F
Fa
-
Faamborstig: Een vermaard stel tieten bezittend.
- Fabeltjesklant: Goedgelovige.
-
Fabrikaas: Industrieel vervaardigd melkproduct.
-
Fabrikoos: Genetisch gemanipuleerde pruim.
- Facelist: Slimme manier om zonder operatie toch van je rimpels af te komen.
-
Facetlift: Verticaal transportmiddel met vele aspecten.
-
Fadoos: Zangeres van Portugese smartlappen.
-
Fagod: De tenor onder de houten goden.
-
Fairwax: Door greenkeepers gebruikt middel om het zelden gebruikte
deel van een golfbaan mee te onderhouden.
-
Fakefietje: Avontuurtje met drag queen.
-
Fakier: Niet snel geprikkelde vagina.
-
Falieklant: Sado-masochistische hoerenloper.
-
Falus: Tekortschietend lid.
-
Familiebedrekking: Bevuilen van het eigen nest.
-
Familiekwal: Oom Henk.
-
Familieveest: Waardevol windje dat van vader op zoon wordt
doorgegeven.
-
Familieveter: Omstreden erfstuk in heel arme familie.
-
Fanalfabeet: Maniakale ongeletterde.
-
Fanatikus: Zoen die de tonsillen beschadigt.
-
Fantaster: Idool dat niet van bewonderaars kan afblijven.
-
Farmafeut: Eerstejaars student medicijnen.
-
Farmateut: Tweedejaars student medicijnen.
-
Fat-food restaurant: Gelegenheid waar je een vette bek kan halen.
-
Fat food: Snelle vette hap.
-
Fatal morgana: Dodelijke illusie.
-
Fatsoensbakker: Moralistische brood- en banketverkoper.
-
Fatsoenskakker: Iemand die normen en waarden afmeet aan merken als
Lacoste en Kappa.
-
Fatsoensprakker: Iemand die gehakt maakt van normen en waarden.
-
Fatsoensrekker: Iemand die het niet zo nauw neemt met de geldende
moraal.
-
Fatsoensrukker: Man die alleen masturbeert met zijn broek aan.
-
Fatwas: Islamitisch verbod op het gebruiken van wasmachines door
vrouwen.
-
Fatzoen: Nuffig kusje.
-
Faux pats: Tikje op secretaressenbil.
-
Favoreten: Lievelingsgerecht.
-
Fazang: Luidruchtige boskip die de kaneuries* en
fluistervinken* volledig overstemt.
Fe
-
Februaristalker: Iemand die anderen hinderlijk volgt, maar in
schrikkeljaren het spoor bijster raakt.
-
Februiari: Maand die soms ineens de pijp aan Maart geeft.
-
Federatiet: Borst voor gemeenschappelijk gebruik.
-
Feestachtig: Iets dat wel wat lijkt op een vrolijke bedoening.
-
Feestharken: Stijve jubilarissen.
-
Feestkneus (1): Iemand die partijen opluistert met onhandig optreden. (2): Door klapsigaar veroorzaakte aangezichtsschade.
-
Felicatesse: Lekkernij die uitgedeeld wordt als er wat te vieren
valt.
-
Felicatessenwinkel: Cadeaushop.
-
Femesis: Godin van de vrouwenbeweging.
-
Femi-autonoom: Vrijwel zonder hulp van mannen kunnend.
-
Femi-bungalow: Blijf-van-mijn-lijfhuis.
-
Femi-wetenschappelijk: Zoals een vrouw het beredeneert.
-
Femicitatie: Gelukwens waarbij gezoend mag worden.
-
Feminar: Studieconferentie van de vrouwenbeweging.
-
Femissionair: Gescheiden, maar nog lopende zaken afhandelend voor
ex-man.
-
Fenomenaad: Verbazingwekkend grote scheur.
Fi
-
Fiatco: Tegenvallende Italiaanse auto.
-
Fictioneef: Is eigenlijk een nicht.
-
Fictioneet: Ei van denkbeeldige luis, veroorzaker van denkbeeldige
jeuk.
-
Fietsenstalking: Bumperkleven voor tweewielers.
-
Fietsnut: Sukkel van de ANWB.
-
Fietspadden: Tweewielige amfibieën (Bufo velo). In het voorjaar
ook veelvuldig als tandem.
-
Figuurzeug: Vrouwelijk varken dat aan de lijn doet.
- Fijnheiden: Zeer andersgelovige.
-
Fijnzuinigheid: Typisch Hollandse karaktereigenschap.
-
File americain: Kettingbotsing.
-
Filesoferen (1): In de file nadenken over het doel van het leven. (2): Op de sofa liggen nadenken over het doel van files.
-
Filetilist: Verzamelaar van verkeersopstoppingen.
-
Filharminie: Heel klein symfonieorkest.
-
Filmvagina: Vrouwelijk geslachtsdeel dat veelal in het donker wordt
bekeken.
-
Fiscussie: Verhit gesprek over belastingen.
-
Fiscuswerpen: Geldbesparende sport.
-
Fiskwaal: Uitstel van belastingaangifte wegens slepende ziekte.
Fl
-
Flageoleut: De lol na het eten van veel bonen.
-
Flapoord: Nudistencamping.
- Flappertanden: Loszittend (kunst)gebit.
-
Flater: Broeder die zich moet gaan schamen.
-
Flatteuse: Waalse kotmadam.
-
Flatulente: Winderig voorjaar.
-
Flensentrekker: Iemand die pannekoekenhuizen oplicht.
-
Flepperkast: Apparaat waarmee je na inworp van een muntstuk een
flepje kan maken.
-
Flesbienne (1): Vrouw die liever aan de drank zit dan aan de mannen. (Zie afbeelding) (2): Glazen pot.
-
Flesrooster: Belangrijk werkschema in een crèche.
-
Flessebes: Klutskous.
-
Flessenaar: Iemand die oplichterij doceert.
-
Flessure: Ongemak van drankoholicus.
-
Flexicon: Woordenboek met betekenissen waarmee je alle kanten uit
kunt.
-
Flikadel: Vleesproduct gemaakt van in de pan gehakte politieagenten.
-
Flikkerautomaat: Kast waar tegen betaling homo's uitkomen.
-
Flikkernicht: Iemand die zo nu en dan homofiele gevoelens heeft.
-
Flikvlooien: Rotzooiende springertjes.
-
Flipperkat: Poes met twee drukknoppen aan de achterkant.
-
Flitsenstalling: Opslagplaats voor snelheidsovertredingen.
-
Flopgeest: Spook dat er maar niet in slaagt om mensen bang te maken.
-
Flosburyflop: Methode van tandverzorging die nooit een succes is
geworden.
-
Flosrukken: Badkamervariant van touwtrekken.
-
Flossiel: Heel oud stukje draad dat tussen de tanden wordt
aangetroffen.
-
Fluimenkruid: (Anthristus lama) Plant die vanuit wegbermen naar
voorbijgangers spuugt.
-
Fluimingo: Rochelende waadvogel.
-
Fluimvee: Rochelend gevogelte.
-
Fluisterchampagne: Bubbelwijn met weinig prik.
-
Fluistereo: Geluidsinstallatie in de mute-stand.
-
Fluistervink: Belgische vinkensoort (Fringula fezel). Bij wedstrijden
gaat het erom welke vogel het zachtste zingt.
-
Fluitenant: Officier bij de KMK.
-
Fluiteren: Op bedekte wijze fluiten.
-
Fluitmesje: Bestek voor een lul waarmee je nog een appeltje hebt te
schillen.
-
Fluitspier: Kringvormige spier aan het einde van de endeldarm waarmee
gierende winden worden geproduceerd.
-
Fluitvliegje: (Drosopiela ejaculatio). Insect dat wordt aangetrokken
door overrijpe penissen.
-
Flutheraan: Lid van kerkgenootschap dat overal schijt aan heeft.
-
Flutjebroek: Flodderige West-Friese klederdracht.
-
Flutketel: Waterkoker die zijn eigen fluit lanceert.
-
Fluturisme: Moderne kunststroming.
-
Fly-rover: Snelwegpiraat.
Fo
-
Foefnummer: Spectaculaire sex-act.
-
Foeihard: Onfatsoenlijk luid.
-
Foeto: Scan van ongeboren vrucht.
-
Foetsus: Onverklaarbaar verdwenen embryo.
-
Foeyonghaai: Belangrijke grondstof in Chinese restaurants, oa voor
Haaiekinnensoep*
-
Fokagente: Undercoveragente van de zedenpolitie die iets te ver gaat in haar
participatie.
-
Fokmeel: Sperma van droogkloot.
-
Folterkramer: Iemand die op de markt martelwerktuigen verkoopt.
-
Folterring: Trouwring die steeds meer gaat klemmen.
-
Fomatje: Waar kandidaat-ministers op moeten komen.
-
Fondeistel: Apparaat waarmee aan tafel eitjes kunnen worden gekookt.
-
Foongelach: Beschimping door een callcenter.
-
Fopbellen: Telefonisch belletje lellen.
- Fopblaaspop: Namaakvrouw die uit haar vel springt als er iets wordt ingestoken.
-
Fopbrengst: De knopen en ander nepgeld die in men aantreft na een
collecte.
-
Fopdracht: Order waarop je je had verheugd maar waarvan de
bevestiging nooit wordt ondertekend.
-
Fopdringerig: De neiging hebbend om anderen beet te nemen.
- Fopduiken: Uitvoeren van een 'schwalbe' tijdens het voetbalspel. Zie ook Nepilepsie (2)
- Foperwt: Peulvrucht die vaak in de bonen is.
-
Fopkalefateren: Meer min dan meer weer in orde brengen.
-
Fopkneus: Iemand die net doet of hij onhandig is.
-
Fopstier: Koe met voorbindpenis.
-
Foptograferen: Iemand natspuiten met een nep-camera.
-
Fopvlieger: Rood hoofd waardoor iedereen denkt dat je nog een
blozend, braaf bloempje bent.
-
Fopwinding: Gespeelde seksuele lust.
-
Formidabal: Uitstekende worp of schot bij balsport.
-
Formulewager: Alchemist.
-
Fortissimol: Luidruchtig graafdier. Zie ook Windmollen*
-
Fosforgraneut: Zeer brandbaar en dodelijk drankje.
-
Fotobraaf: Gezichtsuitdrukking van een eikeltje dat er op de foto
altijd als een engeltje uitziet.
-
Fotofobiel: Nachtvoertuig.
-
Fotograf: Laatste rustplaats voor foto's, meestal een doos op zolder.
-
Fotolist: Gemanipuleerde afbeelding om iemand mee te chanteren.
-
Fouto: Onscherpe, bewogen of anderszins mislukte afbeelding.
-
Foxrot: Enge hondenziekte, gepaard gaande met spastische bewegingen
in vierkwartsmaat.
Fr
-
Franchiscaan: Kloosterling die een filiaal voor zichzelf is begonnen.
-
Franeuker: Fries stadje waar alle meisjes Franneke heten.
-
Fransofoon: Apparaat waarmee in slechts één taal kan
worden gecommuniceerd.
-
Fransseksueel: Iemand die alleen aan zijn gerief komt door orale
seks.
-
Frappistenbier: Opmerkelijke Belgische drank.
-
Freakadel: Vleesproduct waarvan je gek zou worden als je wist wat er
in zat.
- Friese voorlopers: De mannen die het ijs testen.
-
Friesmeelpudding: Vooral in het noorden des lands genuttigd nagerecht.
-
Frieteuse: Patatbakster.
-
Frietkoter: Kind dat alleen snelvoer eet.
-
Frituurpad: Amfibie die eieren legt in hete olie.
-
Frituurpand: Officiële term voor snackcar.
-
Friviool: Lichtzinnig snaarinstrument.
-
Frivol: Vervuld van lichtzinnigheid.
-
Fronsmachine: Face-lift.
-
Fruiterij: Moderne fruitwinkel.
-
Fruiteuse: Verkoopster in fruiterij*.
Fu
-
Fucksia: Vooral bij alleenstaanden geliefde kamerplant.
-
Fucky Luke: Legendarische cowboy die sneller van bil ging dan zijn
schaduw.
-
Fuiver: Hoogbenige Fuifleeuwerik, ook wel feestbeest genoemd.
-
Fumerarium: Rookcentrum.
-
Fundamentepel: De grondslag rakende borsten te bezitten.
-
Funzigheid: Engelse onderbroekenlol.
-
Fusteloos: Uitverkocht café.
-
Futaliteit: Dodelijk ongeluk in klein hoekje.
Fy
-
Fyziek: Lichamelijk niet in orde.