laatste bewerkingsdag: 6 jan 2012
door Frits Stoffels
Tijdelijke zaken, eeuwige belangen - ontroerende brieven (1897-1902)
van ouders aan zoon

Evert Jan Stoffels en Jantje Buis geportretteerd omstreeks 1900 door hun zoon Heimen/Hijme Stoffels
de brieven van Johanna en Evert Jan
Mijn overgrootouders, Evert Jan Stoffels (1848 Elburg-1921 Nieuwveen) en Jantje (Johanna) Buis (1848 Enkhuizen-1903 Amsterdam),
woonden een groot deel van hun leven in de hoofdstad.
In februari 1897 gaat hun tweede zoon, mijn grootvader Heimen (later Hijme), op kamers wonen in Utrecht. Hij is daar
in de kost bij een familie. Heimen is dan net negentien jaar oud.
Vanaf die tijd schrijven moeder en vader Stoffels geregeld aan hun zoon. Brieven met familienieuws, met vermaningen
en aanwijzingen, en vooral met ontroerende geloofsontboezemingen van het ouderpaar. Gesteld in een eigenzinnige,
mystieke taal, met elementen van de Tale Kanaäns, zoals men dit typische taalgebruik van bevindelijke stromingen
wel noemt. Beiden waren opgegroeid in de aloude Hervormde Kerk, maar overgegaan naar de (niet meer bestaande) 'Oud
Gereformeerde Kerk' van dominee Cornelis van den Oever uit Rotterdam, die samen met zijn zonen
en enkele andere predikanten verscheidene gemeenten stichtte in het land. Om verwarring met de huidige
'oud-gereformeerden' te voorkomen, wordt, althans door mij, ook wel het begrip Van-den-Oever-gemeenten
gebruikt. De Afscheiding van 1834 had drie groepen doen ontstaan: de hoofdstroom, die later onder Abraham Kuyper, opging
in de Gereformeerde Kerken, een bevindelijke stroom die 'kruisgezinden' werd genoemd, en later, in de jaren veertig, een zeer
eigenzinnige stroming onder leiding van de Benthuizer predikant Lambertus Ledeboer. Van den Oever behoorde
tot de tweede, de kruisgezinde stroming.
Heimen bewaarde de brieven van zijn ouders zorgvuldig tot aan z’n dood, en gaf een enkele maal, vele jaren na ontvangst,
alsnog een (vermoedelijke) datum aan. Na de dood van mijn grootvader nummerde mijn Oom Flip Stoffels
de stapel. Hij deed dat gissenderwijs, op grond van wat hem vanuit inwendige kenmerken de best denkbare volgorde
leek. U zult in het vervolg zien dat ik de brieven soms herschikte, wanneer ik kon aantonen of aannemen dat dit beter was.
In een enkel geval kon zelfs een ongedateerde brief toch nog van een datum worden voorzien, door het toepassen
van eenvoudige kunstgrepen.
In haar brieven spreekt moeder Johanna Heimen ook wel eens met Herman aan. Over die naam hebben Oom Flip en ik ons aanvankelijk
zeer verbaasd. We dachten dat Herman misschien een koosnaampje van zijn moeder was. Wellicht had ze wat moeite met de
typische Stoffelsnaam Heimen.
de eerste brief (1)
De eerste brief is geschreven in 1897, Heimens eerste kosthuisjaar, en zo te lezen is Heimen nog maar heel kort
in Utrecht. De brief zal dan stammen uit de eerste maanden van dat jaar. Hij is, nu nog wel, hoofdzakelijk geschreven
door vader Evert Jan. Moeder Johanna schrijft onderaan een krabbel.
Nog wat toelichtingen bij de eerste brief.
Ezra is de jongelingsvereniging van het Oud-Gereformeerde kerkje van Dominee Ozinga. Cornelis is Heimens jongere broer.
Guurtje was volgens mijn achternicht Jo Pijlman een vriendin van haar moeder, Evert Jans en Johanna’s dochter Marie. Al wordt
ze in één adem met Jacob genoemd, toch betwijfelt Jo of Jacob de mán van Guurtje was. Ze vult nog aan dat Guurtje
naderhand, ik meen als weduwe, hertrouwde met een Van den Berg. Guurtjes eerste man timmerde een linnenkast voor Marie en
haar man, Fetze Pijlman.
de eerste brief (2)
Jacob zou de zoon kunnen zijn van de al eerder ter sprake gekomen neef Jacob Oostendorp en diens vrouw Geertrui Ising.
Ook een broer van Johanna heette Jacob, Jacob Buis, en mijn grootvader had bovendien nog (op z’n minst) twee neven van die
naam van diezelfde Buizen-kant.
Er is dus heel wat keus.
Jo Pijlman denkt echter ook hier uitkomst te kunnen bieden. Na enkele peinsdagen belt ze me op, want ze
weet het ineens: “Jacob, ja, dat was Jacob Monteban. Een zoon of kleinzoon van die Monteban werd later dominee”.
Vervolgens tijg ik naar het Gemeentearchief van Amsterdam en ga op zoek naar gegevens van Jacob Monteban,
in de bestanden van het bevolkingsregister.
Dit is in zoverre beperkt, dat die gegevens pas tot ongeveer 1890 aanwezig zijn, terwijl we
nu, met deze brief, al in 1897 zitten. Toch valt nog wel het een en ander te melden.
Jacob Montebans vader was ook schipper, zodat te denken valt aan een oorspronkelijke vriendschap tussen de beide
vaders. Dirk Monteban kwam uit Nieuwpoort, waar hij, even oud als vader Stoffels, in 1848 geboren was. Dirk trouwde
met Pietertje Huijzer (ook wel: Huizer). Pietertje, geboren in 1855, kwam uit Ridderkerk.
Ridderkerk was aanvankelijk ook de woonplaats van het gezin Monteban, hoewel zoon Jacob op 22 oktober
1878 nog even in Alblasserdam was geboren.
heen en weer tussen wal en schip
Maar op 26 augustus 1884 kwam het gezin over naar Amsterdam. Daar koos de familie het huis Ridderstraat 98 tot domicilie. Daar hadden de
Stoffelsen ook gewoond, maar pas in 1890. Toen waren de Montebans al weg: al in januari 1885 verhuisden ze naar Slijkstraat 12.
Opnieuw volgde een Ridderkerker tijdperk: op 4 augustus 1885 keerde men naar Ridderkerk terug.
Maar op 21 september 1888 landde het gezin opnieuw in Amsterdam, nu op Zandstraat 3. In september 1889
verkoos men het leven op het schip van vader Monteban. Dit lag op de “Kloveniers burgwal voor [het Gebouw van] den werkenden stand”.
Op 25 april 1891 ging men toch weer aan de Zandstraat wonen, nu op nummer 5. En vanaf 30 april 1892 woonden de Montebans
weer op het schip.

‘doe aanstaande Zondag een schoon pak aan’
Geachte Zoon /
wij hebben uw brief in gezondheid
ontvangen en uwe welstand daar
uit vernomen, dat ons genoegen doet,
en het welk wij wenschen dat
gij voort durend moogt genieten.
Wij verwachten natuurlijk van
de week nog eens een brief van u
hoe het gaat, met de werk zaam
heden en uw kost huis, en of gij al
wat op’t oog hebt van een jongelings
vereeniging of zoo iets, want wij
veronderstellen, dat ge u anders
zonder zoo iets zult vervelen,
Gij moet de Compliment hebben
van de President en de leden van Ezra.
Cornelis is heden avond gekozen voor
Secretaris. Wij zijn allen wel en
wenschen u het zelfde toe. Moeder
vraagt of gij om die hand-doeken
wilt denken, om ze mee te brengen als gij
eens komt of als gij wat stuurt, de andre
week bij leven en welzijn, zal moeder
weer wat sturen.
Ontvangt onze [verbeterd uit: onzen - FST]
hartelijke groete
ook van Guurtje en Jacob.
als ook van ons Uw liefhebbende
Vader en Moeder
E.J. & J. Stoffels-Buis.

Heimen doe nu aanstaande
Zondag geheel een schoon
pak aan kousen borstrok
en onderbroek
schrijf vooral van de
week terug de andere
week stuur ik u weer
een pakje haal het dan
maandags af
nu gegroet in haast
uw moeder
j s[toffels - FST] buis
de tweede brief (1)
Opa Stoffels gaf aan dat de straks volgende derde brief nog in 1897 werd geschreven. Oom Flip Stoffels dacht dat de
thans voorliggende brief het nummer ‘2’ zou moeten dragen. In dat geval stamt hij dus ook nog uit 1897. Hij is in zijn geheel
geschreven door moeder J. S. [= Stoffels - FST] Buis.
Nog enkele toelichtingen.
Esra is weer de Oud-Gereformeerde jongelingsvereniging Ezra.
Voorts is sprake van “een nichje uit Enkhuizen een zuster van treintje een frolijke meid”. ‘Enkhuizen’ moet wel duiden op
een verwante van Johanna, iemand uit de familie Buis. Wie precies bedoeld is, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Jo Pijlman neemt
echter als vrij zeker aan dat Marie Blom is bedoeld, een dochter van moeder Jantjes zus Dieuwertje. Nagegaan moet dan worden
of Marie inderdaad een zus Treintje of Trijntje had.
de tweede brief (2)
Heimens broer Cornelis wordt weer in de brief genoemd, maar de aangekondigde ‘letters’ van zijn hand ontbreken.
Ook Jacob (Jacob Monteban?) keert terug. Johanna schrijft: “ik moet eindigen want Jacob zit te wagten”. In de derde brief is sprake
van een eventuele komst van Jacob naar Heimen wanneer hij in Utrecht “eens met de boot moet wagten”. Blijkbaar
was Jacob schipper en gaf Johanna haar brieven soms aan hém mee om ze bezorgd te krijgen.
Tot slot is sprake van “de famielje focchettie”. Heimen was in de kost bij de familie Foccetti, vanaf februari
1897, en verhuisde enkele malen met haar mee.

‘maar daarom vergeet ik u niet‘
Waarde Zoon
lang hebt gij moeten wagten
met hetgeen gij gevraagt hebt
hopende dat gij het in goede
welstand moogt ontvangen en
dan Herman hoop ik ook eens
spoedig weer eenig berigt van
u te ontvangen hoe gij het
maakt Herman ze zijn allen
van avond na esra ook een
nichje uit Enkhuizen een
zuster van treintje een frolijke
meid veel nieuws weet ik niet
te schrijven ik stuur alles zoo
ver ik weet daar gij om gevraagd
hebt als ik soms wat vergeten
heb zal ik het later wel stuuren
Hermen wij hebben van morgen
een heerlijke preek gehoord ik
hoop jongen dat dit voor u
toch een gedurige behoefte
mag worden om maar veel
te vragen Heere leid mij
niet in de verzoeking en dat
gij nimmer de eerste voet
mag zetten op die vreeslijke
wegen van verleiding die voor
uwe ziel ten verderve loopen
mogt gij maar veel uw strerkte
vragen bij den Heere steun
niet op eigen kracht nu Hermen
hier is mijn portret en het
andere cornelis schrijft u
ook een paar letters schrijf
ons spoedig terug of gij het
ontvangen en een groote brief
och jongen ik heb zoo weinig
tyd u te schrijven om mijn
drukke gezin maar daarom
vergeet ik u niet en als de
Heere mij nog eens belieft
u te mogen opdragen Och
mogt gij dat niet vergeten
nu moet ik eindigen
want Jacob zit te wagten
nu vele groete van allen
aan u en de famielje
focchettie zoo noem ik mij
uw liefhebbende moeder
J.S. Buis

‘Heimen, gaat gij wel ter kerke?’
de derde brief
De derde brief is door Opa gedateerd op 1897. In de brief zelf is nog sprake van de hoop “dat wij u met paasen hier weer
eens mogen zien”, zodat het voor de hand ligt de brief te dateren op de weken voor Pasen.
Het is duidelijk dat moeder Johanna’s brieven - ook deze is weer geheel van haar hand - in de loop der tijd
een steeds geestelijker karakter krijgen. En nu ook vóóraan in de brief; daarna pas de familiewissewasjes.
De achterzijde van deze brief bevat een schrijven van Heimens broer Cornelis. Dat gedeelte heb ik overgebracht naar de
kroniek over Cornelis: De derde kunstbroeder.
Eduard is Heimens oudste broer. De jongens droegen blijkbaar elkaars onderbroeken!
Ook Guurtje zien we terug, en Jacob (Monteban).
Marie is Heimens oudste zuster.
“tante Bouk” is een zuster van Johanna, uit Enkhuizen.

‘gaat gij zondags wel ter kerk‘
Geliefde Zoon
Wij hebben uw brief en
briefkaart in een goede
welstand ontvangen en
daar uit vernomen dat gij
u nog al schikken waar
wij blij om zijn ik hoop
Heimen dat gij de Heere
niet vergeet dat die het
eerste in uw hart mag
gedagt worden want die is
het waardig en och dan
is het in alles gemakkelijker
dan worden ons
[gedeeltelijk overdekt door vlek - FST] alle dingen
toegeworpen gaat gij Zondags
wel ter kerk nu herman
hier is het kasje en nog wat
goed als gij kunt stuur dan

die twee andere onderbroeken
van Eduard terug en zeg dan
of gij goed
[verbeterd uit ‘goede’ - FST]
genoeg hebt wij
hoopen dat wij u met paasen
hier weer eens mogen zien
guurtje en Marie zullen
u de andere week schrijven
nieuws is hier niet als tante
bouk in utrecht komt zult
gij nog wel eens zien en als
Jacob soms eens met de boot
moet wagten komt hij eens na
u toe Herman gij moet ons
ook een breed voerig schrijven
of uw patroon uw bevalt en
of het uw bevalt nu ik
weet niet meer te schrijven
nu hopende dat gij ons
spoedig weer zult schrijven
en na u van allen gegroet
te hebben ook aan de
famielje focchetti
en zoo noem ik mij na u in
s heeren gunst aan bevolen
te hebben uw Moeder
J. Stoffels Buis
________________
de vierde brief (1)

De volgende brief is eindelijk eens door de afzenders gedateerd: 21 december 1897. Dit keer heeft ook vader
Evert Jan zich weer eens aan het schrijven gezet, met zijn handschrift van lange, wat stakerige halen. De brief
is geschreven ter gelegenheid van Heimens verjaardag op 22 december. Na Evert Jan schrijft Johanna nog een stuk; zie
daarvoor verderop.
Enkele toelichtingen:
“het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur” is een staande uitdrukking in bevindelijke kring. Ze wordt
dan ook zo vermeld in het standaardwoordenboek van de tale Kanaäns, De weg in woorden, het proefschrift van C. van de Ketterij.
Barend Luidens overleed als Berend Luidens op donderdag 16 december 1897 in het Binnengasthuis te
Amsterdam. Hij was inderdaad zesenvijftig jaar, woonde op Barentszplein 35 en was net als Evert Jan Stoffels
schuitevoerder te Amsterdam. Berend Luidens werd in het Groninger Schouwerzijl geboren, als zoon van Eltje Hartsema
en Pieter Luidens. Hij was gehuwd met Ietske of Jetske Zwartsenburg. Jo Pijlman meent zich te herinneren dat een
zoon van Berend getrouwd was met een zuster van Ger Hemink. Ger was de vrouw van zoon Eduard Stoffels.
Oom en Tante in Rotterdam: in Rotterdam woonde Evert Jans oudere broer Jacob Christiaan Stoffels. Met diens zoon
Chris kon Heimen het goed vinden. Heimen en Chris trokken in hun jonge jaren veel met elkaar op, met name fietsend. Ze
worden samen in Amsterdam bij Evert Jan en Johanna verwacht, zoals verderop ook Johanna nog aanstipt.
‘het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur’
Amsterdam 21 Dec. 97.
Waarde Zoon.
bij deze filiciteren wij U. met de
vermeerdering uwer jaren hopende
dat gij nog vele jaren in een
goeden welstand moogt beleven.
Heimen dit is het eerste jaar dat
gij uw verjaardag buiten uw Ouders
huis viert, wie weet of we het
beleven dat gij dien dag eens weer
bij ons beleeft, want het is teregt
waar, het leven is een damp, de
dood wenkt ieder uur, dit hebben
wij deze afgeloopen week hier
nog ondervonden.
Barend Luidens mijn oude maat
is verleden week Dingsdag na het
gast huis gegaan, en is Donderdag
avond al overleden in den ouderdom
van 56 jaar, die zag er nu zoo flink
uit, en hij is weg. Och dat wij
daar eens bij bepaald mogten wor,,
den, dat onze dagen zoo weinige zijn.
de Heere geve ons dat te bedenken

Heimen wij hebben uw briefkaarten
in gezondheid ontvangen en uwe plannen
daar uit vernomen, doet Oom
en Tante in Rotterdam voor al
de groete van ons, ik had graag
met de Kersdagen gekomen, doch
ik kan niet weg dat spijt mij
wel. wij wenschen U veel genoegen
en verwachten U dan de andre week
te zamen hier, zoo als gij schrijft
Woensdag, gister avond kwam
Cornelis ’t huis die was lang niet
goed, kramp in’t lijf en braken
doch hij was van daag weer vrij
wat beter. Nu Heimen in de
hoop dat we U in den besten welstand
hier mogen zien, noemen wij ons
na hartelijke groete óók aan
[verbeterd uit ‘aak’ - FST] mijnheer
en jufvrouw Focchetti, Uw liefhebbende
Ouders
E.J. & J. Stoffels-Buis
_____________________
de vierde brief (2)

De brief van vader heeft nog een staart van moeder: ook zij wil haar zoon feliciteren.
Haar gedeelte gaat nu echt alleen over geestelijke zaken. We vinden tal van eigenaardige mystieke zegswijzen
en uitdrukkingen, zoals de wens dat ‘de Heere’ Heimen ‘invloeiïngen’ moge geven door zijn geest.
Als het u ledig denkt te wezen (als alles u zin loos en kaal voorkomt, en God ver weg lijkt te zijn) is ook zo’n wending. Piepen en
kirren behoren eveneens tot de vaste spraak der bevindelijke gelovigen. Als de ziel God mist, aldus C. van de Ketterij,
en ook nog eens wordt gekonfronteerd met zonde en schuld, begint het aanroepen. Dit wordt weergegeven
met uitdrukkingen als kirren als een duif, piepen als een zwaluw.
Wat problematisch is, aan het eind, Johanna’s groet aan de familie Van Rheenen in Utrecht. Na zijn kosthuis
bij de familie Foccetti kwam Heimen op kamers bij de familie Van Rheenen. Tot zover geen problemen. Maar volgens Opa’s eigen opgave
bleef hij tot in 1898 bij de Foccetti’s wonen, en verhuisde hij sindsdien zelfs nog enkele malen met hen
mee. Pas hierrna kwam hij bij de familie Van Rheenen in de kost.
Nu doet moeder in deze brief, van december 1897, aan beide families de groeten, en in de volgende, die
halverwege het jaar 1898 geschreven moet zijn, uitsluitend nog aan de Van Rheenens. Het ligt dus meer voor de hand
dat Opa bij de nú voorliggende brief al in de verhuizing naar de Van Rheenens zit, en bij de vólgende al lang en breed
een kamer in het huis van die familie vult. Mogelijk heeft Opa zijn kosthuisgegevens dus niet goed genoteerd - hij deed dit ook pas aan
het eind van zijn leven).

‘o mogt gij het dan maar piepen of kirren‘
Geliefde zoon
Hartelijk gefilisiteerd met deze
uw geboorte dag dit is nu twintig
jaar dat de Heere u spaarde
Och dit wenste ik wel dat gij op
deze dag eens even mogt bepaald
worden en dat gij eens even al was
het maar eene opregte zucht Och
Heere bekeer mij en als dat opregt
geslaagt
[boven de tweede ‘g’ is door een derde, wellicht Opa of Oom Flip, een ‘k’ geplaatst: ‘geslaakt’ - FST] word dan zal het andere
niet achter blijven dan zal ik
bekeerd zijn want door het geloof
kan het gezegt worden mogt de
Heere je maar gedurig onder
je werk of waar ook invloeijings
geven door zijne geest als die
geest in u bezig mag wezen och
jongen wat zou dat deel voor
u groot worden Och dat het je
dan maar een gedurige behoefte
mogt worden en als het u ledig
denkt te wezen klaag het maar
aan hem die de Harte kent en
de niere proeft en al schijnt
het u nog zoo donker O mogt
gij het dan maar piepen of kirren
de Heere hoort het piepen en
kirren wel maar Och jongen maar
weet dit het moet s Heeren werk
worden en als die begint word
het zeker voleindigd vraag het
alles maar den Heere hoe klein
ook de eenvoudige wil de Heere
gadeslaan mogt gij het eens leeren
verstaan nu Heimen moet ik
eindigen groet de famielje
fochettie
en van Reenen
verders van mij
uw liefhebbende
moeder J-S Buis
wij verwagten u met cris
woensdag vele groete
te Rotterdam
‘Al was het een piepen van een zwaluw’
de vijfde brief
De vijfde brief is weer geheel van de hand van moeder Johanna.
Dit keer moet ze haar zoon flink vermanen. Heimen werkt in Utrecht op het kunstatelier van de familie Brom. Heimens baas, mijnheer Brom,
heeft Evert Jan en Johanna geschreven dat hij niet zeer tevreden is over Heimens inzet in de laatste tijd.
Uit het verloop van Johanna’s brief blijkt de reden: Heimen is een hartstochtelijk sportfietser. In die liefhebberij
stopt hij zoveel energie dat zijn werk hieronder lijdt: het is, aldus moeder Johanna, “een roosig werk”.
Ze is overigens vol vertrouwen, want ze heeft iets dergelijks ook aan de hand gehad met oudste zoon
Eduard toen die bij Hendrik (= Hendrik Hengeveld, oomzegger van Evert Jan, zoon van Evert Jans zuster Wijnanda; zie de
kroniek Schilders van het Woord) werkte. Een krachtige vermaning bleek toen afdoende.
Van de “tijdelijke zaken” schakelt Johanna vervolgens over op de “eewige belangen”. Het lijkt of er ook op dit punt een zekere onrust
uit Johanna’s gedachten spreekt; het kan evenwel ook om bevindelijke retoriek gaan: doet die jongen eigenlijk überhaupt
wel iets aan het geloof? Ze is er niet geheel gerust op, lijkt ze tussen de regels door te willen zeggen. Gelukkig staat de deur der genade
(vaste bevindelijke uitdrukking, zie De weg in woorden van C. v.d. Ketterij) altijd nog o pen, ook als alle drog gronden (zeg maar: je
illusies; zie insgelijks) zijn weggevallen.
‘heimen, wees niet zo onverschillig’

Amsterdam
Waarde zoon
Heden middag ontvingen
wij een brief uit utrecht
van uw patroon en zoo als
mijnheer Brom schreef was
hij onte vreden over u de
laaste tijd en Heimen
[verbeterd uit: Herman - FST] dat
is voor ons niet aangenaam
dat te moeten hooren dat
spijt ons zeer nu hoop ik
dat gij dit veranderen mag
en dat ik spoedig hooren
mag dat uw patroon ons
bericht dat het geholpen

heeft je vader heeft belooft
hier u er over aan te doen
maar Heimen ik wil u raden
niet te veel u af te sloofen met
de fiets want ik begrijp dat
is een roosig werk dan raakt
het werk of uw vak op de
achtergrond en dat zou jammer
wezen ik heb het met Eduard
ook wel gehad met Hendrik
dat zijn werk agteruit ging
maar dan heb ik hem vrij-
moedig hier over aan gesproken
en dan mogt ik later vernemen
dat het beter ging nu heimen
hoop ik dat gij niet onverschillig
mogt wezen maar het ter
harte neemt het belangt
je tijdelijke zaken en dan
wenste ik ook wel dit dat
gij je eewige belangen niet
verzuimt dat ik nog er
eens mogt verneemen dat er
in uw hart een innige begeerte
mogt weezen om na de geboden
Gods te leven waar die begeerte
ligt jongen daar is God begonnen
daar vallen alle drog gronden weg
maar dit kan je nooit van
natuure begeeren mogt je nog
eens leeren verstaan wat dit
is Och dan was je gelukkig
voor tyd en eewigheid sta er

na de genade deur staat
nog open wie weet de Heere
mogt zich wenden als je wist
hoe die dienst was Heimen dan
zou je met een David kunnen
zeggen uw liefdedienst heeft
mij nog noit verdroten nu
ik hoop maar dat mijn schryven
geholpen heeft en gij onderdanig
mogt wezen zoo noem ik
mij na hartelijke groete
ook aan de famielje rhenen
uw lief hebbende
moeder J stoffels Buis
de brief met nummer zeven (1)

We zouden nu een brief verwachten met een ‘6’ in de rechterbovenhoek. Die staat er inderdaad,
maar Oom Flip Stoffels heeft hem doorgehaald en er een ‘7’ van gemaakt.
Dat komt doordat Opa een geheel andere brief in het stapeltje voegde, en die van het nummer ‘6’ voorzag. Het
betreft een brief van zijn neef Bart Stoffels uit Elburg, een zoon van schoenmaker Heimen Stoffels.
Opa heeft op brief 7 zelf een datering: “dec ’98”. In de rechterbovenhoek heeft hij, omlijnd, nóg een aantekening geplaatst, in 1939:
“Datum:
tusschen einde
1898 en 1900
H. Stoffels
29-1-39”.
In elk geval is de brief dus geschreven op ‘een’ 21 december, want uit de brief blijkt dat Opa Heimen ‘morgen’ jarig is.
Opa’s datering ‘december 1898’ lijkt de juiste. In de brief is sprake van elkaar ‘Zaterdag’ weer zien, dus zal hij eerder aan het begin of
op de helft van een week geschreven zijn dan aan het eind. In 1898 viel 21 december op een woensdag, in 1899 op een donderdag,
en 1900 is uitgesloten: het was toen al vrijdag. Een aanstonds volgende verjaarsbrief is door vader Evert Jan zelf van de datum 21
december1899 voorzien. Blijft over: december 1898.
de brief met nummer zeven (2)
Aardige bijzonderheid is in deze brief de brei maschine. Die kennen we uit een verhaal van Jo Pijl man: Evert Jan vroeg, als schuitenvoerder
voor onder andere Singer, met nieuwjaar eens om een tweedehandsnaaimachine.
Haar verhaal lijkt door deze brief geheel te worden bevestigd: het loopt tegen het eind van het jaar, en Evert Jan en Johanna krijgen hun machine. Ook
Marie, oudste dochter, zal er op leren breien. En de familie is tevens van plan er geld mee te verdienen door voor derden te gaan breien.
Daar is het volgens Jo Pijlman ook van gekomen:
“De breimachine was een uitkomst voor het grote gezin, maar er kon ook mee verdiend worden. Mijn moeder ging het leren, en uit de verhalen
die ze me vertelde, weet ik dat ze van alles voor haar klanten maakte: schipperstruien, borstrokken, kousen en sokken”.
de brief met nummer zeven (3)

Daarnaast ontstond een gezamenlijke ondernemerschap van moeder Jantje en dochter Marie: een winkelachtig
handeltje in garen, band en lint:
“Die spullen kochten ze in de Jodenbuurt, bij de firma De Vries van Buuren. Die is er nu niet meer, ze is in de Tweede Wereldoorlog verdwenen, maar
dat joodse winkeltje stond ergens waar nu de Stopera staat, op de Snoekjesgracht. Mijn moeder had daar een klantenkaart, waarvan ze nog
vele jaren heeft geprofiteerd”.
Inderdaad kent het telefoonboek van 1915 een firma De Vries van Buuren & Co, gevestigd op Jodenbreestraat 8-14 en op Waterlooplein 1-11.
‘neemt je ouwe kousen mede’

Amsterdam
Waarde zoon
morgen den twee en twintigste
als de Heere het belieft is
het de dag uwer Geboorte
mogt er nog vele jaren voor
uw zijn maar mogt het wezen
tot eere Gods och dat wenste
ik nog eens van u te mogen
hooren dat uw begeerte nog
uit ging om dat te moge
bezitten mogt je er den Heere
eens om vragen al was het een
kirren van een duif of piepen
van een zwaluw de Heere
hoort alles nu jongen dan
hartelijk gefilisiteert
[doorgestreept: ‘dan’ - FST]
met de dag van
[verbeterd uit: ‘nan’ - FST] morgen
Zaterdag hoop ik u weer
te zien in ons midden ik
verlang er weer na dat gij
komt Herman wij krijgen
een brei maschine Marie
leert er al voor en gaan
voor andere ook breijen is ons
plan neemt je ouwe kousen
mede dan kan ik ze aan
bereijen en als gij goed stuk
hebt neem dat dan ook mee
Vader heeft twee weken
thuis geweest wegens ziekte
de Docter er bij maar nu
is het weer iets beter maar
niet geheel nu Herman
ik moet eindigen het
complement aan de famielje
van Rheenen en tot zaterdag
na hartelijke groete
uw Moeder
J. Stoffels Buis
ook gefilisiteert van uw
vader
gegroet
‘Een gezicht in u zelfven’
de brief met nummer 9

De brieven met de nummers 8 en 9 heb ik omgedraaid. En wel hierom. Brief nummer 8 is namelijk weer
een verjaardagsbrief, en draagt de datum ‘21 december 1899’. Brief 9 echter meldt dat oudste dochter Marie ‘vrijdag’ jarig
is. Maries verjaardag viel op 2 juni. De kombinatie ‘vrijdag’ en ‘2 juni’ gaat alleen op voor 1899. De brief met nummer 9
is derhalve ouder dan die met nummer 8, en moet eind mei (of begin juni) 1899 vervaardigd zijn.
Die datering is des te aardiger, daar er in de brief - ook deze is weer van de hand van moeder Jantje - verheugd melding wordt gemaakt van
Heimens belangrijke verkering met Cathrien Pieters, zijn eerste vrouw, zodat we het begin daarvan nu heel goed kunnen dateren. Cathrien wordt in deze
brief overigens niet bij name genoemd.
In de brief wordt nog gesproken van een mogelijk weerzien op “de 25 Julij”. Hiermee bedoelt Jo hanna haar eigen verjaardag.
Weer een brief met enkele bekende uitdrukkingen: in de behoefte geleid worden, het piepen van de zwaluw, het kirren van duiven, droggronden.
'dat aandringen van uw moeder'

Waarde en Geliefde Zoon
uw brief heb ik in goede welstand
ontvangen en ik mogt uit uw
brief vernemen dat gij gelukkig
vaart nu van van harte mag
ik hopen dat uw keuse u niet
rouwen mag mogt u maar
veel in de behoefte geleid
worden om het van de Heere
te vragen of het in zijn gunst
mag wezen want het is uw levens-
stap het verheugt mij Heimen
dat ten eersten dat het een meisje
is van cristelijke Ouders en dat
er bij haar ook een begeerte is
om alles met de Heere te ver-
handelen ik mag het bij er
ervaring weten dat God goed
is O kon ik u maar dat
[daarna doorgehaald: ‘maar’ - FST]
meer aanprijsen zoek dien lieve
jezus maar veel heimen
maar niet in eigen kracht
maar mogt dat aan dringen
van uw moeder u nog eens begeerig
maken en waar een begeerte
gekend word daar laat God
zich niet onbetuigd hij hoort
het
[daarna doorgehaald: ‘piepen’ - FST]
geestelyk piepen van
zijn zwaluws en het kirren
van zijn duiven nu jongen
verders hoop dat de Heere
u leids man wezen mag
en wanneer zullen wij u zamen
nu eens zien misschien als alles
wel blyft de 25 Julij maar
dan hoop ik u eerder te zien
nog voor dien tijd of komt gij
zondag soms vrijdag is marie
jarig zondag komt Eduard
met zijn vrouw ook
nu Heimen ontvangt de
harlyke groete van allen
als ook van mij uw moeder
J stoffels Buis
de Groete aan de famielje van
Rheenen

toen mijn brief klaar was kwam
de brief voor Marie nu geloof
mij jongen mijn hart jaagde
al lang u te schryven maar
de gelegenheid was er niet eerder
en nu durfden ik niet langer
te wagten nu na minzame
groete nogmaals ook aan
het meisje daar uw hart
na uit gaat de Heere zij u
zamen nabij uw liefhebbende
Moeder
‘zo’n lieve, aardige vrouw’
De Familie Pijlman kwam geregeld over de vloer bij de Stoffelsen. Een van hen, Hendriek Pijlman, werd bij
die bezoeken getroffen door moeder Stoffels, Johanna Buis. Hendrieks dochter Suze Stoffels hierover:
“Ik weet nog wel dat mijn moeder zei:
‘Wat een áárdige vrouw’
Ze zei altijd:
‘Heel lief, een heel lieve vrouw’
Dat kon mijn moeder zich nog heel goed herinneren”.
Het gaat overigens niet helemaal goed met Johanna. Ze wordt ziekelijk en dat valt steeds duidelijker uit haar brieven op te maken. Ze
is aan een lange lijdensweg begonnen, een weg zonder terugkeer.
de brief met nummer 8

Nog één brief behandelen we in dit hoofdstuk: de brief met het nummer ‘8’. Hij valt in twee delen uiteen. Het eerste
deel is van de hand van vader Evert Jan, die de brief tevens heeft gedateerd met een “A.dam 22-12-99.”. Ten overvloede
meldde Opa of Oom Flip op het tweede deel, dat door moeder Johanna geschreven is, dat de datum ‘dec 99’ moet zijn.
Het is weer een verjaardagsbrief. Evert Jan houdt het kort - hij heeft het druk - en aards. Moeder Johanna
gebruikt weer enkele typerende uitdrukkingen: “een gezigt in u zelfven” (de inner lijk beleefde
erkenning), “mogt dat de Heere zelf eens in uw ziel werken” (bewerkstelligen), “als wij meenen dat wij zien
hebben wij nog niet gezien” (het geloof is niet een eigen beslissing, dan berust het op menselijke waan, maar een inwerken
van God zelf).
Johanna spreekt aan het eind van ‘slagen’. Lees daar ‘slaken’.
‘Geachte Zoon’
Geachte Zoon
hartelijk gefiliciteerd met deze
Uw geboortedag, met de wensch
dat de Heere u dien dag vele
malen mag doen beleven.
Ik ben fiks verkouden en Moeder
sukkelt nog al met het been,
dat wil nog niet genezen.
Uw Broers en Zusters zijn allen
wel, ik heb het erg druk, ik ben
even’t huis geweest om te eten
en moet nog weer weg na de
handelskade om te lossen.
Zijt van ons allen hartelijk gegroet
als ook van mij Uw Vader
EJStoffels
P.S.
de Compliment aan van Rheenen en vrouw.
A.dam 22-12-99.
_____
‘geve hij u een gezicht in u zelfven’

Geliefde zoon
ik wil er eenige letteren bijvoegen
dat gij ze in welstand moogt ont-
vangen is mijn opregte wensch en
dan filisiteer ik u met uw ge-
boortedag dat de Heere u een
regt dankbaar harte geve met
een gezigt in u zelven dat hij
het waardig is en daar het bij u
alles door de zonde verbeurt is. Och
mogt dat
[daarna doorgehaald: ‘eens’ - FST]
de Heere zelf eens
in uw ziel werken want zullen
wij dit doen moet wij hem kennen
in zijn dierbaarheid. Och Heimen
wij zijn overal zoo blind voor
als wij meenen dat wij zien heb-
ben wij nog niet gezien want wij

moeten met paulus leeren verstaan
niets te zijn en wat zijn door hem
alleen dan wordt alles genade en
hoe kleiner wij voor ons zelven
zijn mogen hoe heerlijker word
de Heere verheerlijkt Och jongen
mogt daar de behoefte meer na
uitgaan om
[daarna doorgehaald: ‘in’ - FST]
daar in te verkeeren
dan groeit en bloeid hij maar
och ik moet menig maal slagen [lees: slaken - FST]
was er maar een behoefte om
een behoefte nu jongen ik
hoop u zaterdag in ons midden
te zien daar verlang ik
na want al schrijf ik niet veel
toch gaat gij niet uit mijn hart
meer soms als met schrijven
ontvangt deze letteren na hartelyke
groete ook aan de famielje van
rheenen
uw Liefhebbende moeder J. stoffels Buis
Tot omstreeks 1900 woont het gezin Stoffels in de Amsterdamse Schipperstraat. Hierin komt nu verandering. Johanna en Evert Jan verhuizen naar de Oostelijke Eilanden, ten oosten van het Centraal Station. Op Wittenburgergracht 33, een huis dat pal tegenover (museum-) scheepswerf ’t Kromhout staat, vinden zij een nieuw - en weer wat groter? - onderkomen.
Opoe is koud
de brief met nummer 10

Ook uit de juist ingetreden eeuw, de twintigste, zijn ons brieven van het echtpaar Evert Jan
en Johanna overgeleverd, bewaard door mijn grootvader, aan wie ze waren gericht.
Maar dit keer betreft het een brief aan Heimens vriendin, aan Cathrien Pieters. Hij is geheel van de
hand van Johanna, en ze heeft hem zelfs voluit gedateerd: “Amsterdam 28 augustus 1901”. Het betreft
blijkbaar een antwoord op een brief van Cathrien. Uit de brief valt op te maken dat Johanna kortere of
langere tijd ziek was, en dat Cathrien hierop reageerde met een belangstellend schrijven. Maar juist
die ziekte verhinderde Johanna die brief te beantwoorden. Nu is ze weer aan de beterende hand, en grijpt ze naar de pen.
Kennelijk is Cathrien ook een dagje in Amsterdam geweest, om haar aanstaande schoonmoeder te
bezoeken. Hierrover gaat ook een passage: “de dag hier in Amsterdam was voor u niet zoo
genoegelyk maar ik hoop als gij het eens weer vervat u meer genoegen mag hebben”. Het ongezellige school misschien
in de bedlegerigheid van Johanna.
Johanna ondertekent met ‘Mejuffrouw’, een woord dat hedentendage aan ongehuwde vrouwen
doet denken. Omstreeks 1900 had het echter de betekenis van ‘getrouwde vrouw van eenvoudige afkomst’.
‘de dag was niet zo genoegelyk’
Amsterdam 28 augustus 1901
Lieve catriena
Gij zult wel denken dat ik uw
brief niet beantwoort maar de reede
kunt gij wel gissen dat de lust
mij nog altijd ont brak maar
nu ben ik door s Heeren goedheid
weer zoover dat ik weer zacht aan
wat doen kan ik vond het heel
minzaam van u catrien dat
u mij eens geschreeven hebt en
belang stelde na mijn toestand
nu ik hoop het zal nu wel
weer gaan alleen ben ik nog
erg zwak de dag hier in Am-
sterdam was voor u niet zoo
genoegelyk maar ik hoop als
gij het eens weer vervat u
meer genoegen mag hebben
nu catrien wees zoo goed en
groet uw Ouders en broers
en zusters van mij hoewel on-
bekend maar door u verbinding
niet onbemind groet en kus
Heimen van mij zijn moeder
en wees verders hartelijk van
mij gegroet uw toegenegen
Mej stoffels Buis

de brief met nummer 11 (1)
In de volgende brief, ook van moeder Johanna’s hand, lijkt het huwelijk tussen Heimen en Cathrien
niet ver meer. Johanna schrijft aan haar zoon en aanstaande Dogter. Dit wijst op een naderende bruiloft. Het
huwelijk werd gesloten in juli 1902. Opa Stoffels dateerde de brief dan ook met “Datum: 1901
of 1902 vóór Juli H. Stoffels”, in de rechterbovenhoek.
Uit de brief zelf blijkt dat hij geschreven is vóór Pasen. Het aannemelijkst lijkt me dan ook een datering
in het voorjaar van 1902.
Met de gezondheid van Evert Jan en Johanna is het in de afgelopen winter wat kwakkelend geweest. Gelukkig
zijn er nu betere berichten. Johanna wil nog wel even wat rechtzetten: haar zoon Klaas heeft Heimen en Cathrien
een verkeerd verhaal van haar ziekte gedaan: het was géén bloedspuwing. Maar wat het wél was, doet ze ook
niet uit de doeken.
de brief met nummer 11 (2)
Even verderop, nog sprekend van moeilijke tijden, gebruikt Johanna het woord onstigheden. Ik weet
niet of het hier een verschrijving betreft, bijvoorbeeld van omstandigheden, of een oud woord is dat ik niet ken.
Dat een arme zalig over haar zonden wenen mag, verwijst niet naar een lege portemonnee, maar is een
mystieke verwijzing naar de ontoereikendheid van het menselijk ik in zijn naaktheid tegenover God. Het einddoel
is immers niets-in-alles te zijn in God. Wie ontdekt (zie onder) heeft dat zijn ziel arm is, is ongelukkig: op eigen kracht zal hij
het einddoel niet bereiken.
Toch is het een goede ontdekking, een stap verder: arm is het voorstadium van niets. Wie arm is, heeft
alle illusies (droggronden), zoals ijdele geloofszekerheden, bezitterige geloofsvoorstellingen en valse hoop, maar
ook eigendunk en zelfvertrouwen, doorzien en opgegeven. Nu ben je er bijna. Doch slechts Christus kan je de laatste zet
geven. Te kopen is er nu niets meer, alleen in genade te ontvangen. Dit is de armoede die Johanna bedoelt.
de brief met nummer 11 (3)
Johanna’s zalig weenen duidt niet op verlustiging in eigen verdriet of ontroering: het zijn juist zeer bittere tranen,
die diep in de afgrond van het bestaan vallen, op de schrale bodem van de arme ziel. Ze zijn zalig omdat het de Heilige Geest
is die ze in ons plengt.
Het zalig weenen van Johanna is dus meer dan een particuliere emotie. Het vormt een belangrijk bestanddeel
van het bevindelijke wegje door de Tale Kanaäns. “Gods werk gaat altijd gepaard met tranen en met berouw”, schrijft
F.J. Waverijn J.zn in in 1994 bij De Boog in Goes uitgegeven werkje De erve der vaderen (bladzijde 31):
“Als Gods Geest, het werk der genade in een zondaar een aanvang neemt, dan leert men de plaats des geweens
kennen. En het kennen daarvan is onherroepelijk nodig. Want als dat bevinde lijk geen waarheid wordt aan deze zijde
van het graf, dan zullen wij eenmaal moeten wenen tot in alle eeuwigheid”.
ontdekking maakt weenen noodzakelijk
De ontdekking – zie onder – van ’s mensen jammerlijke staat maakt het weenen noodzakelijk: “Zo kan men
nooit verlost zijn van de zonde wanneer men deze niet ten diepste betreurd en beweend heeft” (bladzijde 38).
En Drs P. van Ruitenburg, in Met hart en ziel, uit 1996, verwoordt het aldus:
“Ik vraag me (...) ten zeerste af of christenen die nooit een traan gelaten hebben over hun zonden, wel echte christenen
zijn. Niet dat je met tranen de zaligheid kunt verdienen, maar als we de Schrift leren geloven, geloven
we toch ook dat God de zonde niet dulden kan en dat moet ons dan toch aangrijpen. Zelfs als we van jongs af de Heere ‛vrezen’
met een kinderlijke vrees, gaat dat toch niet zonder het arm van geest zijn en zonder de innige behoefte aan vergeving” (bladzijde 61).

de put gaat open
Ontdekking is een begrip dat naar heel dit pro ces verwijst. Het is een toestand waarin de ziel zich bewust geworden
is van, en inzicht heeft ontvangen in de innerlijke, jammerlijke staat van zichzelf: de put gaat open, wordt
ont-dekt. Dit kan door een preek of rechtstreeks door God bewerkstelligd zijn.
Voorts lijkt Johanna er minder dan ooit gerust op te zijn dat Heimen en Cathrien werkelijk met hun geloofsleven
bezig zijn. Toch was Heimen dat wel degelijk, maar hij sprak door zijn kontakt met de gereformeerden
van Kuyper een geheel andere taal. Van Cathrien was dat misschien minder duidelijk.
Mijn broer Hijme Stoffels, godsdienstsocioloog en gespecialiseerd in dit soort stromingen, betwijfelt overigens of het
hier een door Jantje geuite bezorgdheid betreft. “Misschien is het meer een fraseologie of retoriek die in bevindelijke kringen
werd gehanteerd”.
E. en ger zijn Johanna’s oudste zoon Eduard en diens vrouw Ger Hemink. Cor en Cathrien zijn Heimens jongere broer Cornelis
en diens vrouw Cathrien Pijlman.
‘en er zalig over weenen’
Amsterdam.
Geliefde Zoon en aanstaande Dogter
Door de goedheid Gods zijn wij allen
nu weer gezond hoewel wij van
de winter veel gesukkeld hebben
wat mij aangaat Heinen ik ben
weer goed gezond en Klaas heeft
u over mij niet goed ingeligt
mijn ziekte was van een andere
aard niet een bloedwpuwing en
tog ernstig maar het heeft de
Heere behaagt mij nog weer op
rigten ik heb dan ook nog eens
weer in deze onstigheden veel van
des Heeren goedheid genoten ik mogt nog
wel eens mijn zonden voor God
brengen en er zalig over weenen
en dat is wat groots als een arme
in haar zelven dat eens doen
mag Och Kinderen ik zou het

zoo gaarne van u beide willen hooren
dat u beider hart er eens na uit-
gaan mogt om dat te begeeren wat
van het grootste belang is Och
werp niet van u want het geld
uw eeuwig belang vergeet niet
den Heere te vragen Jongen om
on dekking en licht voor uw arme
ziel wie weet de Heere mogt zich
wenden heimen ik weet niet of gij
nog met catrien komt met paschen
zoo uw plan het is schryf het dan
eens heimen zeg aan catrien
dat ik mooje groote tafellakens
heb en bonte handdoeken als
je beiden komen zal je het
wel zien denkelijk komt E. en
ger en cor en catrien ook
dus zie het maar eens aan
ik zal later catrien weer eens
schryven doe haar de hartelyke
groete en kus haar maar eens
van mij groet ook haar Ouders
en verdere famielje en verders
van allen gegroet ook van vader
en van mij uw moeder
J Stoffels Buis
de brief met nummer 12

Een ongedateerde brief van moeder Johanna ter gelegenheid van Cathrien Stoffels-Pieters’ ver jaardag - nu, na de
huwelijksvoltrekking, spreekt ze Cathrien aan als Geliefde Dogter. Toch is hij gemakkelijk te dateren. Heimen en
Cathrien trouwden in juli 1902, en in juli 1903 stierf moeder Johanna. Cathrien Pieters was op 21 november jarig. De brief stamt
dus uit november 1902.
Dat moeder Johanna ten dode is opgeschreven en steeds zieker wordt, blijkt duidelijk uit deze brief: “mijn toestand is altyd
pijnlyk”. Er is sprake van een dokter, kennelijk uit Utrecht, die Johanna van medicijnen (medesijnen) voorziet, via de
post. Eén vleschje kwam gebroken aan, en Johanna vraagt haar zoon een nieuw flesje te bemiddelen.
Marie is Johanna’s oudste dochter; Boukje haar jongste.
De rest van de brief spreekt eigenlijk voor zichzelf. In de naam Heimen, vel één, derde regel van onderen, staat weer een krasje. Stond
er Hermen en vond mijn grootvader dat niet mooi?
‘mijn toestand is altyd pijnlyk'
Amsterdam
Geliefde Dogter
Hartelyk gefilisiteert met uw
geboorte dag en de Heere gunne
u nog vele jaren er bij mogt het
wezen in zijne vreese och catrien
dat gun ik u beiden dat gij een
toevlugt mogt vinden in hem en
het goddelyk woord lokt zoekt hem
ter wijl hij te vinden is en die in
waarheid zoekt zal hem vinden
verders een aangeneme dag met u
beiden mijn toestand is altyd pijnlyk
verders gestel gezond nu Heimen
ook hartelyk gefilisiteert met uw
vrouw kus haar maar eens hartelyk
van mij Heimen wees zoo goed en
ga zoo spoedig gij kunt na Docter
haverhoek om medesijnen hij heeft

mij verle
[en weer doorgekrast - FST]
twee vleschjes gestuurd
en een was er toetaal stuk nu
ben ik er weer om verlegen
van de week dus spoor hem maar
aan en vraag of hij er een rekening
bij doet maandag stuuren wij
u het pak goed de stok van de
gordynen bewaar ik maar tot gij
zelf komt die rok die toen
bij dat kaasje was is niet van
Marie maar van mij ik hou
er anders geen gewoonte meer
van maar catrien heeft nog niet een
verjaring cadootje gehad
nu kinderen ont vangt mijn
hartelyke groete ook van vader
en bouktje gefilisiteert en gegroet
zoo noem ik mij uw Liefhebbende
Moeder J. stoffels Buis
De Hartelyke groete aan de
famielje Pieters
Johanna’s weg zonder terugkeer
Johanna was de laatste jaren veel ziek geweest. Toch bleef ze de kracht vinden om met opoffering en liefde
voor haar gezin te zorgen. Jo Pijlman kan aan Johanna’s ziekte verklaren waarom haar
Oma op de bekende foto (zie elders op StoffelsWereldweb) een zwart kapje draagt:
“Ze droeg in haar laatste jaren altijd een zwart mutsje of kapje. Wij vroegen weleens waarom Oma een
zwart kapje droeg. Mijn moeder vertelde dan dat ze typhus had gehad en daardoor vrijwel geen haar meer had. Zo’n kapje noemde
men een ‘kapothoedje’. Ze droeg het altijd, niet alleen als ze uitging”.
Johanna’s ziekbed en levenseinde
Ook een zuster van Jo Pijlman, Rie Hageman-Pijlman, deelt ons iets mede omtrent Johanna’s
ziekbed. Het stukje is te vinden in haar Geschiedenis van de familie Pijlman:
“De moeder van mijn moeder, Johanna Stoffels-Buis, werd ziek en heeft een lang ziekbed gehad. Mijn moeder
sprak daar vaak over. Zij als oudste dochter en oom Eduard als oudste zoon, zullen wel veel hebben moeten helpen
in het gezin, ook toen ze nog jong waren. Door deze ziekte kreeg mijn moeder een zware taak, een zieke verplegen, de huishouding
doen en dan nog af en toe uit naaien. Toch ben ik er van overtuigd dat alle kinderen meewerkten
om met elkaar hun moeder goed en met liefde te verzorgen”.
Maar aan Johanna’s leven komt toch een eind. Op 19 juni 1903 sluit ze voorgoed haar ogen, in Amsterdam, in het huis
aan de Wittenburgergracht. Evert Jan laat een overlijdenskaart drukken, wat mijns inziens toen nog vrij
bijzonder was, zeker binnen zijn stand. Mijn exemplaar toont aan de adreszijde het handschrift van Evert Jan; het is gericht
aan mijn grootvader, Nieuwe Koekoekstraat 50 in Utrecht.
Opoe is koud
Johanna overlijdt “aan een soort kanker” (Tante Jo Stoffels-Stoffels), “aan kanker” (Jo Pijlman).
Kleinzoon (Evert) Jan Stoffels Ezn, het oudste kleinkind, bewaart nog een herinnering aan zijn grootmoeder:
“Ik heb haar niet gekend, maar toch nog wel meegemaakt. Ik weet dat ze gestorven was en toen mocht ik nog even
bij haar. Ik was een jaar of drie. Ze lag daar dood, met een wit gehaakt kanten mutsje op en de handen gevouwen. Toen
raakte ik haar aan en zei: ‘Opoe is koud’. Dat onthoud ik m’n leven lang. Ik weet het nog precies, ik zou kunnen uittekenen hoe het was”.
Doodgaan is teruggaan naar huis
Terugkeren naar de grond van je geboorte.
Je komt weer uit bij de grond
Waaruit je voortgekomen bent.
De doden zijn niet dood.
Is niet in al wat ons omringt
De stem der voorouders te horen?
Luister dus, en hoor die stem.
Uit Ghana
mijn persoonlijke gang met Johanna’s brieven
Ik kan stellen dat mijn overgrootmoeder met haar brieven mijn leven diep ingrijpend heeft veranderd. Toen ik
ze aan het begin van de jaren tachtig voor het eerst onder ogen kreeg en bestudeerde, wist ik helemaal niets van deze vorm van
christendom. Ik sprak hierin een andere taal, en was op heel andere manieren bezig met het geloof.
Wel merkte ik dat de brieven mij, al van eerste lezing af, diep raakten en ontroerden, doch verklaren
kon ik zulks niet. Het boeide me intens, maar hoe en wat? Ik begreep niet wat het was
dat mij bij elke lezing weer in tranen bracht, afgezien hiervan dat ze lagen in de taal aanboren die taalgevoelige
mensen merkwaardig doet wankelen en duizelen, en dat in een stijl en spelling die zelfs in 1898
hopeloos ouderwets en onthutsend vreemd geworden was, en naar onbekende binnenkamers van het Nederlands verwijst.
Naderhand volgde in mijn leven een aantal buitenkerkelijke jaren. Toen ik toch weer religieuze verdieping
zocht, ging ik mij toeleggen op enkele bijzondere vormen van boeddhisme. Vele dingen uit het leven werden mij zo langzaam
helderder.
Eén hiervan was uiteindelijk dit: door bestudering van het boeddhisme ging ik het christendom beter begrijpen. De
aardigste ontdekking was dat er vele, zeer vele overeenkomsten bleken te zijn tussen zenboeddhisme en Nagarjoena’s
mahayanaboeddhisme ter ene zijdeen de bevindelijke mystiek van ‘oud gereformeerden’ ter andere zijde.
Mijn tranen bij Johanna’s brieven kon ik nu produktief maaken door studie naar bevindelijkheid. Wie
zich in deze waterput aan de weg verdiept, ontdekt vele verborgen schatten. Schatten die als markeringen in het landschap
van wezenlijk belang blijken op je levensweg.
Toen ik halverwege de jaren negentig door uiterlijke rampen en innerlijke ontreddering - niet noodzakelijk in
deze volgorde - de diepste kaalheid van het bestaan ontmoette, bleek er uiteindelijk maar één weg door het leven te
leiden die zó ver met je meegaat in de eenzaamheid en je dan nog hulp bieden kan. Alle andere levensovertuigingen
zijn dan van schrik al lang teruggehold naar hun veilige bastions van vale oppervlakkigheden. Johanna’s bevindelijkheid
begón daar juist, en nam me mee aan de hand.
Eén groot punt van verwondering en niet-begrijpen is echter steeds gebleven: waar heeft Johanna
dit allemaal vandaan? Een onbeduidend vrouwtje uit de diepste krochten der negentiende eeuw, afkomstig uit
een dood stadje, dat, wonderwel maar onverklaarbaar, lezen en schrijven kan, doch voor wie de
woorden filosofie, theologie, mystiek en boeddhisme verder dan de maan liggen. En toch: zo helder
een mystieke levensweg uiteenzet, met zeer strakke, welomschreven
begrippen en stadia. Dat ze in haar geloof maar wat meedeint op haar innig gevoel,
is slechts een eerste, oppervlakkige en misleidende waarneming.
Dit vrouwtje is allesbehalve onbeduidend. Ze heeft zich gehuld in een vermomming van eenvoud en
ongeletterdheid. Maar wie ook op haar portret de scherpzinnige en verlichte ogen ontwaart, weet
zeker: deze vrouw kan een gids in donkere en diepe dalen zijn, kan licht zien in duisternis, is dus een
zieneres; weet zeker: deze vrouw is een uitverkorene voor Gods hoogste berg, waar ze ook aangekomen is.
frits stoffels
eind1981/begin1982/februrari1988/november1999