9 augustus 1961 - 23 augustus 1962 Tweede en derde reis 19 december 1961 - 23 augustus 1962 Veel herinner ik me niet van deze kustreis; alleen wat er in Hamburg gebeurde, staat mij nog goed bij. Tijdens ons verblijf aldaar vroeg kapitein van Keulen mij of ik zin had met hem naar een wedstrijd van Hamburger SV te gaan. We waren tenslotte beiden voetballiefhebbers. Hij zou tracteren! Bij het Waldstadion aangekomen bleek hij geen kaartjes te hebben en we sloten aan in een rij voor de houten loketten. Nog voor we aan de beurt waren, werden de loketten gesloten. Uitverkocht! Dan per taxi de stad maar in, waar je onvermijdelijk belandde op de Rehperbahn of Grosze Freiheit. met zijn nachtclubs met portiers uitgedost als admiraals voor de deur. Zelfs een groentje als ik trapte niet in de verhalen van deze zeven-strepen portiers, maar van Keulen liet zich een tent binnensleuren met mij in zijn kielzog. Hij zou immers tracteren! Ik zal ook tijdens deze negendaagse kustreis wel hebben moeten talliën in een ruim; ik kan het me echter niet meer herinneren. Op 19 december waren we dus weer terug in Amsterdam en kon ik vliegensvlug m'n ouders en broers gedag zeggen en de schone was meenemen. Diezelfde dag vertrokken wij richting Willemstad voor mijn tweede slinger, deze keer onder het commando van kapitein Stuit. Dit was niet zo'n opvallend figuur als van Keulen; het enige wat ik me van hem kan herinneren is het feit dat hij met een Amerikaanse was getrouwd en zijn domicilie in de States had. De reis op gaan in een bekend radiostation vond ik wel een pluspunt. Je hoefde niet gelijk allerlei nieuwe dingen te bestuderen en eventueel na te kijken hoe andere toestellen aan de praat gebracht konden worden. Dat bij de K.N.S.M. het radaronderhoud onder de 2e stuurman viel, was voor mij qua werk rustiger, maar zodoende ontbrak het mij wel een vol jaar aan ervaring in reparaties en onderhoud. Bij sommige problemen werd ik uiteraard wel eens geraadpleegd, maar de allesoverheersende opvatting onder KNSM-stuurlui was dat een stuurman meer van radar wist dan een marconist. Ik deed dan ook geen enkele moeite hen van het tegendeel te overtuigen; ik hield van mijn rust. Nog geen week na vertrek uit Amsterdam maakte ik de eerste kerst viering op Zee mee. Buiten het ongetwijfeld verstrekte kerstdiner is mij er niets van bijgebleven. Een kerstkist van het "Comité Kerstfeest op Zee" met kleine presentjes maakte ik voor het eerst mee op de Ampenan, dus dat zal er deze reis niet hebben ingezeten. Alleen de door mij ontvangen kersttelegrammen hebben waarschijnlijk de kerstsfeer enigszins verhoogd.
Zodra Radio Hoyer 2 (een omroepstation) op de middengolf te horen was, wist je dat Willemstad niet ver weg meer kon zijn en zat de oversteek er bijna op. In de Caribbean luisterde ik vaak ‘s middags naar dit radiostation op Curaçao, vooral naar de toenmalige hits van Helen Shapiro, Paul Anka, Neil Sedaka enz.; Gerry Mulligan, Chet Baker, Art Blakey, Lee Morgan, Oscar Petersen e.a. werden (tijdelijk) naar het tweede plan verwezen. Oud en Nieuw werd gevierd in Willemstad en was weer des KNSM's; nogal schraaltjes wat betreft de inwendige mens. Na het verplichte samenzijn en de goede-wensen-ronde lag ik vóór 01.00 uur in bed. Na Willemstad, La Guaira, Puerto Cabello en Punta Cardon arriveerden we op elf januari 's morgens in alle vroegte in Santa Marta, Colombia. Dit zou dus mijn eerste verjaardag zijn, die ik niet thuis zou vieren. Na toestemming van de kapitein had ik via de chef-hofmeester geregeld, dat mijn verjaardag vanaf 11.00 uur in de passagiers-lounge zou worden gevierd. Alle officieren kwamen zo'n twee uur lang borrelen. De chef-kok had wat schalen met snacks verzorgd en het drinken was onbeperkt en uiteraard voor mijn rekening. Niet de kapitein, maar de chef-hofmeester maakte een eind aan de festiviteiten door geen drank meer te schenken en de schalen weg te halen. Er moest tenslotte op tijd geluncht worden. Passagiers hadden we niet aan boord, maar toch! Net na die lunch kreeg ons schip bezoek van enkele Colombiaanse bedelnonnen. Tot op de dag van vandaag heb ik geen mooiere vrouw gezien als één van deze nonnen. Uiteraard was alleen maar haar gezicht te zien, maar deze was van een unieke schoonheid. De bedelnonnen kwamen uiteraard om geld bedelen voor de vele minder bedeelden in dit arme land, maar ook zeep, kleding, melk enz. was van harte welkom. Ik kon haar slechts helpen aan een stuk zeep, een blik melkpoeder en mijn charmantste glimlach. Ook in de Colombiaanse havens Santa Marta, Cartagena en Barranquilla loonde het de moeite sigaretten te smokkelen om wat stapgeld bijeen te sprokkelen. Omdat de Guardia Civil in sommige landen zo ver ging de zeelieden te fouilleren, moest ik een list verzinnen. Ik had destijds onderbroeken met een soort dubbele bodem in het kruis. Hierin pasten drie á vier pakjes sigaretten. Ik had nog nooit gezien dat er iemand in z’n kruis werd gefouilleerd, zodat ik deze methode in vele havens met succes heb toegepast. Een pakje Marloboro bracht toch gauw tien cerveza op. Na Colombia deden we de Venezolaanse havens Maracaibo, Puerto Miranda, Puerto Cabello en La Guaira weer aan vóór we de eilanden ten noorden van Trinidad (Grenada, Barbados, Martinique en Guadeloupe) met een bezoek vereerden. Nadat we Guadeloupe hadden verlaten, hoorde ik een Nederlands schip werken met NMR. Het bleek de Bintang/PDDG te zijn en aan de manier waarop de letter C werd geseind, wist ik dat mijn vriend Bert de Jong daar aan boord moest zitten. Hij maakte van de C (-.-.) nl. een T en een R (- .-.). Even snel QSO (verbinding) gemaakt op de 500 kHz en we switchten naar een MG-telefoniefrequentie om wat bij te praten. We ouwehoerden de twee uur tussen de zonewachten vol en ik sprak af hem in New York te komen opzoeken, want we zouden vrijwel gelijktijdig binnenliggen. Deze keer gingen we niet direkt naar New York, maar vanaf Miami volgden we de kust naar het noorden. In Miami gingen we liften naar Miami Beach; dat ging sneller dan met de bus. In no time hadden we een lift van twee Cubaanse vrouwen, die ons van downtown Miami via de MacArthur Causeway naar de Ocean Drive reden. Daar lagen we de hele dag aan het prachtige bredestrand, waarna we laat in de middag weer een lift terugkregen naar downtown Miami, waar de haven vlakbij ligt. Met we bedoel ik “leraar” De Baat Doelman, een vierde WTK uit Zandvoort en ik. Meestal gingen wij overdag gedrieën stappen, ‘s avondsvoegde de elek zich vaak bij ons. Van Miami ging de reis naar Fort Lauderdale, een uurtje of twee varen. De dag daarop (20 februari 1962) zou John Glenn als eerste Amerikaan de ruimte worden ingeschoten vanaf Cape Canaveral. Omdat deze lanceerplaats pal noord en niet zo ver van Fort Lauderdale afligt, wilde ik proberen met mijn Agfa-Clack er een foto van te nemen. De countdown werd via de radio uitgezonden, zodat ik met de radio in het radiostation keihard aan op het antennedek boven de radiohut met mijn toestelletje in de aanslag zat. Meer dan een soort van rookpluim kreeg ik niet te zien; ook de foto vertoonde een uiterst miniem pluimpje. Van hier ging het via Jacksonville naar Baltimore, dat werd bereikt door na het ronden van Cape Henry de Chesapeake Bay in te draaien. In Baltimore was het koud en guur, dus een nachttent was de aangewezen plaats om wat op verhaal te komen. Hier zag ik voor het eerst go-go girls op verhogingen en soms op de bar dansen. De tocht Baltimore-Philadelphia werd binnendoor gemaakt via de Chesapeake-Delaware Channel met de eerste stuurman als gezagvoerder, daar kapitein Stuit zich na aankomst te Baltimore naar huis spoedde om pas vlak voor vertrek vanuit Philadelphia weer aan boord te komen. Na Philadelphia werd New York weer aangedaan en ging ik de dag na binnenkomst vanaf 33rd Street Bert de Jong bezoeken op de Bintang, die aan de Mij. Nederland-pier ter hoogte van 44th Street in Brooklyn lag. De heer De Jong was echter afwezig; hij was op bezoek bij kennissen. Hij was blijkbaar in allerlijl vertrokken, want de nieuwsberichten van Scheveningen Radio lagen nog onuitgewerkt op zijn werktafel. Tijdens deze binnenlig in New York bracht ik eens mijn maandafsluiting
bij deze RH-inspectie ter verzending naar Nederland. De inspectie was die dag
bezet door de inspecteur en zijn secretaresse. Mij werd door die secretaresse gevraagd of ik die dag
iets speciaals te doen had. Na mijn ontkennende antwoord werd mij verzocht bij
diverse elektriciteitswinkels in de buurt van de inspectie te gaan informeren
naar de prijs van een bepaald merk radio. Ik vond het een nogal vreemd verzoek,
maar deed het toch. Na mijn terugkeer had ik het idee, dat de resultaten van mijn onderzoek voor kennisgeving werden aangenomen. Tot op de dag van vandaag heb ik er zo het mijne van
gedacht. Vanaf New York ging de reis naar San Juan, Puerto Rico. Hier lagen behoorlijk wat cruise-schepen op de rede met voornamelijk scheppen geld uitgevende (vooral) Amerikaanse toeristen. Na wat lading voor Europa te hebben ingenomen, vertrokken we naar Willemstad om daar de laatste gaatjes in de ruimen te vullen, alvorens de thuisreis te aanvaarden. Na aankomst in Amsterdam op 9 april 1962 mocht ik zowaar de kustreis achterblijven, zodat ik eindelijk eens ruim een week thuis kon zijn. Op 18 april was het weer varen geblazen, zodat ik in mijn eerste jaar bij de koopvaardij precies 10 dagen thuis was geweest. Mijn derde reis ging weer onder commando van kapitein Stuit. De vaste werkzaamheden vóór vertrek werden al routinematig uitgevoerd. Een tijdsein en het weerbericht van PCH nemen, gelijktijdig met dat van Niton Radio/GNI, want beide stations zonden om 08.30z uit. Hierna die van Land's End Radio/GLD om 08.48z en het grote weerbericht van Portishead om 09.30z. De aangevraagde reserveonderdelen en papieren opbergen, de accu’s onder lading zetten, een doos bier, een fles jenever en 10 pakjes Van Nelle bestellen. De reis kan beginnen!
Zodra Het Kanaal verlaten werd, verzond ik een AMVER-bericht naar NMR (Puerto Rico) of NMY (New York). De U.S. Coastguard heeft een netwerk van kuststations, waarmee kan worden gewerkt in de MG en KG. San Francisco Radio/NMC, Miami Radio/NMA, Boston Radio/NMF, New Orleans Radio/NMG, New York Radio/NMY, Portsmouth Va. Radio/NMN, San Juan P.R. Radio/NMR en Kodiak Radio/NOJ hebben alle dezelfde werkfrequenties en als bv. NMF je niet hoorde, dan gaf NMY of NMN wel antwoord, zodat je je bericht zonder veel vertraging kwijt kon. Deze stations zenden weerberichten en dringende navigatieberichten uit, nemen OBS-en (weerobservaties van schepen) en AMVER-berichten (uitleg volgt later) aan en geven op verzoek radiomedisch advies. Uiteraard geven zij in voorkomende gevallen leiding aan noodverkeer. Dit netwerk aan de wal wordt gecompleteerd door vijf Ocean Station Vessels, die in een bepaalde positie vóór de kust van de U.S.A. liggen. Ocean Station Vessel 4YA ligt op 62.00N 33.00W, 4YB op 56.30N 51.00W, 4YC op 52.45N 35.30W, 4YD op 44.00N 41.00W en 4YE op35.00N 48.00W.
Waren er bv. Amerikaanse passagiers aan boord, dan luisterde ik ook uit naar Chatham, Mass. Radio/WCC en/of New York Radio/WNY. Dit waren elkaar beconcurrerende stations; WCC was van RCA en WNY was van Mackay, beide telegraaf-maatschappijen. Persoonlijk werkte ik het liefst met WCC, dat accuraat werkte. Tuckerton, New Yersey Radio/WSC (Global Marine Comm. Inc.) was eveneens een station waarmee ik altijd lekker werkte. Tijdens de 1200-1400 wacht kwam het weerbericht van NSS (1235z) en tijdens de 1600-1800 wacht de persberichten van PCH (1620z). Gedurende de 2000-2200 wacht soms nog een weerbericht en indien door het tijdsverschil ook de 0000-0200 wacht gelopen werd, nogmaals het NSS weerbericht van 0035z. Gedurende de vier wachten van twee uur, dus óók tijdens het nemen van weerberichten of verzenden van berichten, werd constant uitgeluisterd op de internationale noodfrequentie 500 kHz. Dit uitluisteren gebeurde natuurlijk per luidspreker. Eigenlijk ontving ik alles per luidspreker, een koptelefoon deed ik alleen op als de verbinding slecht was of als je een radiopeiling nam, maar dat gebeurde altijd in de kaartenkamer waar de richtingzoeker meestal was geplaatst. Je kon desnoods bij iemand anders in de hut gaan zitten, als je de morseseinen nog maar kon horen en ontcijferen; zelfs met muziek aan en tijdens drukke gesprekken lukte dit probleemloos. Voor sommige passagiers aan boord was het van groot belang de koersen van de Amsterdamse Beurs tijdens de reis bij te houden. Hiertoe zond Scheveningen Radio aan het eind van de persberichten een lijst met slotkoersen uit, bestaande uit een reeks van zeventien cijfergroepen met de volgende betekenis: 1. 3½ % staatslening, 2. Koninklijke Petroleum, 3. Unilever, 4. Philips, 5. A.K.U., 6. N.S.U., 7. Handelsvereniging, 8. Deli, 9. Amsterdam Rubber, 10. Rotterdamsche Bank, 11. Amsterdamsche Bank, 12. H.A.L., 13. Van Ommeren, 14. K.N.S.M., 15. Billiton, 16. U.S. Steel, 17. Anaconda. Ondanks het bestaan van een officiële “relay-dienst” (het kosteloos overnemen van telegrammen van en naar schepen, hierover later meer) via Scheveningen Radio nam je natuurlijk berichten over voor schepen, die geen verbinding met PCH hadden. Er waren hiervoor speciale RH-periodes in de 8 MHz van 2130 tot 2145z, in de 12 MHz van 1330 tot 1345z en in de 16 MHz van 0530 tot 0545z. Men was verplicht tijdens deze periodes in de roepband te luisteren en (minstens twee) roepletters van roepende Nederlandse schepen in het dagboek te vermelden, ten teken dat was uitgeluisterd. Wilde men een RH-schip vragen iets voor Scheveningen Radio over te nemen, dan riep men b.v. PDRH PDRH PDRH de PCCM QSP PCH?, hetgeen betekende: Radio-Holland schepen hier de Acila, kunt u kostenloos berichten overnomen voor Scheveningen Radio? Vooral rond Kerst en Oud en Nieuw werd op deze wijze vaak de helpende hand geboden aan collegae die geen verbinding met PCH konden krijgen. Het door bemanningsleden aanbieden van vooral cadeau- of gelukstelegrammen leidde soms tot gesprekken die wat dieper gingen dan normaal. Zo was er een 20-jarige matroos die een telegram aan een vrouwtje verzond en gelijktijdig zijn problemen bij mij als 22-jarig knulletje kwam deponeren. Zo had hij een meisje leren kennen in Amsterdam, dat hem op een gegeven moment mee naar huis nam, waar hij pardoes stapelverliefd werd op de moeder. Deze gevoelens waren wederzijds en dus had hij een probleem. Tijdens het laatste verlof had hij ze nog allebei kunnen aanhouden, maar in de toekomst voorzag hij grote problemen. Hij vroeg wat ik er van dacht. Wat moet je als net volwassen geworden puber nu hierop antwoorden? Ik had nog nooit zulke problemen gehad, dus mijn antwoord zal wel totaal nietszeggend zijn geweest. Een jaar later ontmoette ik hem bij het Muiderpoortstation in Amsterdam-oost en hij stelde me toen voor aan “de moeder”, want daar had hij tenslotte maar voor gekozen. Het volgende probleem was van ernstiger aard. Een Spaanse matroos werd om voor mij onduidelijke reden door de andere Spanjaarden aan boord doodgezwegen. De man liep met bloeddoorlopen ogen en half waanzinnig rond, want tijdens zo’n oversteek kon je ook niet even de wal op om ergens een praatje te maken. De man lulde honderd uit tegen de Nederlanders en was als een kind zo blij als er iets tegen hem in het Spaans werd gezegd. Enige kennis van de Engelse taal had hij niet. Mijn Spaans was na twee slingers Caribbean niet onaardig, zodat ik zo nu en dan iets tegen hem kon terugzeggen. Doodzwijgen aan boord van een schip is een verschrikkelijke straf en heb ik daarna nooit meer meegemaakt. De Caribbean lag er weer als een spiegel bij toen wij voor de derde keer dit gebied binnenvoeren en weer was Willemstad de eerste haven die we aandeden, gevolgd door enkele Venezolaanse havens, waarna we de Caribbean verlieten om naar Georgetown, British Guyana te varen. In een bar in Georgetown kwam op een gegeven moment een hoertje uit Paramaribo bij ons aan tafel zitten, die bij een door ons geoffreerde Cuba Libre de overgetelijke woorden sprak: “Vrouwen wie drinken alleen maar Cola, niet goed van onderen”. Wijze woorden dus! Onthouden !! Van Georgetown naar Paramaribo was zo’n 14 uur varen. Naast Radio Hoyer op Curaçao is Radio Apinti in Suriname het tweede radiostation in dit gedeelte van de wereld waar de uitzending in het Nederlands wordt verzorgd. Radio Apinti heeft daarnaast ook nog een zender, waarop in Sranan tongo wordt uitgezonden. De gemoedelijkheid van Paramaribo bleek uit het feit, dat elk schip dat deze haven aandeed op de radio werd aangekondigd, zowel binnenlopend als vertrekkend. Na een uurtje varen op de Surinamerivier meerden we af in Paramaribo en daar er om onduidelijke redenen niet gelijk werd begonnen met lossen en laden, kregen vele opvarenden de kans in groten getale de wal op te gaan. Overdag de wal opgaan was normaliter alleen weggelegd vor de kapitein en de marconist! Het volgende probleem kondigde zich na Paramaribo aan. Een jonge bediende vertelde mij aarzelend en in tranen, dat hij met een groot probleem worstelde. “Oh jee”, dacht ik, “hier is weer iemand die anders is dan hij aanvankelijk dacht”. Maar nee, het was een “normaal” probleem, want deze bebrilde jongeman met wimpers en haren als Boris Becker durfde op het moment suprème niet met een vrouw mee te gaan om haar postzegelverzameling te bekijken. Onnodig te zeggen dat hij “het” nog nooit gedaan had en hij wilde zo graag, maar wist niet hoe! Ik nam hierover kontakt op met de elek, leerling-STM en derde STM en wij kwamen overeen de knaap in Port of Spain de helpende hand te reiken; figuurlijk gesproken dan. Van Trinidad ging de reis naar Haïti, het armste land van Amerika. Scheepsladingen (voornamelijk) Amerikaanse toeristen kwamen zich in Port au Prince vergapen aan de ontstellende armoede. Meisjes van 13 jaar boden zich aan voor omgerekend ƒ 1,50. De geheime politie van de familie Duvalier – Tonton Macoute – zorgde er wel voor, dat er niet hardop werd gekankerd op het dictatoriale bewind van Papa Doc en Baby Doc (Duvalier). Na de schrijnende armoede van de hoofdstad gingen we naar het “rijke leven” van een Hollandse familie in Fort Liberté aan de noordkust van het eiland. Hier werd nog wat lading ingenomen voor Europa, maar omdat alles hier op z’n elf-en-dertigst ging, lagen we een nacht over en werden we door de Hollander uitgenodigd voor een avondje in de club van Amerikanen en Europeanen. Er waren óók Haïtianen, maar die waren zo’n jaar of acht en moesten de kegels weer op de baan zetten als wij ze hadden omgekegeld. Als wij ergens ten anker lagen en ik had even de tijd, ging ik altijd vissen op de poop (achterdek). Met een lijntje in de hand en een stuk vlees uit het kombuis aan de haak ving ik soms aardig wat. Zo ook op de rede van Kingston, Jamaica. We waren hier 's ochtends gearriveerd en moesten ten anker om te wachten op een ligplaats; deze zou de volgende ochtend vrij komen. 's Middags ging er een sloep naar de wal, maar ik besloot de sloep in de avond te nemen en nog wat te gaan vissen, alvorens te gaan eten en me op te knappen. Op de poop zat ik op een kabeltros van zo'n meter hoog, bezweet in een T-shirt en in de (warme) wind. Tegen etens tijd sprong ik van de tros af en ging door m'n rug! Ik belandde met gebogen knieën op dek en kon niet meer overeind komen. Als een oud mannetje ging in naar de 1e stuurman, die aan boord als "dokter" optrad. Op mijn weg daarheen ontmoette ik in de gang de ouw, die naar zijn kromgetrokken marconist staarde en ironisch opmerkte: "Zo sparks, moest je zo nodig weer flink tekeer gaan aan de wal? Ik had wel gewild dat die ouwe het bij het rechte eind had gehad, maar ik moest potverdorie nog de wal op! Nadat de eerste stuurman mij in de vette watten had gewikkeld en mij op bed had gelegd, kon ik Kingston wel vergeten. Uitgerekend Kingston is één van de weinige havens geweest, waar ik niet de wal op ben gegaan. Na een wonderbaarlijke snelle genezing ging het vanaf Jamaica richting de States, waar we achtereenvolgens Savannah, Charleston, Wilmington, Norfolk, Newport News en Hampton Roads aandeden alvorens weer in New York te belanden. Deze keer richtten wij onze aandacht op de Duitse buurt rond 86th Street in Manhattan. Als je niet beter wist, waande je je in Duitsland. Bierkneipen, Festhallen, Imbissen, Konditoreien in het hartje van New York met een overvloed aan Duits bier, Bratwurst, Sauerkraut, Duitse kranten enz. Al met al toch wel een gezellige boel, die Deutsche Gemütlichkeit tussen al dat zakelijke van de Amerikanen. Gedurende deze binnenlig in New York was er nog een actie van havenarbeiders, zodat het laden zo’n anderhalve dag vertraging opliep. Deze keer werden er veel auto’s geladen, die, nadat ze voorzichtig in een net in het ruim waren gehesen, door de bootwerkers op hun plaats werden gereden, waarna ze zeevast werden geschoord. Dat er niet al te zachtzinnig mee werd omgesprongen behoeft geen betoog, maar dat was met alle lading het geval. Bij het verlaten van New York had ik het idee, dat ik hier (als zeevarende) niet meer zou terugkeren, want door verschillende oorzaken (zowel het leven aan boord als de houding van mijn toenmalig vriendinnetje ten opzichte van het varen) was bij mij de mening ontstaan, dat ik maar beter kon stoppen met varen. Via de Mona Passage voeren we de Caribbean weer in en kort daarop kwamen we in Willemstad aan. Een laatste bezoek aan Punda en wat rondlopen in Otrabanda bracht mij, evenals bij het vertrek vanuit New York, weer aan het twijfelen of ik nu wel of niet moest stoppen met varen. Tussen twee hurricanes door maakten we de thuisreis vanuit Willemstad, waarna we begin augustus in Amsterdam terugkeerden. Uiteraard mocht ik de kustreis weer meemaken, zodat ik in één jaar drie maal Amsterdam-Bremen-Hamburg-Antwerpen-Rotterdam-Amsterdam voer. Tijdens het ‘s middags winkelen in Hamburg werd ik tijdens het oversteken van een drukke straat bijna geschept door een luid toeterende open Mercedes. Achter het stuur zat een bekende van mij uit mijn Amsterdamse stamkroeg met naast zich zijn vrouw, die door hem naar Hamburg was gemanoeuvreerd omdat daar de verdiensten aanzienlijk hoger zouden zijn dan in Amsterdam. Hij was nl. de “beschermer” van zijn vrouw, die zich horizontaal staande probeerde te houden in het leven. Zich niets aantrekkend van de zich achter hem vormende file bleef hij enige tijd met mij praten en na afgesproken te hebben elkaar de volgende week in ons stamcafé weer te zien, vertrok hij om zijn vrouw naar haar werk te brengen. ‘s Avonds had ik nòg een ontmoeting met een oude bekende. Op de Grosze Freiheit liep ik Baay tegen het lijf; het was een oud RH-leerling op de Keizersgracht, die nooit zijn examen had gehaald en daarna hofmeester was geworden om toch maar te kunnen gaan varen. Ik was ooit eens bij hem thuis geweest om zijn overbodig geworden boeken van de radarcursus over te nemen. Op zijn kosten (want hij was tenslotte de man in bonus als chef-hofmeester en ik was doorgaans blut) hebben we die avond hier en daar wat gedronken en eindigden we in een tent waar "vrouwenworstelen" (in de modder) werd getoond; een unieke ervaring! Van de financiële kant bekeken had hij het er natuurlijk beter afgebracht dan ik, ondanks dat ik was geslaagd en hij was gezakt. Een beetje linke (chef)hofmeester - en dat waren de meesten - lachte iedereen uit. Na Hamburg werd deze kustreis vervolgd met het aandoen van Antwerpen. In deze voorlaatste haven lagen KNSM-schepen altijd aan de Scheldekaai, waar erg oude hijskraantjes de schepen laadden en losten. Een bezoek ‘s avonds aan de Papenkelder, een club in het hart van de stad met heel veel mooie vrouwen, besloot een jaar varen op de Parthenon. Een tijd met veel leuke momenten, maar helaas ook met veel minder leuke momenten, die ongeschreven bleven omdat men doorgaans de leuke dingen onthoudt.
|












