Wonosari/PIRP  20 april - 7 augustus 1961 Maatschappij: Koninklijke Rotterdamsche
Lloyd, deze reis in charter varend voor de V.N.S.
Een vracht-/passagiersschip van
7582,94 BRT (bruto register ton) met accommodatie voor 12 passagiers en 58
bemanningsleden. Gebouwd door
Howaldtswerke te Hamburg; begin bouw 2 februari 1951, te water 26 mei 1952 en opgeleverd 3 september 1952. Een
stoomturbineschip, dus geen geschud en getril tijdens het manoeuvreren. Evenals
de zusterschepen Wonogiri, Wonosobo en Wonorato was ze naar een Indonesisch
eiland genoemd. In november 1971 ging ze over naar de K.J.C.P.L., in april 1977
werd ze verkocht naar Singapore en herdoopt “Lucille”; ze raakte beschadigd
tijdens de Iraaks-Iraanse oorlog liggend in Basrah. In 1982 Constructive Total
Loss verklaard.
De
reis rond Afrika:
Amsterdam – Lissabon – Las Palmas – Kaapstad – Port Elizabeth – East London –
Durban – Lourenço Marques – Beira – Mtwara – Dar es Salaam – Zanzibar – Tanga –Mombasa – Aden – Suezkanaal – Genua – Marseille – Barcelona –
Rotterdam
(Foto KRL museum)Kapitein Moulijn Bootsman Lucardie Voorman Klingeman Ch hofmeester van Dijk 1e STM
Looij Timmerman Dijke Machinedrijver van Hengst Ass hofmeester Paulissen 2e STM
Gerritsma Matroos Mulder Machinedrijver Marsman Chef kok Vieveen 3e STM Bellaart Matroos de Goede Machinedrijver Kerver 2e kok van Wensveen 4e STM
Schotman Matroos van Eijk Olieman/stoker Kempinski Bakker/koksmaat Nienhuis Ll. STM Smallegange Matroos Neefjes Olieman/stoker Tuitel Bediende van Leeuwen Ll. STM
Boer Matroos Fiolet Olieman/stoker Holdermans Bediende Christiani Chef R/O Viool Matroos Kok Olieman/stoker Driessen Bediende Wittebol R/O van de Ruit Matroos o/g de Groot Olieman/stoker v.d. Steen Bediende van Vleuten HWTK
Verheul Matroos o/g Hendriks Olieman/stoker Hendrikse Bediende Visser 2e WTK Schoenmaker
Matroos o/g Hul Handlanger Westen Bediende Zeijlmaker 3e WTK
Roggeveen Ll. matroos Singendonk 4e WTK
Schuld Dekjongen Pimmelaar 5e WTK van Emmerik Dekjongen Mommers 5e WIK Gies Dekjongen v.d. Vis Ziekenpa Tieleman De
kustreis: Rotterdam – Bremen – Hamburg – Antwerpen – Amsterdam
De (enigszins) beperkte crewlist van de kustreis: Kapitein:
Viëtor R/O: van de Ruit (foto KRL-museum)
Radio-installatie:  KG/MG-zender: SMZ-218/219 Hoofdontv.:
RCA AR-88 Noodontv.: Philips H2L7U A.A.T: Marconi Seaguard Normaliter werden assistent-telegrafisten voor hun eerste
reis op passagiersschepen geplaatst, aangezien deze schepen qua accommodatie
als zodanig waren ingericht. Vanwege het personeelstekort in de vroeg-zestiger
jaren en het grote aanbod van telegrafisten in spé, ontstond er echter een
tekort aan plaatsen, zodat ook vrachtschepen met passagiersaccommodatie (12
passagiers) voor dit doel werden ingeschakeld. Mijn assistentenreis was op zo’n vrachtschip van de
Koninklijke Rotterdamsche Lloyd, deze reis rondom Afrika varend in charter voor
de Holland-Afrika Lijn van de V.N.S. De schoorsteen was dus niet egaal zwart,
maar zwart met een oranje band.
Op 20 april begaf ik mij
in alle vroegte in gezelschap van mijn vader naar de Javakade, de kade van de
Mij. Nederland en ging aan boord van mijn eerste schip. Ik maakte kennis met
m’n toekomstige chef A.P.G. Viool, een Rotterdammer van even in de dertig. Na
een kort bezoek aan het radiostation en
mijn hut nam ik afscheid van mijn vader, die niet kon wachten op het vertrek,
omdat hij slechts een korte tijd vrijaf had kunnen krijgen om mij naar boord te
begeleiden.
Het radiostation bestond
uit een 4U-installatie, 4U staat voor 4 units, nl. het AAT (Automatisch Alarm
Toestel), de middengolfzender, de kortegolfzender en een unit met allerlei
knoppen en hendels voor o.a. de acculaadinrichting. Onder de twee zenders
bevonden zich de hoofd- en noodontvanger. Als het tegenzat, bevonden zich daaronder
de weerstanden van de acculaadinrichting. Vooral in de tropen was dat vanwege
de hitte, die de weerstanden afgaven, een ongezonde situatie! Vanuit de
radiohut stapte men direkt in de zit-/slaaphut van de marconist.
Het radiostation was aan
Viool overgedragen door een inspecteur van Radio-Holland, die nog wat laatste
instructies aan hem gaf. Viool kon niet nalaten mij in het bijzijn van de
inspecteur voor joker te zetten. Hij vroeg mij op de seinsleutel drie maal SOS
te tikken en vroeg daarna wat er niet goed aan was. Natuurlijk was mij niets
bijzonders opgevallen. “Je seinde het veel te snel; een noodsein mag niet sneller dan met 16 woorden per
minuut worden uitgezonden”, zei hij triomfantelijk. Ik zou dus drie maanden aan
een grapjas vastzitten!
Ik bleek een hut te delen met een leerling-stuurman.
In de hut ernaast lagen nog twee leerlingen. Mijn hut lag drie trappen lager
dan de radiohut, dus dat zou me dagelijks een partij traplopen worden!. Kort na
het middaguur vertrokken we richting IJmuiden voor een reis van drie maanden
rond Afrika. Mijn eerste job was het, tezamen met de chef, nemen van een
weerbericht. Dit geschiedde met de hand en werd later “in het net” op het
groene RH49 formulier getikt. Een tikkeltje omslachtig naar mijn mening, maar
die werd niet gevraagd. Hoe kan een mens nou in vredesnaam de pers nemen, als jij hier zo loopt rond te stampen..!!  Wel mocht ik het
weerbericht bij de kapitein afleveren om me zodoende meteen aan hem te kunnen voorstellen. De kapitein heette
Moulijn, naar later bleek een heel aardige man. Een seinsleutel mocht ik
voorlopig niet aanraken; QTO/TR aan PCH werd door de chef gegeven. Ook de persberichten van
Scheveningen Radio namen we gezamenlijk met de hand, om daarna door hem te worden
gecontroleerd. Ik mocht geen schrijfmachine gebruiken, omdat dat zou storen bij
het opnemen. De ware reden was echter, dat Viool alleen maar met de hand kon
opnemen. Het uitwerken van de
persberichten werd mij geleerd, maar zou voorlopig nog door de chef worden
verzorgd. Van mijn marine-ervaring wat betreft seinen, opnemen op de
schrijfmachine en (redelijk) snel typen werd absoluut geen gebruik gemaakt. Nadat we Het Kanaal
hadden verlaten, raakte de radar defekt en kon ik meteen praktijkervaring opdoen
wat betreft reparaties. De zender van de radar stond in de kaartenkamer, de
scope (het radarscherm) uiteraard op de brug, zodat ik buiten de wachturen hier
grotendeels mijn tijd doorbracht. Duidelijk voor de geest staat nog het in de
golfpijp van de radar kijken of er een blauwe gloed te zien was, zodat je kon
zien of er daadwerkelijk energie werd uitgezonden. Later zou blijken, dat dit
niet al te best voor je ogen was. Onze eerste haven was
Lissabon en hier werd door chef Viool QTP gegeven aan Lisboa Radio/CUL, werkend
op 435 kHz en naar ons luisterend op 425 kHz. Vóór Lissabon werd de fout aan de
radar niet gevonden en er werd dus RAMAC-hulp ingeroepen. RAMAC (RAdio Marine Associated Companies) is een
wereldwijde organisatie, die reparaties aan boord van schepen verricht, indien
hiertoe een verzoek wordt gedaan door de maatschappij of de radio-officier
zelf. In Nederland is Radio-Holland bij RAMAC aangesloten en verricht in de
Nederlandse havens reparaties aan scheepsradio-installaties. Tijdens de
reparatie door de RAMAC-monteur werd ik geacht aanwezig te zijn, zodat ik te
Lissabon niet van boord kon. Het enige wat me van Lissabon is bijgebleven is
het Christusbeeld, dat te zien is bij het binnenvaren. In Lissabon werd de fout
niet gevonden; ook onderweg naar Las Palmas lukte het ons niet en ook de
RAMAC-technicus in Las Palmas ging onverrichterzake van boord. Ook deze stad
ging m’n neus voorbij, omdat ik weer bij de reparatie moest blijven om kennis
te vergaren. ....staat er toch duidelijk in, Chef: Radar-Service..... Na Las Palmas moest ik
ook ’s nachts mijn bed uit om de Engelse nieuwsberichten van Portishead Radio
te nemen, tezamen met Viool. Het uitwerken van de persberichten bleef door de
chef gedaan worden. Later mocht ik alleen de Engelse pers nemen; de chef bleef
dan slapen en werkte mijn nachtelijke inspanningen later uit. Dit had wel het
grote voordeel, dat ik nu ongestoord de pers op de schrijfmachine kon nemen. Toen ik eens ’s middags
op wacht kwam, kon chef Viool mij triomfantelijk meedelen, dat hij de radar
weer aan de praat had gekregen, maar dat er nog steeds een kleinigheid aan mankeerde.
Het apparaat werkte niet voor de volle honderd procent. Maar er was beeld! De evenaar werd
gepasseerd zonder het gebruikelijke “Neptunus-feest”. Een Neptunus-feest wordt
georganiseerd om mensen te ontgroenen, die voor het eerst over de evenaar varen.
Na afloop krijgt men dan een certificaat van Neptunus ten teken dat men de
evenaar was gepasseerd en was gedoopt. Er komt vaak veel water en zeep aan te
pas. Misschien was het bij de nette Rotterdamsche Lloyd niet de gewoonte zo’n
Neptunus-feest te houden.
Intussen ging het zoeken
naar het nog aanwezige foutje in de radar onverdroten door. Als de normale
werkzaamheden het toelieten, waren wij in allerlei boekwerken en schema’s aan
het neuzen of werd het apparaat inwendig bestudeerd. Even lekker niksen en
doelloos voor je uitkijken was er niet bij; acht uur per dag knarsten de
hersentjes. Zeer vermoeiend op den duur en niet wat ik van m’n eerste reis had
voorgesteld.
In mijn spaarzame vrije
tijd kon ik zo nu en dan zonnen op het schavot, het dek boven de brug en
radiohut, vanwaar men een vrij goed uitzicht had op het zonnedek van de
passagiers waar wij niet mochten komen. De knappe en mooi gevormde dochter van
een zich aan boord bevindend Brits gezin op weg naar Zuid-Afrika mocht zich in
eenieders belangstelling verheugen. Soms – als de wacht zulks noodzakelijk
maakte – zat je dan ’s avonds zelfs met haar aan één tafel (!). Erg graag deed ik dat
echter niet, want dat betekende dat ik gekleed moest gaan in lang wit en djas toetoep en als er iets was waar ik een hekel aan had was dat aan een jasje
toetoep, dat stijf stond als een plank vanwege de stijfsel. Na 18.00 uur was
lang wit verplicht, dus indien mogelijk ging ik in kort wit om 17.30 aan tafel.
’s Middags hadden wij dat probleem niet; de officieren aten om half twaalf of
half één en de passagiers samen met de staf om één uur. Na de Canarische
Eilanden begon de oversteek naar Zuid-Afrika en kwamen we voor het eerst na
dagen weer dicht onder de kust toen de Tafelberg in zicht kwam. Het voor het
eerst zien van de Tafelberg blijft me altijd bij; het ontbreken van een goed
fototoestel kwam nu tot uiting. In Kaapstad kreeg ik direkt na aankomst op 8
mei aan boord een vaccinatie tegen gele koorts, zodat ik daar de komende 10
jaar van gevrijwaard zou blijven. De volgende dag moesten
de ziekenpa en ik als getuigen met de kapitein mee om een scheepsverklaring af
te leggen bij de Nederlandse consul te Kaapstad. Ter gelegenheid waarvan dat
was, kan ik me absoluut niet meer herinneren. Dat zijn dus de betere getuigen! Wel kreeg ik hierdoor
een mooi taxiritje door het centrum van Kaapstad aangeboden en kon ik na afloop
nog even de oude stad met z’n geveltjes bewonderen. Veel tijd om te stappen was
er overigens niet; met Viool en wat anderen liepen we ’s avonds wat in het
havengebied rond. radar zender Ook de RAMAC-monteur in Kaapstad kon het euvel aan de
radar niet verhelpen en we vertrokken met een voor 90% werkende radar naar de
volgende haven. Na het verlaten van Kaapstad rondden we Kaap de Goede Hoop en
daarna de meest zuidelijke punt van het Afrikaanse vasteland Kaap Agulhas. In
overleg met de kapitein werd besloten geen RAMAC-hulp meer in te roepen, maar
in de drie volgende Zuidafrikaanse havens te gokken op de aanwezigheid van
K.J.C.P.L.-schepen met daarop hopelijk een R/O 1e klas. Deze zou dan
zijn licht moeten laten schijnen op ons probleem. De volgende haven was
Port Elizabeth en tot onze teleurstelling lag hier geen K.J.C.P.L.-er. Onze
deceptie was echter snel voorbij, want er zou een party aan boord worden
gegeven voor (uiteraard blanke) verpleegsters e.d. Er bestond van vrouwelijke
zijde een dusdanig groot animo, dat iedereen – mocht hij dat al willen –
gemakkelijk twee vrouwen kon scoren. Mijn keuze viel op een afrikaans
sprekende, goed gebouwde 26-jarige verpleegster met een over de haven
uitkijkend appartement. De volgende morgen had ik zogezegd vanuit de badkuip
uitzicht op de Wonosari, waar al werd gelost. Om 09.00 uur meldde ik mij in het
radiostation om de zoektocht naar het radardefect te hervatten, de EU te
beluisteren en wat administratief werk te doen. 's Middags ging ik weer naar
het appartement met het fantastische uitzicht om na een paar uur te ontdekken
dat het lossen bijna gedaan was. Omdat ik terug aan boord moest zijn vóór het
begin van de persberichten van Scheveningen Radio om 20.20 GMT moest ik helaas
afscheid nemen van de vriendelijke verpleegster, die mij in staat had gesteld
te genieten van het prachtige uitzicht over de haven. Net na het voltooien van
de persberichten hoorde ik allerlei geluiden, die er op duidden dat we Port
Elizabeth gingen verlaten, de haven waar ik mijn eerste echt bevredigend
walverlof genoot. Er zouden er nog vele volgen. ...zeg ik tegen de kapitein: "Man, spring nou in die reddingsboot, dan regel ik het hier verder alléén wel....!! In de volgende haven,
East London, lag gelukkig een K.J.C.P.L.-er en ik werd er naar toe gestuurd om de daar aan boord zittende R/O
1e klas te vragen eens naar onze radar te komen kijken. De man in
kwestie was uiterst vriendelijk, maar totaal niet van plan naar de Wonosari te
komen. Onder het genot van een pilsje legde hij uit, dat hij liever met zijn
elektrische treinen bleef spelen. Bij terugkomst bleek Viool de fout echter te
hebben gevonden en samen voerden we de reparatie uit. De radar bleef de rest
van de reis verder in orde. De overige apparatuur in het radiostation
functioneerde – op een enkel defektje na – de gehele reis goed.
Na East-London mocht ik
voor het eerst de seinsleutel aanraken! Ik mocht QTO/TR geven en een OBS
(weerobservatie) verzenden naar Port Elizabeth Radio/ZSQ, omdat East London
geen kuststation had. Ik seinde echter te snel (marine!) volgens Viool. Het
kuststation vond het echter prima en antwoordde met dezelfde snelheid, dit tot
ongenoegen van El Cheffo. Na QTP te hebben gegeven aan Durban Radio/ZSD liepen
we deze haven in Natal binnen. Ik had hier erg naar
uitgekeken, want hier woonde de oom naar wie ik was vernoemd en nog nooit had
gezien, omdat hij in 1937 – dus vóór mijn geboorte - naar Zuid-Afrika was
geëmigreerd. Chef Viool gaf me hiervoor vrijaf, maar ik moest wel terugkomen om
de pers te nemen. Alsof ik al niet genoeg had aangetoond dit volkomen onder de
knie te hebben! M’n oom woonde niet ver
van de haven, nl. op 376 Point Road, flat 6, first floor. Dit was gelukkig
eenvoudig te voet te bereiken en dat was maar goed ook, want geld voor een taxi
had ik natuurlijk niet met m’n assistenten-gage. Na op de eerste verdieping te
hebben aangebeld werd de deur geopend
door een spaarzaam geklede, aantrekkelijke dame, die mij hoogstverbaasd vroeg
binnen te komen, hetgeen ik ook duidelijk verbaasd afsloeg nadat zij te kennen
had gegeven dat hier geen Mr. Van de Ruit woonde. Had ik op school beter
opgelet, dan had ik kunnen weten dat met first floor de begane grond bedoeld
wordt. Een verdieping lager vond ik inderdaad flat 6. Na lang wachten en gezegd te hebben wie ik was, werd er open
gedaan en stond oom Arie in ondergoed op één been in de gang. In zijn jonge
jaren was hij nl. van één been het gedeelte onder de knie kwijt geraakt bij een motor ongeluk. In de haast had hij zijn kunstbeen naast zijn
bed laten staan. Naar een Jehova’s Getuige kon hij niet vreemder hebben
gekeken, want hij verwachtte iemand anders te zien. In plaats van “Arie” had
hij “Harry” verstaan, ons beider neef die enkele jaren daarvóór tijdelijk in
Zuid-Afrika had gewoond en gewerkt. Dit misverstand was gauw de wereld uit en
hij verontschuldigde zich voor de ietwat ongewone ontvangst, maar hij had net
een maagoperatie achter de rug en lag even te rusten. Na van weerszijde
allerlei familie-nieuwtjes te hebben verteld, werd er wat ingeschonken, daarna gegeten
en vervolgens afgesproken voor de volgende dag. De dame van een verdieping
hoger bleek een dame te zijn, die het met de zeden niet al te nauw nam, zo
vertelde oom Arie. Dat idee had ik ook al gekregen vanwege de wulpse kleding en
het direct uitnodigen binnen te komen. Die volgende dag gingen we eerst naar
naar z’n stamcafé, waar hij mij trots voorstelde aan zijn vrienden. Een paar
minpunten scoorde ik echter door hun gegooi met pijltjes naar een bordje met
cijfers als kinderspel te betitelen. “Dat doen kinderen bij ons thuis, maar geen
volwassenen”, zei ik. Hoofdschuddend legde men mij uit, dat dit een sport was,
nl. darts! Ik zag er echter de gein niet van in; nu nòg niet trouwens. Ik werd
snel het café uitgewerkt, waarna hij me per auto wat van Durban liet zien. Eén
van de plaatsen die hij mij toonde was een drive-in movie; het zal wel
spiksplinternieuw zijn geweest, want hij was er nogal trots op. In een langs de
kust gelegen park wilde ik samen met hem op de foto, want ik had tenslotte m’n
Agfa-Click niet voor niets bij me! Dat moest een derde persoon natuurlijk doen,
maar daarvoor mocht ik absoluut geen
zwarte benaderen. Toen er eindelijk een blanke bereid was een foto te nemen,
bleek die man één kunsthand te hebben, zodat het fotograferen nogal moeilijk
ging. Naar later bleek, had de man met de kunsthand de zaak verprutst; twee
zwarte negatieven was het resultaat. Bij het schip namen wij nog wat foto’s van
elkaar en namen afscheid, want het schip lag nagenoeg klaar voor vertrek.
Bovendien was het bijna tijd voor het nemen van de persberichten! Na Durban mocht ik in de
middengolf alle OBS-en, QTO’s en QTP’s verzenden. OBS-en zijn 6-uurlijkse
gecodeerde weerrapporten, die de stuurman maakt. De Wonosari was nl. een
“selected ship” voor het K.N.M.I. en verzond tijdens de gehele reis deze
weerrapporten. Verscheidene
waarnemingen werden als cijfergroepen in telegramvorm gezet, zoals tijd van
waarneming, positie, windrichting, windkracht, golfhoogte, golfrichting,
bewolking, lucht-vochtigheid, temperatuur van lucht en water, horizontaal zicht
en wolkenhoogte. Verdere werkzaamheden op
meteorologisch gebied waren natuurlijk het nemen van weer- berichten en d.m.v.
cijfergroepen gecodeerde berichten aan de hand waarvan de stuurman een
weerkaartje kon tekenen. In de kortegolf mocht ik werken met Scheveningen Radio
om onze middagpositie (TR) door te geven. Deze posities van de schepen
verschenen in de kranten in de kolom “Grote vaart”, die door familieleden van
zeevarenden elke dag werd doorgespit.
Vanaf Durban ging de reis naar
Lourenço Marques (tegenwoordig Maputo), waar ik voor het eerst uitgebreid ging
stappen, maar ik moest wel om 22.20 uur terug zijn voor de persberichten van
Scheveningen Radio (20.20 u. + 2 uur tijdsverschil met G.M.T.). Dat Moçambique een Portugese
kolonie was, bleek duidelijk uit het mediterrane uitgaansleven. Veel gezellige
restaurants en café’s met vaak een terras, vele nachtclubs en aanverwante
gelegenheden. Als een Zuidafrikaan gezellig wilde uitgaan, wipte hij even de
grens met Moçambique over en vermaakte zich in “big LM”, waar alles mogelijk
was. L.M.-radio op de middengolf was zó sterk dat bijna heel Zuid-Afrika werd
bestreken, waaruit bleek hoe Zuidafrikaans gericht dit land was. L.M.-radio was
met afstand het meest populaire radiostation van zuidelijk Afrika.
Na Lourenço Marques ging het door
naar Beira, de tweede stad van Moçambique. In deze plaats mochten we gebruik
maken van het zwembad van een club (hoogstwaarschijnlijk Shell). Het stappen
breidde zich intussen uit tot in de ochtenduren. Overdag was het werken
geblazen in het radiostation; was er geen werk meer, dan verzon Viool wel iets
om mij bezig te houden, zoals zg. defecten opzoeken in de aanwezige apparatuur
of het lanceren van de meest onmogelijke problemen die zouden kunnen opduiken
tijdens de uitoefening van de radiodienst. Het gezellig een biertje drinken
vóór de maaltijden voltrok zich meestal in de hut van de 2e WTK. In
Beira liggend zamelde het vaste gezelschap wat mickey-mouse geld in en de 5e WTK werd er de volgende ochtend op uitgestuurd om een lading grote
garnalen te halen. Hij kwam terug met
een jutezak vol met grote gekookte garnalen (shrimps piri piri, vanwege de hete
smaak). De enorme stukken vlees werden met brood en (veel) bier gegeten, zodat
het die middag vrij stil aan tafel was. De heer Viool stoorde zich aan het
feit, dat ik meer met machinisten dan met stuurlieden omging. Deze aan boord
van koopvaardijschepen ingeburgerde scheidslijn was voor mij als nieuweling
volkomen vreemd. Ik dronk mijn biertjes doorgaans met dié mensen, die mij het
gezelligst voorkwamen. Ook gedurende de rest van mijn carrière heb ik mij niets
van deze scheidslijn aangetrokken. Zowel onder
stuurlieden als machinisten (maar vooral elektriciëns) maakte ik
vrienden en vond ik mijn stap- en drinkmaten. De zondagse rijsttafel was steeds
weer een feest (Kon. Rott. Lloyd!). Menig Indonesisch restaurant kon niet
tippen aan de kwaliteit en gevarieerdheid van de maaltijden bereid door koks
van de “Nederland” en de “Koninklijke Rotterdamsche Lloyd”. In jasje toetoep was het, ondanks de
air-conditioning, zweten geblazen voor
ons; de twee laatsten aan tafel waren vaak de 3e WTK (Indische
jongen) en ik.
Vanaf
Beira ging het vervolgens verder door Straat Moçambique, langs de Komoren en
rond Cabo Delgado naar de kleine havenplaats Mtwara nèt over de grens met
Tanzania. Hier was totaal niets te beleven, dus bleef het bij wat beentjes
strekken op het haventerrein. De hoofdstad Dar es Salaam was onze volgende
stop. Hier lagen we weer wat langer en was er meer gelegenheid iets van de stad
te zien en wat houtsnijwerk te kopen op de markt. Ook in Dar es Salaam mochten we zwemmen in een bad van een privéclub, waartoe
de officieren toegang hadden. Stonetown, Zanzibar Van de volgende haven, Zanzibar,
herinner ik mij slechts de markt met ontzettend veel fruit en de nauwe, vaak
ongeplaveide straatjes. Wegens de korte binnenlig was er nl. alleen de
mogelijkheid ‘s middags wat inkopen te
doen op de grote, gezellige markt.
Kort na vertrek uit Zanzibar op
weg naar Tanga (weer in Tanzania) kreeg de kapitein via Scheveningen Radio een
telegram met het verzoek per omgaande te laten weten of de
assistent-telegrafist geschikt was om op een Noors schip over te stappen. Er
bleek nl. in Mombasa een Noors schip te zijn binnengelopen met een doodzieke
Noorse R/O. Zijn maatschappij zat waarschijnlijk met een personeelstekort,
zodat aan RH gevraagd was of zij er snel één konden leveren. Na het positieve
antwoord van chef Viool werd er een vliegtuig geregeld, dat me van Tanga naar
Mombasa zou vliegen. Dit was de kans van mijn leven; m’n eerste vliegreis en na
ruim een maand al zelfstandig in een radiostation zitten. Viool gaf mij nog de
nodige instructies en ik pakte één koffer; de rest zou aan boord blijven.
Toen ik na aankomst te Tanga met
m’n koffer bij de gangway stond te wachten, kwam het bericht dat het niet
doorging, omdat er al een andere oplossing was gevonden. Dat betekende een
enorme teleurstelling voor mij, want ik verheugde me zeer op dit karwei,
terwijl tevens mijn luchtdoop niet doorging. Ter compensatie kreeg ik die
middag vrijaf (zelfs de nieuwsberichten hoefde ik niet te nemen), die ik
benutte om te gaan zonnen op de prachtige grote stranden van Tanga, waar mij
herhaaldelijk werd gevraagd of mijn kleren en schoeisel te koop waren.
De weg van de haven naar het centrum van Mombasa Van Tanga naar Mombasa was een kwestie van een paar uur
varen. Ook in deze grote Keniaanse haven lagen we langere tijd binnen en was er
gelegenheid tot sight-seeing. Opvallend waren de vier enorme slagtanden, die a.h.w. een poort vormden over de weg van de haven naar het centrum. Om niet met overtollige Keniaanse valuta te
blijven zitten, kocht ik op de markt veel houtsnijwerk, dat ik na thuiskomst
vrijwel allemaal heb weggegeven. Ik bezit thans haast niets meer. In deze
gezellige havenstad begon het me op te vallen, dat verscheidene opvarenden er
met negerinnen vandoor gingen. De ziekenpa had het daarna verdacht druk met het
uitdelen van sulfatabletten of (erger) penicillinespuiten. Door het ongewoon
vaak krabben in de schaamstreek door sommigen werd ook de betekenis van het
woord platje* me duidelijk. *Een platje is een hardnekkig diertje waarmee
sommige zeelui wel eens worden geconfronteerd na een vluchtig contact aan de
wal.
Er zijn drie methoden om er van
af te komen, nl.:
1. De aangetaste delen goed
inwrijven met liters petroleum.
2. Een spiegel onder de aangetaste edele delen
houden. De platjes denken dan: "Ha, nieuwe zak!" en springen op de
spiegel,
die vervolgens snel over de muur moet worden gegooid.
3.
Een bak met ijsklontjes onder het klok- en hamerspel houden. De platjes krijgen
het dan koud, gaan met hun pootjes op hun rug
kloppen en
in hun handen wrijven, waardoor ze geen houvast meer hebben en in de bak met
ijsklontjes vallen. Ook deze bak
direct over
de muur zetten.
Uit ervaring kan ik meedelen, dat methode 1 is aan te bevelen. Mombasa was de laatste haven die we aandeden aan de Oost-Afrikaanse
kust, want hierna liepen we Aden aan, waar uitsluitend gebunkerd werd (niet
eten, maar brandstof voor de voortstuwing innemen). Als voorloper van het
Suezkanaal was dit de plaats waar allerlei handelaren aan boord kwamen met de
meest uiteenlopende spullen. Radio’s en fototoestellen hadden hier de overhand.
Hoewel ik een goed fototoestel best kon gebruiken, kocht ik hier niets om de
eenvoudige reden, dat mijn geld zo goed als op was. Voor een krats overgenomen indertijd van die goochelaar in Port Saïd  Na te hebben gebunkerd, voeren we
de Rode Zee in. Het water was als een spiegel, er stond nl. geen wind en het
was er bloedheet. Gelukkig was de Wonosari uitgerust met een goed
functionerende airconditioning. De Golf van Suez bood eenzelfde desolate
aanblik, alleen was er nu wat kleiner scheepsverkeer te zien, nl. de Arabische
dhows, schepen met één mast voorzien van een eigenaardig gevormd zeil. Langzaam kwam het land aan stuur-
en bakboord bij elkaar en gingen we ten anker op de rede van Suez. Het kleine
beetje wind dat veroorzaakt werd door de snelheid van het schip viel nu weg en
het werd bloedheet aan dek. Het wachten was nu op de avond en het formeren van
het “noord-konvooi”. Het anker had de bodem nog niet geraakt of allerlei
bootjes spoedden zich naar de Wonosari. Het waren de beroemde “bum boats”
van de handelaren in beeldjes van Egyptische goden, poefen in verschillende
vormen, kamelenzitjes, radio’s, bandrecorders, fototoestellen en ander in wezen
overbodig spul. Ik kocht wat kleine beeldjes en
asbakjes, want met mijn assistenten-gage van ƒ 256,10 per maand (minus m’n
maandbrief) viel er weinig te kopen. De post werd door de agent aan boord
gebracht en voor de snelle schrijvers was er gelegenheid hierop te antwoorden,
aangezien de agent te Port Said de uitgaande post weer kwam ophalen.
We kregen van de loods
instructies hoe er wacht moest worden gelopen en hoe verbinding te onderhouden
met Ismaïlia Radio, dat het centrale brein is achter de twee konvooien met hun
talloze loodsen. Alles moest toen nog via morse gebeuren, want de schepen waren
in die tijd nog niet met VHF uitgerust en een MG-telefonie bruginstallatie
ontbrak op de Wonosari. Met het Suez-licht op de boeg gingen de schepen nu één
voor één het kanaal in en begon een lange doch interessante tocht naar Port
Said. Halverwege het kanaal voeren we de Bittermeren binnen, waar het
tegengestelde zuid-konvooi werd gepasseerd.
De Bittermeren zijn een langgerekt met zout water
gevuld bekken in de landengte van Suez. Zij verbinden het noordelijke en het zuidelijke deel van het Suezkanaal.
De Bittermeren bestaan uit het Grote Bittermeer en
het daarmee verbonden Kleine Bittermeer. meren een oppervlakte van
220 tot 250 km² en worden omgeven door woestijn. Aan het zuidelijk uiteinde van het Grote Bittermeer is de invloed van
eb en vloed van de Rode Zee nog merkbaar. Vóór het graven van
het Suezkanaal lag het waterpeil in de Bittermeren 10 meter Het Suezkanaal
heeft geen sluizen, waardoor water zowel uit de Rode Zee als uit de Middellandse Zee de
Bittermeren kan bereiken en het water, dat door verdamping verdwijnt, kan bijvullen. De meren
hebben ook een dempende invloed op de getijden in het Suezkanaal.
Het werd wat lichter buiten,
zodat ik wat van Egypte te zien kreeg; hoofdzakelijk zand dus. In de
ochtendschemer passeerden we Ismaïlia Signal Station en in de loop van de
ochtend bereikten we Port Said, waar de Suezloods weer van boord ging, waarna
we de Middellandse Zee opvoeren.
Daar mijn eerste tocht via het
Suezkanaal in noordelijke richting was, miste ik in Port Said de overbekende
“Said”, schijnbaar de leider van de aan boord van de schepen komende
handelaren. Op mijn latere reizen door het Suezkanaal zou ik vaak met deze
tamelijk goed Nederlands sprekende, westers gekleed gaande Egyptenaar te maken
krijgen.
Het Suezkanaal is ca. 190 km. lang. De afstand tussen Port Saïd en Ismaïlia is 78 km. De afstand tussen Ismaïlia en Port Tewfik (bij Suez) bedraagt 84 km. Het kanaal is in totaal 300 m. breed; tussen de boeien echter 180 m. Het kanaal is ca. 20 m. diep en de maximum toegestane diepgang is 53 voet (ca. 17 m.) Per dag zijn er drie konvooien, nl. Port Saïd-Suez om 01.00 en 07.00 lokale tijd en Suez-Port Saïd om 06.00 lokale tijd. In de loop van die dag daalde de
temperatuur dusdanig, dat het witte tropenuniform snel werd vervangen door het
blauwe. In tegenstelling tot de Rode Zee en de Golf van Suez stond er op de
Middellandse Zee een stevige bries, die nogal fris aandeed aan onze aan de
warmte gewend geraakte lichamen. Bij het aanlopen van Genua zagen we allerlei
kleine KNSM-ertjes langs de kant liggen en Viool voorspelde mij, dat dit mijn
voorland was. Hierin kreeg hij gelijk, want m’n volgende schip zou inderdaad
een KNSM-schip worden, alhoewel niet zo’n kleintje als die welke doorgaans op
de Middellandse Zee havens voeren. Een vijfde WTK was in
deze haven helemaal weg van een Italiaanse schone, die hij in een bar had leren
kennen. Toen hij haar de volgende middag met haar “beschermer” op de markt zag
lopen, was hij ontroostbaar. Hij had niet gedacht, dat “het er zó een was”! Sparks gaat 's avonds buitenom, anders wordt die ouwe misschien wakker  In de Middellandse Zee was het
haventje in, haventje uit. Na Genua was de beurt aan Marseille. Mijn financiële situatie was nu
zó nijpend geworden, dat ik moest kiezen tussen Marseille en Barcelona. Ik koos voor de laatste, zodat ik in
Marseille ‘s middags heel degelijk aan sight-seeing deed. Op aanraden van
enkele “oude rotten” werd de Vieux Port en omgeving door mij verkend voor een
eventueel later bezoek. Een wijntje op een terras aan de Vieux Port kon er nog
nèt af. Barcelona bleek achteraf hèt klapstuk van de reis te zijn geweest. Na
‘s middags deze mooie Catalaanse hoofdstad te hebben bezichtigd (de Ramblas,
beeld van Columbus, de Paseo de Gracia), ging de hele ploeg ‘s avonds stappen
in de zijstraatjes van de Ramblas. Het was daar erg druk en
gezellig, zó gezellig dat ik tegen de ochtend de kabelgast (die erg bij de
Spaanse vrouwen in de pul viel, omdat hij bruinverbrand, met blonde haren en
qua bouw precies op Tarzan leek) per taxi aan boord bracht, omdat hij a) niet
meer wist wie hij was en b) uiteraard het schip niet meer kon vinden. Naast
kabelgast waren er nòg wat vreemde beroepen aan boord, waarvan ik de meeste
later nergens meer zou tegenkomen, zoals: 5e WTK, bakker,
baas-timmerman, bankwerker, ladingklerk, lampenist, olieman, poetser, purser,
schrijver, wasbaas en ziekenpa. Dit schip bood niet voor niets plaats aan 58
bemanningsleden! Mèt punthoofd zat ik ’s morgens
weer in het radiostation om de EU te nemen en de dagelijkse administratie te
doen. Na het middageten mocht ik van El Cheffo nog eventjes de wal op om in de
buurt van de haven van mijn laatste peseta’s nog twee flessen Spaanse brandy te
kopen om later mijn thuiskomst te vieren. Jammer genoeg was dit bezoek aan
Barcelona als zeevarende de enige keer, zo later bleek.
Barcelona zou de vóórlaatste
haven van de reis zijn, want de eindbestemming was Rotterdam. Voor het eerst
kwam ik door de Straat van Gibraltar. Gelukkig werkte het weer mee en kon ik, over
de boeg hangend, de grienden in de
boeggolf met het schip zien meezwemmen. Soms leek het alsof ze door het schip
zouden worden geraakt, maar met een paar snelle staartbewegingen lieten ze het
logge gevaarte achter zich. Met Marokko aan bakboord en
Gibraltar aan stuurboord stoomden we de Atlantische Oceaan weer op, waar
we - nadat het aan SB verdwenen land
weer in zicht was gekomen – een markant punt voor zeelui passeerden, nl. Kaap St. Vincent. Na langs de
Portugese kust en noordwest Spanje te zijn gevaren, liepen we de Golf van
Biskaje binnen, gelukkig nog steeds met mooi weer. Dat kan wel eens anders zijn
in de Golf! Bij het binnenvaren van Het
Kanaal begon chef Viool, met mij op z’n vingers kijkend, de laatste hand te
leggen aan de (administratieve) reisafsluiting, waarmee hij al enkele dagen
daarvoor voorzichtig was begonnen. Alleen bij het invullen van mijn
conduitestaat werd mij verzocht iets anders te gaan doen. Ik neem aan, dat de conduitestaat
positief was, want na aankomst in Rotterdam werd mij op de RH-inspectie
meegedeeld, dat ik zelfstandig de kustreis zou meemaken. Het schip zou in
Hamburg in dok gaan, de reis zou 2-½ week duren en mij werd toen al aangezegd,
dat ik gelijk na binnenkomst met een KNSM-er zou vertrekken. Na die ene dag
verlof na de grote reis zou er ook maar
één vrije dag zijn na de kustreis. Over personeelsgebrek gesproken!
De
kustreis met de Wonosari, ditmaal met kapitein Viëtor als gezagvoerder, verliep
zonder incidenten; behoudens QTOs en QTPs was er geen telegramverkeer, zodat de
dagelijkse werkzaamheden merendeels bestonden uit het nemen van
verkeerslijsten, weerberichten, radiopeilingen (minimaal één per dag verplicht)
en tijdseinen; voor de rest constant uitluisteren op de 500 en 2182 kHz, schoonmaken/-houden van het radiostation en
de gebruikelijke administratie. In dok bij Blohm & Voss te Hamburg (Foto WTK Nauta) In Hamburg gingen we in dok bij Blohm & Voss en ik maakte van mijn goede verstandhouding met de nieuwbakken kapitein gebruik om te vragen of ik vier dagen van boord mocht. Ik wilde nl. naar m’n verkering in Oberhausen.
Omdat er voor mij toch vrijwel niets te doen was in dok werd dit toegestaan.
Wel moest ik in het radiodagboek vermelden, dat de kapitein het niet nodig had
gevonden dat ik de persberichten van PCH moest nemen. Sparks kan erg goed met die ouwe opschieten....!! Mijn eerste administratieve reisafsluiting was gelukkig een beperkte, daar dit slechts een kustreis betrof. Zodoende kon ik op een rustige manier wennen aan deze administratieve rompslomp aan het einde van elke reis (en soms zelfs van elke maand). Enkele uren voor aankomst te
Rotterdam kwam kapitein Viëtor en zijn echtgenote nog afscheid nemen in de
radiohut. Net als voor mij bleek deze kustreis ook voor hem zijn eerste
zelfstandige reis te zijn. Naar later zou blijken behoren de kapiteins Moulijn
en Viëtor tot aardigste kapiteins waarmee ik gevaren heb. Na aankomst te Rotterdam bracht
ik pijlsnel m’n bescheiden naar de Inspectie van Radio Holland aan de
Eekhoutstraat 2, om daarna snel huiswaarts te keren voor één dag verlof. RH-inspectie Rotterdam, Eekhoutstraat 2 Gelukkig hoefde ik pas op de
ochtend van vertrek van de Parthenon bij de Inspectie in Amsterdam aan de Levantkade langs te komen, anders had dat
op mijn enige vrije dag moeten gebeuren. Mijn eerste drie maanden bij Radio
Holland zaten erop en al met al was deze tijd me niet tegengevallen. Ik kon
toen nog in geen velden of wegen bevroeden,
wat me allemaal bij de K.N.S.M. te wachten zou staan.
|