G
- G-sprot: Gevoelig visje met verborgen talenten. - G-spuit: Schoonmaakapparaat voor die moeilijk vindbare plekjes.
Ga- Gaankomen: Halfweg bereiken. - Gaap, neut, miet: Eerste woorden op Synonitaans leesplankje. - Gaatjesharing: Geliefde zeefvis om een praatje mee te maken. - Gabardiner: Waterdichte avondmaaltijd. Zie ook Nattafelen* - Gadeslaaf: Lijfeigene die een oogje in het zeil houdt. - Galabonket: Feestelijke maaltijd met copulatie toe. - Galamander: Feestelijk uitgedoste amfibie. - Galanteriek: Attribuut gebruikt bij hoffelijk SM-bedrijf. - Galanteriem: Attribuut gebruikt bij hoffelijke bondage. - Galgenplaag: Sterk toegenomen hoeveelheid officiële hangplekken. - Galgentaas: Hanglul. - Galmanak: Jaarboek om van te kotsen. - Galneut: Bittertje. - Galopparen: Een snel vluggertje hebben. - Galscherm: Parachute die bitter tegenvalt. - Galzoen: Onverwacht bittere ervaring. - Gameter: Zeer lange voortplantingscel. - Gangbaars: Bendevormende roofvis. - Gangbaas: Conciërge. - Gangstier: Bendeleider. - Ganzeriek: Grote vork om eendvogels mee te vangen. - Gapenijnen: Zeer saai Italiaans gebergte. - Gapenkooi: Zie geeuwenkooi* - Gapenkool: Slaapverwekkende onzin. - Gappartement: Kraakwoning. - Gaptonomie: Wetenschap die het jatten op gevoel bestudeert. - Garnaad: Natte spleet met lange voelsprieten. - Gasparkiet: Kooivogeltje voor op de camping. - Gaspirientje: Middeltje tegen winderigheid. - Gassepoester: Meisje dat moeilijk aan de man kwam omdat ze voortdurend liep te ruften. - Gassertiviteitstraining: Cursus onbevangen ruften. - Gastmatisch: Allergisch voor bezoek. - Gastpedaal: Mechanische inrichting om plakkers de deur mee uit te werken. Zie ook Abordeur* - Gaszaad: Manier om zelf brandstof te kweken. - Gauwduif: Illegaal opgevoerde wedstrijdvogel. - Gaviool: Gesnaveld strijkinstrument. - Gazellef: Hoefdier dat moeite heeft met delegeren.
Ge- Gebaarte: Hetgeen geboren is. - Gebakken penen: Je zal er maar mee zitten. - Gebarendriehoek: Verkeersbord dat waarschuwt voor overstekende gehoorgestoorden. - Gebeentemuseum: Tentoonstellingsgebouw voor archeologische vondsten. - Geboortenis: Opvallende bevalling. - Gebruidsaanwijzing: Instructieboekje voor de huwelijksnacht. - Gedagtegoed (1): In het vooruitzicht gestelde oprotpremie. - Gedagtegoed (2): Bedrag dat nog op de pinpas staat als je die verliest. - Geendagsvlieg: Haftenlarve die nooit volwassen wordt. - Geengezinswoning: Vrijgezellenhuis. - Geenhoorn: Mytische viervoeter zonder hoorn op de kop. - Geenmanszaak: Lingeriewinkel. - Geenoudergezin: Weeshuis. - Geenrichtingsverkeer: Chaos op de weg. - Geestverzuiming: Beroepskwaal van spiritisten. - Geeuw van Vlaanderen: Laatste ademtocht van legendarisch verleden. - Geeuwarden: Slaperig provinciestadje in het noorden des lands. - Geeuwekooi: Hok waarin overdag gapen worden opgesloten. - Geeuwerik: Zangvogeltje dat moeite heeft met vroeg opstaan. - Geeuwfeest: Zeer saaie fuif. - Gegrist bestek: Uit de handen gerukt eetgerei. - Gehangenis: Massagalg. - Geheim genietschap: Dragers van zwarte kousen die stiekem samen televisie kijken. - Gehoorzaak: Winkel die geluidsapparatuur verkoopt. - Geilatine: Door seksuele activiteit vrijkomend eiwitpreparaat. -
Geilbaard (1): Vieze oude man. (2): Stijf rechtopstaand gezichtsgewas. Zie ook Ochtendknevel* - Geile Rijders: Huzaren van Bordeel*
- Geilgymnastiek: Natuurlijke methode om seksueel opgewonden te raken. - Geillood: Instrument om de mate van seksuele opwinding mee te meten. Zie ook Blaastet* - Geillotine: Apparaat om zedendelinquenten mee te behandelen. - Geilsha: Japanse slet. - Geilsoldaat: Hitsige militair. - Geilzucht: Ziekelijke en besmettelijke lust. - Gejobsedeerd: Geheel in beslag genomen door het werk. - Gekkoblaster: Apparaat om luidruchtige reptielen mee van de muur te blazen. - Gekscheurend: Zich op een malle manier door het verkeer bewegen. - Geldboeket: Dikke rol bankbiljetten die patsers in hun zak hebben. - Geldheer: Penningmeester. - Geldin: Vrouw die alles alleen voor de poen doen. Zie ook Duitenlief* - Gelebruidrager: Wielrenner die als eerste opgeeft. - Geleerdmiddel: Stof om de kennis te vergroten. - Geleidehand: Hulp in de kruishouding. - Geleislaaf: Iemand die verslaafd is aan drilpudding of lillende dijen. - Geluidshinde: Luidruchtig vrouwelijk hert. - Gelukkig nieuwhaar: Onverwacht genoegen. - Gelulskoekje: Bepaald soort reactie op een usenetbericht. - Gemeensteraadslid: Grootste vuilak in het stadhuis. - Genezis: Eerste hoofdstuk van gezaghebbend medisch handboek. - Genietaliën: Apparaten waarmee militairen met veel plezier bruggen bouwen. - Genietofficier: Hoge militair die ver achter het front ligt. - Genietaal: Buitengewoon begaafde schuttingwoordenschat. - Genitalië: Land waar men zeer op seks is gericht. - Genocider: Bruisende volkerenmoord. - Genohype: Door de media opgeblazen erfelijke eigenschap. Zie ook Molecul* - Genoraal: Algemeen met de mond beroerende. - Genottype: Iemand met aangeboren hedonistische aanleg. - Genottypisch: Het plezier betreffende. - Geocortex: Het aardse deel van de hersenschors. - Geofascist: Iemand met zeer laag-bij-de-grondse opvattingen. - Geotype: Erflijke aanleg van de aarde. - Gepeukel: Het nog steeds tabak rokende gewone volk. - Gepikkeerd: Ontmand. - Gepocht en gemazzeld: Gebluft en ermee weg zijn gekomen. - Geranirum: Sterke drank waaraan veel gepensioneerden vroeg overlijden. - Geratium: Geliefde kamerplant in bejaardenhuizen. - Gereforceerd: Brute afscheuring der kerk. - Geriatrien: Oud wijf. - Germaak: Onbegrijpelijke Duitse humor. - Germafrodiet: Tweeslachtige Duitser. - Germamisme: Verkeerd gebruikt Duits woord. - Germanium: In het Derde Rijk vereerde potplant met blonde bladeren en blauwe bloemen. - Gerontobiel: Rollator. - Gerontologies: Bejaardentehuis. - Gerstedier: Hop. - Gerstekat: Poes met schuimkraag. - Geruftmakend: Luidruchtig flatulerend. - Geruimte: Het staketsel waaraan het heelal is opgehangen. - Gescheurde kruisbrand: Vrouwelijke geiligheid. - Geslachtsdoel: Richtpunt voor de daad. - Geslager: Handelaar in slachtsdelen. Zie ook Vaginering* - Gesmuikt: Beniepig*. - Gespennest: Sluiting van zespuntsgordel in race-auto of gevechtsvliegtuig. - Gesticeleren: Gebaren maken met de teelballen.(BE: van zijn kloten maken). - Geurilla: Bepaald soort primaat die overdadig aftershave gebruikt. - Geurkous: Probaat middel tegen zweetvoeten. - Gevechtsklaas: Sint die zich in probleemwijken staande houdt. - Gevechtsprak: Maaltijd in oorlogsgebied. - Gevechtuitrusting: Staakt-het-vuren. - Gevoegsarm: Behoefte aan ontlasting. - Gevoel voor humeur: Iets wat je moet hebben om je in gezelschap staande te kunnen houden. - Gevulde kloek: Moddervette moederhen. - Gewichtsbedrog: Vrouwenkwaaltje. - Gewreedschap: Martelwerktuig. - Gezangvoerder: Koorleider. - Gezinsgulp: Ritssluiting voor de hele familie.
Gi- Gieraffe: Aasetende vogel met zeer lange nek en tong. - Gierbeton: Bouwmateriaal gemaakt van dunne mest. - Gierbrouwerij: Agrarisch nevenbedrijf dat België wereldfaam heeft bezorgd. - Gierighaard: Kachel die minder energie geeft dan je erin stopt. - Gierkat: Poes die haar uitwerpselen overal rondsproeit. - Gierzwalul: Penis die een hoog krijsend geluid maakt als hij snel boven het hoofd wordt rondgezwaaid. - Giftbeker: Collectebus. - Gigraine: Reusachtige hoofdpijn. - Gildo: Kunstpenis die automatisch aangeeft wanneer je klaarkomt. - Giraffiti: Afrikaans pretentieus vandalisme. - Girafkelder: Ondergrondse ruimte met heel hoog plafond. - Giromaatpak: Italiaans wielrijderstenue. - Gironie: Spot waarmee de Postbank zijn cliënten bejegent. - Gistarist: Improfiteur. Muzikant die er maar een slag naar slaat. - Giswinning: Berichtgeving van oliemaatschappij over de gasvoorraad.
Gl- Gladgeschorem: Witteboordencriminelen. - Gladiateur: Oud Romeins toestel om kampvechters mee koel te houden. - Glasgenoot: Hollander waarmee je je ranja deelt. - Glasmus: Vogel die tegen ruiten vliegt. - Glassificeren: Rangschikken naar mate van doorzichtigheid. - Glassikaal: Met zijn allen inschenken. - Glasso: Doorzichtig en breekbaar werpkoord. - Glastiek: Wat een glasblazer maakt. - Glastronomie: De kunst van het inschenken. - Gliberaal: Wel zéér vrijzinnige paling. - Glimburger: Keurig opgepoetste inwoner van het oosten des lands. - Glimpworm: Bodemdiertje waarvan je maar weinig te zien krijgt. - Glimwurm: Lichtgevende dreumes. - Globallisering: Wereldwijde verkakkering. - Globeprotter: Iemand die de hele wereld verruft. - Gloeitamp: Snikkel met sambal.
Gn- Gnoestig: Met het humeur van een Wildebeest.
Go- Gobrilla: Slechtziende mensaap. - Goddelozer: Iemand die zich van zijn geloof af keert. Zie ook Mohamgedaan* - Godhaantje: Vogeltje (Regulus almighty) zo klein dat het alleen met het geestesoog is waar te nemen. - Godsdienstfaneut: Dronken extremist. - Godslustering: De bling-bling waarmee volkshelden worden opgepimpt. - Godvink: (Pyrrhula deo) Wie in hem gelooft heeft eeuwig geluk. - Godvluchtig: Snel voorbijgaande gelovigheid. - Godwin's Lawn: As the grass grows longer, the probability of a dilemma between hay feever and a nagging wife approaches one. - Goedgefluimd: Grondig ondergerocheld. - Goedgeiligman: Bejaarde kindervriend met bijzonder cadeautje in gedachten. - Goktober: Actiemaand van Holland Casino. - Golfban: Verbod om de green te betreden. - Golfbeun: Iemand die net doet alsof hij een aardig balletje kan petsen. - Gongpad: Oorverdovende amfibie. - Gonorroek: Kraaiachtige vogel met druiper. - Gonorrok: Mythische vogel die verondersteld wordt regen te veroorzaken. - Goochelen: Misleidende informatie verzamelen mbv.bepaalde internetzoekmachine. - Gooikist: Bak waar je je eten in pleurt om te garen. (magnetronoven) - Goorarts: Zie Anaaloog 2*. - Goorclip: Anuspiercing. - Goorilla: Apensoort die poep naar toeschouwers gooit. - Goorle: Smerige buitenwijk van Bilburg (NB). - Goorwurm: Diertje dat in smerige holtes leeft. - Gootheidswaanzinnige: Megalomane mislukkeling. - Gordiaanse knop (1): Druktoets waarmee onontwarbare knopen ontward worden. (2): Zeer ingewikkeld gevormde eikel. - Gorgelconcert: Badkamermuziek. - Gorgeldier: Lamasoort die zeer goed de bek spoelt alvorens te spugen. - Gorillach: Bewoner van Blijdorp die het in zijn vuistje doet. - Gouden handruk (1): Afscheidscadeautje van secretaresse. - Gouden handruk (2): Eerste prijs Olympische Spelen op het onderdeel 100 liter masturberen. - Gouden koers: Jaarlijks rondje rond de Grote Kerk in Den Haag. - Gouverneuk: Hoofd van gewestelijk bestuur dat vrijwel alles verprutst.
Gr- Graafschaap: Gelders schapenras dat in de middeleeuwen werd ingezet om verdedigingswerken op te werpen. - Graagcirkel: Favoriete landingsplaats voor ufo's. - Graagstuk: Willig wicht. - Graaicirkel: Afstand waarbinnen vrouwen bereikbaar zijn voor mannen. - Graaimachine: Door moderne vrouwen gebruikt tijdens de uitverkoop. - Graaiorgel: Muziekinstrument waarvan de eigenaar de centen zelf uit de portemonnaie van de voorbijgangers haalt. - Graanpakhuig: Opslagruimte in mondholte van hamsters. - Graasveld: Weiland. - Grafduinen: Rondsnuffelen op kerkhoven. - Grafkelner: Iemand die lijken van drank en spijs voorziet. - Grafmaaier: Werknemer die op kerkhof boven de grond uitgroeiende lichaamsdelen verwijdert. - Grafstennis: De ophef die ontstaat als een lijk zich niet wil laten begraven. - Grafzwerk: De ruimte aan het einde van de tunnel. - Grammaticaan: Iemand die zich druk maakt over de taalregeltjes. - Grammatsica: Geheel van regels volgens welke taalfouten goedgerekend worden. - Grammofoonplant: Organisme dat tevoren opgenomen geluiden voortbrengt. - Grammotica: Wetenschap die zich toelegt op de bouw van platenspelers. - Granaal: Menselijke granaat. Krijgt voor grotere effectiviteit voornamelijk hatchee* te eten. Zie ook Kontploffing*. - Granaan: Geelgekleurd ballistisch projectiel. - Granaatappel: Verzoek van iemand om met geweld een einde aan zijn leven te maken. - Grapezewerker: Tapper van gewaagde moppen. - Grapjap: Humoristische aziaat. - Grapkast: Bergplaats voor humorist die niet genoeg heeft aan een moppentrommel. - Grasaaier: Overdreven milieuvriendelijke natuurliefhebber. - Grasaanval: Hooikoorts. - Grasblazer: Tuinornament dat het gazon gezellig laat wuiven. - Grasduiken: Geliefd vrijetijdsvermaak onder de boerenbevolking zodra het gewas twee kontjes hoog is. - Grasfitter: Hovenier die graslekken* repareert. - Grasgeiser: Biologisch warmwatertoestel. - Graslek: Oorzaak van kale plekken in gazons. Zie ook Grasfitter*. - Grasmasker: Probaat, maar weinig flatteus middel tegen hooikoorts. - Grasstel: Paartje in gras van twee kontjes hoog. - Grastronoom: Specialist op het gebied van koeienvoedsel. - Gratenkaas: Slecht gefileerd melkproduct. - Gravitatiet: Borst die de zwaartekracht niet heeft kunnen weerstaan. - Gregooriaans: Traditie van schunnige kerkliedjes. - Griendel: Vrouw die altijd maar huilt omdat ze er niet genoeg van kan krijgen. - Grienprik: Pijnlijke vaccinatie tegen huilenpest*. - Grietgrutter: Kruidenier die op de meisjes let. - Grijnzende slapen: Bakkebaarden van oor tot oor. - Grijscompensatie: Haar verven. - Grijsschieten: Competitief oplossen van een maatschappelijk probleem. - Grinneuken: Min of meer grijnzend copuleren onder het slaken van knorrende geluiden. - Groeiboot: Met de hand voortbewogen vaartuig dat met elke haal aan de riemen groter wordt. - Groeilamp: Steeds groter wordend lichtpunt. - Groeipering: Aanwassende groep personen die een gemeenschappelijk doel nastreven. - Groene Broekje: Standaardkledingstuk voor mensen die onzeker zijn over hun onderlichaam. - Groepsstaal: Steekproef. - Groetfilter: Akoestisch apparaat dat selectief betuigingen van beleefdheid doorlaat. - Groetland: Land waarvan de bewoners elkaar steevast beleefdheid betonen. - Groezel: Smerige engerd. - Grondbegingsel: Verlaten principe. - Gruisigen: Niet al te hardhandig stenigen. - Gruispunt: Gevaarlijk verkeersknooppunt.
Gu- Guebrilla: Visueel gehandicapte partizaan. - Gulpeloos: Onmachtigheid bij hoge nood. - Gulpexpeditie: Kruistocht. - Gulphond: Viervoeter die getraind is om de broek van gehandicapten open te ritsen. - Gulps: Zeer wellustig. - Gulpstuk: Behulpzame kanjer. - Gulpvaardig: Zelfs de meest lastige broeken weten open te krijgen. - Guranium: Kamerplant met lichtgevende bloemen. - Gutsmoes: Excuus dat meewarigheid opwekt. - Gutto: Weidevogel die een jammerend 'agut, agut, agut' laat horen. - Guurland: Zuid-Amerikaans land met onaangenaam klimaat. - Guurpruim: Onaangenaam koud en droog sneetje.
Gy- Gyneucoloog: Vrouwenarts die zich verzekert van werk.
Home A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z |
