D
Da
-
Daaddonor: Man die buiten de spermabank om vrouwen bedient.
-
Daadline: Het moment dat je klaargekomen moet zijn. Zie ook -
Neukenwekker (2)*
-
Daags hopje: Ochtendgymnastiek.
-
Daarzeggen: De weg wijzen.
-
Dactylul: Masturbatie-ritme van één klemmende
handgreep, gevolgd door twee losse.
-
Dadelborst: Prinses uit het bijbelse Hooglied. Zie ook Looglied*.
-
Dadenherdenking: Maandagmorgen op het werk met de collega's.
-
Daderboom: Hoogste boom in de buurt, waaraan misdadigers worden
gehangen.
-
Daderlaten: Het publiekelijk laten leeglopen van een misdadiger.
-
Daderontsteking: Feestelijke inschakeling van elektrische stoel.
-
Daderschapsverlof: Verlossende gevangenisstraf.
-
Dafsnijden: Mensen in truttige autootjes laten schrikken.
-
Dafspoelen: Mensen in truttige autootjes zo laten schrikken dat ze
het kanaal inrijden.
-
Dafstammeling: Volvo 343.
-
Dagressor: Iemand die alleen 's nachts tot rust komt.
-
Dagteak: Houtsoort die binnen 24 uur al verrot is.
-
Dakbed: Eerste stap op weg naar hemelbed.
-
Dakbedrekking: Wat een daklozer* doet.
-
Dakhengst: Speciaal voor Sint gekweekt paard.
-
Dakkraam: Marktstalletje op toplocatie.
-
Daklozer: Luie zolderbewoner. Zie ook dakbedrekking*
-
Damesenkelspeld: Prikkelend sieraad van tennissters.
-
Dameskaper: Schaker. (Zie afbeelding)
-
Dampetampen: Zwetend copuleren.
-
Danzania: Afrikaans land dat dol is op feestjes.
-
Dardaknellen: Veel te nauwe zeestraat door Turkije.
-
Darmenië: Land waarvan de bewoners voortdurend aan de dunne
zijn.
-
Darmgast: Sodomiet.
-
Darmsport: Soort Drollenspel*
-
Dartbewaking: Bodyguard van pijltjeswerper.
-
Dattumstempel: Afdruk van je-weet-wel.
De
- De Blauwe Knop: Populaire benaming voor de Socialistische Jongemannenbeweging tegen Masturbatiebestrijding (CJM).
-
Debetteren: Ruziën over een factuur.
-
Debiels: Lichtelijk gestoorde dwarsliggers.
- Decibiel: Zwakzinnige die een hele hoop lawaai maakt.
-
Decollecté: Gleuf in laag uitgesneden hals waar men voor het
goede doel geld in kan doen.
-
Deconfriture: Tegenvallend patatje met.
-
Deconomie: Recessie.
-
Decoupeerzang: Melodisch geluid dat door bepaalde zaag wordt
voortgebracht.
-
Decroupierzaag: Toestel waarmee spelleiders van speelbanken zich in
vorm houden.
-
Deelloos: Iemand uit één stuk.
-
Defecatiet: Vrouwenborst waarvan je zin krijgt om te poepen.
-
Degenegeren: Doen alsof er geen achteruitgang is.
-
Degeneratiet: Vrouwenborst in verval.
-Déjà nu (1): Gewaarwording waarbij het is alsof men op dit moment iets beleeft.
- Déjà nu (2): Gewaarwording alsof je naakt voor een zaal vol mensen staat.
-
Dekatlon: Wedstrijd waarbij in zo kort mogelijke tijd tien katten
moeten worden gemept.
-
Dekbedoverrek: Gemoedstoestand van iemand die zich realiseert waar al
die tijd zijn sokken zijn gebleven. Zie ook Sokkaas* en
Mesokke*.
-
Delarium: Kolder veroorzaakt door overmatig drankgebruik.
-
Deldrofiel: Man die een dikke stam krijgt van sletten.
-
Delefoon: Communicatietoestel dat door meerdere mensen moet worden gebruikt.
-
Delikopter: Overheerlijk hefschroefvliegtuig.
-
Delivaat: Zeer breekbare afwas.
-
Demember: Maand waarin je tot de conclusie komt dat het weer te laat
is om al die lidmaatschappen op te zeggen.
-
Demoonstratie: Opstand des duivels.
-
Denkbrauw: Toevoeging aan het gelaat, bedoeld om er intelligenter uit
te zien.
-
Denkstank: Smerige lucht die vrijkomt bij gepieker.
-
Deo volengte: Zolang de Here wil.
-
Departemens: Rijksambtenares.
-
Derectiepoortje: Voorziening waarmee opgerichte penissen tot rust
kunnen worden gebracht, veelal toegepast in zwembaden en sporthallen.
-
Deserzeur: Soldaat die iedere dag toestemming vraagt om ervandoor te
mogen gaan.
-
Desinsecteren: Voor het slapen op muggenjacht gaan.
- Desoldaat: Strijder die eenzaam gewond op het slachtveld is achtergebleven.
-
Desport: Wereldkampioenschap met slechts één deelnemer.
-
Deukniet: Rakker die tegen auto's schopt.
-
Deukplank: Springtoestel in zwembad waar je niet vanaf kunt duiken.
-
Deunstertje: Meisje dat liedjes moet zingen.
-
Devibrillator: Noodknop op gemotoriseerde dildo. Zie ook Doldo*.
Di
- Diabeter: In suikerziekte gespecialiseerde arts.
- Diagriet: Meisje dat zonder oormerk niet is te verstaan.
-
Dichtator: Poëtische potentaat.
-
Dicktaphone: Zie Arbeidstherapiel*
-
Dicktator: Lul met onbeperkt gezag.
-
Dicktum: Woord of gezegde waarin een mannelijk lid voorkomt.
-
Didactiet: Borst van schooljuffrouw die wordt gebruikt bij seksuele
voorlichting.
-
Didarctiek: Onderwijs aan Noordpoolbewoners.
-
Diefstalk: Hinderlijk volgen van inbreker.
-
Diefstuk (1): Gangsterliefje. (2): Mooie zakkenrolster.
-
Dienklad: Door ober veroorzaakte vlek.
-
Dienstbedrekking: Arbeidsgeschil.
-
Dienstklepper: Iemand die de tijd van de baas verkletst.
-
Dienstmusje: Vogeltje dat tegen vergoeding gemorst zaad opruimt.
-
Dievenstaal: Breekijzer.
-
Digiboot: Virtueel vaartuig met twee bakboordzijden.
-
Digitaas (1): Voer voor bèta-vissen. (2): Virtuele leuter.
-
Dignitiet: Waardige pram.
-
Dijenklutser: Iemand die de benen van vrouwen niet uit elkaar kan
houden.
-
Dijenwas: Thigh gloss. Middel om de bovenbenen te laten glanzen.
-
Dijkenkletser: Legendarisch Hollands jongetje dat volgens de
Amerikanen een doorgebroken dijk wist dicht te lullen.
-
Dikdekker: Iemand die op vetkleppen kickt. Ook: Vetisjist*
-
Dikdick: Zeer korte Afrikaanse penis, soms met slurfachtige uiteinde.
-
Dingosaurus: Voorhistorisch voorwerp.
-
Dinoleum: Ouderwetse vloerbedekking.
-
Dinotaurus: Prehistorische stier.
- Diperwt: Depressieve dopvrucht.
- Directoiraat: Bedrijf dat een veel te grote broek aantrekt.
-
Directuur: Tijdstip voor zaken die op afspraak onmiddellijk
moeten gebeuren.
-
Dirigeerstuk: Stoot die met een stokje zwaait.
-
Discothee: Warme kruidendrank met dansende glittertjes.
-
Discrepanty: Kousenbroek met uiteenlopende pijpen.
-
Discutabal: Worp of schot waarover het laatste woord nog niet is
gezegd.
-
Diskretiet: Borst die vrouwen een slechte naam bezorgt.
-
Disnotheek: Uitgaansgelegenheid waar men plaatjes draait voor
snotneuzen.
-
Dissertatiet: Soort interactiet* Borst die een hele
verhandeling begint af te steken als je op het knopje drukt.
Do
-
Dobbermannpincher: Hondenras speciaal gefokt om mee uit hengelen te
gaan.
-
Doctoranus: Doctorvaginus in opleiding.
-
Dodenbakker: Crematoriumeigenaar.
-
Dodencake: Wordt na de plechtigheid met koffie geserveerd.
- Dodenkwake: Fase van de gestorvenebegeleiding die volgt op de eendaflegging*
-
Doehetzelfzak: Masturbatiescrotum.
-
Doennieten: Onorthodoxe mohammedanen.
-
Dogmat: Onwrikbaar vaste vloerbedekking.
-
Doldo: Op hol geslagen kunstpenis. Zie ook devibrillator*.
-
Dolfijnarium: Heelveelpretpark.
-
Dolfön: Zeezoogdier dat zijn eigen haar droog blaast.
-
Dolvette kaas: Geschift melkproduct dat in een kazernij* wordt
gemaakt.
-
Dom Juan: Man die met foute openingszinnetjes komt als: ken ik jou niet
ergens van?
-
Domdomkogel: Type munitie dat nooit zijn doel weet te vinden.
-
Dommentaar: Storend verschijnsel in veel Usenetgroepen.
-
Domnipotent: Achterlijk op alle fronten behalve op seksgebied..
-
Domnivoor: Internetgebruiker die alleen de verkeerde informatie weet
te vinden.
-
Dompoes: Blonde schaamdos.
-
Domputer: Rekenapparaat voor minder begaafden.
-
Domstanders: Ziekelijke personen die niets beters te doen hebben. Zie
ook Kermofiel* en Verrekkijker*
-
Domtom: Niet zo snugger autonavigatiesysteem.
-
Don Pérignon: Alcoholische peetvader.
-
Donald Fuck: Stripfiguur dat zoveel neukt dat het niet eens de moeite
meer neemt om een broek aan te trekken.
-
Donderbroek: Veiligheidskledingstuk om de gevolgen van krachtige
scheten te beperken. Zie ook Kontploffing* en Naadhoos*.
-
Dondergrondse: Metro die al tijdens de aanleg vreselijke herrie
veroorzaakt.
-
Donderhandelen: Bulderend proberen om met een ander tot
overeenstemming te komen.
-
Donderofficier: Sergeant(-majoor).
-
Donderolie: Huismiddeltje tegen blikseminslag.
-
Donderpruik: Haarstukje dat je bewust moet maken van je zondigheid.
-
Donderwijzeres: Stoute schooljuffrouw.
-
Donorroe: Geslachtsziekte die je door iemand is geschonken.
-
Donsdag: Dag om eens heerlijk in bed te blijven liggen.
-
Doodgieter: Onderhoudsman op kerkhof.
- Doodlanding: Slecht afgelopen wederkomst.
-
Doofstoma: Gehoorgestoorde kunstaars.
- Doodssmak: Kus des doods.
-
Doofzwijgen: Je mond houden over hetgeen je niet gehoord hebt.
-
Dooievaar: Bezorger van doodgeboren kindertjes.
-
Dooikoorts: Allergie voor smeltende sneeuw.
- Dooperwt: Soort peulvrucht, nauw verwant aan het Heilig Boontje.
-
Doorndoosje: Sprookjesprinsesje dat heel graag maagd wilde blijven.
-
Doosploegen: Een stevig beurt geven. Zie ook Sletje rijden*
-
Doossijpelen: Vrouwelijke incontinentie. Volkse benaming voor de
aandoening 'Ladytenisme urinosa', zoals in 1974 door Dr. Kutsjelecky
beschreven in het gezaghebbende medisch damesblad 'Doses Disordres'.
-
Doosstraf ®: Merknaam van populair wondermiddel om verlepte
pruimen hun veerkracht terug te geven.
- Dope-erwt: Geestverruimende peulvrucht.
-
Dopelereffect: Verschuiving in de waargenomen werking van
stimulerende middelen.
-
Dopera: Muziekdrama van ernstige aard onder invloed van harddrugs.
-
Doperette (1): Muziekdrama van vrolijke aard onder invloed van
softdrugs. (2): Coffeeshop.
-
Dopherwt: Geweidragend zoogdier dat dol is op frietjes en appelmoes.
-
Dorstin: Koningin die er wel eentje lust.
-
Dorstmachine: Bierpomp.
-
Dovemansknop: Handige schakelaar om het geleuter van anderen mee uit
te zetten.
-
Dovenkleding: Kleren met schreeuwerige kleuren en patronen.
-
Dovenmeester: Kwartelkoning (Crex crex).
-
Doversbende: Brandweerkorps.
-
Dovershol: Brandweerkazerne.
-
Dozengeur en maneschijn: Romantisch realisme.
-
Dozeninstituut: Schoevers.
- Dozenkransen: Parafernalia bij vruchtbaarheidsrituelen. Zie ook Lidsnoeren*
-
Dozomiet: Italiaanse Lesbo.
Dr
-
Draafstoel: Snel en comfortabel zitmeubel.
-
Draagmodder: Drijfzand waarin men niet kan verdrinken.
-
Draaimeurcrimineel: Recidivist die zich op de beddenafdeling van
warenhuizen laat insluiten om een dutje te doen.
-
Dragist: Verhuizer.
-
Drampetampen: Na veel gezeur gemeenschap hebben. Zie ook Zaneuken*
-
Drankmitsbruik: Voorwaardelijke dronkenschap.
- Drankmiskruik: Lege veldfles.
-
Drankrijk: Europees land waar heel veel wordt gezopen.
-
Drekdier: Schijtlijster.
-
Drekharmonica: Instrument waar shitmuziek uit komt.
-
Drekhengst: Professioneel paard dat het in zijn broek doet als het
moet presteren.
-
Drekkebekken: Kontlikken.
-
Drekpleister: Luier.
-
Drekspier: Anus.
-
Drektocht: Gang naar het toilet met een drukzak.
-
Drensbewaker: Douanier die maar om je papieren blijft zeuren.
-
Drentelnaar: Doelloze inwoner van het noordoosten des lands.
-
Driestand: Menage a trois.
-
Drikadel (1): Losbandige plattelandsvrouw. (2): Boerendildo.
-
Drilbuur: Buurman die al jaren aan het verbouwen is.
-
Drildo: Goed afgerichte kunstpenis.
-
Drilkoor: Goep zangers die zich suf oefent.
-
Dringeland: Iemand die altijd haantje-de-voorste wil zijn.
-
Droedelzak: Scrotum om gedachteloos onsamenhangende liedjes
op te blazen.
-
Droefkonijn: Bepaald pelsdier in de periode vlak voor kerst.
-
Droefschrift: Hopeloos mislukt academisch werkstuk. Zie ook
Pissertatie*.
-
Drogedaris: Iemand die zo stoned is als een kameel.
-
Drogline: Graafmachine die net doet of hij grond verzet.
-
Drogmedaris: Nepkameel.
-
Drognose: Voorspelling waarvan je weet dat hij niet uitkomt.
-
Drogonder: Geestelijk verruimde cavalerist.
-
Drolconflict: Constipatie.
-
Drolhockey: Populair straatspel, vooral onder de gegoede jeugd. Wordt
soms besloten met drollebollen*.
-
Drollator (1): Hulpmiddel waarmee ouden van dagen het droltrappen*
nog trachten te beoefenen. (2): WC op wielen.
-
Drollebollen: Populair plantsoenspel onder de opgeschoten jeugd.
Wordt meestal paarsgewijs gespeeld.
-
Drollenspel: Vermaak waarbij uitwerpselen zijn betrokken.
-
Drolmops: Opgerolde bruine jongen aan een stokje.
-
Drolpatronen: Ordening in de drolverdeling in de pot. De studie
daarvan is in Nederland zeer populair en kent een lange traditie. Tot
verbazing van buitenlandse bezoekers is er zelfs een speciale wc-pot
voor dit drollenspel* in gebruik.
-
Drolstoel: Mobiel toilet voor lichamelijk gehandicapten.
-
Droltrappen: Ouderwets straatspel. Zie ook Drollator*.
-
Drombose: Opstopping in het voetgangersverkeer.
-
Dromendaris: Kameel die graag twee bulten zou willen hebben.
-
Drompettist: Politieman die menigtes uit elkaar toetert.
-
Dronkelamp: Zwalkende straatverlichting.
-
Dronkemanspreut: Elk gat waarin een bezopen man wel wat ziet.
-
Droogkloof: Saaie trut.
- Droogklut: Het vrouwelijk equivalent van een droogkloot.
-
Droogmoeder: Vrouw die zwanger is van een droogkloot.
-
Drosopiela: Zie Fluitvliegje*
- Drugcomputer: Instrument om virtuele recreatiemiddelen mee te fabriceren.
-
Drugfout: Overdosis.
-
Drugreden: Verklaring waarom men verslaafd is geraakt.
-
Drugtoets: Dopingcontrole.
-
Drugzak: Pillenpukkel.
-
Druilkoor: Maastreechter Staar.
-
Druiloft: Verregend feest van een huwelijksvoltrekking
tussen twee lustelozen.
-
Druipkaas: Veel te dunne smeerkaas.
Du
-
Dubbele beklazing: Door miscommunicatie
ontstaan incident op sinterklaasavond. (Zie afbeelding)
-
Dubbelgangster: Tweelingboefin.
-
Dubbentje: Muntstukje van twijfelachtige waarde.
-
Duighelm: Nostalgisch hoofddeksel gemaakt van houten latjes.
-
Duikkutrusting: Onderwateropblaaspop.
-
Duimdenkend: Met een overmaat aan fantasie.
-
Duimkerken: Noord-Franse havenstad waar het Engelse leger in 1940
liftend naar huis trachtte te komen.
-
Duitblinker: Ambtenaar bij de Nederlandse Bank die belast is met het
poetsen van oude munten.
-
Duitenlief: Vrouw die alleen maar op het geld van de man uit is. Zie
ook Geldin*
-
Duitland: Rijkste land van Europa.
- Duiveltil: Woonplaats voor gevallen engeltjes.
-
Duivenbende: Groepering die de steden terroriseert door ze onder te
schijten.
-
Duivenpers: Een soort melkmachine.
-
Duizendboot: Cruise-schip.
-
Duizendjarige Lijk: Nalatenschap van Hitler.
-
Duizendpiet: Hoofdluis met een heleboel kriebelpootjes.
-
Dunschilder: Iemand die goedkoop je huis verft.
-
Duodorant: Unisexmiddel om transpiratiegeur weg te nemen.
-
Duogisterij: Brouwerij waar men twee soorten bier vervaardigt.
-
Duotiënt: Uitkomst van een deling van precies twee getallen.
-
Duozend: 2000.
-
Duplomaat: Deense ambassadeur in Legoland.
-
Duroloog: Medicus die hoge bedragen aanrekent.
-
Dutsland: Slaperige staat in Europa.
-
Duurex: Vrouw die is afgedankt omdat ze het alleen met designcondooms
wilde doen.
-
Duurpruim: Verboden vrucht met goud op snee.
-
Duurwerk: Zeer prijzig horloge.
Duwelijk (1): Gedwongen echtverbintenis. (2): Vrijwel tot stilstand gekomen wettige samenleving van
twee personen.
-
Duwworm: Ongewerveld dier dat helpt om verdwaalde auto's uit de berm
te krijgen.
Dw
-
Dwaalnicht: Homo die de weg kwijt is. (Zie afbeelding)
-
Dwaalwichtje (1): Dochtertje van wit wief.
-
Dwaalwichtje (2): Meisje dat op het verkeerde pad is geraakt.
-
Dwarsfluim: Recalcitrante rochel.
Dy
-
Dynamier: Insect dat ontploft als je het probeert te neuken.
-
Dynamot: Nachtvlindertje dat zijn eigen stroom opwekt omdat het bang
is in het donker.
- Dyssexie: Onvermogen om geslachtsdelen te onderscheiden.