint Antonius Abt in verzoeking door een stuk goud. c. 1436, Fra Angelico, Museum of Fine Arts, Houston. |
Meer en meer vastberaden haastte hij zich naar het gebergte. Daar trof
hij, aan de overkant van de rivier, een verlaten fort aan dat al zo
lang leegstond dat het vol zat met kruipend ongedierte. Daarheen
verhuisde hij en ging hij er wonen. De reptielen namen direct de
wijk, alsof iemand ze wegjoeg. Hij barricadeerde de ingang en sloeg
voor zes maanden brood op (zo doet men dat in de Thebaïs en vaak
blijven die broden een heel jaar goed), en binnen had hij water
gevonden. Daarna schreed hij binnen zoals men dat in het heiligdom van
een tempel doet, en bleef hij alleen binnen, zonder naar buiten te gaan
of iemand van de bezoekers te zien. Een lange tijd wijdde hij zich zo
aan de beoefening van ascese, waarbij hij slechts tweemaal per jaar via
het dak broden ontving. |
 |
13. Bekenden die hem kwamen opzoeken moesten vaak hele dagen en nachten
buiten doorbrengen omdat hij hen niet toestond binnen te komen. Zij
hoorden dan een geluid dat klonk als lawaaierige menigten die binnen
veel herrie maakten en jammerkreten lieten horen en schreeuwden: “Ga
weg uit ons gebied! Wat heb jij met de woestijn te maken? Jij kunt onze
listen niet verdragen!” De mensen buiten dachten aanvankelijk dat er
mannen met hem aan het vechten waren en dat die via ladders bij hem
waren binnengedrongen, maar toen ze door een gat naar binnen keken,
zagen ze niemand en beseften toen dat het demonen waren, en door angst
bevangen, riepen ze Antonius.
Hen hoorde hij wel meteen, terwijl hij zich om de demonen niet
bekommerde. Hij ging naar de deur en drong er bij de mensen op aan
terug te gaan en niet bang te zijn. “Op deze manier,” zei hij, “maken
de demonen hun schijnaanvallen tegen degenen die laf zijn. Jullie
moeten je daarom met het kruisteken bezegelen en vol vertrouwen
weggaan. Laat hen zichzelf maar voor gek zetten.” |
| De verzoeking van St. Antonius. Mathias Grünewald, (1510-1515); Musée d'Unterlinden, Colmar, Frankrijk. |
Zij
gingen toen weg, als met een wal omgeven door het teken van het kruis.
Hij bleef achter en ondervond op geen enkele manier schade van de kwade
geesten en hij liet zijn strijd tegen hen geen moment verslappen. Want
het toenemend aantal visioenen van boven dat hem te hulp kwam en de
zwakheid van zijn vijanden, verlichten zijn inspanningen in hoge mate
en gaven hem nog meer ijver. Voortdurend kwamen zijn bekenden hem
opzoeken in de verwachting hem dood aan te treffen, maar dan hoorden ze
hem zingen: “Laat God opstaan en laat zijn vijanden uiteengeslagen
worden, laten degenen die hem haten vluchten van zijn aangezicht. Mogen
zij verdwijnen zoals rook verdwijnt. Zoals was voor vuur smelt, zo
zullen de zondaars voor Gods aangezicht omkomen.” (Ps. 68,2-3 ) En: “Alle volkeren omsingelden mij, maar in de naam van de Heer heb ik hen teruggedreven.” (Ps. 118,10 ) |
| [4 Leraar en wonderdoener 306-320] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
| 14.
Bijna twintig jaar leefde hij zo in afzondering een leven van ascese,
zonder ooit naar buiten te komen en zonder vrijwel ooit door iemand
gezien te worden. Daarna echter, toen velen het verlangen en de wil
hadden gekregen zijn ascese na te volgen, forceerden enkelen van zijn
bekenden de toegangsdeur, en toen kwam Antonius naar buiten, als uit
een heiligdom waarin hij in de mysteriën was ingewijd en door God
geïnspireerd. * |
*
Dus als het ware in extatische toestand. Athanasius heeft geschriften
van Pythagoras voor ogen gehad, zoals blijkt uit verschillende
zinswendingen die daar eveneens voorkomen. |
| Toen
werd hij voor het eerst gezien buiten het fort door degenen die hem
kwamen bezoeken. Toen die hem zagen, verbaasde het hen dat zijn lichaam
in dezelfde conditie was gebleven als vroeger. Hij was niet dikker
geworden door gebrek aan beweging, maar ook niet vermagerd door het
vasten en de strijd tegen de demonen. Hij was precies zoals ze hem ook
hadden gekend voordat hij zich terugtrok. En bovendien was zijn ziel
vrij van smet. Want die was niet verkrampt door verdriet, ook niet
verweekt door plezier, noch bevangen door uitgelatenheid of
neerslachtigheid. |
Toen
hij de menigte zag, raakte hij daarvan niet in de war, en toen zo veel
mensen hem begroetten, raakte hij daarover ook niet uitgelaten.
Integendeel, hij bleef volkomen gelijk aan zichzelf, als iemand die door de Logos * bestuurd wordt en in zijn natuurlijke staat verkeert. ** |
* De vertaling "Logos" past geheel in de christologische opzet van Athanasius. Logos betekent zowel woord als rede. |
**
De natuur bij de schrijvers uit deze tijd betekent altijd de ongerepte,
niet door de zonde verlaagde natuur, de natuur zoals zij bij de
schepping uit Gods hand is gekomen, want alles wat God schept is goed.
Hoewel uitwendig gelijk gebleven, was Antonius inwendig geheel
veranderd, herschapen, had hij de oorspronkelijke gaafheid herwonnen.
Hier is sprake van een echte transfiguratie, een geestelijke
gedaanteverandering. Een passage in de Vita van sublieme schoonheid!
Nu Antonius in de oorspronkelijke gaafheid hersteld is, bezit hij,
evenals de eerste mens voor de zondeval, heerschappij over de
schepping. Athanasius bewijst dit door onmiddellijk enkele wonderen te
vermelden door Antonius verricht. Daarbij stelt hij echter
uitdrukkelijk dat dit alles een genade was die Antonius dankte aan
Christus. |
Door
hem genas de Heer velen die gekomen waren van lichamelijke kwalen en
anderen verloste hij van kwade geesten. Hij gaf aan Antonius genade bij
het spreken, zodat hij velen die bedroefd waren, kon troosten. Anderen,
die ruzie met elkaar hadden, verzoende hij weer in vriendschap, en hij
spoorde allen aan om niets ter wereld meer waard te achten dan de
liefde tot Christus. Als hij sprak, bracht hij de mensen het
toekomstige goed in gedachten en de liefde die God voor ons mensen
heeft, “Hij die zijn eigen zoon niet gespaard heeft maar voor ons allen
heeft overgeleverd.” (Rom. 8,32 )
Zo wist hij velen te overreden voor een kluizenaarsleven te kiezen. En
zo ontstonden er sindsdien ook in het gebergte kluizenaarscellen en
werd de woestijn als een stad bevolkt door monniken die van hun eigen
bezittingen en volk waren weggetrokken en zich ingeschreven hadden voor
het burgerschap in de hemelen. (Vgl. Fil. 3,20 ) |
 |
De Thebaïde
Gerardo di Jacopo Starnina. ca.1400. Officia, Florence. |
Al deze bovenstaande gebeurtenissen worden door Gibbon in een paar alinea's samengevat:
Egypte, de vruchtbare ouder van het geloof, leverde het eerste voorbeeld van kloosterleven. Antonius, een ongeletterde jongeman
uit het zuidelijke deel van Thebaïs, verdeelde zijn bezittingen,
verliet zijn familie en het huis waar hij was geboren en kweet zich met
nooit eerder vertoond en onverschrokken fanatisme van zijn monastieke
boetedoening. Na een lang en moeizaam noviciaat tussen de tombes
en in een tot ruïne vervallen toren trok hij onvervaard drie dagen lang
door de woestijn ten oosten van de Nijl, ontdekte een afgelegen plek
die schaduw en water bood en vestigde zich ten slotte op de Colzim,
waar een oeroud klooster nog steeds de naam en nagedachtenis van de
heilige in ere houdt.
De nieuwsgierigheid en toewijding van de christenen achtervolgden hem
tot in de woestijn, en toen hij zich in Alexandrië noodgedwongen aan de
blikken van de mensen blootstelde droeg hij zijn faam bescheiden en
waardig.
Hij sloot vriendschap met Athanasius, wiens leer zijn goedkeuring kon wegdragen, en sloeg, hoewel hij slechts een Egyptische boer was, een eerbiedige uitnodiging van keizer Constantijn af.
De respectabele patriarch (want Antonius bereikte een leeftijd van
honderdvijf jaar) was nog getuige van het talrijke nageslacht dat hij
met zijn voorbeeld en zijn lessen had verwekt. De omvangrijke kolonies
monniken groeiden snel in de woestijn van Libië, op de rotsen van
Thebaïs en in de steden aan de Nijl. Ten zuiden van Alexandrië woonden
er op de berg en in de aangrenzende woestijn van Nitria vijfduizend
anachoreten, en de reiziger kan nog steeds de ruïnes van vijftig
kloosters bezoeken die op die kale bodem door de discipelen van
Antonius zijn gesticht. |
15. Om zijn broeders te bezoeken moest Antonius eens het kanaal van Arsinoë * oversteken,
maar dat kanaal zat vol met krokodillen. Hij sprak eenvoudigweg een
gebed uit en toen stapten hij en zijn metgezellen het water in en
bereikten ongedeerd de overkant. Terug in zijn kluizenaarscel
hernam hij zijn verheven en actieve inspanningen. Door regelmatige
gesprekken versterkte hij de inzet van hen die reeds monnik waren, en
bij de meeste anderen wist hij een verlangen naar een ascetisch leven
op te wekken. En door de aantrekkingskracht van zijn woorden kwamen er
spoedig zeer veel kluizenaarscellen bij, en hij leidde allen als een
vader. |
*
Arsinoë is een stad aan het Moëris-meer, niet ver van Pispir. In de
tijd van de geschiedschrijver Herodotus (±400 voor Christus) heette de
stad Krokodilopolis. In de Sahidische vertaling heet zij Piom, tegelijk
de naam van het hele gewest, waaruit zich de huidige naam Fajoem
ontwikkeld heeft. Het kanaal verbond de stad met een zijarm van de Nijl
en aldus met Egypte. Op dezelfde hoogte, maar aan de overzijde van de
Nijl, ligt Pispir, een afstand van 80 km. Dit is de eerste
plaatsaanduiding in de Vita. |
| [4.1 Toespraak tot de monniken] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
| 16.
Toen hij op zekere dag naar buiten ging, omdat alle monniken zich bij
hem verzameld hadden en hem verzochten om een woord van hem te mogen
vernemen sprak hij in het Egyptisch tot hen: |
 |
Saint Antoine enseignant les anachorètes de la Thébaïde.
Auguste Leroux. Louvre.
Mij dunkt, een zeer realistische weergave. Antonius in lompen gekleed, ongewasen, onverzorgd. Zijn rug warmend in de zon.
Een schedel op de grond naast hem; een mand die hij aan het vlechten is.
Een hertje, in plaats van een varkentje, wat natuurlijk meer op zijn
plaats is in de woestijn van Egypte, dat ook aandachtig luistert. |
“Hoewel de Schriften op zichzelf voldoende zijn om ons te onderrichten,
is het toch ook goed dat wij elkaar aansporen in het geloof en opwekken
met onze woorden. Legt daarom al wat u weet voor aan mij, zoals
kinderen dat aan hun vader doen, dan zal ik, als oudste, u laten delen
in mijn kennis en wat de ervaringen mij geleerd hebben. Op de
eerste plaats moeten wij ons allen gezamenlijk erop toeleggen om,
eenmaal begonnen, niet op te geven, niet te versagen bij moeilijkheden
en niet te zeggen: "We hebben al zo lang de ascese beoefend." Neen, we
behoren, alsof we pas beginnen, elke dag onze ijver te vergroten. Want
het mensenleven is uitermate kort, als we het afmeten naar de
toekomstige eeuwen, terwijl al onze jaren niets zijn vergeleken bij het
eeuwig leven. In de wereld heeft elk ding zijn prijs en in feite ruilt
men dus het een gelijk aan het ander, maar de belofte van het eeuwige
leven wordt gekocht voor een kleinigheid. Er staat immers geschreven:
‘De dagen van ons leven zijn zeventig jaar, en voor hen die sterk zijn,
tachtig, en wat daar bovenuit gaat, is last en lijden.’ (Ps. 90,10 )
|
Welnu, als wij al die tachtig, of zelfs honderd jaar in onze ascese
leven, dan is het niet zo dat wij slechts honderd jaar als koningen
zullen heersen, maar in plaats van honderd jaar zullen wij voor altijd
en eeuwig heersen. En hoewel wij op aarde gestreden hebben, is het niet
zo dat wij op aarde erven, maar in de hemel wacht wat ons beloofd is.
En, na een vergankelijk lichaam te hebben afgelegd, krijgen wij het
onvergankelijk terug. (Vgl. 1 Kor. 15,42 )
17. Daarom, kinderen, laten wij niet versagen en niet menen dat het
lang duurt, of dat we iets groots verrichten. Want het lijden van deze
tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die ons geopenbaard zal
worden. (Rom. 8,18 )
Laten we, als we naar de wereld zien, niet denken belangrijke dingen
verzaakt te hebben, want de hele aarde is allernietigst ten opzichte
van geheel de hemel. Als wij dan al meesters van de hele aarde zouden
zijn en alles opgeven, dan had dat nog niets te betekenen in
vergelijking met het koninkrijk der hemelen. Niemand kijkt neer op een
koperen drachme, als hij er honderd gouden drachmen mee verdienen kan.
Dus als iemand meester van de hele aarde zou zijn en die zou verzaken,
dan geeft hij maar een luttel beetje op om het honderdvoud te
ontvangen. Als zelfs niet de hele aarde gelijkwaardig is aan de hemel,
dan is het voor iemand die een paar hectaren opgeeft eigenlijk alsof
hij niets achterlaat, en al gaf hij een huis of veel goud op, dan mag
hij daar niet groot op gaan, noch neerslachtig zijn. |
 |
Verder
moeten we maar bedenken dat we de zaken, die we niet uit deugd kunnen
loslaten, later bij ons sterven achterlaten aan personen aan wie we ze
niet gunnen, zoals de Prediker dat voorhoudt. (Vgl. Pred. 4,8 ) Waarom ze dan niet uit deugd achterlaten, ten einde het Koninkrijk ermee te beërven? # |
# Een bijna cynische aanbeveling |
Niemand
onder ons late dus de begeerte in zich toe om iets te bezitten, want
wat winnen wij met het verwerven van dingen die we toch niet kunnen
meenemen? Laten we liever zulke zaken verwerven die we wel kunnen
meenemen, zoals verstandigheid, rechtvaardigheid, matigheid, moed,
begrip, liefde, goedheid voor de armen, geloof in Christus,
lankmoedigheid en gastvrijheid. Als we dat alles bezitten, zullen we
merken dat zij voor ons een gastvrij onthaal bereiden in het land van
de zachtmoedigen. (Vgl. Ps. 37,11 ) |
 |
18.
Zulke overwegingen mogen iemand zichzelf ervan overtuigen het niet te
licht op te vatten, vooral niet als hij bedenkt dat hij een dienaar van
de Heer is en dus zijn Meester behoort te dienen. Een dienaar waagt het
toch ook niet te zeggen: ‘Gisteren heb ik gewerkt, vandaag doe ik dus
niets!’ en uitgaande van het verleden, geen werk in de toekomst uit te
voeren, maar zoals in het Evangelie staat, hij toont elke dag dezelfde
bereidheid om zijn Heer te behagen en risico te vermijden. Evenzo
moeten wij elke dag vastberaden zijn in onze ascese en weten dat, als
we ook maar één dag onverschillig zijn, de Heer het ons niet zal
vergeven ter wille van de voorbije tijd, maar dat Hij onze nalatigheid
ons zeer kwalijk zal nemen. Zo hebben wij dat gelezen bij Ezechiël,
(vgl. 18,24-26 en 33,12-13 ) zo verspeelde Judas wegens één enkele nacht alle inspanningen van de vroegere tijd.
|
| Leonora Carrington, De verzoeking van St. Antonius (1947); Privé Collectie |
19. Laten we dus in onze ascese volharden, kinderen, en niet
onverschillig zijn. Want daarin is de Heer onze medewerker, zoals er
geschreven staat: ‘Met allen die het goede bovenaan stellen, werkt God
mee ten goede.’ (Rom. 8,28 ) Om niet achteloos te worden is het goed het woord van de Apostel te overwegen: ‘Dagelijks sterf ik.’ (1 Kor. 15,31 ) Want als ook wij leven alsof we elke dag sterven, zullen we niet zondigen.
De betekenis daarvan is: wanneer we dag na dag opstaan, moeten we ervan
uitgaan dat we de avond niet halen, en eveneens, wanneer we gaan liggen
om te slapen, moeten we denken dat we niet meer zullen opstaan. Want
ons leven is van nature onzeker en het wordt ons elke dag door de
Voorzienigheid toebedeeld.
Als we zo ons dagelijks leven vormgeven, zullen we niet in zonde
vervallen of enige begeerte ergens voor hebben, noch enige wraak jegens
iemand koesteren, noch schatten verzamelen op aarde. Omdat we dagelijks
de dood verwachten, zullen we zonder rijkdommen zijn en alles aan
iedereen vergeven. |
| Evenmin zullen we enige begeerte naar vrouwen of enig ander onrein genot # behouden,
maar we zullen ons ervan afwenden als van iets dat voorbij is, voor
altijd strevend naar de dag van het oordeel en die blij tegemoet ziend.
Want de verschrikking en het gevaar van foltering (van de hel)
verpesten het plezier van het genot en zij roepen de ziel, als die
lijkt te bezwijken, weer tot de orde. |
# Wanneer toch werd seks onrein en de vrouw een bedreiging? |
20.
Nu wij eenmaal de weg naar de deugd ingeslagen hebben, moeten wij ons
nog meer inspannen om de dingen te bereiken die voor ons liggen. (Vgl.
Fil. 3,13 ) En laat niemand zich omkeren zoals de vrouw van Lot deed, (Gen. 19,26 )
vooral niet omdat de Heer heeft gezegd: ‘Wie de hand aan de ploeg
geslagen heeft en zich omkeert om achterwaarts te zien, hoort niet
thuis in het Rijk der hemelen.’ (Lc. 9,62 ) Zich omkeren is juist hetzelfde als spijt krijgen en opnieuw zinnen op wereldse zaken.
|
 |
Wees niet bevreesd als u over deugd hoort en niet verbaasd bij dat
woord. Want deze is niet ver van ons, noch is die buiten ons, maar die
is binnen ons, en is zelfs gemakkelijk als we maar bereid zijn. Grieken
leven in het buitenland en steken de zee over om de wetenschap te
vergaren, maar wij behoeven ons huis niet te verlaten om het Rijk der
hemelen te bereiken, of de zee over te steken ten behoeve van de deugd.
De Heer heeft ons al op voorhand gezegd: ‘Het Rijk der hemelen is in
u.’ (Lc. 17,21 )
En dus heeft de deugd van onze kant alleen bereidheid nodig, aangezien
zij in ons is en door ons gevormd wordt. Want wanneer het spirituele
vermogen van de ziel in haar natuurlijk staat is, wordt deugd
geschapen. En het is in haar natuurlijk staat als het blijft zoals het
geschapen werd, en toen het geschapen werd, was het zuiver en
buitengewoon deugdzaam. Daarom gelastte Jezus, de zoon van Nave, het
volk: ‘Richt uw hart op de Heer, de God van Israël.’ (Jos. 24,23 ) |
Sint Antonius Abt spreekt tot de kluizenaars. Ludovico Caracci. Pinacoteca di Brera.
Ik
vraag me af — gezien de "kreupele" rechtsonder — of dit wel een
correcte titel is. Het lijkt me eerder dat het Antonius als genezer is
die we hier zien. |
En Johannes zei: ‘Maakt uw paden recht.’ (Mt. 3,3 )
De rechtschapenheid van de ziel bestaat daaruit dat haar spirituele
deel in haar natuurlijke staat is, zoals zij werd geschapen. Maar
anderzijds, wanneer zij afdwaalt en zich afwendt van haar natuurlijke
staat, wordt dat verdorvenheid van de ziel genoemd. Derhalve is de zaak
niet zo moeilijk, want als wij blijven zoals wij gemaakt zijn, leven
wij deugdzaam, maar zinnen wij op het gemene, dan zullen wij als
boosdoeners beschouwd worden. Als dit nu van buiten ons verkregen moest
worden, dan zou het werkelijk moeilijk zijn, maar als het in ons is,
hoeven wij ons slechts te behoeden voor smerige gedachten. Laten wij
onze ziel, die ons in onderpand is gegeven, voor de Heer in stand
houden, zodat Hij zijn maaksel kan herkennen als hetzelfde dat Hij
gemaakt heeft. |
| [4.2 Demonologie] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
Demonen verheugen zich in het ongeluk van de mensheid.
Maître François.
|
21.
En laten we ernaar streven dat de toorn ons niet regeert en de wellust
ons niet overmeestert. Want er staat geschreven: ‘Een toornig man doet
niet Gods gerechtigheid,’ (Jak. 1,20 )
en: ‘Wanneer de begeerlijkheid ontvangen heeft, baart zij zonde. Maar
als de zonde voltrokken is, baart zij de dood.’ (Jak. 1,15 )
Laten wij, aldus levend, voorzichtig op onze hoede zijn, gelijk er
geschreven staat: ‘Behoed uw hart boven al wat te bewaren is.’ (Spr.
4,23 )
Want we hebben geduchte en sluwe vijanden, namelijk de boze geesten.
Tegen hen is onze worsteling gericht, zoals de Apostel zei: ‘Want wij
hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden,
tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis
dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.’ (Ef. 6,12 )
En zij zijn in grote aantallen in de lucht om ons heen, en zij zijn
niet ver van ons. Er heerst grote verscheidenheid onder hen. Over hun
aard en verschillen zou veel gezegd kunnen worden, maar zo een
uiteenzetting is beter voor anderen die machtiger zijn dan wij. Maar op
dit moment is het dringend en noodzakelijk voor ons, slechts hun boze
streken ten opzichte van ons te leren kennen. |
22.
Vooreerst moeten we wel weten dat de demonen niet als boze geesten —
zoals wij dat bedoelen als we ze met dat woord noemen — geschapen zijn.
Want God heeft niets slechts gemaakt en zelfs zij zijn goed geschapen,
maar zij zijn de hemelse wijsheid ontvallen en sindsdien kruipen ze
vernederd rond op aarde. De Grieken hebben ze enerzijds bedrogen met
hun vertoningen, terwijl ze vanuit hun afgunst op ons Christenen, alles
in beweging zetten om ons de toegang tot de hemelen te beletten, opdat
wij niet zouden opstijgen naar de plaats van waaruit zij neergestort
zijn. Daarom is er veel gebed en ascese nodig, zodat wanneer een
mens door de heilige Geest de gave van het onderscheiden van geesten
heeft ontvangen, hij de macht heeft om hun eigenschappen te herkennen
en te weten welke van hen minder gemeen zijn en welke meer, en wat het
kenmerk is van de speciale activiteit van elk, en tenslotte hoe elk van
hen overwonnen en uitgedreven wordt. Want talrijk zijn hun gemeenheden
en de veranderingen in hun samenzweringen.
De zalige Apostel en zijn volgelingen wisten dit soort dingen toen zij
zeiden: ‘Wij zijn goed op de hoogte van hun bedenksels.’ (2 Kor. 2,11 )
Maar wij moeten door de verzoekingen die we door hen hebben ondergaan,
elkaar verbeteren. Als iemand die door hen op de proef is gesteld,
spreek ik tot u als tot kinderen. |
23. Zodra de demonen dus bemerken dat alle christenen, en in het
bijzonder de monniken, zich opgewekt inspannen en vooruitgang maken,
vallen zij eerst aan met verleidingen en leggen ze valstrikken op onze
weg om ons te belemmeren, te weten, slechte gedachten. (Vgl. Ps. 140,6 )
Maar wij hoeven niet bang te zijn voor hun inblazingen, want door
gebeden, vasten en geloof in de Heer mislukt hun aanval ogenblikkelijk.
Evenwel, al is het mislukt, ze houden niet op en vallen weer aan met
subtiele schurkachtigheid. |
Want
als zij het hart niet openlijk kunnen verleiden met smerige
pleziertjes, komen zij in een andere vermomming en verwekken zij
hallucinaties en proberen schrik aan te jagen door te veranderen van
gedaante en de gestalte van vrouwen aan te nemen of die van wilde
dieren, of kruipend ongedierte, of reusachtige lichamen, of afdelingen
soldaten. Maar ook dan moet je niet bang zijn voor hun misleidende
vertoningen: want zij zijn niets en verdwijnen spoedig, vooral voor wie
zich van te voren beschermd met geloof en het teken van het kruis.
|
 |
| Paul Cézanne. Verzoeking van St. Antonius. (ca. 1875); Musée d'Orsay, Parijs, Frankrijk. |
Maar toch, ze zijn brutaal en zonder enige schaamte, want worden zij
aldus verslagen, dan vallen zij op een andere manier aan. Zij doen dan
alsof ze profeteren en de toekomst voorspellen, of zij vertonen zich zo
groot dat zij tot het dak reiken en enorm breed, teneinde hen die zij
door hun redeneringen niet konden misleiden, tersluiks te pakken met
zulke vertoningen. Bemerken zij ook hier dat de ziel versterkt
wordt door het geloof en een hoopvolle geest, dan halen zij hun
hoofdman erbij om hen te helpen.” |
| 24.
“Dikwijls,” zei hij, “verschenen zij, zoals de Heer de duivel aan Job
beschreef met de woorden: ‘Zijn ogen gelijken op een morgenster. Uit
zijn bek komen brandende fakkels en vuurhaarden vallen neer in het
rond. Uit zijn neusgaten stijgt een rook op als van een gloeiende oven,
gestookt met steenkool. Zijn adem bestaat uit kolen, en een vlam laait
op uit zijn bek.’ (Job 41,9-12) |
Job
41,9-12 Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen
zijn als de oogleden des dageraads. Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige
vonken raken er uit. Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een
ziedenden pot en ruimen ketel. Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een
vlam komt uit zijn mond voort. |
Jes. 10,14 En
mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik
heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten
zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde,
of den bek opendeed, of piepte. |
Als
de Prins van de demonen op deze manier verschijnt, weet de sluwe vos,
door van grootse dingen te spreken, vrees aan te jagen, zoals de Heer
hem weer veroordeelde, toen Hij tot Job sprak: ‘Hij zag stro voor ijzer
aan en vermolmd hout voor koper,’ (Job 41,18 )
terwijl hij ‘de zee aanzag hij voor een zalfpot en de onderwereld van
de diepzee voor een gevangene, ja, de diepzee hield hij voor een
wandelplaats.’ (Job 41,22 ) En bij monde van de profeet (sprak de Heer): ‘De vijand zei: Ik zal (hen) nazetten en vastgrijpen,’ (Ex. 15,9 )
en door een ander: ‘De hele wereld zal ik met mijn hand omvatten als
ware het een vogelnestje, en ik zal haar oprapen als achtergelaten
eieren.’ (Jes. 10,14) |
Zo,
in het kort, zijn hun opschepperijen en beweringen hoe zij de
goddelijken zouden misleiden. Maar wij, gelovigen, moeten dan zelfs
zijn verschijning niet vrezen en geen acht slaan op zijn woorden. Want
hij is een leugenaar en hij spreekt geen woord waarheid. En al spreekt
hij nog zoveel woorden zo ontzettend in hun brutaliteit, zonder twijfel
is hij door de Verlosser voortgesleept als een draak aan de vishaak,
als een rund heeft hij een pin door de neus gekregen, als een
weggelopen slaaf ligt hij vastgebonden met een ring door zijn
neusvleugels, en zijn lippen zijn doorboord met een ring. (Vgl. Job
41,21, 26 ) Vastgebonden is hij door de Heer als een mus, tot spot van ons allen. (Job 41,24 )
Hij en de boze geesten met hem liggen op de grond als schorpioenen en
slangen, om door ons, christenen, vertrapt te worden. (Vgl. Lc. 10,19 )
En het bewijs daarvan is wel dat wij thans een leven leiden dat zo
tegen hem ingaat. Want hij die de zee dreigde op te drogen en de wereld
te vatten, is thans, zie toch eens, niet in staat onze ascese tegen te
houden, noch mij, die ten nadele van hem spreekt. Laten we dus geen
acht slaan op zijn woorden, want hij is een leugenaar, en zijn
zinsbegoochelingen niet vrezen, ziende dat die op zichzelf al
misleidend zijn. Het licht dat erin schijnt te stralen, is niet echt;
zij zijn eerder het voorspel en het evenbeeld van het vuur dat voor de
demonen bereid is, (vgl. Mt. 25,41 )
die met de vlammen waarin zij zelf zullen branden, proberen de mensen
bang te maken. Ongetwijfeld verschijnen ze, maar ze verdwijnen ook weer
meteen, en doen geen enkele gelovige kwaad, maar ze brengen slechts het
evenbeeld van het vuur met zich mee dat hen spoedig te wachten staat.
Daarom is het ook niet gepast dat wij hen om dat soort dingen zouden
vrezen. Al hun praktijken lopen door de genade van Christus op niets
uit. |
| 25.
Maar toch, verraderlijk zijn zij wel en zij zijn in staat om zich in
alle vormen te veranderen en alle gestalten aan te nemen. Dikwijls
imiteren zij, zonder zich te vertonen, muziek van harp en stem en
voordrachten van woorden uit de Schrift, ja, soms, als wij zitten te
lezen, herhalen zij vele malen, als een echo, dat wat zojuist gelezen
is, en als wij liggen te slapen, wekken zij ons om te gaan bidden. En
dat doen zij voortdurend, zodat zij ons ternauwernood tijd laten om te
slapen. Op andere momenten nemen zij de vorm aan van monniken, en doen
het praten van heilige mannen na, om hun slachtoffers door hun
overeenkomstigheid te misleiden en daarheen te brengen waar zij ze maar
willen. Maar we moeten geen acht slaan op hen, zelfs al roepen ze op
tot gebed, of raden ze ons aan om helemaal niet te eten, zelfs al
lijken zij ons te beschuldigen en berispen over zaken die zij vroeger
toestonden. |
 |
| De verzoeking van St. Antonius, Lelio Orsi, (c. 1570s); J. Paul Getty Museum, Los Angeles. |
| Dat
alles doen zij niet uit vroomheid of omwille van de waarheid, maar om
de eenvoudigen tot wanhoop te brengen, om te kunnen zeggen dat de
ascese zinloos is, om de mensen afkerig te maken van het
kluizenaarsleven, als zou het moeilijk en een last zijn, en om degenen
te hinderen die ondanks hen toch die levenswijze volgen. |
26. Daarom noemde de profeet die door de Heer gezonden was (Hab. 2,15 )
hen gemeen. ‘Wee, zei hij, die zijn evenmens laat drinken.’ Want zulke
praktijken en gedachten richten verderf aan op de weg naar de deugd.
Trouwens, de Heer zelf snoerde de boze geesten de mond, ook al spraken
zij de waarheid — want zij zeiden waarlijk: ‘U bent de Zoon van God’
(Lc. 4,41 )
— en Hij belette hen te spreken, anders zouden zij misschien tegelijk
met de waarheid tevens hun kwaad uitzaaien, en ook om ons eraan gewoon
te maken nooit enige aandacht aan hen te schenken, zelfs al schijnen
zij de waarheid te spreken. Want het is toch ongepast dat wij, die de
heilige Schrift hebben en de vrijheid van de Verlosser, door de duivel
zouden onderwezen worden, hij die zijn eigen plaats niet kent en van de
ene geest naar de andere gegaan is. Daarom belet Hij hem zelfs verzen
uit de Schrift aan te halen, met de woorden: ‘Tot de zondaar zegt God:
Hoe durft u Mijn inzettingen nog te vertellen en Mijn verbond in de
mond te nemen?’ (Ps. 50,16 )
Van alles doen de demonen — ze babbelen, ze verwarren, ze veinzen, ze
creëren wanorde — om de eenvoudigen te misleiden. Ze maken herrie,
lachen als gekken, en fluiten. Maar als je er niet meteen aandacht aan
geeft, jammeren en klagen zij alsof ze al overwonnen zijn. |
27.
De Heer dus, als God, hield de monden van de demonen stil, en het is
dus gepast, dat wij die onderwezen zijn door de heiligen, net als hen
doen en hun moed navolgen. Want zij, als ze deze dingen zagen, zeiden
altijd: ‘Wanneer de zondaar tegen mij stand hield, verstomde ik,
vernederde mij en zweeg ook van goede zaken.’ (Ps. 39, 2-3) En verder:
‘Als een dove hoorde ik niets en als een stomme deed ik mijn mond niet
open, en ik werd als iemand die niets hoort.’ (Ps. 38,14-15 ) |
Ps. 39, 2-3 Ik
zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik
zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog
tegenover mij is.
Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard. |
Dus
laten wij niet naar hen luisteren, doen alsof zij vreemden voor ons
zijn, en niet op hen letten, ook al roepen zij ons op tot gebed of
spreken ze over vasten. Maar laten wij alle aandacht richten op onze
vastberadenheid de ascese te beoefenen, en ons niet door hen laten
bedriegen, die alles doen vanuit bedrog, ook al dreigen ze met de dood.
Want zij zijn zwak en meer dan dreigen kunnen zij niet.
28. Terloops heb ik al eerder over deze dingen gesproken, maar nu mag
ik er niet voor terugdeinzen er dieper op in te gaan, want door het u
in herinnering te brengen, zal het een bron van veiligheid zijn.
Sinds de Heer op aarde geweest is, is de vijand gevallen en zijn z'n
krachten verminderd. Hoewel hij dus niets kan doen, kon hij toch, omdat
hij een tiran is, zijn val niet rustig ondergaan, maar dreigde, ook al
waren het slechts dreigementen, met woorden. Laat ieder van u dat in
overweging nemen, dan kunt u de boze geesten verachten. |
 |
| Antonius belaagd door twee demonen. (KB) |
| Als
zij door zulke lichamen belemmerd waren zoals wij zijn, dan konden ze
zeggen: ‘Mensen, als ze verstopt zijn, kunnen wij niet vinden, maar
wanneer wij ze vinden, doen we hen kwaad.’ En ook wij zouden door ons
te verbergen aan hen kunnen ontsnappen, en de deuren voor hen sluiten.
Maar als zij niet van dien aard zijn, maar binnen kunnen komen, ook al
zijn de deuren gesloten, en spoken zij evenals hun leider, de duivel,
overal door de lucht, en verlangen ze naar boosaardigheid en zijn ze
klaar om kwaad te doen, en zoals de Verlosser zei: ‘de duivel, de vader
van de ondeugd, is van den beginne een mensenmoordenaar.’ (Joh. 8,44 ) |
Joh.
8,44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders
doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid
niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de
leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een
leugenaar, en de vader derzelve leugen. |
Hoe dit ook moge zijn, wij zijn in leven en wij leven des te meer door
hem te bestrijden. Daarom is het duidelijk dat ze niets vermogen. Want
geen plaats belet hen ons te belagen, zij zien in ons heus geen
vrienden die ze zouden sparen, zij hebben niet de bedoeling het goede
te doen en zich te verbeteren, integendeel, zij zijn gemeen en op niets
anders uit dan hen die de deugd zoeken en God vrezen, te verwonden.
Maar omdat zij geen kracht hebben om iets te doen, doen ze niets dan
dreigen; want konden ze wel iets, dan zouden ze niet talmen, maar het
kwaad terstond ten uitvoer brengen, want daar gaat heel hun verlangen
naar uit, en vooral als het tegen ons gericht is. Ziet, wij zijn nu
hier bijeen en verguizen hen, en zij beseffen dat als wij vooruitgaan,
zij verzwakken. Bezaten zij enige macht, dan zouden zij niemand onder
ons, christenen, in leven laten, want, ‘een walg is de zondaar de
godsvrucht.’ (Sir. 1,25 )
Maar omdat zij niets kunnen doen, brengen zij zichzelf des te groter
wonden toe, want geen enkel van hun dreigementen kunnen zij ten uitvoer
brengen. |
Ook
het volgende moeten wij voor ogen houden om niet bang voor hen te zijn:
als zij echt over macht beschikten, dan kwamen ze niet in groepen,
zouden zij geen vertoningen opvoeren, noch door verandering van vorm
misleidingen op touw zetten; dan was het genoeg als er slechts één kwam
opdagen en datgene volbracht waartoe hij in staat was en wat hij wilde.
Vooral omdat ieder die werkelijk macht bezit, niet zal doden met een
vertoning, noch schrik zal aanjagen met lawaai, maar dat hij terstond
zijn volledige macht gebruikt, zoals hij dat wil. Maar omdat de boze
geesten geen macht hebben, zijn ze als toneelspelers op het toneel, die
van gestalte veranderen en kinderen bang maken met lawaaiige
verschijningen en allerlei vormen. Dit vertoon van zwakte is een reden
te meer om hen te minachten.
|
 |
| Verzoeking van St. Antonius. Lucas van Leyden. (ca. 1509) Musée d'Art Ancien, Brussel. |
De echte engel van de Heer, uiteindelijk, die tegen de Assyriërs werd
gezonden, had geen lawaaiige beroeringen nodig, geen vertoningen van
buitenaf, geen geluiden of geratel. Hij wendde kalm zijn macht aan en
doodde onmiddellijk honderdvijfentachtigduizend man. (2 Kon. 19,35 )
Maar demonen, zoals deze, die geen macht hebben proberen angst aan te jagen door hun vertoningen. |
Job
1,15-22 Doch de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de
jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen,
om het u aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en
zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en
onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om
het u aan te zeggen. Als
deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeeën stelden drie
hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren
met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u
aan te zeggen. Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw
zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun
broeder, den eerstgeborene; En zie, een grote wind kwam van over de
woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de
jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u
aan te zeggen.
Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt
zal ik daarhenen wederkeren. De Heer heeft gegeven, en de Heer heeft
genomen; de Naam des Heren zij geloofd! |
29.
Maar als iemand aan de geschiedenis van Job zou denken en zeggen:
‘Waarom kon de duivel wel tegen hem uitgaan en alles ondernemen? Waarom
beroofde hij hem van zijn bezittingen, bracht zijn kinderen om het
leven en sloeg hem zelf met kwaadaardige zweren?’ (Vgl. Job 1,15-22 en
2,7 )
Laat zo iemand, daarentegen, erkennen dat niet de duivel de sterke man
was, maar God die Job aan hem overleverde ter beproeving. De duivel had
geen macht om wat dan ook te doen, maar hij vroeg erom, en die gekregen
hebbende, voerde toen uit wat hij deed. Een reden te meer om deze
vijand te veroordelen, omdat hoezeer hij het ook wenste, hij zelfs niet
over één mens kon zegevieren. Want als hij het wel had gekund, dan had
hij niet om toestemming hoeven vragen. Maar omdat hij er niet eenmaal,
maar tweemaal om vroeg, bleek hoe zwak en machteloos hij was. |
Geen
wonder overigens dat hij tegen Job niets kon doen, want zelfs zijn vee
had hij niet kunnen vernietigen als God het niet had toegestaan. En
zelfs over zwijnen had hij geen macht, want, zoals er in het Evangelie
staat: ‘Zij verzochten de Heer: Sta ons toe om in de zwijnen te varen.’
(Mt. 8,31 en Lc. 8,32 ) |
Maar
als zij zelfs over zwijnen al geen macht hebben, dan zeker niet over
mensen, die naar Gods beeld geschapen zijn. (Gen. 1,26-27; 5,1 ; 9,6) |
Gen.
1,26-27 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze
gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en
over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele
aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God
schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem;
man en vrouw schiep Hij ze.
Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.
Gen.9,6
Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten
worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.
|
30.
Alleen God moeten wij dus vrezen; en de demonen verachten en niet bang
voor hen zijn. Maar hoe meer zij zulke dingen doen, hoe meer wij onze
ascese tegen hen moeten opvoeren want een rechtschapen leven en geloof
in God is een belangrijk wapen. Zij zijn hoe dan ook bang voor het
vasten van de asceten, hun nachtwaken, hun gebeden, hun
zachtmoedigheid, hun rust, hun minachting voor geld en ijdelheid, hun
nederigheid, hun liefde voor de armen, hun aalmoezen, hun
lankmoedigheid en bovenal hun eerbied voor Christus.
|
Want dit is de reden waarom de demonen van alles uithalen: om toch maar
niet door een van hen vertrapt te worden want zij weten hoeveel genade
door de Verlosser aan de gelovigen geschonken is om tegen hen op te
treden. Want Hij heeft gezegd: ‘Zie, Ik heb u macht gegeven om op
slangen en schorpioenen te trappen, en over de hele vijandelijke
sterkte.’ (Lc. 10,19 ) |
 |
| La Tentation de Saint Antoine. Pieter Huys (1547). Louvre |
| 31.
Dus als ze doen alsof ze de toekomst voorspellen, laat niemand er dan
op letten.. Dikwijls zeggen zij enkele dagen tevoren dat er broeders
over een paar dagen op bezoek komen, en inderdaad komen zij ook. De
demonen doen dat, niet uit bekommernis met de hoorders, maar om hun
vertrouwen te winnen om hen op den duur, als ze eenmaal in hun macht
zijn, te kunnen vernietigen. Daarom moeten wij geen acht op hen slaan,
maar hen al tijdens het spreken tot zwijgen brengen, want daaraan
hebben we geen behoefte. |
| Want is het nu zo verwonderlijk dat zij, die ijler van lichaam * zijn
dan de mens, degenen die zich op weg begeven, al gezien hebben, hen
vooruitsnellen en hun komst aankondigen? Net als een ruiter te paard
een voorsprong heeft op een reiziger te voet en zijn aankomst
aankondigt, dan zullen wij ook ons over hen niet verbazen. |
*
In de oudheid heeft men lang vastgehouden aan de gedachte dat ook de
engelen en de duivels een lichaam hadden, maar fijner, een etherisch
lichaam. Onder anderen waren Origenes en Tertullianus die mening
toegedaan. Door hun etherisch lichaam zijn zij veel beweeglijker en
sneller dan de mensen. |
(Dan.
13,42 Toen riep Susanna met luide stem: `Eeuwige God, die het
verborgene kent en alles al weet voordat het gebeurt, U weet dat ze mij
vals beschuldigen; en hoewel ik niet gedaan heb waarvan ze mij
beschuldigen, moet ik toch sterven.' |
Want van de dingen die nog niet bestaan, weten zij niets. Alleen God weet alles voordat het gebeurt. (Dan. 13,42) ** |
Zij
evenwel lopen als dieven weg met wat zij zien om het vooraf te melden.
Aan hoevelen hebben zij nu al onze besognes verkondigd, namelijk dat we
samengekomen zijn en onze maatregelen tegen hen bespreken, nog voordat
iemand van ons het kon gaan vertellen? Maar in alle waarheid, dat kan
zelfs een snelvoetige jongen, die een minder snel iemand ver voorbij
gaat. Ik bedoel dit: wanneer iemand uit Thebaïs of uit een andere
streek begint te lopen, weten zij voordat hij gaat lopen, niet of hij
al of niet zal gaan lopen. Maar zodra als zij hem hebben zien lopen,
rennen zij vooruit en melden zijn komst voor hij er is. En zo geschiedt
het dan dat de reizigers inderdaad enkele dagen later aankomen. Maar
vaak keren de reizigers weerom, en blijken de demonen het bij het
verkeerde eind te hebben. |
**
Fundamentele stelling. Alleen God kent wat nog niet is, maar zal zijn.
Als iemand dus echt iets voorspelt, kan hij dit alleen doen omdat God
het hem heeft geopenbaard. Dit zal later het geval zijn met Antonius
zelf. Antonius doet échte voorspelling, b.v. als hij de vervolging van
de christenen door de Arianen aankondigt. Daardoor wordt de heiligheid
van Antonius tevens bewezen. |
| 32.
Zo doen ze soms ook dwaze uitspraken met betrekking tot het water van
de Nijl. Want als ze gezien hebben dat er in de gebieden van Ethiopië
zware regens gevallen zijn en wetende dat deze de oorzaak zijn van het
stijgen van de rivier voordat het water Egypte bereikt, rennen ze
vooruit en kondigen zij het aan. Dit zouden mensen ook hebben kunnen
zeggen, als zij een even grote macht om te rennen hadden als de
demonen. En zoals de spion van David naar een hoge plaats ging en de
man beter zag aankomen dan degene die beneden bleef, en zelf deze
aanrennende bode meldde nog vóór de anderen omhoog kwamen, en dus niet
de dingen waren die nog niet plaats gevonden hadden, maar dingen die al
stonden te gebeuren en reeds geschiedde, zo doen de demonen moeite om
iets aan anderen te verklaren alleen om hen te bedriegen. Maar zou
echter de Voorzienigheid onderwijl anders beschikken over de wateren of
de reizigers — en dat kan de Voorzienigheid doen — dan worden de boze
geesten misleid en zij die er aandacht aan geschonken hebben, bedrogen. |
33.
Aldus kwamen in het verleden de orakelspreuken van de Grieken tot stand
en werden zij zo op een dwaalspoor gebracht. Maar nu is voortaan aan
hun misleiding een einde gekomen door de komst van de Heer, Die de boze
geesten en hun listen tot niets gereduceerd heeft. Uit zichzelf weten
zij niets, maar als dieven brengen zij slechts over wat zij van anderen
te horen krijgen. Eigenlijk raden zij meer dan dat zij voorspellen.
Daarom moet niemand hen bewonderen, ook al zeggen ze soms iets dat waar
is. Ook bekwame geneesheren, als ze dezelfde kwaal bij verschillende
mensen zien, voorspellen vaak wat het is en kunnen dit doen doordat ze
er bekend mee zijn. Stuurlieden, eveneens, en landbouwers vanuit hun
bekendheid met het weer, bekijken met één blik de toestand van de
atmosfeer en voorspellen dan storm of mooi weer. En niemand zal beweren
dat zij dit doen op goddelijke ingeving. Het geschiedt door hun
ervaring en hun praktijk. Dus, als soms ook de boze geesten hetzelfde
doen door te raden, laat niemand zich daarover verbazen of aandacht aan
hen schenken. En wat hebben toehoorders eraan om van tevoren van hen te
vernemen wat er gaat gebeuren? Of wat voor belang hebben wij erbij om
zulke dingen te weten, zelfs als de kennis ervan waar is? Dit levert
geen verdienste op en het is geen teken van deugd. Want niemand van ons
wordt beoordeeld om wat hij niet weet, en niemand wordt een gezegende
genoemd omdat hij geleerdheid of kennis bezit. Neen, het oordeel waar
ieder voor komt te staan, gaat erover of hij het geloof bewaard heeft
(2 Tim. 4,7 ) en de geboden oprecht is nagekomen.
34. Daarom is het niet nodig veel waarde te hechten aan deze dingen, en
zeker niet om ter wille daarvan een leven van ascese en inspanning te
leiden, maar alleen door goed te leven God te behagen.
Wij behoren niet om voorkennis te bidden of erom te vragen als beloning
voor onze ascese, maar ons gebed zou moeten zijn dat de Heer ons mag
bijstaan om de duivel te overwinnen. |
En
zelfs als we ooit de toekomst zouden willen weten, laten we dan rein
van geest zijn, want ik geloof dat een in alle opzichten reine ziel,
die in haar natuurlijke toestand verkeert, helderziend * is en
in staat is meer en verder te zien dan de boze geesten, omdat zij de
Heer heeft die het haar openbaart. Zo doorschouwde de ziel van Elisa de
ware toedracht aangaande Gechazi (2 Kon. 5,26 ) en zag de legermacht die hem ter zijde stond. (2 Kon. 6,17 ) |
*
Dioratikos, d.w.z. in iemands hart kunnen lezen, geheimen en toekomst
kennen. Als Antonius dus door zijn voorspellingen helderziend blijkt te
zijn, is dat een gevolg van zijn reinheid van hart. Het kenmerk
"dioratikos" komt de volmaakte monnik toe die God schouwt in zijn gebed. |
 |
35.
Wanneer zij nu ‘s nachts naar u toe komen en de toekomst willen
voorspellen zeggend: ‘Wij zijn engelen,’ let dan niet op hen, want zij
liegen. En zelfs als zij uw ascese beginnen te prijzen en u een
gezegende noemen, luister dan niet naar ze en ga niet met ze om. Maakt
dan liever het kruisteken over uzelf en uw woningen en bidt, en u zult
ze zien verdwijnen. Want zij zijn lafaards en zijn zeer bevreesd voor
het teken van het kruis van de Heer, aangezien de Verlosser juist uit
kracht daarvan hen ontwapent heeft en aan de kaak heeft gesteld. (Kol.
2,15 )
Maar als zij schaamteloos standhouden, gek doen en allerlei vormen
aannemen, wordt dan niet bang voor ze, of maak u niet klein, of
beschouw ze niet alsof het goede geesten zijn. |
| St. Antonius Abt strijdend met demonen. Giovanni Pietro da Birago, (uit de Sforza Getijden, ca. 1490). The British Library |
Want
de aanwezigheid van goed of kwaad kan met de hulp van God makkelijk
worden onderscheiden. Een visioen van heiligen is nooit wanordelijk,
want ‘Hij zal geen ruzie maken, niet luidkeels schreeuwen en niemand
zal hem horen.’ (Jes. 42,2 )
Maar het komt zo stil en zachtjes, dat meteen vreugde, blijdschap en
moed in de ziel oprijzen. Want de Heer, die onze vreugde is, is daarin
vervat en de kracht van God de Vader. De gedachten uit de ziel blijven
onverstoorbaar en bedaard, zodat de ziel, als het ware door stralen
verlicht, in zichzelf de gedachten kan zien, die zich aan haar vertonen.
Een liefde voor het goddelijke en de dingen die komen gaan, nemen bezit
van de ziel, en graag zou ze daarmee geheel verenigd willen worden,
indien ze met hen mee zou kunnen vertrekken. |
| Maar
als sommigen, mens zijnde, bevreesd zijn voor het visioen van het
goede, dan nemen degenen die verschijnen, onmiddellijk hun vrees weg.
Zoals Gabriël het deed in het geval van Zacharias, (Lc. 1,11-13) |
Lc.
1,11-13 Toen verscheen hem een engel van de Heer, rechts van het
offeraltaar. Zacharias raakte in verwarring toen hij hem zag en werd
door vrees overvallen. Maar de engel zei tegen hem: 'Schrik niet,
Zacharias, want uw gebed is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon
baren, die u de naam Johannes moet geven. |
| en zoals de engel die verscheen aan de vrouwen bij het graf van de Heer (Mt. 28,5-7) |
Mt.
28,5-7 Plotseling kwam er een zware aardbeving. Want een engel van de
Heer daalde uit de hemel neer, kwam naderbij, rolde de steen weg en
ging erop zitten. Zijn uiterlijk schitterde als een bliksemflits en
zijn kleding was wit als sneeuw. De wachters beefden van angst en
werden lijkbleek. De engel zei tegen de vrouwen: `U hoeft niet bang te
zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt die gekruisigd is. Hij is niet
hier: Hij is tot leven gewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, kijk naar
de plaats waar Hij gelegen heeft. Ga snel tegen zijn leerlingen zeggen:
"Hij is uit de doden opgewekt, en zie, Hij gaat voor u uit naar
Galilea; daar zult u Hem zien.'' Dit had ik u te zeggen.' |
| en
zoals Hij deed die aan de herders de blijde boodschap verkondigde en
zei: ‘Vreest niet.’ (Lc. 2,9-10) Want hun vrees kwam niet voort uit
schuchterheid, maar uit hun besef van de aanwezigheid van hogere
wezens. Van die aard zijn dus de visioenen van de heiligen. |
Lc.
2,9-10 Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en de heerlijkheid
van de Heer omstraalde hen. Ze schrokken hevig. Maar de engel zei:
'Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor u, een grote vreugde
voor het hele volk. |
| 36.
Daarentegen gaan de inbreuken en vertoningen van kwade geesten gepaard
met wanorde, met geraas, met geluiden en geschreeuw, zoals de
verstoringen van lompe jongeren of rovers zouden veroorzaken. Waardoor
vrees in het hart oprijst, opschudding en verwarring van gedachten,
neerslachtigheid, haat jegens hen die een ascetisch leven leiden,
onverschilligheid, verdriet, herinnering aan familieleden en vrees voor
de dood, en tenslotte begeerte naar het kwaad, geringschatting van de
deugd en onvaste gewoonten. |
 |
Wanneer
derhalve u iets ziet en bang bent, maar onmiddellijk wordt uw vrees
weggenomen en vervullen u in plaats daarvan onuitsprekelijke vreugde,
opgeruimdheid, moed, herstel van krachten, onverstoorbaarheid van
gedachten en alles waarover ik u al eerder sprak, kordaatheid en liefde
jegens God, vat dan moed en bidt, want de vreugde en de rust van uw
ziel bewijzen de heiligheid van Hem die aanwezig is. Daarom jubelde
Abraham het uit, toen hij de Heer zag (Joh. 8,56 ) en sprong Johannes jubelend op bij het vernemen van de stem van de Moeder Gods Maria. (Lc. 1,44 )
Maar als met een verschijning verwarring, geklop van buiten, wereldse
voorstellingen, dreiging met de dood en al die andere dingen die ik al
genoemd heb, gepaard gaan, weet dan dat het een aanval van de kwade
geesten betreft. |
| 37.
En laat ook dit een teken voor u zijn: wanneer de ziel angstig blijft,
betreft het een aanwezigheid van de vijanden. Want de boze geesten
heffen de angst voor hun aanwezigheid niet op, zoals de hoogverheven
aartsengel Gabriël wel deed voor Maria (Lc. 1,28-31) |
Lc.
1,28-31 De engel trad bij haar binnen en zei: 'Verheug u, begenadigde,
de Heer is met u.' Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en
vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had. Maar de engel zei:
'Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God. U zult zwanger
worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven. |
| en voor Zacharias, (Lc. 1,13) |
Lc.
1,13 Maar de engel zei tegen hem: 'Schrik niet, Zacharias, want uw
gebed is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, die u de
naam Johannes moet geven. |
en zoals hij deed die verscheen bij het graf voor de vrouwen. (Mt. 28,5 ) |
Mt.
4,8-9 Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet
Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, en zei:
'Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.' |
Integendeel,
wanneer zij zien dat mensen bang zijn dan, vermeerderen zij de
zinsbegoochelingen, om de mensen des te meer schrik aan te jagen en als
zij hen tenslotte aanvallen spotten zij, en zeggen: ‘Valt neer en
aanbidt ons!’ (Vgl. Mt. 4,8-9) |
| Zo
hebben zij de Grieken misleid en daarom werden zij door hen ten
onrechte als goden beschouwd. Maar de Heer stond niet toe dat wij door
de duivel werden misleid, want Hij strafte hem elke keer wanneer hij
Hem zulke schijnbeloften kwam voorspiegelen, met de woorden:
‘Achteruit, satan! |
Deut. 13,2-4 Wanneer in uw midden een profeet opstaat, of iemand die
droomgezichten heeft, en hij u tekenen en wonderen aankondigt, en het
teken of wonder dat hij voorspeld heeft komt uit, en hij zegt dan:
"Laat ons achter andere goden aangaan, goden van wie u de macht niet
kent, en die gaan dienen'', geef dan geen gehoor aan wat die profeet of
die dromer zegt. De Heer uw God stelt u dan op de proef om te zien of u
Hem met heel uw hart en ziel bemint. |
Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en alleen Hem vereren.’ (Mt. 4,10
en Deut. 13,2-4) Meer en meer moeten wij daarom de misleider minachten,
want wat de Heer gezegd heeft, heeft Hij voor ons gedaan. Als dan de
boze geesten uit onze mond dit soort woorden horen, worden zij door de
Heer verjaagd, omdat Hij hen met precies dezelfde woorden heeft
afgestraft. |
38.
En het is niet gepast om op te scheppen over het uitdrijven van boze
geesten, of om opgetogen te zijn door het genezen van ziekten; noch is
het gepast om alleen iemand hoog te schatten die boze geesten heeft
uitgedreven, en iemand die ze niet uitdrijft te geringschatten. Maar
laten we de ascese van ieder leren, en die of navolgen, of evenaren, of
verbeteren. Want wonderen verrichten is niet aan ons, maar is het werk
van de Verlosser. Hij sprak dan ook tot zijn leerlingen: ‘Verheugt u
niet omdat de, boze geesten u onderworpen zijn, maar omdat uw namen
opgeschreven staan in de hemel.’ (Lc. 10,20 )
Dat onze namen opgeschreven staan in de hemel is bewijs van ons
deugdzaam leven, maar het uitdrijven van boze geesten is een genade die
de Verlosser heeft geschonken. |
| Aan
hen die niet op deugd, maar wel op wonderen groot gingen en zeiden:
‘Heer, hebben wij niet in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw
naam vele machtsdaden verricht?’, antwoordde de Heer daarom: ‘Voorwaar
Ik zeg u, Ik ken u niet.’ (Mt. 7,22-23) |
Mt.
7,22-23 Velen zullen Mij op die dag zeggen: "Heer! Heer! Hebben we niet
in uw naam geprofeteerd, hebben we niet in uw naam demonen uitgedreven,
en hebben we niet in uw naam veel machtige daden gedaan?" Maar dan zal
Ik hun openlijk zeggen: "Nooit heb Ik u gekend. Verdwijn uit mijn ogen,
overtreders van Gods wet!'' |
Want de Heer kent niet de wegen van de goddelozen. (Ps. 1,6 )
We moeten dus altijd bidden, zoals ik al zei, opdat we de genadegave
van de onderscheiding van geesten verwerven, opdat we niet, zoals
geschreven staat, ‘elke geest vertrouwen.’ (1 Joh. 4,1 ) |
39.
Nu zou ik graag verder niet gesproken hebben en niets over mijn eigen
ervaringen gezegd hebben, tevreden met wat ik gezegd heb. Maar dan zou
u kunnen gaan denken dat ik deze dingen uit de lucht grijp, en geloven
dat ik al deze dingen zonder ervaring of waarheid vertel. Daarom, ook
al word ik als het ware dwaas, (vgl. 2 Kor. 11,16 )
de Heer, die toehoort, weet toch dat mijn geweten zuiver is en dat ik
niet voor mezelf, maar vanwege uw genegenheid voor mij en op uw verzoek
de streken van de boze geesten die ik zelf gezien heb, weer eens vertel.
Hoe dikwijls hebben ze mij wel niet gezegend genoemd en heb ik hen
vervloekt in de naam van de Heer. Hoe dikwijls voorspelden ze me wel
niet het rijzen van het water van de Nijl, maar dan zei ik: ‘Wat hebben
jullie daarmee te maken?’
Op een keer kwamen ze dreigend naderbij en omringden mij als soldaten
in volle wapenrusting. Een andere keer vulden ze het huis met paarden,
wilde beesten en kruipend ongedierte, terwijl ik het psalmvers zong:
‘Sommigen gaan groot op wagens, anderen op paarden, maar wij op de naam
van de Heer onze God’, (Ps. 20,8 ) en op dat gebed werden zij door de Heer op de vlucht gejaagd.
|
 |
Eens kwamen ze in het donker aandragen met iets dat leek op een lamp,
en zij zeiden: ‘Wij komen u licht brengen, Antonius.’ Maar ik sloot
mijn ogen en begon te bidden. En terstond werd het licht van de bozen
gedoofd.
Een paar maanden later kwamen ze weer en deden alsof ze psalmen zongen
en woorden uit de Schrift brabbelden. Maar ‘als een dove hoorde ik
niets.’ (Ps. 38,14 )
Eens lieten zij mijn kluis met een aardbeving schudden, maar ik ging
door met bidden en mijn hart bleef roerloos. Daarna kwamen zij weer,
geluiden makend, fluitend en dansend, maar toen ik bad en tot mezelf
psalmen lag te zingen, begonnen zij meteen te weeklagen en te jammeren
alsof zij aan het eind van hun krachten waren. Maar ik loofde de Heer,
omdat Hij hun vermetelheid en waanzin neergeslagen en te schande
gemaakt had. |
De verzoeking van St. Antonius
Marten de Vos, (1591-94) Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.
Behalve de bezoekingen door allerlei duivels en monsters, zien we Antonius ook Paulus van Thebe naar zijn graf dragen. |
40.
Op een keer verscheen mij een demon, met veel praal, die heel lang leek
en hij durfde nog te zeggen: ‘Ik ben de macht van God,’ en: ‘Ik ben de
Voorzienigheid. Wat wilt u dat ik u schenk?’ Maar ik blies hem des te
harder in het gezicht onder het uitspreken van de naam van Christus en
trachtte hem te slaan. Ik scheen hem geraakt te hebben, en, zo groot
als hij was, ineens verdween hij met al zijn demonen, door de naam van
Christus. Op een andere keer, terwijl ik aan het vasten was, kwam
hij, zeer sluw, in de gedaante van een monnik die broden bij zich leek
te hebben en gaf me de raad: ‘Eet toch wat en houd op met al die
inspanningen. U bent ook maar een mens, u zult nog ziek worden.’ Maar
ik doorzag zijn truc en stond op om te bidden. Dat verdroeg hij niet.
Hij gaf het op en als rook leek hij door de deur naar buiten te gaan.
Hoe dikwijls vertoonde hij in de woestijn wel niet iets dat op goud
geleek, enkel en alleen zodat ik het zou aanraken en bekijken. Maar dan
zong ik psalmen tegen hem, waarna hij oploste in het niets.
Dikwijls sloegen ze me met zweepslagen, maar ik zei steeds maar weer:
‘Niets zal mij scheiden van de liefde van Christus,’ (Rom. 8,35 ) waarop zij juist elkaar gingen slaan.
Niet ik echter hield ze tegen en ontkrachtte hen, maar het was de Heer,
die zei: ‘Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.’
(Lc. 10,18 ) Indachtig het woord van de Apostel, kinderen, ‘heb ik voor deze dingen mezelf als voorbeeld genomen,’ (1 Kor. 4,6 )
om u daarmee duidelijk te maken dat u in uw ascese niet moet versagen
en geen vrees moet koesteren voor de zinsbegoochelingen van de duivel
en zijn demonen. |
41. Nu ik toch een dwaas geweest ben (vgl. 2 Kor. 11,16 )
door u dit te vertellen, neem dan ook dit van me aan tot uw
geruststelling en om niet bevreesd te zijn. En geloof me, want ik lieg
niet. Eens klopte er iemand aan de deur van mijn kluis. Ik ging
naar buiten en zag iemand die zeer lang en groot leek. Ik vroeg hem:
‘Wie bent u?’ En hij zei: ‘Ik ben Satan.’ Waarop ik zei: ‘Wat moet je
hier?’ |
 |
| De beproevingen van Sint Antonius, James Ensor, 1887. |
En
hij antwoordde: ‘Waarom geven de monniken en de andere christenen mij
toch altijd de schuld, terwijl ik dat niet verdien? Waarom verwensen ze
me ieder uur van de dag?’ Ik antwoordde hem: ‘Waarom val je hun
lastig?’ En hij zei: ‘Ik ben het niet die ze lastig valt, maar ze maken
het zichzelf lastig, want ik ben zwak geworden. Hebben ze dan niet
gelezen: ‘de zwaarden zijn de vijand geheel en al ontvallen en Gij hebt
hun steden verwoest’? (Ps. 9,7 )
Ik heb geen plaats, geen wapen, geen stad meer. Overal hebben de
christenen zich verspreid. En tenslotte zit zelfs de woestijn vol
monniken. Laten ze op zichzelf letten en mij niet zonder meer
vervloeken!’ Vol bewondering voor de genade van de Heer sprak ik
toen tot hem: ‘Jij bent altijd een leugenaar en nooit zeg je de
waarheid, maar nu heb je toch, tegen je zin in, waar gesproken. Want
Christus heeft je door Zijn komst zwak gemaakt, je neergeworpen en van
alles beroofd.’ Maar nauwelijks hoorde hij de naam van de Verlosser of
hij kon de gloed ervan niet meer uithouden en verdween. |
42.
Als dus de duivel zelf bekent dat zijn macht is verdwenen, dan moeten
wij hem en zijn demonen totaal verachten; en aangezien de vijand met
zijn helhonden alleen maar beschikt over dit soort trucs en wij hun
zwakte hebben leren kennen, kunnen wij ze verachten. Om die reden mogen
wij niet op die manier wanhopen, geen gedachte van angst in ons hart
laten opkomen, en zelf geen vrees opwekken door te zeggen: ‘ik ben bang
dat een boze geest komt en me overweldigt, dat hij me oppakt en neer
smakt, of me door een plotselinge aanval van mijn zinnen berooft.’
Zulke gedachten mogen niet bij ons opkomen en wij mogen niet treuren
alsof we verloren gaan. Wij moeten juist moed vatten en altijd blij
zijn, omdat we geloven dat we veilig zijn. We moeten in onze ziel
bedenken dat de Heer met ons is en dat Hij de boze geesten op de vlucht
gejaagd heeft en hun krachten gebroken. Laten we steeds bedenken en
in gedachten houden dat terwijl de Heer met ons is, onze vijanden ons
geen kwaad kunnen doen. |
 |
Want
als zij komen, doen zij dat in een vorm die overeenkomt met de toestand
waarin zij ons vinden, en aan de geestestoestand waarin ze ons vinden,
passen zij hun hersenschimmen aan. Treffen zij ons schuchter en verward
aan, dan gaan zij aanstonds tot de aanval over, zoals rovers een
onbewaakte plaats binnendringen. En op wat wij reeds van onszelf
denken, leggen zij nog een schepje toe. |
| De verzoeking van de heilige Antonius.
Salvador Dali, 1946 |
Zien
zij dat wij wankelmoedig en lafhartig zijn, dan vermeerderen zij onze
doodsangst enorm door hun hersenschimmen en hun dreigementen, en de
rampzalige ziel wordt daardoor van dat ogenblik af gefolterd. Maar
treffen ze ons aan in de vreugde van de Heer, bezig met de dingen die
komen gaan en denkend aan de dingen van de Heer, overwegend dat alles
in de hand van de Heer ligt, dat een boze geest tegen een christen
niets vermag, ja, zelfs tegen niemand over macht beschikt, zien zij een
ziel door zulke gedachten beveiligd, dan maken zij beschaamd
rechtsomkeert. Toen de vijand bemerkte dat Job daarmee goed uitgerust
was, deinsde hij af, maar toen hij Judas van dat alles ontbloot
aantrof, nam hij hem gevangen. |
Daarom,
als wij met verachting op de vijand willen neerzien, moeten wij altijd
aan de dingen van de Heer denken en onze ziel moet altijd blij zijn
vanwege haar hoop. (Rom. 12,12 )
Dan zullen wij zien dat de strikken van de boze geesten slechts rook
zijn en dat zij veeleer op de vlucht gaan dan op de vlucht jagen. Want,
zoals ik al zei, zij zijn uitermate bang, omdat zij altijd in
afwachting verkeren van het vuur dat voor hen bereid is. * |
*
Hier wordt bevestigd dat de duivel nog niet in de hel is, maar er later
in geworpen zal worden. Gregorius van Nyssa meent dat de duivels, na
een lange tijd van zuivering, toch weer de gelukzaligheid zullen
genieten. |
| 43.
En als een zeker teken dat u geen vrees voor hen koestert, geldt het
volgende: wanneer er een verschijning is, val dan niet languit van
angst op de grond, maar stel, wat die ook mag zijn, op de eerste plaats
moedig de vraag: ‘Wie ben je en waar kom je vandaan?’ Wanneer het een
verschijning van heiligen is, zullen zij u geruststellen en uw vrees in
blijdschap veranderen. Maar als het een visioen van de duivel zou zijn,
dan neemt zij terstond in kracht af, omdat hij uw vastbeslotenheid
ziet. |
| Want het is al een bewijs van onverstoorbaarheid * om enkel te vragen: ‘Wie ben je en waar kom je vandaan?’ |
* Het woord apatheia (passieloosheid) komt in het "Leven van Antonius" niet voor. Een ander woord vervangt # hetzelfde begrip, namelijk: ataraxia, onverstoorbaarheid.
# 'Vervangen' lijkt me toch niet de juiste term; in deze passage wordt toch iets heel anders bedoeld.
|
Dit constateerde ook de zoon van Nave, toen hij die vraag stelde (Joz. 5,13 ) en toen Daniël dat vroeg, kon de vijand aan zijn verhoor niet ontkomen. (Dan. 13,51-59) |
Dan.
13,51-59 Toen zei Daniël tegen hen: 'Zet ze apart, dan zal ik ze aan
een verhoor onderwerpen.' Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël
riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei: 'Je bent in
slechtheid vergrijsd maar nu krijg je de straf voor je zonden. Je hebt
onrechtvaardige vonnissen geveld: onschuldigen heb je veroordeeld en
schuldigen vrijgesproken, in strijd met het gebod van de Heer: Breng
iemand die onschuldig is, en in zijn recht staat, niet ter dood. Welnu,
als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom
je ze hebt samen gezien?' Hij antwoordde: 'Onder een mastiekboom.'
Daniël hervatte: 'Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel
heeft van God al bevel gekregen om je in tweeën te splijten.' Nadat
Daniël hem had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei
tegen hem: 'Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De
schoonheid heeft je verleid en de wellust heeft je hoofd op hol
gebracht. Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit angst
deden zij wat jullie wilden, maar een dochter van Juda heeft niet
toegegeven aan jullie slechtheid. Welnu: onder wat voor een boom heb je
ze samen gezien?' Hij antwoordde: 'Onder een steeneik.' Daniël
hervatte: 'Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld!
Want Gods engel staat al klaar om je met het zwaard doormidden te
hakken en jullie beiden te vernietigen.' |
44.
Terwijl Antonius aan het spreken was, verheugden allen zich. Bij
sommigen groeide de liefde voor de deugdzaamheid, bij anderen werd
nonchalance gecorrigeerd, en bij weer anderen kwam aan hun eigendunk
een einde. Allen waren vastbesloten om de aanvallen van de Boze te
verachten, en ze verwonderden zich over de genadegave die de Heer aan
Antonius had gegeven om de geesten te onderscheiden. In de bergen
lagen hun kluizenaarscellen als tenten in het rond, vol van groepen
heilige mannen die psalmen zongen, de Bijbel lazen, vastten, baden,
zich verheugden in de hoop op de dingen die komen gingen, werkten om
aalmoezen te kunnen geven en een leven van onderlinge liefde en
harmonie leidden. Het was werkelijk of men daar een land kon zien, dat
op zichzelf stond, een land van godsverering en gerechtigheid. Want
daar was niemand die onrecht deed of werd aangedaan en men hoorde er
geen aanmaning van de belastinginner. Maar er was een menigte van
asceten, met deugdzaamheid als enige streven. Zodat iedereen die de
kluizenaarscellen zag, en zulk een goede orde onder de monniken, met
blijde stem uit zou roepen: “Hoe schoon zijn uw woningen, oh Jakob, uw
tenten, oh Israël! Zij zijn als schaduwrijke valleien en als een tuin
bij een rivier, als tenten die de Heer heeft opgezet, als ceders aan
het water.” (Num. 24, 5-6 )
45. Antonius, zoals zijn gewoonte was, keerde weer alleen terug naar
zijn eigen kluizenaarscel, waar hij zijn ascese intensiveerde. Dag in
dag uit zuchtte hij wanneer hij dacht aan de verblijven in de hemel
waarnaar hij verlangde, en aan de korte duur van het mensenleven.
En hij at en sliep en deed al de andere lichamelijke behoeften
gewoonlijk met schaamte, omdat hij dacht aan de spirituele vermogens
van de ziel.
Vaak, wanneer hij met de andere monniken zou gaan eten, dan
verontschuldigde hij zich, denkend aan het geestelijke voedsel en ging
een eind bij hen vandaan, omdat hij het beschamend vond als anderen hem
zagen eten. |
 |
Hij
at gewoonlijk alleen, en slechts omdat het lichaam dat vereiste, maar
toch ook vaak met de broeders, en dan schaamde hij zich weliswaar erg
voor hen, maar toch sprak hij dan vrijmoedig woorden ter ondersteuning.
Hij placht dan te zeggen dat het een mens past al zijn tijd te besteden
aan zijn ziel in plaats van aan zijn lichaam; hoewel toch een klein
beetje tijd aan de behoeften van het lichaam te gunnen, maar des te
ijveriger al de overgebleven tijd aan de ziel te besteden en te zoeken
wat voor haar van nut is, zodat deze niet door de geneugten van het
lichaam naar beneden wordt getrokken, maar integendeel, dat het lichaam
aan de ziel ondergeschikt is. Want dit is wat gezegd is door de
Verlosser: “Maak jullie geen zorgen om je leven, wat je moet eten, noch
om jullie lichaam, wat je moet aantrekken. Jullie moeten niet zoeken
naar wat je moet eten of drinken en daar niet over in zitten. Naar al
deze dingen zijn de volkeren van de wereld op zoek. Jullie vader weet
dat jullie al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt zijn koninkrijk en dan
zullen al deze dingen jullie geschonken worden.” (Lc. 12,22 en 29-31 ) |
| Getijdenboek (gebruik te Utrecht) uit Delft, c. 1440-1460. |
| 46. Hierna kwam de kerk in de greep van de vervolging ten tijde van Maximinus. * Toen
men de heilige martelaren naar Alexandrië bracht, verliet hij zijn cel
en volgde hen, terwijl hij zei: “Laten we gaan om te strijden als we
daartoe geroepen ** worden
of om degenen die de strijd voeren gade te slaan.” Hij verlangde ernaar
het martelaarschap te ondergaan, maar omdat hij zichzelf niet wilde
uitleveren, verleende hij bijstand aan de belijders in zowel de mijnen
als de gevangenissen. In de rechtszaal betoonde hij grote inzet door
degenen die werden opgeroepen voor de strijd aan te moedigen en hen op
te vangen als ze het martelaarschap ondergingen en hen tot aan hun
vervolmaking # te begeleiden. |
*
Dit is Maximinus Daja, een Illyriër, die keizer werd in het jaar 305.
Hij ontketende in 308 in het Oosten en vooral in Egypte een van de
wreedste vervolgingen tegen de christenen. Toen de andere keizers een
edict van verdraagzaamheid uitvaardigden in 311, deed Maximinus mee
voor de vorm, maar het edict werd niet afgekondigd in zijn gebieden. De
vervolging woedde opnieuw totdat hij verslagen werd door keizer
Licinius in 313 en hij wel moest toegeven. In hetzelfde jaar stierf hij.
** Antonius handelde zo om te gehoorzamen aan de kerkelijke leiding die
niet wilde dat iemand zich uit eigen beweging ging aanbieden. Vandaar
de zin: "als wij daartoe geroepen worden".
# = executie |
De
rechter, die de onbevreesdheid van Antonius en zijn metgezellen zag,
beval dat geen van de monniken nog in de rechtszaal mocht verschijnen,
of zich nog in de stad mocht ophouden. Alle anderen nu dachten er wijs
aan te doen zich die dag schuil te houden, maar Antonius stoorde zich
zo weinig aan het bevel, dat hij juist zijn gewaad waste en de volgende
dag vooraan op een verhoging ging staan zodat hij voor de prefect
duidelijk zichtbaar was. Allen verbaasden zich daarover en de prefect
zag hem toen hij met zijn gevolg langs hem liep, maar Antonius bleef
onverschrokken staan en toonde zo de vastbeslotenheid van ons,
christenen. Zoals ik al zei, bad hij erom ook zelf martelaar te worden,
en hij wekte inderdaad de indruk bedroefd te zijn dat hij niet kon
getuigen. Maar de Heer beschermde hem omdat hij ons en anderen nog
zozeer van nut kon zijn, opdat hij voor velen een leraar kon worden in
de ascese die hijzelf uit de Schriften geleerd had. Immers, alleen al
door zijn levenswijze gade te slaan, waren velen zich gaan beijveren
zijn gedrag na te volgen. Zoals gewoonlijk wijdde hij zich dus weer aan
de dienst aan de belijders, en alsof hij met hen gevangen zat, zo
zwoegde hij in zijn dienstbaarheid. |
| 47. Toen tenslotte de vervolging ten einde was en de gelukzalige bisschop Petrus * de martelaarsdood gestorven was, vertrok Antonius en trok hij zich weer terug in zijn kluizenaarscel. |
*
Petrus werd patriarch van Alexandrië in 300 en stierf de marteldood
door onthoofding op 24 november 311. Hij was de "laatste" martelaar,
omdat kort daarop door het edict van Milaan de Kerk een lange periode
van vrede tegemoet ging. |
| Daar
was hij dagelijks een martelaar voor zijn geweten en hij streed de
strijd van het geloof. Want hij beoefende veel en nog strenger ascese,
want hij vastte nu altijd, en hij droeg een kleed met haren aan de
binnenkant en het vel aan de buitenkant; dat kleed droeg hij tot aan
zijn dood. Hij waste zijn lichaam nooit met water om zich van vuil te
bevrijden, noch waste hij ooit zijn voeten, noch duldde hij het ze in
het water te steken, tenzij door de noodzakelijkheid gedwongen. Niemand
heeft hem zich ooit zien ontkleden, noch heeft iemand ooit het lichaam
van Antonius naakt gezien, behalve toen hij na zijn dood begraven werd. |
48.
Nadat Antonius zich had teruggetrokken, had hij zich voorgenomen om een
periode vast te stellen waarin hij niet naar buiten ging of iemand zou
ontvangen, maar een legerofficier genaamd Martianus kwam hem lastig
vallen. Deze had namelijk een dochter die door een demon werd geplaagd.
Hij bleef lange tijd op de deur bonken en vroeg Antonius naar buiten te
komen en voor zijn kind tot God te bidden, maar Antonius wilde niet
open doen, keek van boven uit het venster, en zei: “Man, wat schreeuw
je tegen me? Ik ben maar een mens, net als jij. Maar als je gelooft in
Christus die ik dien, ga dan heen en bid volgens je geloof tot God, en
dan zal het gebeuren.”
Terstond vertrok hij, en gelovig riep hij Christus aan, en hij kreeg zijn dochter terug, gereinigd van de demon. |
| Nog
veel andere wonderen deed de Heer, die zegt: “Vraagt en het zal jullie
gegeven worden,” (Lc. 11,9) via hem. Omdat hij zijn deur niet open
deed, sliepen veel zieken buiten zijn cel, en omdat ze geloofden en
oprecht baden, werden ze gereinigd. |
Lc. 11,9 Ik
zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden,
klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt,
krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan.
Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in
plaats daarvan een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei
vraagt? Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven
aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige
Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.' |
| [5 In de berg Kolziem 320-356] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
| 49.
Maar toen hij merkte dat hij door te veel mensen werd gestoord en het
hem gewoon niet werd toegestaan zich terug te trekken zoals hij zich
stellig had voorgenomen, en ook vreesde dat hij zich op grond van de
dingen die de Heer door hem deed verheven zou gaan voelen, of dat een
ander beter over hem zou denken dan hij in werkelijkheid was, overwoog
hij naar de Opper-Thebaïs *
te gaan, waar niemand hem kende, en vertrok. Hij kreeg van de broeders
broden en hij ging aan de oever van de rivier zitten, uitkijkend of er
een boot voorbij zou varen die, nadat hij aan boord zou zijn gegaan,
hem stroomopwaarts kon meenemen. |
*
Egypte werd ten tijde van de woestijnvaders verdeeld in: Egypte (= de
Nijldelta) en Thebaïs. Dit laatste bestond weer uit Neder-Thebaïs en
Opper-Thebaïs. In dit laatste lag ook Tabennesi, waar Pachomius juist
te zelfdertijd ± 320, zijn eerste klooster stichtte.
Heeft Antonius zich daarheen willen begeven?
Nog hoger aan de Nijl ligt het oude Thebe, de hoofdstad van een beschaving. |
| Terwijl
hij dat aan het overwegen was, kwam er een stem van boven tot hem die
zei: “Antonius, waar ga je heen, en waarom?” Zonder ervan te schrikken,
maar als iemand die eraan gewend is om op die manier aangesproken te
worden, luisterde hij ernaar en antwoordde: “Omdat de toeloop van
mensen me geen rust laat, wil ik naar de Opper-Thebaïs vertrekken,
wegens de veelvuldige overlast die ik hier ondervind en vooral omdat ze
dingen van mij eisen die mijn krachten te boven gaan.” Toen sprak de
stem tot hem: “Ook als je naar de Thebaïs gaat, of zelfs als je, zoals
je van plan bent, naar de Boekolia afdaalt, dan krijg je nog meer te
verduren, ja, zelfs dubbel zoveel inspanningen. Maar als je werkelijk
in de stilte wilt leven, trek dan nu dieper de woestijn in.” Toen zei
Antonius: “Wie zal mij dan de weg wijzen? Want die ken ik niet.” De
stem wees hem toen onmiddellijk op een paar Saracenen die op het punt
stonden die kant op te gaan. Antonius ging dus naar hen toe en vroeg of
hij met hen mee de woestijn mocht in reizen. En alsof ze een opdracht
van de Voorzienigheid hadden gekregen, namen ze hem bereidwillig op. |
| Na
drie dagen en drie nachten met hen te hebben meegereisd, arriveerde hij
bij een zeer hoge berg. Aan de voet van die berg was een heldere bron
met zoet en heel koel water, # en daaromheen een vlakte met een paar verwaarloosde palmbomen. |
# In plaats van woestijnvaders kunnen ze beter oasevaders genoemd worden. |
50.
Alsof het hem door God werd ingegeven, vatte Antonius liefde op voor
die plaats, want dit was de plek * die was aangewezen door degene die
aan de oever van de rivier tot hem had gesproken. Aanvankelijk kreeg
hij broden van zijn medereizigers en verbleef hij alleen op de berg
zonder dat er iemand anders in zijn gezelschap was. Alsof hij die plek
als zijn eigen huis herkend had, zo hield hij van toen af aan die
plaats vast. Maar de Saracenen, toen ze eenmaal zijn geloofsijver
bemerkt hadden, namen met opzet de route langs die plek om hem
vreugdevol broden te brengen. En de palmbomen schonken hem zo nu en dan
enige bescheiden en sobere leeftocht. Maar daarna, toen de broeders
over die plaats hoorden, zorgden ze er, als kinderen die aan hun vader
denken, voor dat hem iets werd toegezonden. Toen
Antonius echter zag dat sommigen zich vanwege dat brengen van brood
afmatten en ontberingen leden, wilde hij ook daarin de monniken sparen.
Hij besloot aan degenen die hem kwamen opzoeken te vragen om voor hem
een houweel, een bijl en wat tarwe mee te brengen. |
* Deze
plaats is de berg Kolziem op ongeveer 125 km van de Nijl en slechts 25
km van de kust van de Rode Zee. De berg is 1200 m hoog, en later zou er
een klooster verrijzen dat nog bestaat en Deir Mar Antonios heet.
|
Nadat
men hem dit alles gebracht had, doorkruiste hij het land rond de berg,
vond een klein stukje grond dat wel geschikt leek en bewerkte het.
Omdat hij overvloedig water had om te besproeien, zaaide hij. Dit deed
hij jaar na jaar, en zo had hij voortaan zijn eigen brood, en hij was
blij dat hij daardoor niemand meer tot last hoefde te zijn en dat hij
zichzelf zonder veel moeite in leven kon houden.
Toen hij vervolgens bemerkte dat er toch mensen bleven komen, begon hij
ook wat groenten te verbouwen om ervoor te zorgen dat de bezoeker enig
soelaas zou hebben na de inspanning van die moeilijke reis. |
 |
| Wandschildering in de Chiesa Sant'Antonio te Rome |
| Aanvankelijk
brachten de wilde dieren in de woestijn, op zoek naar water, schade toe
aan het zaaigoed en de aanplant. Maar eens pakte hij zachtaardig een
van die dieren beet en zei tot hen allemaal: “Waarom richten jullie nu
toch die schade bij mij aan terwijl ik jullie helemaal niets aandoe? Ga
weg en, in de naam van de Heer, kom hier niet meer in de buurt.” En
sindsdien kwamen ze, alsof ze bang waren voor zijn bevel, niet meer in
de buurt van die plek. |
*
Als teken van het herstel van de vrede van het paradijs heeft Antonius
ongehinderd omgang met de wilde dieren die aan zijn bevel gehoorzamen.
Heerschappij over de dieren is sindsdien een regelmatig terugkerend
thema in heiligenlevens geworden. Denk aan Sint Franciscus met de wolf,
Serafim van Sarov met de beren, enz.
En zie de afbeelding van een Indiase asceet links hieronder. |
 |
"Heerschappij
over de dieren" is een veel ouder thema bij heiligen, dan in de
voetnoot hierboven gesuggereerd wordt, zoals blijkt uit deze Indiase
Rishi bij zijn kluizenaarscel in vriendelijk gesprek met vogels, slang
en hert, van 200 voor Christus!
Shunga, Mathura Museum, Mathura, India. |
| 51.
Zo was hij alleen in de binnenste berg, waar hij zich wijdde aan gebed
en ascese. De broeders die hem dienden, vroegen hem of ze hem
maandelijks olijven en peulvruchten en olie mochten komen brengen. Hij
was toen namelijk al een oude man. |
| Hoeveel
worstelingen hij te doorstaan had toen hij daar woonde, niet zozeer met
vlees en bloed, zoals de Schrift zegt, maar met de vijandige demonen,
(vgl. Ef. 6,12) dat hebben we gehoord van degenen die hem hebben
opgezocht. |
Ef.
6,12 Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen
de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze
duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen. |
Want
ook daar hoorden ze lawaai, vele stemmen en het gekletter van wapens,
en 's nachts zagen ze hoe de berg vol met wilde dieren was. Ook zagen
ze hoe hij vocht als tegen zichtbare tegenstanders en hen met gebed
bestookte. Degenen die hem kwamen bezoeken,
sprak hij moed in, en zelf streed hij zijn strijd, geknield en biddend
tot God. Het was werkelijk verbazingwekkend dat deze man, alleen in
zo'n woestijn, niet bang was voor de demonen die hem aanvielen en ook,
terwijl er zo veel viervoetige beesten waren en kruipend ongedierte,
(Hand. 10,12 ) geen angst kende voor hun woestheid.
Hij had werkelijk, zoals de Schrift zegt, vertrouwen in de Heer als in de berg Sion. (Ps. 125,1 )
Want zijn geest stond onwrikbaar en onverstoorbaar vast, zodat de
demonen liever voor hem op de vlucht sloegen en de wilde dieren, zoals
geschreven staat, vrede met hem sloten. (Vgl. Job 5,23 ) |
52. De duivel dus — zoals David dat in een psalm zingt (Ps. 35,16 )
— hield Antonius in de gaten en knarsetandde tegen hem. Maar Antonius
werd bijgestaan door de Verlosser en bleef onaangetast door zijn
sluwheid en veelsoortige trucs. Als hij de nacht wakend doorbracht,
stuurde de duivel wilde beesten op hem af en vrijwel alle hyena's van
de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem en hij stond in
hun midden, terwijl elk van hen zijn muil opensperde en dreigde hem te
bijten, en dan zei Antonius — omdat hij deze streek van de vijand wel
doorhad — tot hen allen: “Als jullie macht over mij hebt gekregen, dan
ben ik bereid door jullie verslonden te worden, maar als jullie door
demonen op mij af zijn gestuurd, blijf dan niet, maar ga weg, want ik
ben een dienaar van Christus.” (Rom. 1,1; Fil. 1,1; Gal. 1,10 ) Toen Antonius dat zei, vluchtten ze weg, verjaagd door dat Woord als door een zweepslag. |
| 53.
Toen hij enkele dagen later aan het werk was — want hij zorgde er voor
dat hij hard werkte — kwam er iemand aan de deur en trok aan het koord
dat hij aan het vlechten was; hij vlocht namelijk manden en gaf die aan
zijn bezoekers in ruil voor wat zij voor hem meenamen. Hij stond op en
zag een dier dat weliswaar boven de dijbenen wel op een mens leek maar
verder de poten en hoeven van een ezel had. Antonius sloeg slechts een
kruis en zei: “Ik ben een dienaar van Christus. Als je tegen mij bent
uitgezonden, wel, hier ben ik.” Maar het dier vluchtte met zijn demonen
in zo'n grote haast dat het viel en stierf. En de dood van het dier
betekende de val van de demonen. Zo probeerden ze van alles om hem uit
de woestijn weg te krijgen, maar het lukte hun niet. |
 |
54.
Eens werd hem door de monniken gevraagd om van de berg af te dalen en
hen en hun woonplaatsen enige tijd te bezoeken. Hij reisde samen op met
de monniken die hem waren komen halen, terwijl een kameel de broden en
het water droeg. Die woestijn is namelijk volledig zonder water. Er is
nergens enig drinkbaar water behalve in die berg waar zijn
kluizenaarscel is; daar hadden zij dat water dan ook geput. Maar
onderweg raakte het water op en omdat er een enorme hitte heerste, liep
iedereen gevaar. Ze hadden in de omgeving rondgelopen maar konden geen
water vinden en ze waren niet in staat nog verder te lopen. Ze gingen
op de grond liggen en in hun wanhoop lieten ze de kameel maar gaan. |
Toen
de grijsaard echter zag dat allen in gevaar verkeerden, werd hij
bijzonder bedroefd en begon hij te zuchten en te steunen. Hij liep een
eindje bij hen vandaan, knielde, strekte zijn armen en bad. En direct
liet de Heer water opborrelen op de plek waar hij had staan bidden.
Toen iedereen gedronken had, leefde men weer op. Nadat ze hun flessen
gevuld hadden, gingen ze de kameel zoeken en ze vonden het dier weer.
Zijn touw had zich namelijk om een steen vastgedraaid zodat hij niet
had kunnen weglopen. Ze brachten hem terug, gaven hem te drinken,
legden de flessen op zijn rug en voltooiden hun reis ongedeerd.
Toen Antonius bij de buitenste cellen aankwam, groetten allen hem, hem
als een vader beschouwend. En alsof hij met voorraden uit het gebergte
kwam aanzetten, onthaalde hij hen op zijn woorden en gaf hen bijstand. |
| Opnieuw
was er vreugde in de bergen, en ijver om vooruitgang te boeken, en
vertroosting vanwege hun wederzijds geloof. (Vgl. Rom 1,12) Ook hijzelf
verheugde zich toen hij de ijver van de monniken zag en zijn zuster,
die in maagdelijkheid oud was geworden, en dat zij ook zelf aan andere
maagden leiding gaf. |
Rom
1,12 Want ik verlang er vurig naar u te leren kennen, in de hoop u een
of andere geestelijke gave te kunnen meedelen om u te sterken, of
eigenlijk, om bij u en met u de vertroosting te genieten van ons
gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne. |
| 55.
Na een zeker aantal dagen keerde hij terug naar de berg. Daarna zochten
velen hun toevlucht bij hem, en anderen, die ergens aan leden, waagden
het ernaar toe te gaan. |
Aan
de monniken die tot hem kwamen gaf hij altijd het voorschrift:
“Vertrouw op de Heer en heb Hem lief, behoed je voor onreine gedachten
en vleselijke lusten en laat je, zoals het in het boek Spreuken
geschreven staat, ‘niet door verzadiging van de maag meeslepen.’"
Vermijdt ijdelheid en bid voortdurend, zing vóór het slapen gaan en na
het opstaan psalmen, houdt de geboden van de Schriften in het hart,
wees de daden van de heiligen indachtig, zodat jullie ziel in
herinnering gebracht van de geboden, in harmonie komt met de
geloofsijver van de heiligen.”
Vooral raadde hij hen aan voortdurend te mediteren op het woord van de
apostel: “Laat de zon niet ondergaan over uw toorn.” (Ef. 4,26 )
Hij zei: “jullie moeten dit zo opvatten dat dit in het algemeen voor
alle geboden bedoeld is, in die zin dat de zon niet alleen over onze
toorn maar ook over geen enkele andere zonde van ons mag ondergaan.
Want het is goed, ja zelfs noodzakelijk, dat de zon ons niet
veroordeelt vanwege een kwade daad overdag en de maan niet vanwege een
zonde in de nacht, al was het maar een slechte gedachte. |
 |
St. Antonius Abt (1469). Taddeo Crivelli. J. Paul Getty Museum, Los Angeles.
Antonius in zijn berg, maar wel met varkentje. |
Om
nu die gezindheid in ons te bewaren, is het goed naar de Apostel te
luisteren en zijn woord te bewaren, want hij zegt: ‘Onderzoekt uzelf,
beproeft uzelf.’ (2 Kor. 13,5 )
Elke dag moet iedereen zich dus rekenschap geven van zijn daden overdag en 's nachts. |
| Als
hij heeft gezondigd, moet hij daarmee ophouden; heeft hij niet
gezondigd, dan moet hij zich niet daarop laten voorstaan, maar in die
goede toestand blijven en niet verslappen, ook moet hij zijn naaste
niet veroordelen en zichzelf vrijspreken, zoals de heilige apostel
Paulus zegt, ‘tot de komst van de Heer die het verborgene naspeurt.’
(Vgl. 1 Kor. 4,5 en Rom. 2,16) |
1
Kor. 4,5 Oordeel dus niet voorbarig, voordat de Heer gekomen is. Hij
zal wat in het duister verborgen is aan het licht brengen, en openbaar
maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder de lof die hem toekomt,
ontvangen van God.
Rom.
2,16 Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat.
Hun geweten getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer
beschuldigen of ook wel vrijspreken op de dag dat God volgens mijn
evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door
Christus Jezus.
|
Want
dikwijls doen we onbewust dingen die wij niet in de gaten hebben, maar
de Heer merkt alles op. Laten we daarom aan hem het oordeel overlaten
en sympathie voor elkaar hebben en elkaars lasten dragen. (Gal. 6,2 ) Laten we echter onszelf onderzoeken en ernaar streven onze tekortkomingen aan te vullen.
En als beveiliging tegen de zonde laten we het volgende in acht nemen:
ieder moet zijn eigen daden en de opwellingen van zijn eigen ziel
signaleren en opschrijven, alsof we die aan anderen zouden mededelen.
En vertrouw er dan op dat, uit louter schaamte dat het bekend wordt, we
zullen ophouden met zondigen en zelfs geen slechte gedachten meer
koesteren. Want wie wil er nu gezien worden wanneer hij een zonde
bedrijft? Of wie die gezondigd heeft zal niet liever liegen omdat hij
wil dat het onbekend blijft?
Zoals we dus, wanneer we elkaar zien, geen ontucht bedrijven, zo zullen
we ook, wanneer we onze gedachten opschrijven als om ze aan elkaar mede
te delen, ons makkelijker behoeden voor onreine gedachten, uit schaamte
dat ze bekend zouden worden. Laat dus wat we opgeschreven hebben
fungeren als het oog van onze medeasceten, met de bedoeling dat we,
evenzeer als we blozen om het op te schrijven als wanneer we ontdekt
zouden worden, geen slechte gedachte meer toelaten. Als we onszelf zo
vormen, zullen we in staat zijn het lichaam onderworpen te houden, (1
Kor. 9,27 ) de Heer te behagen, en de listen van de vijand onder onze voeten te vertrappen.” |
| [5.1 Wonderen] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
 |
56.
Dit was het advies dat hij gaf aan zijn bezoekers. Hij sympathiseerde
met de lijdenden en bad voor hen. En dikwijls verhoorde de Heer hem ten
gunste van velen. Werd hij verhoord, dan ging hij er niet prat op, werd
hij niet verhoord, dan protesteerde hij niet. Maar altijd gaf hij dank
aan de Heer en raadde hij de lijdende aan geduldig te zijn en te
beseffen dat genezing niet aan hem was, of aan de mens, maar alleen aan
God, die goed doet wanneer Hij wil en aan wie Hij wil. En zo namen de
lijdenden de woorden van de grijsaard aan alsof deze een geneesmiddel
waren, en zij begrepen dat ze niet kleinmoedig moesten worden, maar
juist geduld moesten oefenen. En zij die genazen, werd duidelijk dat ze
niet Antonius moesten bedanken, maar alleen God. |
| Antonius,
op de voorgrond, geeft zijn bezittingen aan een arme, een kreupele en
een pelgrim. Op de achtergrond links is een zeer raadselachtige
voorstelling: het lijkt alsof Antonius bloedend word afgevoerd door een
vos, een koe, een stier en een leeuw, terwijl een eenhoorn en zijnn
varken dat willen verhinderen. Op de achtergrond rechts lijkt Antonius
ten hemel te varen. |
57. Een man, Fronto genaamd, die een officier was aan het Hof, leed aan
een vreselijke kwaal want hij kauwde geregeld op zijn eigen tong en
liep gevaar ook zijn ogen te beschadigen, kwam naar de berg en vroeg
Antonius voor hem te bidden. Maar Antonius zei: "Ga heen, dan zult
u genezen.” Maar toen hij gewelddadig was en er een paar dagen bleef,
wachtte Antonius en zei: "Zolang u hier blijft, kunt u niet genezen
worden. Ga weg, en als u in Egypte bent aangekomen, zult u het
wonderteken zien dat in u teweeggebracht is.” Hij geloofde, vertrok, en
zodra hij Egypte zag, hield zijn lijden op, en de man werd geheeld
volgens het woord van Antonius, dat de Verlosser aan hem in gebed
onthuld had. |
| 58.
Er was ook een maagd uit Boesiris in de provincie Tripolis, die een
vreselijke en afzichtelijke afwijking had, want de afscheiding van haar
ogen, neus en oren viel op de grond en veranderde in wormen. Verder was
ze verlamd en keek ze scheel. Haar ouders die gehoord hadden over
monniken die naar Antonius gingen en vol geloof in de Heer, die eens de
vrouw met de bloedvloeiing genezen had, (Mt. 9,20) vroegen toestemming
om met hun dochter met hen mee te reizen. Zij stemden toe en de ouders
verbleven met het meisje buiten de berg bij de biechtvader en monnik
Pafnoetius, terwijl de monniken naar binnen gingen, naar Antonius. |
Mt.
9,20 Toen kwam er een vrouw naar Hem toe die al twaalf jaar aan
vloeiingen leed. Ze raakte van achteren de zoom van zijn kleed aan.
Want ze zei bij zichzelf: 'Al zou ik zijn kleed maar aanraken, dan ben
ik gered.'
Jezus draaide zich om, en toen Hij haar zag, zei Hij: 'Wees maar gerust, mijn dochter. Uw vertrouwen is uw redding.'
Van die tijd af was de vrouw gered. |
| En
ze waren net van plan hem over het meisje te gaan vertellen, toen hij
hen voor was, en hen uit de doeken deed waar het kind aan leed en hoe
zij met hen meegereisd was. Toen ze hem vroegen of zij ook toegelaten
kon worden, stond Antonius dat niet toe, maar zei: "Gaat heen, en als
zij niet al gestorven is, zult u haar genezen aantreffen; hoewel deze
prestatie niet van mij is, ook al is ze bij mij, beklagenswaardige man
die ik ben, gekomen, maar haar genezing is het werk van de Verlosser,
die op elke plaats Zijn barmhartigheid toont aan hen die een beroep op
Hem doen. De Heer is haar genegen geweest omdat ze bad en Zijn
menslievendheid heeft mij geopenbaard dat Hij het kind, waar het nu is,
zal genezen." Zo geschiedde het wonder, en toen zij naar buiten gingen,
troffen zij de ouders aan in grote vreugde en het meisje genezen. |
| 59.
Maar eens waren twee broeders naar hem op weg, en het water raakte op,
en één stierf en de ander was de dood nabij, want hij had geen kracht
om nog verder te gaan, maar lag op de grond en dacht dat hij zou
sterven. Maar Antonius die in de bergen zat, riep twee broeders, die
toevallig aanwezig waren, en spoorde hen aan: "Neem een kruik water en
ren over de weg die naar Egypte gaat. Want er waren twee mannen op
komst, maar één is al dood, terwijl de ander elk ogenblik kan sterven
als u zich niet haast. Want dit is mij geopenbaard toen ik zat te
bidden." De monniken vertrokken dus. Zij vonden de een dood liggen en
begroeven hem, en de ander versterkten zij met water en brachten hem
bij de grijsaard. De afstand was namelijk één dag gaans. |
| Maar
als iemand zou vragen waarom hij niet gesproken heeft voordat de ander
stierf, zou het niet juist zijn die vraag te stellen. # Want de straf met de dood was niet van Antonius, maar van God, ## die
de een veroordeelde, maar de toestand van de ander openbaarde. Maar het
wonder hier was alleen in het geval van Antonius, dat hij, terwijl hij
in de berg zat in zijn binnenste oplettend was, en dat hem door de Heer
getoond werd wat er ver weg plaats greep. |
# Evenzogoed een goede vraag, inderdaad!
## En waarom werd die ene broeder (!) door God ter dood veroordeeld? |
 |
 |
| De verzoeking van St. Antonius (c. 1480-90). Martin Schongauer. The Metropolitan Museum of Art, New York. |
| Dit zou Michelangelo's eerste schilderij zijn, ± 1488. Kimbell Art Museum, Forth Worth. |
60.
En dit is zo, want toen hij weer eens op de berg zat, sloeg hij zijn
ogen op en zag dat iemand in de lucht omhoog gevoerd werd en dat er
veel vreugde was bij hen die hem ontmoetten. Verwonderd en
veronderstellend dat een dergelijk gezelschap gezegend is, bad hij om
te mogen weten wat dit toch was. En onmiddellijk kwam er een stem tot
hem: "Dit is de ziel van Ammoen, de monnik in Nitrië.” Ammoen nu
had tot op hoge leeftijd volhard in een ascetisch leven. En de afstand
van Nitrië tot de berg waar Antonius was, bedroeg dertien dagreizen. De
gezellen van Antonius die de verbazing van de grijsaard zagen, wilden
weten wat er aan de hand was en hoorden dat Ammoen net dood was.
En hij was welbekend, want hij was vaak bij hen geweest, en door hem
waren veel wonderen verricht. Een daarvan is het volgende.
Eens moest hij de rivier die de naam Lukos draagt, oversteken en het
water stond juist zeer hoog. Hij verzocht zijn metgezel Theodorus om op
afstand te blijven, zodat zij elkaar niet naakt zouden zien als zij
door het water zwommen. Maar toen Theodorus weg was, voelde hij zich
weer beschaamd zelfs om zichzelf naakt te zien. En terwijl hij, vervuld
van schaamte, stond na te denken, werd hij opeens naar de overkant
gedragen. |
| Theodorus,
zelf een godvrezend man, kwam dichterbij en zag dat Ammoen als eerste
over was zonder dat er een druppel water van hem afviel, en vroeg hem
hoe hij overgestoken was. Maar ziende dat Ammoen het niet wilde zeggen,
omklemde hij zijn voeten en verzekerde dat hij ze pas zou loslaten als
hij het van hem vernomen had. |
| Omdat
Theodorus koppig volhield, zoals ook bleek uit zijn bewering, en na hem
gevraagd te hebben het aan niemand mee te delen tot na zijn dood,
vertelde Ammoen dat hij opgetild was en aan de overkant neergezet
zonder een voet op het water gezet te hebben, iets wat volstrekt
onmogelijk was voor mensen, maar alleen mogelijk voor de Heer en voor
hen aan wie Hij het toestond, zoals Hij deed aan de grote apostel
Petrus. (Mt. 14,28-29) |
Mt.
14,28-29 Meteen zei Jezus: 'Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.'
Petrus gaf Hem ten antwoord: 'Heer, als U het bent, laat me dan over
het water naar U toekomen.' Hij zei: 'Kom.' En Petrus stapte overboord,
liep over het water en kwam naar Jezus toe. |
En dit heeft Theodorus dus na de dood van Ammoen verteld.
De monniken aan wie Antonius over de dood van Ammoen gesproken had,
tekenden de dag op. En toen er dertig dagen later enkele broeders uit
Nitrië aankwamen, informeerden ze bij hen en vernamen dat Ammoen juist
op dezelfde dag en hetzelfde uur ontslapen was als waarop de grijsaard
zijn ziel omhoog gedragen zag worden. En zowel dezen als de anderen
verwonderden zich over de reinheid van Antonius‘ ziel, hoe hij
onmiddellijk waargenomen had wat er op een afstand van dertien
dagreizen plaats greep en de ziel gezien had terwijl die omhoog werd
gevoerd. |
 |
| De verzoeking van St. Antonius (na 1640). David Teniers de Jongere. Wallraf-Richartz Museum, Keulen |
61.
En ook Archelaos, de graaf, ontmoette hem eens aan de rand van de berg,
en hij vroeg hem slechts te willen bidden voor Polykratia, een
bewonderenswaardige en christelijke maagd uit Laodicea. Want die leed
ernstig aan haar maag en lende wegens haar al te strenge ascese, en
eigenlijk was heel haar lichaam zwak. Antonius bad dus en de graaf
noteerde de dag waarop het gebed plaats had, en toen hij naar Laodicea
vertrokken was, trof hij de maagd genezen aan. Nadat hij geïnformeerd
had wanneer en op welke dag zij van haar kwaal af was gekomen, haalde
hij zijn papier voor de dag, waarop hij het tijdstip van het gebed had
genoteerd, en zodra hij het gelezen had liet hij zijn aantekening zien.
En allen waren verbaasd toen ze zagen dat de Heer aan haar lijden een
einde had gemaakt op het moment dat Antonius voor haar aan het bidden
was en de goedheid van de Verlosser voor haar aanriep.
62. En wat de mensen betreft die naar hem toe kwamen, voorspelde hij
dikwijls enkele dagen, of soms een maand van tevoren, de reden van hun
komst. Want sommigen kwamen alleen om hem te zien, anderen wegens hun
kwaal en nog weer anderen omdat ze geplaagd werden door boze geesten.
En allen vonden dat de inspanning van de reis geen moeite of last was,
want ieder keerde terug in de het bewustzijn dat ze er beter van waren
geworden. Maar hoewel hij zulke dingen sprak en zulke visioenen
aanschouwde vroeg hij altijd dat niemand hem daarom zou bewonderen.
Integendeel, zij moesten liever de Heer bewonderen, omdat Hij aan ons,
mensen, de genade verleende Hem naar ons vermogen te leren kennen. |
| 63.
Daarna, bij een andere gelegenheid daalde hij af naar de kluizen buiten
de berg gelegen, toen men hem uitnodigde scheep te gaan om met monniken
samen te bidden. Daar nam hij als enige een buitengewoon onplezierige
geur waar. Maar degenen die aan boord waren zeiden dat de stank
veroorzaakt werd door de vis en het gepekelde vlees aan boord, maar hij
zei dat de stank een andere was. En terwijl hij nog aan het spreken
was, begon een jongen, die van een boze geest bezeten was en die zich
in het schip had verstopt, te schreeuwen. Maar Antonius berispte de
boze geest in de naam van onze Heer Jezus Christus, en deze verliet hem
en de man werd geheeld. Allen wisten toen dat de slechte geur van de
boze geest was gekomen. |
64.
En een ander, iemand van stand, kwam bij hem, bezeten door een boze
geest. Die demon was zo vreselijk dat de bezetene niet eens wist dat
hij naar Antonius ging. Maar hij at zelfs de uitwerpselen van zijn
eigen lichaam. Zijn begeleiders smeekten Antonius om voor hem te
bidden, en in zijn medelijden voor de jongeman bad Antonius en bleef de
hele nacht bij hem waken. Tegen de ochtend viel de jongen ineens op
Antonius aan en gaf hem een duw. De begeleiders werden kwaad, maar
Antonius sprak: "Wees niet boos op de jongen; want hij is het niet die
dat doet, maar de boze geest in hem. En omdat ik de demon heb berispt
en bevolen uit te gaan naar waterloze plaatsen, (Lc. 11,24 )
werd hij razend van woede, en daarom deed hij dat. Prijst daarom de
Heer, want dat de demon me zo aanviel, is het teken dat hij is
uitgegaan." Toen Antonius dit gezegd had, was de jongeman meteen
geheeld, en tenslotte weer bij zinnen gekomen, wist hij waar hij was en
hij groette de grijsaard en dankte God. |
Demon verlaat bezetene via de mond (kb)
|
| 65.
En veel monniken hebben eenstemmig en overeenstemmend verteld dat veel
andere soortgelijke dingen door hem verricht zijn. Evenzogoed zijn deze
nog niet eens zo wonderbaarlijk als bepaalde andere dingen lijken te
zijn. Zo stond hij eens vlak voor het eten rond het negende uur op om
te gaan bidden, toen hij bemerkte dat hij in de geest opgenomen werd.
En, wonderbaarlijk om te vertellen, terwijl hij daar stond, zag hij
zichzelf, als het ware van buiten zichzelf, hoe hij door bepaalde
wezens de lucht in werd gevoerd. Daarna zag hij bepaalde akelige en
vreselijke wezens in de lucht staan die hem wilden verhinderen te
passeren. Maar toen zijn begeleiders hen weerstonden, eisten die wezens
dat hij zich tegenover hen moest verantwoorden. Maar toen zij dus een
verantwoording wilden gaan opmaken sinds zijn geboorte, hielden de
begeleiders van Antonius hen tegen, en zeiden: "De zonden vanaf zijn
geboorte, heeft de Heer uitgewist. Alleen over wat geschied is vanaf
het ogenblik dat hij monnik werd en zich aan God wijdde, mag door
jullie verantwoording gevraagd worden." * |
* Hier
wordt dus gesteld dat door monnik te worden, alle vroegere zonden
vergeven zijn, m.a.w. dat de monniksprofessie een tweede doopsel is. #
In dit verband moet het voorafgaande woord "geboorte" begrepen worden
als geboorte voor de hemel, m.a.w. het eerste doopsel. Samen met enkele
plaatsen uit de werken van Hiëronymus klinkt hier voor de eerste maal
het motief van de monniksprofessie als tweede doopsel.
# Vergelijkbaar met 'diksha', de initiatie van een sannyasi, wat wordt beschouwd als: sterven uit het wereldse en herboren worden in het goddelijke leven.
|
Toen
zij hem beschuldigden maar niet konden veroordelen, kon hij zijn weg
vrij en ongehinderd vervolgen. En ogenblikkelijk zag hij zichzelf als
het ware bij zichzelf aankomen en gaan staan, en was hij weer de
Antonius van daarvoor. Daarna vergat hij te eten, maar bleef verder
die dag en gedurende de hele nacht zuchten en bidden. Want het
verbaasde hem te zien tegen wat voor machtige tegenstanders wij te
strijden hebben en met wat voor inspanningen we door de lucht moeten
komen. |
| En
hij herinnerde zich dat dit was wat de Apostel gezegd had: "Tegen de
vorst van de macht van de lucht.” (Ef. 2,2) Want daar heeft de vijand
de macht om hen die passeren te bestrijden en te hinderen. |
Ef.
2,2 Ook u die dood was door uw dwalingen en uw zonden, waarin u
eertijds hebt geleefd, toen u zich nog liet leiden door de god van deze
wereld, de heerser over het machtsgebied van de lucht, de geest die nog
altijd aan het werk is onder de ongehoorzamen... |
Daarom
vermaande hij ook ernstig: "Trek de wapenrusting Gods aan, om op de dag
van het kwaad weerstand te kunnen bieden," (Ef. 6,13 ) zodat “de vijand te schande staat wanneer hij van ons geen kwaad kan spreken." (Tit. 2,8 ) |
| Nu
wij dit vernomen hebben, mogen we ons wel het woord van de Apostel
herinneren: "In het lichaam, ik weet het niet, of buiten het lichaam,
ik weet het niet, God weet het." (2 Kor. 12,2) Maar Paulus werd naar de
derde hemel weggerukt, en hoorde onzegbare woorden die geen mens mag
uitspreken, en daalde neer. Terwijl Antonius zag dat hij in de lucht
gevoerd werd en streed, totdat hij vrij was. |
2
Kor. 12,2 Ik ken een christenmens die veertien jaar geleden — in het
lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het — werd
weggerukt naar de derde hemel. Van die mens weet ik dat hij — met het
lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet, God weet het — werd
weggerukt naar het paradijs en onzegbare woorden vernam, die geen mens
mag uitspreken. |
66.
En ook deze gunst was hem toegekend. Want als hij alleen op de berg zat
en als hij ooit in zijn meditaties in verwarring raakte, dan werd hem
dat in zijn gebed door de Voorzienigheid verhelderd. En de heilige was
dan ook, zoals er geschreven staat, door God onderwezen. (Vgl. Joh.
6,45 ) |
Hierna,
toen hij eens een discussie had met bepaalde mannen die bij hem waren
gekomen in verband met de aard van de ziel en over wat de aard van haar
plaats na dit leven zal zijn, riep iemand van boven hem de volgende
nacht toe: “Antonius, sta op, ga naar buiten en kijk! “ Hij ging dus
naar buiten, want hij wist aan wie hij gehoorzamen moest, en naar boven
kijkende zag hij een lang, afzichtelijk en huiveringwekkend wezen staan
dat tot aan de wolken reikte, en anderen die opstegen alsof ze vleugels
hadden. Het wezen strekte zijn handen uit, en sommigen van hen die
opstegen werden door hem tegengehouden terwijl anderen boven hem
vlogen, en hemelwaarts ontsnapten en onbekommerd omhoog gedragen
werden. Tegen dezen stond de reus dus te knarsetanden, maar over hen
die achterbleven had hij plezier. En terstond kwam er een stem tot
Antonius: “Tracht te verstaan wat u ziet." (Vgl. Dan. 9,23 )
En zijn begrip werd gewekt (vgl. Lc. 24,25 ) en hij begreep dat dit het verscheiden van de zielen was * en
dat het lange wezen dat er stond, de vijand was, die jaloers is op de
gelovigen. Degenen die hij ving en de doorgang belette, waren hem
verantwoording schuldig, terwijl degenen die hij niet te pakken kon
krijgen terwijl ze omhoog stegen, niet aan hem onderdanig waren geweest.
Door dit visioen, en er als het ware opnieuw aan herinnerd, streed hij
elke dag nog harder om dichter te komen bij de dingen die voor hem
lagen. |
* De
voorstelling van de ziel als een kleine mens met vleugels was al
gebruikelijk in de klassieke oudheid. Uit het pas gestorven lichaam
maakt zich een gevleugeld persoontje los. Aan een heidens sterfbed zijn
tal van kleine, zwarte, gevleugelde wezens in het rond afgebeeld, z.g. eidela.
De christelijke oudheid heeft de oude symboliek op grote schaal
overgenomen en ook dit beeld. Later wordt de ziel ook voorgesteld als
een duif. Het is in die gedaante dat Benedictus de ziel van Scholastica
ziet opstijgen. De ziel van Ammoen echter deed zich voor in menselijke
gedaante, "iemand". Ook kenden de Ouden reeds de voorstelling van de
gevaren die de ziel onmiddellijk na de dood bedreigen, gevaren die
worden vergeleken met die op zee. |
| En
over deze visioenen sprak hij niet graag, maar aangezien hij veel tijd
in gebed doorbracht en zich erover verbaasde als zijn gezellen hem met
aandrang erover bleven vragen, was hij gedwongen te praten, als een
vader die zijn kinderen niets kan onthouden. |
| En
hij dacht dat, omdat zijn geweten zuiver was, die mededelingen hun van
nut zouden kunnen zijn, opdat zij eruit zouden leren dat de ascese
goede vruchten afwerpt en dat visioenen dikwijls een troost waren voor
hun inspanningen. |
 |
| De Verzoeking van St. Antonius. Pieter Bruegel de Oudere of een navolger. The National Gallery of Art, Washington, DC, USA. |
| [5.2 Eigenschappen van Antonius] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
67.
Daar komt nog bij dat hij verdraagzaam van aard was, en nederig van
geest. Want al was hij zo'n man, hij leefde streng naar de regel van de
kerk, * en
hij wilde dat alle priesters meer eer zouden ontvangen dan hijzelf.
Want hij schroomde niet voor bisschoppen en priesters zijn hoofd te
buigen, en als ooit een diaken bij hem kwam voor hulp, dan besprak hij
met hem wat hem ten voordeel kon strekken, maar liet hem voor gaan in
gebed, want hij schaamde zich niet zelf te leren. Want vaak stelde hij
vragen en verlangde te luisteren naar de aanwezigen, en als iemand dan
iets nuttigs gezegd had, gaf hij toe dat hij er wat aan gehad had.
En bovendien had zijn gelaat een zeer bijzondere gave. Ook dit geschenk
had hij van de Verlosser. Want als hij aanwezig was in een groot
gezelschap monniken en iemand die hem nog niet eerder gezien had hem
wenste te spreken, dan kwam hij onmiddellijk naar voren, ging de
anderen voorbij en snelde op Antonius toe, alsof hij door zijn
verschijning werd aangetrokken. |
*
Hier komt even de tegenstelling voor de dag tussen de kerkelijke
hiërarchie en de monniken, althans de gepresumeerde tegenstelling. Er
zou een zekere breuk ontstaan zijn tussen de verwereldlijkte Kerk, de
hiërarchie inbegrepen, en de asceten, later de monniken. #
Deze laatsten zouden het profetisch en charismatisch karakter van de
Kerk tot gelding gebracht hebben en zich daartoe los hebben moeten
maken van het kerkelijk gezag. Voor die presumptie zijn echter weinig
bewijzen aan te halen.... Het is integendeel opvallend hoe
dikwijls Athanasius aan zijn held het woord genadegave, charisma,
toekent, duidelijk in alle openhartigheid, ongedwongen. ##
Vandaar dat de laatste tijd een ander gezichtspunt deze jarenlang als
waarheid verkondigde presumptie doorbreekt. De monniken vormen
volstrekt geen tegenstelling met de gevestigde Kerk, zij zijn er
slechts de optimale beleving van.
#
Hier worden de begrippen monnik en asceet ten onrechte door elkaar
gehaald en op één lijn gesteld. De asceet/mysticus met zijn eigen
relatie tot God zal vrijwel altijd op gespannen voet staan met de
priester voor wie de Kerk de verbinding tot God moet vormen. En van
monniken bestaan er grofweg twee types: het (gehoorzame) priesterlijke
type en het (rebelse) mystieke type, al dan niet ascetisch. ##
Athanasius als bisschop schreef de Vita en had er natuurlijk belang bij
Antonius als gehoorzaam type neer te zetten. Eigenlijk reflecteert deze
hagiografie een van de zeldzame momenten dat de Kerk begrip opbrengt
voor ascetisch/mystieke individualisten.
|
Toch
viel hij niet op door lengte of omvang vergeleken met anderen, maar wel
door de sereniteit van zijn optreden en de zuiverheid van zijn ziel.
Want omdat zijn ziel vrij was van beroeringen, was zijn uiterlijke
verschijning kalm. Dus vanwege de vreugde van zijn ziel, bezat hij een
opgewekt gelaat, en uit zijn lichamelijke bewegingen kon de toestand
van zijn ziel afgelezen worden, zoals het geschreven staat: "Is het
hart verheugd, dan straalt het gelaat, maar is het in droefheid
gedompeld, dan staat het somber." (Spr. 15,13 )
Zo herkende Jakob wat Laban in gedachte had, en zei tot zijn vrouwen:
"Het gelaat van uw vader staat niet zoals gisteren en eergisteren."
(Gen. 31,5 ) Zo herkende ook Samuel David. Hij had immers stralende ogen en tanden zo wit als melk. (Vgl. 1 Sam. 16,12 )
En zo werd ook Antonius herkend, want hij was nooit verstoord, want
zijn ziel was in vrede; nooit was hij somber, want in zijn denken was
hij blij. |
| 68.
En in alle opzichten was hij bewonderenswaardig in geloof en
godsdienst, want hij had geen omgang met de afscheidingsbeweging der
Meletianen, want hij kende vanaf het begin hun goddeloosheid en
afvalligheid. |
| Evenmin
had hij vriendschappelijke relaties met de Manicheeën of met enige
andere ketters, of als hij die had, alleen om hen te vermanen vroom te
worden. Want hij dacht en verklaarde dat omgang met hen schadelijk en
verderfelijk voor de ziel was. |
 |
| Verzoeking van St. Antonius (ca. 1500). Bernardino Parenzano, Galleria Doria-Pamphili, Rome |
| Evenzo
verafschuwde hij de ketterij van de Arianen, en waarschuwde allen hen
niet te benaderen, noch hun dwaalleer aan te hangen. Toen er eens
bepaalde Ariaanse dwazen bij hem kwamen en hij hen ondervroeg en hun
goddeloosheid bemerkte, joeg hij hen van de berg weg, en zei: "Hun
woorden zijn erger dan slangengif." |
| Meer over de Ariaanse ketterij, op mijn pagina. |
69.
Toen de Arianen eens leugenachtig beweerden dat de denkbeelden van
Antonius dezelfde waren als die van hun, was hij ontstemd en verbolgen
over hen. Toen hij ontboden werd door de bisschoppen en alle broeders,
daalde hij de berg af, en toen hij in Alexandrië was, veroordeelde hij
de Arianen openlijk en zei dat hun ketterij de laatste van alle was en
vooruitliep op de Antichrist. Hij onderwees het volk: "De Zoon van God
is geen geschapen wezen en ook niet ontstaan uit het niet-bestaan, maar
Hij is het Eeuwige Woord en de Wijsheid van het Wezen van de Vader.
Daarom is het goddeloos te zeggen: ‘er was een tijd dat Hij niet was’.
Want altijd is het Woord coëxistent met de Vader. Hebt dus geen omgang
met de zeer goddeloze Arianen. Want er is geen gemeenschap tussen licht
en duisternis. (2 Kor. 6,14 ) |
| U
bent goede christenen, maar zij, als zij beweren dat de Zoon van de
Vader, het Woord van God, een geschapen wezen is, verschillen zij in
niets van de heidenen. Want zij aanbidden wat geschapen is in plaats
van de Schepper. (Vgl. Rom. 1,25) Maar gelooft u maar dat de Schepping
zelf boos op hen is, want zij rekenen de Schepper en Heer van alles,
door wie alles geworden is, bij die dingen die voortgebracht zijn.” |
Rom. 1,25 Zij hebben de goddelijke waarheid verruild voor de leugen, en
de schepping geëerd en aanbeden in plaats van de schepper; Hij is
gezegend in eeuwigheid! Amen. Daarom heeft God hen prijsgegeven aan
onterende hartstochten. Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang
verruild voor de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de
natuurlijke gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn ze in lust voor
elkaar ontbrand: mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvangen zij aan
den lijve het verdiende loon voor hun afdwaling. |
70.
Alle mensen verheugden zich toen zij hoorden dat over de
antichristelijke ketterij door zo een man de banvloek werd
uitgesproken, en alle mensen in de stad liepen te hoop om Antonius te
zien. De Grieken en degenen die hun priesters worden genoemd, kwamen de
Kerk in en zeiden: "Wij vragen de man Gods te zien," want zo noemden
allen hem. Want op die plaats ook reinigde de Heer velen van boze
geesten en genas Hij degenen die gek waren. En veel Grieken vroegen of
zij de grijsaard alleen maar even mochten aanraken, denkend dat zij
ermee gebaat zouden zijn. Het is zeker dat er in die paar dagen
evenveel mensen Christen werden als men er anders in een heel jaar zag
worden. Toen sommigen dachten dat hij van die menigten last zou
hebben, en, ter wille van hem, hen wegstuurden, zei hij onverstoorbaar,
dat zij minder talrijk waren dan de demonen met wie hij op de berg
moest strijden. |
| 71.
Maar toen hij vertrok, en wij met hem een stukje mee op liepen, en we
bij de stadspoort aankwamen riep een vrouw achter ons: "Stop even, man
Gods! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een duivel. Sta stil,
bid ik U, voor ik mezelf ook kwets door het harde lopen!" En de
grijsaard toen hij dat hoorde en het door ons gevraagd werd, stond
gewillig stil. En toen de vrouw dichtbij kwam, werd het kind op de
grond geworpen, maar nadat Antonius had gebeden en de naam van Christus
had aangeroepen, werd het kind ongeschonden opgetild, want de onreine
geest was uitgegaan. De moeder zegende God, en allen brachten dank. En
Antonius was zelf ook verheugd en vertrok naar de berg alsof het naar
zijn eigen huis was. |
| [5.3 Toespraken tot de Griekse filosofen] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
 |
72.
En Antonius was ook buitengewoon verstandig, en het bijzondere was, dat
hij, hoewel hij niet had leren lezen, een gevat en scherpzinnig man
was. In ieder geval kwamen eens twee Griekse wijsgeren bij hem die
dachten dat zij hun vaardigheid wel op Antonius konden uitproberen. En
omdat hij zich op de buitenste berg bevond, en aan hun verschijning zag
wie zij waren, kwam hij naar hen toe en zei tot hen door middel van een
tolk: "Waarom, wijsgeren, hebt u zich zoveel moeite getroost om naar
een dwaze man te komen?" En toen zij antwoordden dat hij geen dwaze man
was, maar buitengewoon oordeelkundig, zei hij tot hen: "Als u bij een
dwaas kwam, is uw inspanning tevergeefs, maar als u meent dat ik
oordeelkundig ben, wordt dan zoals ik ben, want we behoren het goede te
imiteren. Zou ik naar u toe gekomen zijn, dan had ik u moeten hebben
imiteren. Maar als u naar mij komt, wordt dan als ik, want ik ben een
Christen." Maar zij vertrokken in verwondering, want zij zagen dat
zelfs demonen bang waren voor Antonius.
|
| Verzoeking van St. Antonius (ca. 1550-1580). Luca Bertelli, Italië. Mooi varken, rechts. |
73.
En nog weer anderen zoals deze bezochten hem in de buitenste berg en
dachten hem te kunnen bespotten omdat hij niet had leren lezen en
schrijven. Antonius sprak tot hen: "Wat denk je: wat is het eerst, het
denken of het schrijven? En wat heeft wat veroorzaakt: het denken het
schrijven of het schrijven het denken?" Zij antwoordden dat het denken
er eerst was, want dat heeft het schrijven uitgevonden. Waarop
Antonius zei: "Dus als iemand een goed verstand heeft, heeft hij lezen
en schrijven niet nodig." Dit antwoord verbijsterde de omstanders zowel
als de filosofen, en deze vertrokken, zich verwonderend dat ze zoveel
inzicht gevonden hadden bij een ongestudeerd man. Want zijn manieren
waren niet grof alsof hij in de bergen opgegroeid was en daar oud was
geworden, maar gracieus en beschaafd. En zijn spraak was gekruid met
het zout van God, (Kol. 4,6 ) zodat niemand afgunstig was, maar eerder, dat allen die hem bezochten zich over hem verheugden. |
74.
En daarna kwamen er weer anderen; en dit waren mannen, die door de
Grieken als wijs beschouwd werden, en zij vroegen hem naar de reden
voor ons geloof in Christus. Maar toen zij probeerden de prediking van
het goddelijk Kruis (vgl. 1 Kor. 1,23 )
in twijfel te trekken, met de bedoeling dat te bespotten, hield
Antonius even stil, en eerst hun onwetendheid beklagend, sprak hij door
middel van een tolk die zijn woorden vakkundig kon vertalen: "Wat is
mooier, het belijden van het Kruis, of het toekennen van overspel en
knapenschennis aan degenen die u goden noemt? Want wat door ons gekozen
is, is een symbool van moed en een duidelijk teken van minachting voor
de dood, terwijl dat van jullie de hartstochten van de losbandigheid
zijn. Vervolgens, wat is beter, te zeggen dat het Woord van God niet
veranderd was, maar, zichzelf gelijk blijvend, voor de redding en het
welzijn van de mens een menselijk lichaam heeft aangenomen opdat Hij,
door zelf deel genomen te hebben in menselijke geboorte, de mensen kan
laten delen in de goddelijke en spirituele natuur, (vgl. 2 Petr. 1,4 )
of om het goddelijke op één lijn te stellen met geestloze dieren en dus
viervoetige dieren en kruipende dingen en menselijke gelijkenissen te
aanbidden? * |
* De
Egyptenaren bewaarden in het heiligste van hun tempels afbeeldingen van
dieren. Denk b.v. aan de kostelijke parodie van Clemens van
Alexandrië:, "Maar als hij ons een slip van het voorhangsel oplicht om
de godheid te laten zien, doet hij ons hartelijk lachen over het
voorwerp van de verering. Want als een god waarnaar we zo ijverig op
zoek waren, treffen we daarbinnen een kat, een krokodil of een inlandse
slang of een dergelijk dier aan, de tempel onwaardig, beter thuis in
een rotsspleet, een hol of een modderpoel. De god der Egyptenaren
blijkt een opgerold dier op een purperen rustbed te zijn." Het zijn
dezelfde dieren die Athanasius vermeldt. |
| Want
deze dingen zijn toch voor u, wijze mannen, de voorwerpen van verering.
Maar hoe durven jullie ons te bespotten, die zeggen dat Christus
verschenen is als mens, terwijl we zien dat jullie, die de ziel uit de
hemel brengen, beweren dat zij de verkeerde kant is opgegaan en vanuit
het hemelgewelf in het lichaam is gevallen! * |
* Leer
van Plotinus, zelf een Egyptenaar van geboorte: de zielen hebben zich
losgemaakt van de Ene en zijn door negen kringen heen van de Ene
vervreemd. De Ene is niet wat hier het Verstand wordt genoemd. Dit
laatste is slechts een eerste emanatie van de Ene, eerste tussenschakel
tussen de Ene en de schepping. |
En
zeiden jullie dan nog maar dat zij alleen in het menselijk lichaam is
gevallen, en beweerden jullie nou maar niet dat zij in viervoetige
dieren en kruipende dingen indaalt en overgaat. #
Want ons geloof verklaart dat de komst van Christus voor de verlossing van de mens was. |
# Dieren
hebben dus geen ziel, volgens Athanasius & Antonius (en de Bijbel).
Wat dat betreft komen de Grieken — naar huidige maatstaven (in ieder
geval die van mij) — toch wel wat 'verlichter' over. |
| Maar
jullie vergissen je, wanneer jullie praten over de ziel als niet
verwekt. En wij, de macht en de menslievendheid van de Voorzienigheid
overwegend, denken dat de komst van Christus in het vlees voor God geen
onmogelijkheid was. Maar jullie, hoewel jullie de ziel gelijkstellen
aan het Verstand, brengen haar in verband met vallen en doen in jullie
mythen alsof zij veranderlijk is, en daaruit volgend introduceren
jullie het idee dat het Verstand zelf veranderlijk is uit kracht van de
ziel. Want wat ook de eigenschap van een gelijkenis is, zo is ook
noodzakelijkerwijze de eigenschap van datgene waarvan het een
gelijkenis is. Maar elke keer dat jullie zulke gedachten hebben over
het Verstand, moeten jullie wel bedenken dat jullie evenzo de Vader van
het Verstand Zelf lasteren. |
* Zoals
opgemerkt in de vorige voetnoot, is volgens de leer van Plotinus het
hoogste wezen de Ene. Het Verstand is het eerste voortbrengsel ervan,
en zo heet de Ene de "Vader van het Verstand." |
| 75.
Maar wat het Kruis betreft, wat vinden jullie dat beter is, het te
ondergaan, wanneer een complot is gesmeed door gemene mensen, en geen
angst te hebben voor de dood in welke vorm dan ook, óf te bazelen over
de omzwervingen van Osiris en Isis, de complotten van Tyfoon, en de
vlucht van Kronos, en hoe hij zijn kinderen opeet en zijn vader
vermoord? |
Want dat is toch jullie wijsheid.
Maar hoe is het, dat jullie wel het Kruis bespotten, maar jullie je
niet verwonderen over de verrijzenis? Want dezelfden die ons over het
laatste vertelden, beschreven ook het eerste. Of waarom, wanneer jullie
het Kruis noemen, zwijgen jullie over de doden die tot leven gewekt
zijn, de blinden die ziende werden, de verlamden die genezen werden, de
melaatsen die gereinigd werden, het lopen over de zee en de rest van de
tekenen en wonderen die toonden dat Christus geen mens meer is maar
God? Het komt me voor dat jullie jezelf geen eer aandoen door onze
Schriften niet te hebben gelezen. Maar lees en zie dat de daden van
Christus bewijzen dat Hij God is en op aarde gekomen is om de mensheid
te verlossen.
76.
Maar noemen jullie ons toch eens jullie godsdienstige overtuigingen.
Wat kan je over redeloze wezens zeggen anders dan redeloosheid en
wreedheid? Maar als jullie, naar ik verneem, willen zeggen dat door
jullie over deze dingen als legenden gesproken wordt, en dat jullie de
verkrachting van de maagd Persefone als een allegorie van de aarde
zien, de mankheid van Hefaistos als het vuur, en de lucht
verzinnebeelden als Hera, de zon als Apollo, de maan als Artemis en de
zee als Poseidon, dan aanbidden jullie in geen geval God Zelf, maar
dienen jullie het schepsel in plaats van God, de Schepper van alles.
(Vgl. Rom. 1,25 )
|
 |
| St. Antonius Abt zegent de dieren, de armen en de zieken. (c. 1400 - 1410). Meester van St. Veronica |
| Want
ook al zouden jullie zulke legenden componeren omdat de schepping zo
mooi is, dan zou het gepast zijn dat jullie niet verder gaan dan
bewondering en geen goden maken van de dingen die geschapen zijn; zodat
jullie niet de eer die de Schepper verschuldigd is, bewijzen aan
datgene wat geschapen is. |
Want,
als jullie dat doen dan wordt het hoog tijd voor jullie om de eer van
de meester bouwer te verleggen naar het huis dat hij optrok, of van de
generaal naar de soldaat. #
Wat kunnen jullie dan op deze dingen antwoorden, zodat we te weten kunnen komen of het Kruis waard is bespot te worden?” |
# Een wat cryptische zin; je zou precies het omgekeerde verwachten. |
77.
Maar toen ze met hun mond vol tanden een beetje stonden te draaien,
glimlachte Antonius en zei, weer via een tolk: "Het zien zelf brengt de
overtuiging van deze dingen met zich mee. Maar omdat jullie liever
steunen op aanschouwelijke argumenteringen, en omdat jullie, omdat
jullie deze kunst ontwikkeld hebben, van ons verlangen God niet te
aanbidden alvorens zulk bewijs geleverd is, zeggen jullie nu zelf eens
hoe dingen in het algemeen en de kennis van God in het bijzonder
precies gekend worden. Is het door aanschouwelijke argumentering of de
werking van het geloof? En wat is beter, geloof dat komt door de
inwerking (van God) of bewijs door argumenten?” En toen zij
antwoordden dat geloof dat komt door inwerking beter was en precieze
kennis was, zei Antonius: “Dat hebben jullie goed beantwoord, want het
geloof ontstaat uit de gezindheid van de ziel, maar de redenering uit
de bekwaamheid van degenen die het bedacht hebben. Derhalve is voor
degenen die de inwerking door het geloof hebben de bewijsvoering door
redenering niet nodig, of zelfs overbodig. Want wat wij weten door
geloof, dat proberen jullie door woorden te bewijzen, en vaak kunnen
jullie niet eens uitdrukken wat wij begrijpen. Dus de inwerking door
geloof is beter en sterker dan jullie professionele argumenten. |
78. Wij, christenen, vatten dus het mysterie niet in de wijsheid van Griekse argumenten, (1 Kor. 1,17 )
maar in de kracht van het geloof waar God ons zo rijkelijk van voorziet
door Jezus Christus. En om te tonen dat deze uitspraak de waarheid is,
zie dan hoe wij, zonder te hebben leren lezen God geloven, omdat wij
door Zijn werken Zijn voorzienigheid over alle dingen kennen. En om te
tonen dat ons geloof zo effectief is, worden wij nu dus gesteund door
het geloof in Christus, maar jullie door professionele
woordkunstenaars. De voortekenen van de afgoden bij jullie zijn
afgeschaft, terwijl ons geloof zich overal verspreidt. En jullie met al
jullie argumenten en spitsvondigheden hebben niemand van het
christendom tot het heidendom bekeerd, maar wij behoeven slechts het
geloof in Christus te onderwijzen om jullie bijgeloof te ontmaskeren,
omdat allen erkennen dat Christus God is en de Zoon van God. En jullie
met jullie welsprekendheid staan de leer van Christus niet in de weg,
terwijl wij slechts de gekruisigde Christus behoeven te noemen om al de
demonen, die u vreest alsof het goden waren, op de vlucht te jagen.
Waar het teken van het Kruis is, wordt de tovenarij verzwakt en heeft
de hekserij geen kracht. |
79.
Dus vertel ons eens, waar zijn nu uw orakels? Waar zijn de
toverformules van de Egyptenaren? Waar zijn de begoochelingen? Wanneer
zijn deze dingen allemaal opgehouden en verzwakt, als het niet was toen
het Kruis van Christus verrees? Is het dan een object dat zich leent
voor spotternij, of integendeel juist al die dingen die tot niets
gereduceerd werden, en als zwakte veroordeeld? Want dit is
wonderbaarlijk, dat jullie godsdienst nooit werd vervolgd, maar zelfs
bij de mensen in elke stad in ere werd gehouden, terwijl de volgelingen
van Christus worden vervolgd, en onze kant toch floreert ten koste van
die van jullie.
Wat is die van jullie, die hoewel geprezen en geëerd, toch vergaat,
terwijl het geloof en de leer van Christus, hoewel door jullie bespot
en dikwijls door vorsten vervolgd, zich over de wereld verspreid heeft. |
 |
Want
wanneer heeft de kennis van God ooit eerder zo gestraald? Of wanneer
zijn zelfbeheersing en de voortreffelijkheid van maagdelijkheid ooit zo
voorgekomen als nu? Of wanneer werd ooit de dood zo geminacht, als dat
gebeurde sinds het Kruis van Christus is verschenen? En dit wordt door
niemand betwijfelt wanneer hij ziet hoe de martelaren omwille van
Christus de dood verachten, wanneer hij ziet hoe de maagden van de Kerk
omwille van Christus zich rein en onbevlekt bewaren. |
| De verzoeking van St. Antonius.
Cornelis Saftleven. The Bowes Museum, England |
80.
En deze tekenen zijn voldoende als bewijs dat alleen het geloof van
Christus de ware godsdienst is. Maar zie, jullie geloven nog steeds
niet en blijven zoeken naar argumenten. Wij echter leveren ons bewijs
niet in de overredende woorden van de Griekse wijsheid, zoals onze
leraar het zegt, (1 Kor. 2,4 ) maar wij overtuigen door het geloof, dat overduidelijk aan beredeneerd bewijs voorafgaat.
Kijk, hier zijn enkele personen die door demonen gekweld worden — nu
waren daar enkelen die naar hem gekomen waren omdat ze erg door demonen
verontrust werden, en ze in hun midden brengend, zei hij: — “Reinigen
jullie hen maar of door redeneringen of door wat voor middelen en
toverkunsten die jullie kiezen, waarbij jullie je afgoden kunnen
aanroepen, of als jullie daartoe niet in staat zijn, houdt dan op met
ons te bestrijden en jullie zullen de kracht van Christus’ Kruis zien.”
Na dit gezegd te hebben, riep hij Christus aan en maakte over de
lijders twee of driemaal een kruisteken. En onmiddellijk stonden de
mannen op, geheeld en bij hun volle verstand, en meteen dankten zij de
Heer. |
En
de filosofen, zoals zij genoemd worden, waren verwonderd, en uitermate
verbaasd over het inzicht van de man en over het teken dat
teweeggebracht was. Maar Antonius sprak: "Waarom je hierover verbazen?
Niet wij zijn de daders van deze dingen, maar het is Christus, die ze
teweegbrengt door middel van hen die in Hem geloven. Als jullie ook
geloven, zullen jullie zien dat het bij ons geen kwestie is van een
kunstje met woorden, maar van geloof door liefde tot Christus (Gal. 5,6
)
dat in ons teweeggebracht is. Als jullie dat zelf zouden verwerven, dan
zouden jullie ook niet langer bewijzen in argumenten zoeken, maar
zouden jullie het geloof in Christus als voldoende beschouwen.” Dit
zijn de woorden van Antonius. En zij, ook hierover verbaasd, groetten
hem en vertrokken, waarbij ze toegaven dat zij veel aan hem gehad
hadden. # |
# Moderne
schriftgeleerden beweren vaak dat Antonius en de woestijnvaders door de
Grieken beïnvloed zijn (en vooral door het begrip apatheia),
maar dat is toch moeilijk vol te houden gelet op de bovenstaande
laatdunkende commentaren op de Griekse filosofie en hun filosofen — en
ook al eerder, waar de Grieken gelijkgesteld worden aan de heidenen (en
het feit dat het woord of begrip apatheia in de Vita niet voorkomt).
Het is overigens wel jammer dat het zo'n monoloog is, dat we de Griekse
filosofen zelf niet horen, maar alleen de woorden die hun door Antonius
in de mond gelegd worden. Want we moeten aannemen dat deze toch wel
iets meer ter verdediging zouden kunnen inbrengen. Als we nagaan hoe
weinig voet de apostel Paulus in Athene aan de grond kreeg! Niemand
wilde daar naar deze Christen luisteren, behalve om grapjes over hem te
maken. Zou de christelijke filosofie niet nogal kinderlijk zijn
overgekomen op de Grieken? |
| [5.4 Keizers, Arianen en nog meer wonderen] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
 |
81.
De roem van Antonius bereikte zelfs koningen. Want de verheven
Constantijn en zijn zoons, de verheven Constantius en Constans schreven
hem brieven, als aan een vader, en verzochten dringend om een antwoord.
Maar hij gaf niet veel om de brieven, noch was hij verheugd over de
mededelingen, maar hij was dezelfde als vóór dat de Keizers hem
schreven. |
| Maar
toen ze hem de brieven brachten, riep hij de monniken en sprak: "Wees
niet verbaasd als een keizer ons schrijft, want hij is maar een mens;
maar verwonder u liever dat God de Wet voor de mens heeft geschreven en
door Zijn eigen Zoon tot ons heeft gesproken." (Heb. 1,2) |
Heb. 1,2 Nadat God vroeger vele malen en op velerlei wijze tot de
vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde van
de dagen, tot ons gesproken door de Zoon... |
| En
hij wilde de brieven dan ook niet aannemen, zeggend dat hij niet wist
hoe hij op zulke dingen een antwoord moest schrijven. Maar aangespoord
door zijn monniken, omdat de keizers christenen waren, en om te
voorkomen dat ze zich beledigd zouden voelen omdat ze afgewezen werden,
ging hij ermee akkoord dat ze gelezen zouden worden, en schreef een
antwoord waarin hij hen prees omdat ze Christus aanbaden en gaf hen
raad over dingen die betrekking hadden op hun verlossing: niet veel
belang te hechten aan het heden, maar liever te denken aan het oordeel
dat zal komen, en te weten dat alleen Christus de ware en Eeuwige
Koning is. Hij smeekte hen om genadig te zijn en zich te bekommeren om
rechtvaardigheid en de armen. En zij, na het antwoord ontvangen te
hebben, waren zeer verheugd. Zo was hij geliefd bij allen, en allemaal
wilden ze hem graag als vader beschouwen. |
82.
Dus als zo een groot man bekend staand, en na aldus antwoorden aan zijn
bezoekers gegeven te hebben, keerde hij terug naar de binnenste berg,
en beoefende zijn gebruikelijke ascese. En vaak als er mensen bij hem
kwamen, of als hij neerzat of rondwandelde, werd hij sprakeloos, zoals
dat in het boek Daniël geschreven staat. (Dan. 4,16 )
En te rechter tijd pakte hij dan de draad van het gesprek met de
broeders die bij hem waren weer op. En zijn metgezellen zagen dat hij
een visioen had. Want vaak als hij in de bergen was, zag hij wat er in
Egypte plaats greep, en vertelde het aan bisschop Serapion, die in de
cel bij hem zat, en die zag dat Antonius geheel opging in een visioen.
Eens, toen hij zat te werken, viel hij als het ware in een trance en
kreunde bij wat hij zag. Toen hij zich na enige tijd kreunend en bevend
tot de aanwezigen wendde, begon hij te bidden, viel op de knieën en
volhardde lange tijd in die toestand. Toen de oude man opstond, begon
hij te huilen. Zijn metgezellen, trillend van angst, wilde van hem
horen wat het was. En zij hielden net zo lang aan totdat hij gedwongen
was te spreken. En met veel kreunen sprak hij als volgt: "Kinderen, het
is beter te sterven vóórdat gebeurt wat ik in het visioen zag." |
 |
En
toen ze hem opnieuw de vraag stelden, barste hij in tranen uit, en zei:
"Toorn staat op het punt zich van de Kerk meester te maken en zij zal
binnenkort overgeleverd worden aan mensen die als redeloze beesten
zijn. Ik zag de altaartafel van het huis des Heren, en aan alle kanten
eromheen stonden muilezels in een cirkel en trapten tegen alle dingen
daarin, zoals een kudde trapt als die in paniek rondspringt. En jullie
zagen,” zei hij, "hoe ik kreunde, want ik hoorde namelijk een stem die
zei: ‘Mijn altaar zal ontheiligd worden.’" |
| De verzoeking van St. Antonius (ca. 1526). Jan Wellens de Cock. Fine Arts Museums of San Francisco |
Deze
dingen zag de grijsaard en twee jaar later hadden de huidige aanval van
de Arianen en de plunderingen van de kerken plaats, waarbij zij met
geweld de vaten wegdroegen en de heidenen dwongen ze te dragen, en ze
de heidenen uit de gevangenissen haalden en dwongen zich in hun dienst
te stellen, en ze in hun tegenwoordigheid op de altaartafel deden wat
ze maar wilden.
Toen
begrepen wij allen dat het trappen van de muildieren voor Antonius de
betekenis had van wat de Arianen, redeloos als beesten, nu aan het doen
zijn. Maar toen hij dit visioen had, troostte hij de aanwezigen, en
zei: "Wees niet terneergeslagen, mijn kinderen; want zoals de Heer
kwaad is geweest, zo zal Hij ons weer genezen, en spoedig zal de Kerk
weer haar eigen orde krijgen en schitteren zoals zij dat gewoon is. Dan
zult u zien dat de vervolgden in hun vorige toestand hersteld worden,
dat de goddeloosheid zich terugtrekt naar haar eigen hol en dat het
vrome geloof overal krachtig en in alle vrijheid gesproken wordt. |
| Maar
laten jullie je niet bezoedelen door de Arianen; want hun leer is niet
die van de apostelen, maar die van de demonen en hun vader, de duivel;
ja, sterker nog, deze is steriel en redeloos, en zonder enig begrip,
zoals de redeloosheid van deze muildieren.” * |
* Telkens weer noemt Athanasius de Arianen redeloos, alogos,
en dat betekende in die tijd "als de beesten." Hiermee werd op geestige
wijze de leer van de Arianen aan de kaak gesteld. Dezen erkenden immers
niet de godheid van Christus. Christus was voor hen niet het eeuwige
Woord, de Logos. Zij waren met andere woorden: "alogoi"! |
83.
Zo waren de woorden van Antonius, en we behoren niet te twijfelen of
zulke wonderen door een mens teweeggebracht zijn. Want het was de
belofte van de Verlosser toen Hij zei: "Als u geloof hebt als een
mosterdzaadje en u zegt tegen die berg: ga weg van deze plaats, dan zal
hij zich verplaatsen, en niets zal voor u onmogelijk zijn." (Mt. 17,20 )
En nogmaals: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als u de Vader iets in mijn
Naam vraagt, zal Hij het u geven. Vraagt en u zult ontvangen." (Joh.
16,23 )
En zelf sprak Hij tot Zijn leerlingen en tot allen die in Hem geloven:
"Geneest zieken, drijft boze geesten uit. Gratis hebt u ontvangen,
geeft ook gratis." (Mt. 10,8 ) |
| 84.
Antonius, in ieder geval, genas niet door te bevelen, maar door te
bidden en de Naam van Christus uit te spreken, zodat het voor iedereen
duidelijk was dat niet hij het deed, maar de Heer, die via Antonius
Zijn genade toonde en de lijders genas. Maar het aandeel van Antonius
bestond alleen uit gebed en ascese, waarvoor hij in de berg verbleef,
genietend van de contemplatie van goddelijke zaken, maar bedroefd
wanneer hij lastig gevallen werd door veel mensen, en naar de buitenste
berg gehaald werd. |
 |
| De grot van Antonius, "de binnenste berg", op 2km afstand van het klooster. |
Want
alle rechters vroegen hem gewoonlijk om van de berg af te dalen,
aangezien zij onmogelijk zelf de berg in konden gaan, vanwege hun
gevolg van cliënten. Niettemin vroegen zij hem te komen zodat zij hem
tenminste konden zien. Toen hij daar geen zin in had en weigerde naar
hen toe te gaan bleven ze op hun stuk staan en stuurden hem des te meer
gevangenen, begeleid door soldaten, om hem ertoe te bewegen ter wille
van hen af te dalen.
Door de nood gedwongen en hun gejammer ziende ging hij naar de buitenste berg.
En zijn inspanning was alweer niet nutteloos, want zijn komst was voor
velen gunstig en nuttig; en hij was van nut voor de rechters, want hij
gaf hen de raad om boven alles de voorkeur te geven aan
rechtvaardigheid, om God te vrezen en te beseffen dat zij zelf zouden
geoordeeld worden naar de maatstaf waarmee zij geoordeeld hadden. (Vgl.
Mt. 7,2 )
Maar boven alles hield hij ervan in de berg te vertoeven. |
| 85.
Op een andere keer, toen hij te lijden had onder eenzelfde dwang uit de
handen van de noodlijdenden en hij, na veel verzoeken van de commandant
van de soldaten, afdaalde, en toen hij bij hen was gekomen, sprak hij
tot hen in het kort over de dingen die nodig zijn voor de verlossing,
en over degenen die hem nodig hadden, en hij haastte zich weer weg.
Maar toen de hertog, zoals deze genoemd werd, hem dringend verzocht om
te blijven, antwoordde hij dat hij niet bij hen kon blijven rondhangen,
en overtuigde hem met een aardige beeldspraak, zeggend: "Als vissen
lange tijd op het droge blijven, sterven ze. En evenzo verliezen
monniken die bij jullie rondhangen en met jullie optrekken hun kracht.
Dus zoals vis zich naar zee moet haasten, zo moeten wij ons naar de
berg spoeden. Want als wij dralen, vergeten we onverhoopt de dingen
binnen in ons.” En de commandant die dit en vele andere dingen van hem
hoorde, was vol bewondering, en zei: "Waarlijk, deze man is de dienaar
van God. Want waarvandaan zou een ongeletterde man anders zoveel begrip
gekregen hebben, tenzij hij door God bemind werd?" |
86.
En een zekere commandant, Balakios genaamd, vervolgde ons, Christenen,
hevig vanwege zijn achting voor de Arianen — die naam van onheil. En
zijn meedogenloosheid was zo groot dat hij maagden sloeg en monniken
uitkleedde en met de zweep sloeg. In die tijd schreef Antonius hem
een brief, als volgt, en stuurde hem toe: "Ik zie toorn op u neerkomen,
dus houdt ermee op de christenen te vervolgen, anders zal de toorn u
wellicht overmeesteren, want op dit eigenste moment staat deze op het
punt op u neer te dalen.”
Maar Balakios lachte en gooide de brief op de grond, en spuwde erop, en
beledigde de brengers ervan en gelastte hen aan Antonius dit mee te
delen: "Omdat u aan de monniken denkt, zal ik u ook spoedig komen
halen.”
Maar nog geen vijf dagen waren verlopen of de toorn stortte zich op
hem. Hij, Balakios, en de prefect van Egypte, Nestorius, begaven zich
op weg naar de eerste halteplaats vanaf Alexandrië, Chairew geheten,
beiden te paard gezeten. De paarden waren van Balakios en waren de
tamste van zijn hele stal. Zij waren nog niet ver op weg naar die
plaats, toen de paarden, zoals zij dat gewoon zijn, een beetje met
elkaar gingen dollen. Plotseling trok het tamste dier, waarop Nestorius
zat, Balakios uit het zadel, viel hem aan en verscheurde met zijn
tanden diens dij zo verschrikkelijk dat hij rechtstreeks naar de stad
teruggebracht moest worden, waar hij binnen drie dagen stierf. En allen
waren verbaasd omdat hetgeen Antonius voorspeld had, zo vlug in
vervulling was gegaan. |
87.
Aldus waarschuwde hij de wreedaards. Maar de anderen die bij hem
kwamen, gaf hij zodanige aanwijzingen dat ze terstond hun rechtszaak
vergaten en hen zalig prezen die zich uit de wereld teruggetrokken
hadden. En voor hen die benadeeld waren, kwam hij zo op dat je zou
denken dat hij er zelf onder leed en niet de anderen. Verder was
hij in staat om tot zoveel nut voor iedereen te zijn, dat veel soldaten
en mannen die grote bezittingen hadden, de lasten van het leven van
zich aflegden, en monnik werden voor de rest van hun leven. |
|
En het was alsof God een geneesheer aan Egypte had gegeven. Want wie
ontmoette Antonius in droefheid en kwam niet verheugd terug? Wie kwam
treurend over zijn doden bij hem en hield niet onmiddellijk op met
rouwen? Wie kwam in woede die niet werd omgezet in vriendschap? Welke
arme en moedeloze man die hem ontmoette, hem hoorde en zag, ging niet
de rijkdom verachten, en voelde zich niet getroost in zijn armoede?
Welke monnik, die verzaakt had en bij hem kwam, werd niet door hem des
te meer gesterkt? Welke jongeman die naar de berg kwam en Antonius zag,
ontzegde zich niet terstond de genoegens en kreeg liefde voor de
kuisheid? Wie, gekweld door een demon, ging tot hem zonder rust te
vinden? Wie, gekweld door twijfels, kwam bij hem, zonder dat zijn
denken gerust gesteld werd? |
 |
| De verzoeking van St. Antonius. David Teniers de Jongere. Musée du Louvre |
88.
Want dit was een wonderbaarlijk iets in de ascese van Antonius dat hij,
zoals ik reeds eerder zei, de gave bezat van de onderscheiding van
geesten, dus herkende hij hun bewegingen en wist of een van hen zijn
energie omdraaide en tot de aanval overging. En niet alleen werd hij
zelf niet door hen misleid, maar ook beurde hij degene op die door
twijfels gekweld werden, doordat hij hen leerde hoe ze hun listen
konden verijdelen door hen te vertellen hoe zwak en doortrapt ze waren.
Dus elk van hen, alsof ze door hem voor een veldslag waren voorbereid,
kwam van de berg naar beneden, en trotseerde de duivel en zijn demonen.
En hoeveel maagden, die al een vrijer hadden, bleven maagd ter wille
van Christus alleen al doordat ze Antonius van verre gezien hadden!
Zelfs uit vreemde streken kwamen mensen naar hem toe, en zoals alle
anderen, hadden zij er ook wat aan en ze keerden huiswaarts alsof een
vader hen op weg geholpen had. En zeker toen hij stierf, troosten allen
zich, alsof ze een vader verloren hadden, uitsluitend met hun
herinneringen aan hem, tegelijkertijd zijn raad en advies behoudend. |
| [6 Zijn sterven] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
| 89.
Het is de moeite waard dat ik het vertel en dat u daarover, als u dat
wilt, hoort, hoe zijn dood was. Want ook dit einde van hem is iets dat
het waard is nagevolgd te worden. Zoals zijn gewoonte was bezocht hij
de monniken op de buitenste berg, en omdat hij van de Voorzienigheid
gehoord had dat zijn eigen einde nabij was, zei hij tot broeders: “Dit
is het laatste bezoek dat ik jullie breng en het zou me verbazen als we
elkaar in dit leven nog een keer zouden zien. Tenslotte is de tijd voor
mijn vertrek aangebroken, want ik ben bijna 105 jaar oud.” |
| Toen
ze dat hoorden, huilden ze en omhelsden en kusten de grijsaard. Maar
hij sprak verheugd alsof hij van een vreemde stad naar zijn eigen stad
zeilde, en vermaande hen niet lui te worden in hun inspanningen, noch
hun ascese te versagen, maar te leven alsof ze elke dag stierven. En,
zoals hij al eerder had gezegd, met ijver hun ziel te behoeden voor
onreine gedachten, enthousiast de heiligen na te volgen, zich niet in
te laten met de schismatieke Meletianen — “want jullie kennen hun
kwalijke en wereldse instelling” — noch enig contact te onderhouden met
de Arianen, want hun goddeloosheid is voor iedereen duidelijk. Noch
verstoord te worden als je ziet dat de rechters hen beschermen, want er
zal een einde aan komen en hun gewichtigheid is sterfelijk en van korte
duur. “Blijf dus onbezoedeld door hen en houdt de tradities der vaderen
in ere, en als voornaamste het heilige geloof in onze Heer Jezus
Christus, wat jullie uit de Schrift hebt geleerd en waaraan jullie ook
dikwijls door mij zijn herinnerd.”
|
 |
| St. Antonius Abt. (c. 1630). Francisco de Zurbarán |
Mt. 27,62 De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag,
gingen de hogepriesters en de farizeeën samen naar Pilatus en zeiden:
'Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven
gezegd heeft: "Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden." Geef dus
het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag. Want anders komen
zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk: "Hij is
opgewekt uit de doden." Die laatste misleiding zou erger zijn dan de
eerste.' |
90.
Toen de broeders er bij hem op aandrongen dat hij bij hen zou blijven
om daar te sterven, liet hij dat niet toe om vele redenen die hij door
zijn zwijgen aan hen kenbaar maakte, maar vooral om de volgende.
De Egyptenaren plegen heiligen, en vooral heilige martelaren, met
begrafenisrituelen eer te bewijzen, en hen niet onder de grond te
begraven maar hun lichamen in linnen doeken te wikkelen, op een bank te
leggen, en in hun huizen te bewaren, menend hiermee de overledenen te
eren.
Antonius had er al vaak bij de bisschoppen op aangedrongen de mensen
over deze kwestie een gebod te geven. Op dezelfde wijze onderwees hij
de leken en berispte hij de vrouwen, zeggende dat dit niet volgens de
wet was en al helemaal niet vroom. Want de lichamen van de aartsvaders
en profeten zijn tot op heden in graftombes bewaard gebleven en ook het
lichaam van de Heer zelf is in een graftombe gelegd (vgl. Joh. 19,41 ) en een steen die ervoor geplaatst werd verborg het totdat Hij op de derde dag opstond. (vgl. Mt. 27,62 e.v.) |
En
door aldus te spreken, toonde hij aan dat degene die de lichamen van de
overledenen niet begroef, zelfs al zouden ze heilig zijn, de wet
overtrad. Want wat is er nu groter en heiliger dan het lichaam van de
Heer? Velen nu die dat hoorden, begroeven voortaan de doden onder de
grond en dankten de Heer dat ze goed onderricht waren.
|
 |
91.
Maar hij, omdat hij op de hoogte was van deze gewoonte en bang dat ze
zo ook met zijn lichaam zouden omgaan, haastte zich om van de monniken
op de buitenste berg afscheid te nemen en ging de binnenste berg in,
waar hij gewoonlijk verbleef. |
| En
na enkele maanden werd hij ziek. Hij riep degenen die daar waren bij
zich — er waren twee mensen die sinds vijftien jaar ook in de berg
verbleven om de ascese te bedrijven en hem vanwege zijn hoge leeftijd
bij te staan — en hij zei tot hen: |
Athanasius
noemt hun namen niet — hij is überhaupt nogal karig met namen,
plaatsaanduidingen en data — maar elders worden ze wel vermeld, en ze
heten Marcarius en Amatas. |
“Ik ga nu — zoals de Schrift het noemt — de weg der vaderen, (vgl. Joz. 23,14 )
want ik merk dat de Heer mij roept. Wees nu waakzaam opdat jullie in zo
lange tijd opgebouwde ascese niet verloren gaat, maar beijveren jullie
je, alsof jullie nu pas een begin maken om jullie grote inzet te
behouden. Jullie kennen het verraderlijke van de demonen, hoe woest ze
zijn, maar ook hoe weinig kracht ze hebben. Wees dus niet bang voor
hen, maar adem veeleer altijd Christus in en vertrouw op hem. |
| Het Sterfbed van Sint Antonius; Peter Paul Rubens. |
Leef
alsof jullie elke dag sterven, let op jullie zelf, en blijf denken aan
de vermaningen die jullie van mij hebben gehoord. Onderhoudt geen enkel
contact met de schismatici en al helemaal niet met de ketterse Arianen.
Jullie weten hoe ook ik hen uit de weg ben gegaan vanwege hun
vijandigheid naar Christus en de vreemde leerstellingen van hun
ketterij. Wees daarom des te ijveriger om op de eerste plaats
volgelingen van God te zijn en dan van de heiligen, opdat zij jullie na
de dood ook als welbekende vrienden in hun eeuwige tenten zullen
ontvangen. (Lc. 16,9 ) Denk daarover na, overweeg dat.
|
 |
En als jullie iets om mij geven en om mij denken als om een vader, sta
dan niet toe dat iemand mijn lichaam meeneemt naar Egypte om het in een
van hun huizen op te baren. Juist om dat te vermijden ben ik naar de
berg teruggekeerd en hier gekomen. Jullie weten hoe ik altijd degenen
heb berispt die die gewoonte hadden en hen heb gemaand ermee op te
houden. Jullie moeten dus mijn lichaam begraven en het zelf onder de
grond stoppen, en houden jullie je aan mijn woorden dat buiten jullie
niemand die plek te weten mag komen. Want bij de opstanding der doden
zal ik mijn lichaam van de Heiland in onvergankelijke staat terug
ontvangen. |
| Zilveren reliëf op de reliekschrijn van Antonius in de basiliek van Sain-Antoine-l'Abbaye: op de voorgrond, zijn sterven met de twee discipelen; daarachter rechts, de begrafenis; en boven links, zijn hemelvaart. |
En
verdeel mijn klederen onder elkaar en geef aan bisschop Athanasius mijn
ene schaapsvacht en de mantel waarop ik gelegen heb, die hijzelf mij
nieuw gegeven heeft en die met mij oud geworden is. En geef bisschop
Serapion mijn andere schaapsvacht, maar houden jullie het haren hemd
zelf. Welnu, kinderen, het ga jullie verder goed, want Antonius
vertrekt en is niet meer onder jullie.”
92.
Toen hij dat gezegd had, en zij hem gekust hadden, tilde hij zijn
voeten op, en terwijl het leek alsof hij vrienden op zich toe zag komen
en daarom bijzonder blij werd (want terwijl hij zo lag, zag zijn
gezicht er verheugd uit), stierf hij en werd hij tot de vaderen
vergaderd. En daarna, overeenkomstig zijn gebod, omwikkelden ze hem en
begroeven hem, zijn lichaam onder de grond verstoppend. |
 |
| Serapion, bisschop te Alexandrië. |
En tot vandaag de dag weet niemand waar het begraven was behalve alleen die twee. *
Maar elk van hen die de schaapsvacht van de gelukzalige Antonius had gekregen [i.c. Athanasius en Serapion] en het kledingstuk dat door hem was gedragen [i.c. Marcarius en Amatas],
bewaart dat als een kostbare schat. Want alleen al ernaar te kijken, is
als het zien van Antonius, en degene die erin gekleed is, lijkt zijn
vermaningen met vreugde te dragen. |
* Victor
Tunnunnensis verhaalt dat de botten van Antonius in 561 zijn
teruggevonden en naar de basiliek van Sint Johannes de Doper te
Alexandrië werd overgebracht en daar is bijgezet. Via Constantinopel
werden de relieken vervoerd naar Motte-aux-Bois, thans Saint-Antoine, in de Dauphiné Volgens andere bronnen echter zou het gebeente rusten te Lézat,
of op tal van andere plaatsen. Geen van deze verhalen is authentiek.
Nog in 1490 beweerden de Benedictijnen dat zij in het bezit van de
relikwieën waren, in de abdij Montmajour-les-Arles. Deze werden in 1491 plechtig overgebracht naar de kerk St. Trophyme te Arles.
Zie ook op deze site, de pagina's over relieken, en over inventie en translaties. |
| 93. Dit is het einde van het leven van Antonius in het lichaam, en het bovenstaande was het begin van de ascese. # Zelfs
al is mijn verhaal klein vergeleken met zijn verdienste, gebruik het
toch ter overdenking van de grootsheid van Antonius, de man van God.
Die vanaf zijn jeugd tot op zo'n hoge leeftijd een onverminderde inzet
voor de ascese heeft bewaard. |
# Athanasius
impliceert hier weer eens — wat ik al een paar keer opmerkte — dat
Antonius 'de' ascese heeft uitgevonden, wat toch vreemd is gezien de
guru’s die hij in het begin noemde. Maar er zijn nog wel meer
redenen om dat aanmatigend te noemen, aangezien hij toch ook bekend
moet zijn geweest — zoals al eerder vermeld — met de Essenen en
Therapeuten, om maar een paar eerdere ascetische secten te noemen.
Laat staan de Indiase asceten, sinds 2500 v.Chr. en de Boeddhistische monniken, sinds 500 v.Chr. |
| In
zijn ouderdom werd hij niet overmand door de zucht naar kostbare
spijzen, en al evenmin bracht de zwakheid van zijn lichaam hem ertoe
van kleding te veranderen of zelfs maar zijn voeten met water te
wassen. En toch bleef hij totaal vrij van gebrek. Want zijn ogen waren
helder en behoorlijk zuiver en hij kon scherp zien. En van zijn tanden
was er niet één uitgevallen; alleen waren zij tot op het tandvlees
versleten vanwege de hoge ouderdom van de grijsaard. Hij bleef sterk in
beide handen en voeten. En terwijl alle mensen verschillende soorten
voedsel gebruiken, en baden en afwisselende kleding, zag hij er
opgewekter en krachtiger uit. |
En
het feit dat zijn roem overal verkondigd werd; dat allen hem met
bewondering beschouwen, en dat zelfs degenen die hem nooit hebben
gezien naar hem verlangen, is een duidelijk teken van zijn
deugdzaamheid en de liefde van God voor zijn ziel. Want niet door
geschriften, noch door wereldse wijsheid, noch door een van de kunsten
werd Antonius beroemd, maar alleen door zijn vroomheid tot God.
Dat dit een gave Gods was, zal niemand ontkennen. Want hoe had men over
hem kunnen horen in Spanje en Gallië, in Rome en Afrika, terwijl hij in
een berg verborgen zat, als dat niet dankzij God was die Zijn eigen
volgelingen overal bekendheid geeft en dit ook al aan het begin aan
Antonius beloofd had?
|
 |
Want ook al handelen zij in het verborgene en willen ze in het duister
blijven, toch toont de Heer hen als lampen om allen te verlichten,
opdat zij die het horen aldus beseffen dat de geboden van God in staat
zijn de mensen voorspoed te brengen en ijver op het pad van
deugdzaamheid. |
De
gestorven Antonius in de rieten mantel die hij van Paulus van Thebe
geërfd had. Zijn twee leerlingen treuren om hem. De engelen links
dargen een vaandel dat oorspronkelijk tot de Tempeliers behoorde hier
maar verwijst naar de Ridderorde gewijd aan Antonius, waarschijnlijk de Ordre Militaire et Hospitalier de Saint-Antoine en Barbefosse. Op de achtergrond dragen engelen zijn ziel ten hemel. Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis. Dauphiné, 1426. Bibljoteka Nazzjonali ta' Malta.
Voor meer over dit boek, zie de § op mijn pagina over de Antonianen.
Een afbeelding die hierop gebaseerd is, zien we in op een wandschildering in de Chiesa Sant'Antonio te Rome. |
94.
Leest dit daarom voor aan de andere broeders, opdat zij leren hoe het
leven van een monnik behoort te wezen en mogen geloven dat onze Heer en
Verlosser Jezus Christus verheerlijkt wie Hem verheerlijken, en dat Hij
wie Hem tot het einde toe dienen, niet alleen het Koninkrijk der
hemelen binnenvoert, maar hen ook, hoezeer ze zich ook verbergen en
zich uit de wereld terug willen trekken, overal bekend en beroemd maakt
om hun deugd en de hulp die ze anderen geven. En als het nodig zou
zijn, leest het ook voor onder de heidenen, opdat ze zelfs op deze
manier vernemen dat onze Heer Jezus Christus niet alleen God en de Zoon
van God is, maar ook dat de christenen die Hem oprecht vereren en
godvruchtig in Hem geloven bewijzen niet alleen dat de demonen, van wie
de Grieken zelf denken dat het goden zijn, geen goden zijn, maar dat
zij ze zelfs vertrappen en verjagen als bedriegers en verdervers van de
mensheid, door Jezus Christus onze Heer, aan wie de eer zij voor eeuwig
en altijd.
Amen. |
 |
| De Dood van Sint Antonius de Heremiet; Antonio Viladomat Y Manalt (1678-1755); Museum of Fine Arts, Budapest. |
 |
5.01.1.
Toen aan abba Antonius werd gevraagd, "Welke regel moet ik aanhouden om
God te behagen?" gaf de oude man ten antwoord, "Volg deze regel die ik
u geef. Waar u ook heengaat, houd immer God voor ogen en meet alles met
de maatstaf van de Heilige Schrift. Waar u ook terecht komt, probeer
niet te gauw weer verder te gaan. Doe deze drie dingen, en u zult
leven.”
5.01.2. "Wat moet ik, doen?" vroeg abba Pambo aan abba Antonius.
De oude man antwoordde, "Vertrouw niet op je eigen gerechtvaardigheid,
kom niet terug op je beloften, en wees matig in spraak en eetlust.”
5.02.1.
Abba Antonius zei, “Net zoals vissen sterven als ze op het droge worden
gehouden, zo worden monniken van hun oorspronkelijke bedoelingen
afgeleid, als ze te lang buiten hun cellen talmen of teveel tijd met
wereldse mensen doorbrengen. Dus net zoals de vissen naar de zee moeten
terugkeren, zo moeten ook wij ons naar onze cellen haasten, om niet,
door lang er buiten te talmen, onze innerlijke waakzaamheid te
verliezen.
5.02.2.
Weer zei hij, “Wie rustig in de eenzaamheid verblijft, wordt behoed
voor drie soorten conflict, namelijk gehoor, spraak en gezicht. Hij
heeft maar één conflict en dat is de strijd tegen de ontucht.
|
| St. Antonius. Mathias Grünewald, 1510-1515. Musée d'Unterlinden, Colmar, Frankrijk. |
5.04.1.
Bepaalde broeders van Sketis, die abba Antonius een bezoek wilden
brengen namen de boot om die tocht te maken. Aan boord ontmoeten ze een
zekere oude man die eveneens Antonius ging bezoeken, hoewel ze zich dit
niet realiseerden. Terwijl ze in de boot zaten, spraken zij over de
spreuken van de Vaders, over de Schrift, en over de manier waarop zij
zelf werkten, maar de oude man bleef bij dit alles zwijgen.
Het was pas toen ze in de haven aankwamen dat ze zich realiseerden dat hij ook op weg was naar Antonius.
Toen ze aangekomen waren, zei abba Antonius, "Jullie hebben een goed reisgezelschap gehad in deze oude man.”
En tot de oude man, "Een paar goede broeders hebt u meegenomen.”
"Goed, wat je zegt,” zei de oude man, “Behalve dat hun woning geen deur
heeft. Ieder die wil kan de stal binnen gaan en de ezel los laten.” Dit
zei hij, omdat elk van hen gezegd had wat hem het eerst voor de mond
kwam. |
5.05.1.
Abba Antonius zei, “Ik denk dat het lichaam van een natuurlijke
bewegingskracht is doordrongen, die niet in werking treedt behalve als
de geest er richting aan geeft, maar waarvan de betekenis in het
lichaam alleen dat van een beweging is die niet geregeerd wordt door
invloeden van buitenaf. Maar er is nog een andere bewegingskracht,
die komt van het lichaam dat gevoed wordt en opgewekt door spijzen en
dranken die het bloed verwarmen en het lichaam in zijn handelingen
opwindt. Waarom de Apostel zei, ‘Drink niet te veel wijn, wat tot
losbandigheid leidt.’ (Ef. 5,18) En in het Evangelie gebiedt de Heer
weer aan zijn leerlingen, ‘Zorg ervoor dat uw harten niet bezwaard
worden door oververzadiging en dronkenschap.’ (Lc. 21,34)
Dan is er nog een derde bewegingskracht voor degenen die strijden om
hun leven te ordenen die voortkomt uit de listen en valse streken van
de demonen. Je dient dus te weten dat er drie soorten van lichamelijke
beweging zijn, een natuurlijke, een van teveel eten en een van de
demonen. |
Ef. 5,18 Drink niet te veel wijn, wat tot losbandigheid leidt, maar laat u bezielen door de Geest.
Lc. 21,34 Zorg ervoor dat u niet versuft raakt door de roes van
dronkenschap en door de zorgen van het leven, en dat die dag u niet
plotseling overvalt als een klapnet. Want hij zal komen over alle
bewoners van heel de aarde. |
5.06.1.
Een zekere broeder verzaakte de wereld en gaf zijn bezittingen aan de
armen, maar hield een paar dingen voor zichzelf, alvorens naar abba
Antonius te gaan. Toen de oude man dit bemerkte, sprak hij tot hem,
"Als je een monnik wilt worden, daal dan af naar het dorp, koop wat
stukken vlees, hang die aan je blote lichaam, en kom dan hier.”
Zodra hij dat gedaan had, klauwden de honden en vogels aan zijn vlees.
Hij kwam terug bij de oude man die hem vroeg of hij gedaan had wat hij
gezegd had. Toen hij hem zijn stukgereten lichaam liet zien, sprak de
heilige Antonius, "Ieder die de wereld verzaakt en toch aan zijn geld
wil blijven hangen, zal op deze manier door de duivels gekweld en in
stukken gereten worden.” |
 |
5.07.1.
Eens toen de heilige abba Antonius in zijn cel zat, gekweld door
lusteloosheid en verwarrende gedachten, klaagde hij tot de Heer, "Heer,
ik verlang naar vrede en mijn gedachten staan het me niet toe. Wat kan
ik in deze verwarring doen om vrede te vinden?" En hij stond op om
naar buiten te gaan, en zag toen iemand die eruit zag als hij zelf die
zat te werken, toen van zijn werk opstond om te bidden, en weer ging
zitten om matten van palmbladeren te vlechten, om daarna opnieuw op te
staan om te bidden.
Dit was in werkelijkheid een engel van de Heer, gezonden om Antonius te
berispen en verootmoedigen. En hij hoorde de stem van de engel tegen
hem zeggen, "Doe dit en u zult vrede vinden."
Hij ontleende hieraan grote troost en vastberadenheid, en al doorzettend vond hij de vrede die hij zocht.
5.07.9.
Abba Macarius de Grote bezocht abba Antonius op de berg, en nadat hij
op de deur geklopt had, kwam Antonius naar buiten en vroeg, "Wie bent
u?" "Macarius,” antwoordde hij. Antonius stuurde hem weg, sloot de
deur en ging naar binnen, maar toen hij hem geduldig zag wachten, deed
hij open en verwelkomde hem met deze woorden, "Ik heb van u gehoord en
al lange tijd verlangd u te ontmoeten.” En hij bood hem gastvrijheid en
verversingen, moe als hij was van de inspanning van zijn reis.
|
| Paulus (in zijn mantel van gevlochten palmbladeren) en Antonius. Plus de raaf met brood, leeuwen, bron en palmbomen. |
Toen
de Vespers gezegd waren, nam abba Antonius een paar palmbladeren en
zette ze in de week. Macarius zei, "Geef mij er ook een paar zodat ik
ze kan weken en werken.” "Dit is alles wat ik heb,” zei Antonius,
en maakte een grotere bundel om te weken. Zo samen zittend tot laat in
de avond, sprekend over de dingen van de geest, vlochten ze verder aan
hun matten, totdat ze zich door het raam uitstrekten tot in de kelder.
En toen Antonius ‘s morgens naar buiten ging, en de matten van abba
Macarius zag, vond hij die zeer wonderbaarlijk, kuste zijn handen en
zei, "Deze handen zijn handen met een grote kracht."
5.08.1. Abba Antonius hoorde eens over een jonge monnik die op de
publieke hoofdweg een opzienbarend wonder verrichtte, doordat hij, toen
hij bepaalde oude mannen zag die met veel moeite op hun tocht
voortstrompelden, enkele wilde ezels had bevolen om te komen en hen
naar hem toe te dragen.
Toen deze oude mannen abba Antonius hierover vertelden, zei hij, " Deze
monnik lijkt me een handelsschip te zijn volgeladen met kostbare gaven,
maar wie weet of het ooit de haven bereiken zal.”
En even later begon hij plotseling te huilen en zich in hevige smart de haren uit te trekken.
"Wat is er aan de hand, abba?" vroegen zijn leerlingen toen ze dit zagen.
"Zojuist is een grote zuil van de Kerk gevallen,” zei de oude man.
Daarmee bedoelde hij natuurlijk de jonge monnik en hij voegde eraan toe
dat ze naar hem toe moesten gaan om te zien wat er gebeurd was. De
leerlingen gingen er dus heen en troffen de jonge monnik aan die op
zijn mat zat te huilen over zijn zonden.
Toen hij de leerlingen van de oude man zag, zei hij, "Vraag aan de oude
man om tot God te bidden om me nog tien dagen respijt te geven,
waarbinnen ik hoop boete te kunnen doen.” En binnen vijf dagen was hij
dood.
5.08.2.
Toen Antonius de monniken eens gunstig over een broeder hoorde praten,
nam hij het bezoek van deze zelfde broeder te baat om erachter te komen
of hij ertegen kon beledigd te worden. En toen hij bemerkte dat hij dat
niet kon, zei hij, "Hij is als een huis dat aan de buitenkant fraai is
versierd, maar aan de binnenkant door dieven is leeggeplunderd.”
|
| 5.09.1.
Het gebeurde eens dat een broeder van de gemeenschap van abba Elias,
die aan een verzoeking was bezweken, verbannen werd en naar abba
Antonius in de bergen ging. Nadat hij enige tijd bij hem doorgebracht
had, werd hij teruggestuurd naar zijn gemeenschap. Maar zodra ze hem
zagen, joegen ze hem weer weg, en weer ging hij naar abba Antonius en
zei, "Ze willen me niet terug hebben, Vader.” Dus stuurde de oude man
hen een boodschap, "Een vaartuig heeft in volle zee schipbreuk geleden,
verloor alle goederen aan boord en hoewel leeg is het met veel moeite
in de haven aangekomen. Zouden jullie het schip dat de haven in
gevlucht is dan tot zinken brengen?” Ze realiseerden zich dat abba
Antonius over de man sprak die hij naar hen had teruggestuurd, en namen
hem terstond weer op.
5.10.1.
Abba Antonius zei, “Er zijn velen die hun lichaam door hun onthouding
kastijden, maar omdat ze er weinig verstand van hebben staan ze ver van
God.”
|
 |
| St. Antonius met twee varkens, klok en boek, voor zijn hermitage met klokketoren. Uit het Beaufort Getijdenboek; ca. 1410. |
5.10.2.
Enkele broeders kwamen naar abba Antonius om hem te vertellen over
bepaalde visioenen die ze gekregen hadden, en hem te vragen of ze echt
waren of misleidingen van de duivel. Ze waren vertrokken op een ezel,
die onderweg was doodgegaan en toen ze bij de oude man waren
aangekomen, was hij hen voor door te vragen hoe het was gekomen dat hun
ezel onderweg was doodgegaan.
"Hoe wist u dat?" vroegen ze.
"De demonen lieten het me zien," zei hij.
"Daarvoor zijn we juist gekomen om u daarover te vragen,” zeiden ze,
“Want wij hebben enkele visioenen gehad, en in het algemeen zijn ze
waar, tenzij we ons erg vergissen.”
En zo kon de oude man hen met het voorbeeld van de ezel ervan overtuigen dat deze dingen van de duivel kwamen.
Het gebeurde eens dat een jager die in die afgelegen streken naar wilde
dieren op zoek was hen toevallig tegenkwam en toen hij zag dat abba
Antonius met zijn broeders aan het lachen was voelde hij minachting
aangaande hen. Maar de oude man wilde hem tonen hoe noodzakelijk het
was om zich soms met de broeders te ontspannen, en zei tegen hem, "Leg
een pijl op uw boog en span hem,” wat hij deed.
"Span hem nog eens," zei hij, en hij deed het.
“Verder,” en hij deed het, maar op dit moment zei de jager, "Als je
doorgaat met hem te ver te spannen, dan breekt de boog.”
En abba Antonius zei, "Het is hetzelfde in het werk Gods. Als je te
veel van de broeders vergt, zullen zij bezwijken. Dus moet je de regels
zo nu en dan laten vieren.”
Toen de jager dit hoorde, kreeg hij berouw en vertrok, enorm gesticht
door wat de oude man had gezegd, en de broeders, gesterkt, gingen naar
hun woonplaats terug. |
| 5.10.3.
Een broeder vroeg abba Antonius om voor hem te bidden en hij
antwoordde, "Noch God noch ik kan iets voor je doen, tenzij je er zelf
voor zorgt je op Zijn genade te beroepen.”
5.10.4.
Verder zei abba Antonius, “God staat deze generatie niet toe in teveel
strijd verwikkeld te worden, want Hij weet dat ze niet in staat zijn
die te verdragen.”
5.15.1.
Abba Antonius die er niet in slaagde de oordelen van God te begrijpen,
vroeg, "Heer, hoe komt het dat sommigen jong sterven, terwijl anderen
zeer oud worden? En waarom zijn sommigen incompetent, terwijl anderen
een overvloed aan vaardigheden hebben? En waarom zijn sommigen
onrechtvaardig rijk, terwijl anderen in extreme armoede leven?" En er
kwam een stem die tot hem sprak, "Antonius, bemoei je met je eigen
zaken! Want het is niet aan jou om Gods oordelen te begrijpen.”
5.15.2. Abba Antonius zei tegen abba Poimen, “Dit is een enorme
menselijke opgave: ertoe te komen om je schuld voor God toe te geven,
en te aanvaarden dat je tot je laatste ademtocht verzoekingen zal
ondergaan.”
|
 |
5.15.3.
Weer zei abba Antonius, “Ik zag alle valstrikken van de goddeloze
uitgespannen over de hele aarde, en ik kreunde en zei, ‘Wie zal daar
nog doorheen kunnen komen?’
En ik hoorde een stem zeggen, ‘Nederigheid’.”
|
| De Verzoeking van de Heilige Antonius.
Kopie naar het middenpaneel van het beroemde drieluik van Jeroen Bosch, door een onbekende navolger; 1540-1560. Noordbrabants Museum, ’s-Hertogenbosch. |
5.15.4.
Eens kwamen een paar oude mannen naar abba Antonius, onder wie abba
Jozef. Omdat abba Antonius hen op de proef wilde stellen, citeerde hij
wat teksten uit de Heilige Schrift en begon de jongeren onder hen te
vragen wat deze betekenden. En elk had er iets over te zeggen.
Maar hij zei tegen iedereen, "Je bent er nog niet helemaal.”
Toen wendde hij zich tot abba Jozef en zei, "Hoe staat het met u, hoe verklaart u deze tekst?"
En abba Jozef zei, "Ik weet het echt niet.” En abba Antonius zei,
"Waarlijk, abba Jozef is op de juiste weg omdat hij weet dat hij niet
weet.” |
| 5.17.1. Abba Antonius zei, “Ik vrees God niet meer, ik bemin Hem, want de liefde heeft de vrees uitgedreven.” (1 Joh. 4,18) |
1 Joh. 4,18 De volmaakte liefde drijft de vrees uit, want vrees duidt op straf, en wie vreest is niet volgroeid in de liefde. |
| 5.17.2.
Hij zei ook, “Jouw leven en dood komen tot je van je naaste. Want als
je het respect van je naaste wint, win je het respect van God, maar als
je je naaste aanstoot geeft, geef je God aanstoot.”
5.17.3.
Abba Ammoen van Nitrië kwam naar abba Antonius en vroeg, "Het lijkt
erop dat ik harder werk dan u doet, dus hoe komt het dan, dat u een
grotere reputatie onder de mensen hebt dan ik heb?" En abba Antonius
zei tot hem, "Misschien bemin ik God meer dan u doet.”
|
 |
5.17.4.
Abba Hilarion kwam eens vanuit Palestina naar abba Antonius op zijn
berg, en abba Antonius begroette hem, "Welkom! U bent als de zon die
elke ochtend licht brengt!"
En abba Hilarion zei, "Vrede zij met u! U bent als een zuil van vuur die kracht geeft aan de wereld."
|
| De Verzoekingen van Sint Antonius Abt.
Joachim Patinir (c.1480 - 1524) & Quintin Massys (1465/66 - 1530);
de menselijke figuren zijn door Quintin geschilderd en het landschap
door Joachim. Museo Nacional del Prado. |
7.09.3. Abba Antonius sprak een voorspellend woord tot abba Ammon.
“U zult nog veel moeten leren over de vreze Gods.”
Hij bracht hem buiten de cel en wees hem een steen aan, en zei, “Beledig deze steen. Sla hem zonder ophouden.”
Toen hij dat gedaan had, vroeg abba Antonius hem of de steen iets had teruggezegd.
“Nee,” antwoordde hij.
Abba Antonius zei, "U zult ook tot de realisatie geraken dat niets u kan schaden.”
7.15.1. De heilige Antonius was vaak gewoon te zeggen, “Als de molenaar
de ogen van zijn dier niet blinddoekt zal het de opbrengst van zijn
arbeid opeten. Op dezelfde manier, door de beschikking van God, doen we
een deken over onze goede daden zodat we er geen aandacht aan schenken,
om te voorkomen dat we onszelf verheerlijken, en opgezwollen raken, en
onze verdiende beloning verliezen. En als we door zondige gedachten
worden belaagd dan is het noodzakelijk dat we die aan zien komen en
altijd onszelf en onze houding veroordelen, om te voorkomen dat het
boze in ons het beetje goed dat we hebben gedaan zal verduisteren.
Zelfs al hebben mensen goede bedoelingen dan kunnen ze niet echt goed
zijn tenzij God in hen verblijft, want niemand is goed behalve God. We
moeten daarom onszelf altijd oprecht beschuldigen. Ieder die zichzelf
niet berispt zal zijn beloning verliezen.” |
7.15.2.
Eens toen de heilige Antonius in zijn cel zat te bidden, hoorde hij een
stem die sprak, "Antonius, je bent nog niet de gelijke van de
leerbewerker in Alexandrië.” Toen hij dit hoorde, stond de oude man de
volgende morgen vroeg op, nam zijn staf en haastte zich naar
Alexandrië, waar hij de leerbewerker zocht, die totaal verbijsterd was
om door zo’n groot man bezocht te worden. De oude man zei, "Vertel me
eens wat u zoal doet, want ik heb de woestijn verlaten om hier te komen
en u te zien.” "Ik weet niet of ik iets bijzonders gedaan heb.
Eigenlijk, wanneer ik ‘s morgens opsta, en voor ik me neerzet om te
gaan werken, bedenk ik me dat allen in deze stad van de kleinste tot de
grootste tenminste het Koninkrijk der Hemelen zullen binnengaan wegens
hun goedheid. Ik als enige zal voor mijn zonden de eeuwige straf
ondergaan. En voor ik ga slapen, herhaal ik oprecht deze woorden vanuit
het diepst van mijn hart.” |
 |
Toen hij dat hoorde zei de heilige Antonius, "Waarlijk, mijn zoon, als
een goede vakman die vredig thuis zit, bent u vredig tot het Koninkrijk
Gods gekomen. Maar ik die al mijn tijd in eenzaamheid slecht heb
doorgebracht ben niet tot gelijkheid met u gekomen.”
7.26.4. De heilige Antonius waarschuwde zijn discipelen dat als zij
vrede verlangden zij als dood voor de wereld moesten verachten: de
maag, wereldse behoeften, zondige begeerte en wereldlijke eerbewijzen.
7.27.1.
Abba Antonius zei, “Als een monnik een paar dagen werkt en dan stopt,
weer begint, dan weer opgeeft, bereikt hij niets, want hij heeft niet
geleerd om met geduld vol te houden.”
7.32.1.
De heilige Antonius was gewoon tegen zijn discipel te zeggen, “Als je
de stilte verwelkomt, denk dan niet dat je deugdzaam bezig bent, maar
eerder dat je het niet waard bent om iets te mogen zeggen.”
|
| 7.35.2.
De heilige Antonius was gewoon te zeggen, “De oude Vaders gingen de
woestijn in, en na genezen te zijn, werden zij genezers. Dan kwamen ze
terug en genazen anderen. Maar onder ons zijn er tegenwoordig mensen
die de woestijn ingaan en proberen anderen te genezen zonder eerst
genezen te zijn, en zo komen zwakheden weer onder ons terug en onze
laatste toestand is erger dan de eerste. (Mt. 12,45) Om deze reden werd
tot ons gezegd, "Dokter, genees eerst uzelf." (Lc. 4,23) |
Mt.
12,45 Dan gaat hij zeven andere geesten halen die nog slechter zijn dan
hijzelf; ze gaan naar binnen en blijven daar wonen. Zo iemand is er
uiteindelijk erger aan toe dan van tevoren. Zo zal het ook gaan met
deze slechte generatie.
Lc. 4,23 Hij zei tegen hen, ‘U zult Mij ongetwijfeld het spreekwoord voorhouden, Dokter, genees jezelf!
|
| 7.38.1.
Een broeder vroeg aan Antonius wat hij aan zijn zonden kon doen, en hij
antwoordde, "Als je van je zonden bevrijd wil worden, is het huilen en
weeklagen dat die bevrijding zal bewerkstelligen. Als je wilt dat je
deugden versterkt worden, is het in stromen van tranen dat die
versterking zal komen. Denk aan het voorbeeld van Hizkia, over wie de
profeet Jesaja ons vertelt. |
| Door
zijn tranen kreeg hij niet alleen zijn gezonde verstand terug, maar
omdat hij er tranen voor gestort had, beloofde de macht van de Heer hem
ook een verlenging van zijn leven met vijftien jaar (Jes. 38,4) en
bracht Hij honderdvijfentachtigduizend mannen van de vijand die hem
aanvielen ter dood. Door zijn tranen kreeg de apostel Petrus van de
Heer vergiffenis voor zijn verloochening. Maria die met haar tranen de
voeten van de Heer gewassen had, mocht horen dat zij het beste deel
verkoren had. (Lucas 10,40-42) Zo is het dus dat de heilige vreze des
Heren tot in de eeuwigheid voortduurt.” |
Jes.
38,4 Het woord van de heer kwam tot Jesaja, Ga tegen Hizkia zeggen, “Zo
spreekt de heer, de God van uw vader David, Ik heb uw gebed gehoord, uw
tranen gezien. Ik zal aan uw leven vijftien jaar toevoegen.
Lucas
10,40-42 Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe
en vroeg: ‘Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat
bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ De Heer gaf haar ten
antwoord: ‘Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles,
maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en
dat zal haar niet worden ontnomen.’
|
7.40.1. Een broeder had een vraag voor de heilige Antonius.
"God belooft een gezonde ziel als beloning voor het bestuderen van de
Schriften; hoe komt het dan dat de ziel er niet voor kiest gezond te
blijven, maar afzakt naar voorbijgaande pleziertjes, tweederangs
bevredigingen en zelfs zonde?"
|
Hij
antwoordde, "De Psalmist beantwoordt dit door te zeggen, ‘Als ik
ongerechtigheid in mijn hart koester, zal God me niet verhoren’. (Ps.
66,18) Je lijkt je er niet bewust van te zijn dat als de buik vol zit
met voedsel, grote ondeugden gedijen, zoals onze Verlosser reeds in het
Evangelie zei, 'Het is niet wat bij iemand naar binnen gaat dat de ziel
bezoedelt, maar het is wat er uit het hart komt, dat mensen in de
ondergang stort.’ (Mt. 15,11) En zie wat Hij verder nog zegt, ‘Boze
gedachten, moorden, echtbreuken, ontucht, diefstal, valse getuigenis en
godslasteringen’. (Mt. 15,19) Dus als iemand nog niet de zoetheid van
de hemel geproefd heeft en God niet met heel zijn hart volgt dan zal
hij naar slechte dingen terugkeren. Wie kan naar waarheid zeggen, ‘Ik
ben voor U een lastdier geworden, en ik ben altijd bij U’?" (Ps.
73,21-23)
15. Hij zei ook, "Wie geen verzoeking heeft
ervaren kan niet het Koninkrijk der Hemelen binnengaan.” Hij voegde er
zelfs aan toe, “Zonder verzoekingen kan niemand worden gered.” |
Ps.
66,18 Als ik diep in mijn hart zonden zou koesteren, dan had de Heer
mij nooit verhoord. 19 Maar God heeft mij verhoord, heeft geluisterd
naar mijn bidden en smeken.
Mt. 15,11 Niet wat de mond binnenkomt, maakt de mens onrein, maar wat uit de mond komt, dat maakt de mens onrein.
Mt. 15,19 Want uit het hart komen slechte gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster.
Psalm
73,21-23 (NV) zolang ik verbitterd was, gekwetst van binnen, dom en
dwaas, was ik bij u als een redeloos dier. Maar nu weet ik mij altijd
bij u, u houdt mij aan de hand.
|
 |
24.
Aan abba Antonius in zijn woestijn werd onthuld dat er in de stad
iemand leefde die zijn gelijke was. Hij was arts van beroep en wat hij
meer had dan hijzelf nodig had gaf hij aan de armen, en elke dag zong
hij het Sanctus met de engelen.
25.
Abba Antonius zei, “Er komt een tijd dat de mensen gek worden, en
wanneer ze iemand zien die niet gek is, zullen ze hem aanvallen en
zeggen, ‘Je bent gek want je bent niet zoals wij’.”
26.
De broeders kwamen naar abba Antonius en legden hem een passage uit
Leviticus voor. De oude man ging naar buiten de woestijn in, heimelijk
gevolgd door abba Ammonas, die wist dat dit zijn gewoonte was.
Abba Antonius ging een heel eind weg en stond daar te bidden, met luide
stem roepend, "God, zend Mozes om me deze spreuk te doen begrijpen!"
Toen kwam er een stem die met hem sprak. Abba Ammonas zei dat hoewel
hij de stem met hem hoorde spreken, hij niet kon verstaan wat deze zei.
|
19.
De broeders kwamen bij abba Antonius en zeiden tegen hem, "Spreek een
woord; hoe moeten we gered worden?” De oude man zei tot hen, "Jullie
hebben de Schriften gehoord. Dat zou jullie moeten leren hoe.” Maar zij
zeiden, "Wij willen het ook van u horen, Vader.” Toen zei de oude man
tegen hen, "Het Evangelie zegt, ' als iemand u op de rechterwang slaat,
keer hem dan ook de andere toe’.” (Mt. 5,39)
Zij zeiden, "dat kunnen we niet doen.”
De oude man zei, "Als jullie de andere wang niet kunt aanbieden, laat dan toe dat één wang geslagen wordt.”
|
Mt.
5,39 Maar Ik zeg jullie een zaak niet uit te vechten met iemand die je
kwaad heeft gedaan. Maar als iemand jou een klap op je rechterwang
geeft, houd hem dan ook de andere voor. |
|
"Dat kunnen we ook niet doen,” zeiden ze. Dus zei hij, "Als jullie
daartoe niet in staat zijn, vergoed kwaad dan niet met kwaad.” En zij
zeiden, "Dat kunnen we ook niet doen.” Toen zei de oude man tegen zijn
leerling, "Ga wat pap voor deze invaliden klaar maken.” "Als jullie dit
niet kunt, of dat, wat kan ik dan voor jullie doen? Wat jullie nodig
hebben zijn gebeden.” |
27.
Drie Vaders hadden de gewoonte om elk jaar op bezoek te gaan bij de
heilige Antonius en twee van hen bespraken dan hun gedachten en de
redding van hun zielen met hem, maar de derde zweeg altijd en vroeg hem
niets.
Na lange tijd zei abba Antonius tegen hem, "U komt me hier vaak bezoeken, maar nooit vraag u me iets.”
En de ander antwoordde, "Voor mij is het voldoende om u te zien, Vader.”
28. Men zei dat een zekere oude man aan God vroeg om hem de Vaders te
laten zien en hij zag ze allemaal behalve abba Antonius. Daarom vroeg
hij zijn gids, "Waar is abba Antonius?" En deze gaf hem ten antwoord
dat op de plaats waar God is, daar ook Antonius zou zijn. |
 |
29.
Een broeder in een klooster werd ten onrechte beschuldigd van ontucht
en hij stond op en ging naar abba Antonius. Ook de broeders kwamen van
het klooster om hem terecht te wijzen en mee terug te nemen. Zij wilden
gaan bewijzen dat hij dat gedaan had, maar hij verdedigde zichzelf en
ontkende dat hij iets dergelijks gedaan had. Nu was daar toevallig
abba Pafnoetius die Kefalas genoemd wordt, en hij vertelde hen deze
gelijkenis, "Ik heb aan de oever van de rivier een man gezien tot aan
zijn knieën in de modder begraven zat en er kwamen enkele mannen om hem
een hand toe te steken om hem eruit te helpen, maar zij duwden hem er
verder in, tot aan zijn nek.”
Toen zei abba Antonius over abba Pafnoetius, "Hier is nu een echte man die zich om zielen bekommert en ze kan redden.”
Alle aanwezigen werden door de woorden van de oude man in het hart
getroffen en ze vroegen de broeder om vergiffenis. Zo, door de Vaders
berispt, namen zij de broeder mee terug naar het klooster. |
| 30.
Sommigen zeiden over Sint Antonius dat hij “Geest-gedragen” was, dat
wil zeggen, door de Heilige Geest vervoert, maar daarover nooit met
mensen wou spreken. Zulke mannen zien wat er in de wereld gebeurt, en
weten ook wat er gaat gebeuren.
31.
Op een dag ontving abba Antonius een brief van keizer Constantijn die
hem vroeg om naar Constantinopel te komen, en hij vroeg zich af of hij
zou moeten gaan.
Daarom zei hij tegen abba Paulus, zijn leerling, “Zou ik moeten gaan?”
Hij antwoordde, “Als u gaat, zult u Antonius genoemd worden, maar als u
hier blijft, dan zult u abba Antonius genoemd worden.”
|
| 33.
Hij zei ook, “Houd altijd de vreze Gods voor ogen. Gedenk Hem die dood
en levend brengt. (1 Sam. 2,6) Haat de wereld en alles wat erin is.
Haat alle bevrediging die komt van het vlees. Verzaak aan dit leven
zodat je voor God levend kan zijn. Gedenk wat je God beloofd hebt, want
dat zal voor jou op de dag des oordeels vereist worden. Lijd honger,
dorst, naaktheid, wees waakzaam en rouwvol, huil, kreun in je hart.
Test jullie zelf om te zien of jullie God waardig zijn. Minacht het
vlees, opdat jullie je ziel moge bewaren.” |
1 Sam. 2,6 De heer brengt dood en laat leven, Hij brengt naar de onderwereld en Hij haalt er weer uit. |
 |
34.
Abba Antonius ging eens op bezoek bij abba Ammoen op de berg van Nitrië
en toen zij elkaar ontmoetten, zei abba Ammoen, “Door uw gebeden neemt
het aantal broeders toe, en sommige van hen willen meer cellen bouwen
waar ze rustig kunnen leven. Hoever van hier denkt u dat we die cellen
moeten bouwen?” Abba Antonius zei, “Laten we op het negende uur
gaan eten en dan naar buiten gaan om een wandeling in de woestijn te
maken en het land onderzoeken.” Zo gingen zij naar buiten de woestijn
in en liepen totdat de zon onderging en toen zei abba Antonius, “Laten
we bidden en hier het kruis neerzetten, zodat degenen die dat verlangen
hier kunnen gaan bouwen. Als degenen dan die hier willen blijven, hen
willen bezoeken die hiernaar toe gekomen zijn, kunnen ze op het negende
uur eerst een beetje eten en dan gaan. Als ze dat doen, dan kunnen ze
met elkaar in contact blijven zonder afleiding van de geest.” De
afstand is twaalf mijl.
35.
Abba Antonius zei, “Wie een klomp ijzer smeed, beslist eerst wat hij
ervan gaat maken, een zeis, een zwaard, of een bijl. Zo moeten ook wij
eerst beslissen wat voor soort deugd we willen smeden, want anders
spannen we ons voor niks in.”
|
| Paulus (in zijn mantel van gevlochten palmbladeren) en Antonius. Plus de raaf met brood, en de palmbomen. |
36. Ook zei hij, “Gehoorzaamheid met onthouding geeft de mens macht over wilde dieren.”
[Zie ook hierboven bij de Rishi.] |
| 37.
Ook zei hij, “Negen monniken werden na veel inspanningen afvallig en
waren geheel vervuld van geestelijk hoogmoed, want zij stelden hun
vertrouwen in hun eigen werken, en misleid als ze waren, sloegen ze
geen acht op het gebod dat luidt, ‘Vraag uw vader en hij zal het u
vertellen’.” (Deut. 32,7) |
Deut.
32,7 Denk aan de dagen van vroeger, herinner u de tijd van voorbije
generaties. Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen, vraag het uw
oudsten, zij zeggen het u. |
| 38.
En hij zei dit, “als hij daartoe in staat is, dan behoort een monnik
zijn superieuren vrijmoedig te vertellen hoeveel schreden hij zet en
hoeveel druppels water hij drinkt in zijn cel, voor het geval dat hij
zich erin vergist.” |
| 53.
Een broeder vroeg aan abba Antonius wat het betekende dat ieder
zichzelf als onbelangrijk moest beschouwen. En hij antwoordde, “Het
betekent jezelf te beschouwen als een redeloos dier dat geen
onderscheid kent, zoals het in de Schrift is geschreven, ‘Ik was als
een redeloos dier bij u, maar nu weet ik mij altijd bij u’.” (Psalm
73,21-23) |
Psalm
73,21-23 (NV) zolang ik verbitterd was, gekwetst van binnen, dom en
dwaas, was ik bij u als een redeloos dier. Maar nu weet ik mij altijd
bij u, u houdt mij aan de hand. |
Hierboven staat een selectie waarin de meeste beschikbare teksten zijn opgenomen. De belangrijkste bron was Vitae Patrum, maar ook heb ik vaderspreuken gevonden bij Anthony of Egypt.
Er is ook sprake van brieven van Antonius, maar die heb ik niet
opgenomen. In de eerste plaats omdat er toch in het algemeen vanuit
wordt gegaan dat hij niet kon lezen of schrijven, en in de tweede
plaats omdat ze qua inhoud niet echt iets nieuws te melden hebben.
Alle bijbelcitaten zijn ontleend aan de Willibrordvertaling en maar één keer aan de Nieuwe Vertaling (NV).
|
| 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7 |
| Bronnen voor de Vita tekst:
Medieval Sourcebook: Athanasius of Alexandria: Vita S. Antoni: Life of St. Antony
* Noten uit: Wagenaar, Christofoor. Leven, getuigenissen, brieven van de Heilige Antonius Abt. Westmalle, 1981.
Flaubert, Gustave, vert. Hans van Pinxteren, De verzoeking van de heilige Antonius. Amsterdam, 1985.
Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1985. Vertaling van: La tentation de Saint Antoine. - 1874.
# Mijn eigen aantekeningen.
Bijbelcitaten zijn i.h.a. ontleend aan de Willibrordvertaling, maar soms aan de Statenvertaling.
|
| Bronnen voor de schilderijen en illustraties:
Olga's gallery
Koninklijke Bibliotheek National Library of the Netherlands
Porkopolis
Tour Egypt
|
| Nog meer nuttige links:
Vitae Patrum
Charlotte Roueche's page at KCL
|
contact: Dolf Hartsuiker |