18 januari 1965 - 26 augustus 1965 Eerste reis 18 januari 1965 - 9 mei 1965 Maatschappij: Van
Nievelt Goudriaan & Co., Rotterdam. Zusterschepen: Alamak, Alchiba, Alcor, Algol, Algorab,
Alnitak, Aludra en Nijkerk. Ze voer van 1965 tot 1968 in de
Constellation Line (Europa-USA-PG-Europa), van 1968 tot 1969 in de wilde vaart
en daarna R.Z.A.L. (R’dam-Zuidamerika Lijn). Na te zijn opgelegd in Piraeus,
werd ze in december 1977 verkocht naar Panama en “Kesnar” gedoopt. In
juni 1982 te Chittagong gesloopt. Abadan - Abu Dhabi - Aden - Bandar Abbas - Basrah - Bridgeport - Bushire - Damman -Dhahran - Dubai - Das Island - Galveston - Genua - Jeddah - Kharg Island - Khor-al-Mufata -Khorramshahr - Kuwait - Livorno - Marseille - New Orleans - New York - Ras al Khafji - Ras Tannurah - Wilmington Kapitein
:
W.
Meuldijk † Hwtk
(2e reis): Dubbeldam KG-zender: Philips SMZ-219 Hoofdontv.: Philips BX-925 RZ: Lodestone 758C MG-zender: Philips SMZ-218 Noodontv.: Belmont BC-348 Echolood: Kelvin Hughes MS26B A3-zender: RH-5207 A.A.T.: ???? M-700 Radar: Atlas 5000 Na de Alwaki van Van Nievelt Goudriaan was de Alkes van dezelfde maatschappij een hele verbetering. Hoewel ook dit schip in een half jaar tweemaal de Perzische Golf aandeed (nl. Marseille-USA-PG-Marseille-USA-PG-Marseille), waren de reizen leuker dan die met de Alwaki, met tweemaal Europa-PG-Europa. Daar het schip tussen de U.S.A. en de Perzische Golf voer en in Marseille de aflossingen plaatsvonden, moest een halve bemanning per vliegtuig naar deze Zuidfranse stad worden gevlogen. Dit gebeurde vanaf het vliegveld Zestienhoven bij Rotterdam en betekende mijn luchtdoop. In de vertrekhal bevond ik mij tussen allemaal vreemden; dat is dus een nadeel als je als radio-officier naar een ander schip gaat, al helemaal als dat schip van een andere maatschappij is. Ik zag twee oudere heren staan praten; een grote man met een gleufhoed op en een iets minder forse man zonder hoed. Ik stapte op hoedmans af en stelde mij voor als de nieuwe radio-officier en hij op zijn beurt als de baas-timmerman, waarvan ik de naam ben vergeten. De hoedloze man bleek de kapitein te zijn en ik maakte kennis met zijn onderdrukte gelach, want de humor zag hij er wel van in.
Het was nu raadzaam om snel vertrouwd te raken met de verschillende apparaten, want die verschillen natuurlijk van schip tot schip. Mijn collega had al wat bijzonderheden opgeschreven waarop ik moest letten en met behulp van handleidingen en wat logisch nadenken had ik de boel tamelijk snel onder controle.
De "bierploeg", 3e stm, ik, een wtk, de elec, Op bezoek bij de 3e stm op de brug op de voorgrond 2e stmDe kapitein en ik waren dus de enige bewoners van het brugdek. Die kapitein heette Meuldijk en was een heel aardige man die ik, voor zover ik me kan herinneren, nooit kwaad heb gezien. Altijd heel beminnelijk en goedgeluimd, zoals ik al vermoedde na onze wat vreemde kennismaking. Tijdens de vlucht naar Marseille had ik intussen kennisgemaakt met eerste stuurman Engelbertus van Duin en vierde stuurman Kobus Kouwijzer, oftewel Kobus Kut. Het waarom werd mij snel duidelijk. Hij en de elek waren dit half jaar mijn vaste stapmaten. De elek is een verhaal apart. Cor kwam van de marine en was tot dan toe een verstokt vrijgezel. Hij zal zo'n vier jaar ouder geweest zijn dan ik, zo'n 29 jaar dus. Een gezelligheidsmens die met niemand ruzie zou maken en een goed vakman, die mij menige tip op het gebied van elektriciteit gaf en de radar antenne en -motor in de voormast voor mij in de gaten hield. Hij sprak vloeiend Spaans en Portugees, waar we in New York en New Orleans veel aan hadden. De hofmeester was een zonderling, die nauwelijks zijn hut uitkwam en bediendes waren een mengeling van Nederlanders en Spanjaarden. Het dek- en machinekamerpersoneel woonde op het achterschip, waar de bootsman de scepter zwaaide. Deze Willem Noordzij maakte zijn eerste reis als bootsman en had er gelijk goed de wind onder. Dé grote gangmaker was echter wasbaas Jaap Kagchelland, die uitblonk in het organiseren van feesten zonder enige aanleiding. Als hij zijn verhalen begon te vertellen, hing iedereen aan zijn lippen. Hij was thuis het enige jongetje tussen zeven zusters. Hij woonde ergens in Rotterdam Zuid in het “huis met de 7 gleuven”. In de midscheeps, waar de officieren huisden, was het intussen elke ochtend tussen 11.00 en 11.15 verzamelen geblazen in de hut van de 1e STM, waar we wat biertjes dronken vóór het eten. Even over half twaalf gingen de 2e STM en 3e WTK eten, omdat zij om 12.00 moesten aflossen. Om tien over twaalf kwamen dan de 3e STM en 4e WTK binnenzeilen. Om ca. half één gingen we aan tafel, terwijl de staf nog een bitterhapje nuttigde vóór het aan tafel gaan. Daar mijn wachttijden varieërden, kon ik er niet elke dag bij zijn. Midden op de oceaan, waar het het hartstikke stil was op de noodfrequentie, zette ik soms om tien over twaalf het A.A.T. aan en begaf mij bierwaarts voor ca. 20 minuten. De meest gunstige situatie was natuurlijk als mijn wacht om 13.00 uur scheepstijd begon. De 1e STM had een soort bier rooster gemaakt, waarop stond aangegeven wie aan de beurt was om een rondje te geven. De jongere officieren, waaronder ik toen nog viel, mochten met z’n tweeën een rondje geven. De tocht van Marseille naar New York werd gekenmerkt door harde tegenwind en sneeuw- en regenbuien. Toen we eindelijk Ambrose Lightvessel passeerden, werd het weer wat minder onstuimig. Via de Lower New York Bay ter hoogte van Coney Island, The Narrows en de Upper New York Bay voeren we langs het Statue of Liberty op Governors Island en over de Brooklyn Tunnel vóór we afmeerden aan de kade bestemd voor schepen van de Constellation Line op de kop van Atlantic Avenue, helemaal in het noorden van Brooklyn bij de Brooklyn en Manhattan Bridges. 1) Hudson River 2) East River 3) Long Island Sound 4) Newark Bay 5) Upper Bay 6) Lower Bay 7) Jamaica Bay 8) New York Bight Het was hartje winter en ijskoud in New York, wat me echter niet weerhield ‘s avonds New York te gaan herontdekken. In alle grote havens en zeker in New York waren Internationale Zeemanshuizen, de z.g. Flying Angel Homes. Hier kon Jan de Zeeman terecht voor allerlei dingen, zoals toiletartikelen, postpapier, postzegels, boeken, tijdschriften en andere dagelijkse benodigdheden. Elke zaterdagavond was er een dansavond voor zeelieden en stroomde het gebouw vol met vrouwen, die volgens mij niet aan de man konden komen. Niet ècht interessant dus. Na één (zaterdag)avond hadden we het alweer gezien. Nu was er In New York was er ook een Nederlands zeemanshuis, waarvoor aan boord van schepen nogal reclame werd gemaakt. Zondagavond zou daar een dansavond zijn, dus wij stonden om acht uur al op de stoep. De gezelligheid was echter ver te zoeken, zodat mijn gezicht blijkbaar op half elf ging hangen. Dit viel niet in de pul bij de dame die het zeemanshuis runde en ze wilde weten of ik altijd zo chagrijnig was. Mijn opmerking dat mijn gezichtsuitdrukking recht evenredig is aan de heersende gezelligheid viel helemaal verkeerd, waarna duidelijk werd dat wij nooit vrienden zouden worden. In dit zeemanshuis waren wij dus aanmerkelijk korter dan in de internationale versie. In geen van twee ben ik ooit terug geweest. Omdat ik voor vertrek uit Marseille al wist dat we als eerste haven New York zouden aandoen, bleek ik daar gelijktijdig in New York te zijn met m'n oom Gerrit Zwaneveld, die namens Hoogovens in de States was om aluminium te slijten. Hij had mij het adres en telefoonnummer van zijn hotel gegeven, voor het geval ik hem wilde opzoeken. Ik vermaakte mij echter zó goed aan de wal, dat ik eigenlijk geen avond de tijd had. Helemaal niets van me laten horen leek me niet zo leuk dus belde ik hem op een avond, maar hij was afwezig. Ik vroeg de receptionist hem te vertellen, dat ik door de gladheid was gevallen en mijn enkel had verstuikt, zodat ik voorlopig aan boord moest blijven. Hij schijnt me geloofd te hebben, want hij is er later nooit op teruggekomen. Het kan ook zo zijn, dat hij het helemaal niet erg vond! Zware deklading voor Ras al-Khafji Al snel promoveerden wij een zich even buiten de poort gelegen café tot onze stamkroeg. Iedereen die de wal opging, nam hier zijn eerste pint lager. Het was een gezellige tent, waar het ‘s avonds een drukte van jewelste was. De eigenaar was een Puertoricaan en het wemelde er van de Indiaanse en Zuidamerikaanse vrouwen. Vanwege het vloeiende Spaans van de elek konden wij geen kwaad doen en werd ons menig drankje aangeboden. Om de avond rustig op te bouwen bestelde ik daar meestal “7 & 7” . Normaal dronk ik altijd Schotse whisky, maar dat kleunde te veel in aan het begin van de avond. Het was raadzaam te beginnen met een mix-drankje of een biertje. Een tweetal Indiaanse schonen raadde mij aan eens Schotse whisky te drinken in plaats van 7 & 7, maar ik zei dat ik dat niet lustte. Hierna kreeg ik de ene Scotch na de andere aangeboden, maar, slim als ik ben, liet ik niet meteen merken dat ik het lekker vond. Talrijke uren en drinks later waren ze ervan overtuigd mij Scotch te hebben leren drinken. De avonden erna begon ik wijselijk met een biertje in plaats van de gebruikelijke mixture “7 & 7”. Tijdens de binnenlig in New York bleek de chef-hofmeester er de voorkeur aan gegeven te hebben in de U.S.A. te blijven. Hij scheen er al enkele jaren een vriendin te hebben en had nu het besluit genomen voor deze vriendin te kiezen. Een nieuwe chef moest worden overgevlogen en dit bleek een Amsterdammer te zijn, die enkele jaren vóór mij op dezelfde middelbare school had gezeten, waardoor we allerlei herinneringen konden ophalen aan school en onderwijzers. Kapitein Meuldijk – niet vies van een feestje - had toestemming gegeven voor een party aan boord. Enkele “oudgedienden” wisten wel de weg en namen contact met de Morgan Hall, een hotel voor uitsluitend (2000) vrouwen. Via de directrice werd een annonce in de lobby opgehangen, waarop zo’n tachtig reacties kwamen. Helaas hadden we maar zo’n twintig vrouwen nodig; de selectie lieten we wijselijk over aan de directrice. Linksboven: V.l.n.r. de 3e, 4e en 1e stmn in charmant gezelschap Rechtsboven: Kapitein en 1e stmn in gesprek met Blondie Links: 't Leek haar wel gezellig met de 3e stmn en hofmeester Linksonder: De 1e stmn met Blondie Rechtsonder: De kapitein met Blondie Mijn bijdrage aan de organisatie was het maken van een tape met dansmuziek en onder het motto “jij hebt toch niets te doen”, was ik een hele dag met pick-up, L.P.’s en bandrecorder in de weer; ik was dus een soort discjockey avant-la-lettre. De party werd een (gedeeltelijk) succes, maar dat was niet te danken aan mijn tape, die al snel werd vervangen door muziek van een radiostation. Een carrière als DJ kon ik dus wel vergeten. Dat de party slechts gedeeltelijk was geslaagd, komt doordat aan het eind van het feest enkele dames ruzie kregen over het “bezit” van hun verovering en het feit dat er enkelen aan boord wensten te blijven. Dit is de enige keer geweest, dat ik kapitein Meuldijk enigszins kwaad heb gezien. Zijn enige voorwaarde voor de party was geweest, dat als je zo graag uit de broek wilde, je dat maar aan de wal moest doen en niet aan boord. Zijn gevleugelde woorden aan het eind van de avond waren: “Zijn ze nou helemaal besodemieterd, ik wil die meiden van de Morgan Hall niet meer aan boord zien”.
Terwijl ik op 15 februari wat administratie in de
radiohut zat te doen, werd het radioprogramma onderbroken door de mededeling
dat Nat “King” Cole was overleden. De DJ beloofde vol sentiment voortaan elke
dag een nummer van hem te draaien. Deze eerste keer in New York werd er alleen
maar lading gelost en de bedoeling was dat we na een dag of vier zouden
vertrekken, omdat er in de New Yorkse haven een staking dreigde. We zouden
eerst wat lading gaan halen in New Orleans in de hoop dat de staking in New York
voorbij zou zijn als we terugkwamen. We waren nog niet uit New York vertrokken
of via de radio vernam ik, dat na Nat “King” Cole ook Stan Laurel, het meer
kreatieve deel van “De Dikke en de Dunne”, was overleden. Het ontbrak er maar
aan, dat werd beloofd elke dag een film van deze twee komieken op TV uit te
zenden. Na het koude New York was het warme New Orleans een verademing wat het weer betreft. We bereikten deze prachtige oude stad na een mooie tocht over de Mississippi, waar we uiteraard de beroemde raderboot “President” passeerden. In de oude stadskern French Quarter bewonderde ik de bekende straten Bourbon Street en Basin Street. Ik deed dit in gezelschap van de nieuwe hofmeester met wie ik toen nog op goede voet stond. ‘s Avonds gingen we naar wat jazzcafé’s, maar overal speelde men voornamelijk “New Orleans“-jazz, ofwel een oude stijl jazz, wat niet mijn favoriete jazz stijl is. Hèt grote biermerk in deze stad was Jax bier. Toen Cor, Kobus en ik dan ook de volgende middag geheel onverwacht voor de grote Jaxbrouwerij stonden, leek het ons een goed idee er eens een kijkje te gaan nemen. Groot was onze verbazing dat wij zo maar ongestoord de fabriek konden binnenlopen en door niemand werden tegengehouden. Pas toen wij enkele kranen openden en ons tegoed deden aan het geestrijk vocht, werd ons gevraagd was wij daar deden. Men was in de veronderstelling dat we door de elek werden rondgeleid, maar toen onze “gids” ruggelings onder een kraan werd aangetroffen, werden wij binnen de kortste keren buiten de deur gezet.
Van New Orleans ging de reis naar Galveston, Texas. Hier zouden we voor een grote beurt in dok gaan bij Todd’s Shipyard. Weer brak voor mij een langere periode aan van wat administratie en onderhoud, alsmede de verkenning van deze zuidelijke stad. Het grootste deel van dat verkennen speelde zich echter ’s avonds af, meestal in gezelschap van Kobus, Engelbertus, Cor en/of een der andere officieren. In dok bij Todd's Dockyard in Galveston, Texas Een in een bar aanwezige Texaanse van Mexicaanse afkomst (een zg. Tex-Mex) zag het op een gegeven moment wel in me zitten. Ver na middernacht nam deze bloedmooie Irma enkelen van ons mee in haar enorme Cadillac met schuifdak, elektrisch bediende ramen en meer (toen nog) moderne snufjes. Na nog wat barbezoek lieten we de rest achter en troonde ze me met zich mee in haar slagschip om nog ergens iets te gaan eten alvorens haar postzegel verzameling te gaan bekijken en het mooie uitzicht vanuit haar appartement te bewonderen. Ze bleek echter haar sleutelbos kwijt te zijn. Ik herinnerde me echter, dat ik in de bar in een flits iets onder de tafel had zien vallen en dat dat best haar sleutels zouden kunnen zijn geweest. Nadat ik dat had verteld, reageerde ze nogal vreemd. Ze beweerde dat ik dat alleen maar had gezegd “om weer terug naar mijn vrienden in de bar te kunnen gaan”. Na veel gedoe gingen we toch terug naar de bar, waar de sleutelbos natuurlijk onder de tafel lag. Op weg naar de Seawall Boulevard voor een nachtelijk hapje bleef ze maar irritante opmerkingen maken over mijn – in haar ogen - zogenaamde vreemde gedrag. Op een gegeven moment vroeg ik haar te stoppen, zodat ik te voet naar het schip terug kon gaan. Tijdens deze stop maakten we nogal wat ruzie en kwam de aap uit de mouw. Ze vroeg me of ik homo was! Verbaasd vroeg ik haar hoe ze daar bij kwam. Ze vertelde toen dat iemand van ons vrolijk gezelschap dat haar ingefluisterd had. Wie wilde ze niet zeggen. Dus een jaloerse collega die niet kon verkroppen dat ik succes bij haar had, had dus geprobeerd mij een hak te zetten. Dat kostte me toch mooi een kwartier kletsen om haar van het tegendeel te overtuigen. Toen ik vervolgens uit het geopende raam had gespuugd, waren de rapen helemaal gaar. We stonden nl. voor een katholieke kerk en ik had in die richting gespuugd! Ze was heel mooi, maar ook een beetje dom. Dat kostte me weer een kwartier om haar duidelijk te maken dat ik niets tegen het katholicisme had! Ik werd er zo moe van als een hond, maar toen de lucht eindelijk geklaard was, nadat ik zo’n keer drie had gedreigd uit te stappen, zetten we eindelijk koers naar de Seawall Boulevard. In een eettent bestelde zij voor ons allebei een “chili con carne muy caliente”. Daar ik voorwendde geen Spaans te spreken of te verstaan, voegde zij bij de bestelling enige woorden toe in het Spaans, zodat ik op mijn hoede was. Er zou waarschijnlijk niet zuinig met chili pepers worden omgesprongen! Zij wist klaarblijkelijk niet, dat sommige Nederlanders een extra beetje sambal niet uit de weg gaan. Zonder een spier te verrekken at ik de schotel leeg en ook nog zonder extra bier te laten aanrukken. ’t Was niet te vergelijken met een Indiase curry. Na deze
maaltijd was het tijd om even te gaan liggen, wat we dan ook deden in haar
prachtige appartement niet ver van de boulevard. Hoe het komt dat ik ’s morgens
vrolijk weer in de Cadillac zat om op tijd naar boord te worden gebracht weet
ik niet meer, maar de hilariteit onder de mensen bij de gangway was groot toen
ik tegen pikheet als een prins in dit slagschip bij het dok werd afgeleverd. Na
dit alles wist ze echter nog steeds mijn naam niet, want ze noemde me steeds
Marconi. Ze had namelijk in de bar van Kobus gehoord wat ik aan
boord uitvoerde. Na een weekje was Galveston weer verleden tijd en gingen we richting New York om de rest van de lading op te pikken. We moesten weer wennen aan de felle koude die nog steeds heerste in de noordoostelijke staten. Deze binnenlig benutte ik om de familie Louwers te bezoeken. Ik had hem tussen de twee Alwaki reizen ontmoet tijdens de begrafenis van mijn oom Leen. Louwers nodigde mij toen uit voor een bezoek als ik nog eens in New York mocht komen. Ze woonden ergens in de Bronx en ik liet me telefonisch uitleggen hoe ik er met de subway kon komen. Ik kocht een doos chocola voor mevr. Louwers bij een Woolworth-vestiging daar in de buurt. Mevr. Louwers bleek een stille grijze vrouw te zijn, die na al die jaren in de States nog geen behoorlijk Engels sprak. De zoon des huizes sprak vrijwel geen Nederlands, dus hoe die twee communiceerden is me nu nòg niet duidelijk. De oude Louwers werkte bij PANAM en kon zodoende nogal eens vrij goedkoop naar Europa vliegen, waar hij (zoals hij mij stiekem toevertrouwde) eerst de bloemetjes ging buitenzetten alvorens op familiebezoek te gaan. Ik was er heengegaan op de dag dat (toen nog) Cassius Clay zijn revanche partij bokste tegen Sonny Liston. Kort na het begin van de match ging ik de keuken in om wat bier te halen en Liston was al gevloerd toen ik terugkwam in de kamer. Enigszins wijzer gingen ze weer naar huis, maar niet nadat Louwers me had uitgenodigd voor een bezoek aan John F. Kennedy Airport, waar hij werkte voor PANAM. Twee dagen later pikte hij me op en reden wij naar het grootste vliegveld van New York. De naam John F. Kennedy Airport droeg het trouwens sinds kort, want op 23 december 1963 werd het voormalige New York International Airport (daarvóór Idlewild Airport geheten) vernoemd naar de een maand eerder vermoorde president van de V.S. Louwers leidde me rond en ik was onder de indruk van dit grote vliegveld. Tot slot nam hij me mee naar Worldport, de nieuwe PANAM terminal, waar hij nog wat te regelen had in de “restricted zone”, zodat hij mij in de vertrekhal van deze terminal achterliet. Na verloop van tijd kreeg ik de indruk dat een mooie juffrouw, die met een persoon in gesprek was, opvallend vaak mijn kant op keek. Ze zal rond de 30 jaar zijn geweest, lang, slank en gekleed in een chique, rood mantelpak, inclusief een bijpassende rode hoed. Dat ik me niet had vergist, bleek even later toen ze mijn richting op kwam en een gesprek met mij begon. Hoeveel geluk kan een mens hebben? Voor de verandering werd ik eens uitgezocht! Niet lang daarna bleek echter dat ze in dienst van PANAM een enquette hield onder passagiers van die maatschappij. Het werd dus een kort gesprek nadat bleek dat ik eigenlijk een toerist was. Bij nader inzien was het eigenlijk te mooi om waar te zijn. Na Louwers’ terugkeer bracht hij me naar boord en we spraken af dat ik contact met hem zou opnemen bij een eventueel volgend bezoek van mij aan New York. Intussen waren er stemmen opgegaan om weer een party aan boord te organiseren. Kapitein Meuldijk was er ook ditmaal voor, maar stelde twee voorwaarden, a) absoluut geen Morgan Hall dames en b) wippen aan de wal en niet aan boord. Iemand herinnerde zich nog een ander adres, nl. een instelling met ca. 200 vrouwen, genaamd Webster Apartments. Dezelfde procedure als bij de Morgan Hall werd gevolgd. De directie werd ’s maandags benaderd met het verzoek een annonce te mogen ophangen met een uitnodiging voor een party op zaterdag aan boord van de Alkes voor ca. 25 dames. Wij kwamen overeen dat wij hen dan op de zaterdagavond zouden komen ophalen bij 419, West 34th Str., gelegen tussen 9th and 10th Ave. Op vrijdag werd door ons unaniem besloten, dat zes van ons in uniform per subway Webster-waarts zouden gaan en dat alle zes ieder vier meisjes per taxi naar boord zouden vervoeren. Pijlsnel bracht ik die ochtend mijn uniform naar de stomerij op Atlantic Avenue, want ik kon natuurlijk niet aankomen met een met soepvlekken besmeurd uniformjasje en uitgewoonde broek. De volgende morgen was mijn uniform klaar en weer zo goed als nieuw. Daar stonden we dan als zes opgedirkte operette spelers in uniform in de avondspits in een overvolle subway. Bij de Webster Buildings aangekomen deed zich een probleem voor. In plaats van 25 meisjes waren er wel 40 gegadigden.. Zo’n 15 meisjes moesten dus op eigen gelegenheid naar de Alkes zien te komen, want wij zessen konden er slechts 24 vervoeren. Een zestal yellow cabs werd ingehuurd om de dames naar de Alkes te vervoeren. Laat nou in mijn taxi de woordvoerster van de 25 vrouwen zitten, nl. een Ierse schone genaamd Gretta O‘Sullivan. Om een lang verhaal kort te maken, deze Gretta had snel een oogje op me en had haar keuze dus al gemaakt. Of de overige 15 meisjes nog op eigen gelegenheid aan boord zijn gekomen weet ik niet meer. Vanwege de varieteit aan nationaliteiten zat er zelfs
voor Cor de Elek deze keer wat bij, want toen er twee Aziatische meisjes de
salon binnentraden, gleed hij soepel van zijn barkruk af en ontfermde zich over
hen. Cor viel nl. vooral op Zuidamerikaanse en Aziatische
types. In een bar op Atlantic Avenue vlakbij Flatbush zagen wij twee
avonden daarvoor een zeer fraaie Puertoricaanse tweeling achter de bar staan en
Cor stond erop, dat wij tweeën deze tweeling moesten uitnodigen voor de party
aan boord. In zijn beste Spaans nodigde hij hen uit voor de party, maar
vriendelijk doch beslist werd dit geweigerd, omdat zij op die zaterdagavond
moesten werken. Jammer, maar
niet geschoten is altijd mis! Linksboven: ik, Gretta, 3e wtk, 4e wtk, donkere schone Rechtsboven: donkere schone van linksboven, ik, Gretta, een wtk, nòg een donkere schone Links: De elec, de donkere schone van rechtsboven, een wtk In tegenstelling tot vorige party waren er nu geen strubbelingen en een enkeling hield er een vriendinnetje voor een paar dagen aan over. “Mijn” Gretta was één van hen. Vrijwel elke dag spraken we ergens af en dronken en/of aten we wat. Op 15 maart vroeg ze me of ik haar de volgende dag ca. 15.00 u. kon ophalen van haar werk om gezamenlijk een bezoek te brengen aan de St. Patrick’s Cathedral. Op 17 maart zou dit ondoenlijk zijn, want dan is er de St. Patrick’s Day Parade. De volgende dag ging ik dus naar haar kantoor, dat niet al te ver van St. Patrick's Cathedral lag. In zonnig voorjaarsweer wandelden we op 5th Ave. enkele straten "uptown" naar 50th Str., waar die prachtige en indrukwekkende kathedraal stond. Nadat mijn ogen gewend waren geraakt aan de duisterenis in de kerk, zag ik Gretta ergens geknield bidden. Als niet-katholiek bleef ik rechtop staan en bewonderde, niet ver vanaf de toegangsdeur, het prachtige interieur van dit enorme gebouw, dat zoveel betekent voor de vele Amerikanen van Ierse afkomst. De uurtjes na dit bezoek brachten we wandelend en nogal zwijgend door in Manhattan voordat we ergens wat gingen eten, waarbij ze me vroeg of ik de volgende dag met haar naar de parade zou willen gaan kijken. Natuurlijk wilde ik dat graag, dus op die 17e maart stond ik naast een totaal groen geklede Gretta te genieten van een prachtig schouwspel dat de parade opleverde. Haar geheel groene outfit paste perfect bij haar ietwat rossige haar en groene ogen. Intussen was ik te weten gekomen dat ze al langere tijd in New York woonde en dat ze al zo’n zeven jaar niet terug in Ierland was geweest. Voordat wij vanuit de Perzische Golf terug in New York zouden komen, zou zijn voor een vakantie naar Ierland zijn vertrokken. Zij kon hier soms tamelijk verdrietig over zijn, want ze wilde me de volgende keer nogmaals graag ontmoeten in New York. Kapitein Meuldijk was zeer te spreken over de “Webster
dames” en genoot met volle teugen. De 2e STM telde alle onkosten op en deelde
dit door het aantal officieren; het aldus gevonden bedrag vond je terug op je
eerstvolgende drankrekening. Ondanks de vaak ijzige kou verliep het laden voorspoedig
en was het moment aangebroken New York te verlaten voor de reis naar de
Perzische Golf met zijn – vanuit het ijzige New York gezien – heerlijke hoge
temperaturen. Voor sommigen viel het afscheid nemen van hun tijdelijke
vriendinnen nogal zwaar en degenen die niet zouden worden afgelost in
Marseilles beloofden hun vlammen ogenblikkelijk contact op te nemen bij onze
aankomst in New York. Zodra we de
Atlantische Oceaan opdraaiden was de koude grotendeels verdwenen en voeren we
met rustig voorjaarsweer richting Middellandse Zee. De reis naar de Perzische
Golf werd slechts onderbroken door het Suezkanaal met zijn bekende handelaren
en de “dirty picture”-verkopers. Deze groep kleine ondernemers verdient een
nadere toelichting. Het waren zonder uitzondering ranzige mannetjes, die zg.
pornografische foto’s op een uiterst geheimzinnige manier lieten zien, alsof
hen de doodstraf wachtte indien ze op heterdaad zouden worden betrapt.
Misschien was dat ook wel zo in dit zeer strenge Midden Oosten. De foto’s waren
kopie nummer 18.369 van een blote juffrouw uit de jaren 20 en van zulk een
onbenulligheid en abominabele kwaliteit, dat woorden tekort schieten. Soms was
er nauwelijks een vrouw te onderscheiden; het had net zo goed een koe vóór een
hooiberg hebben kunnen voorstellen. Ik hield me intussen een beetje bezig met administratie,
onderhoud van het radiostation en/of apparatuur aan dek, wat vissen, het nieuws
nemen en Scheveningen Radio in de gaten houden. Als het niet zo verdomde heet
was geweest, had je op zo’n manier wel 100 jaar kunnen worden. We hadden
weliswaar airconditioning aan boord, maar meestal was dat buiten werking en
plaatste je weer de metalen windhappers in een patrijspoort om nog een zuchtje
lucht binnen te krijgen. Op de rede ten anker liggend met een kapotte A.C. had
je dus niets aan die windhappers en werd het weer tijd aan dek te gaan slapen
tot hopelijk de A.C. weer gerepareerd zou zijn. Hoewel er een wasbaas aan boord
was en men zijn vuile was iedere week kon inleveren, deden de meesten de kleine
was zoals sokken en ondergoed zelf even in de wasbak of in de douche. Zo had
ook ik een plastic emmer, waarin ik soms wat wasgoed liet staan in een heet
sopje. Ik had de emmer zeevast gezet onder de wastafel en er een handdoek
overheen gelegd om het de volgende dag uit te spoelen en opnieuw te wassen. Een
kleine week later kreeg ik het idee dat er ergens in mijn hut een dode rat lag.
Na de handdoek te hebben opgetild, kon ik slechts met toegeknepen neus de
inhoud in de wasbak gooien en de stinkende sokken en onderbroeken eruit vissen
om ze stiekem in de vuilniston op het achterschip te gooien.
Na anderhalve dag konden we eindelijk langs de kant en werd de lading vakkundig gelost en vervangen door wat lading voor de U.S.A. In Kuwait Stad aten we weer de nodige kebab en shoarma en dronken de onvermijdelijke cola. Daar het me intussenfinancieël iets beter ging, besloot ik hier eindelijk eens een behoorlijk fototoestel te kopen. Ik koos voor een Olympus Pen halfkleinbeeld camera, waarvoor ik nog geen ƒ 125,= betaalde. Voor het eerst in mijn leven had ik een goed fototoestel en ik was van plan er dapper gebruik van te maken. In Kuwait City begon ik alles te fotograferen wat ik dacht dat interessant was en ook het laden en lossen in de haven nam ik als onderwerp. Ook liet ik mijzelf maar eens fotograferen door Kobus de 4e STM; op de reling, bij het ruim, in het radiostation, vóór een reddingssloep en zogenaamd telefonerend via de VHF op de brug. Nadat het lossen geklaard was, vertrokken we voor een mini-trip naar Ras al-Khafji, iets ten zuiden van Kuwait en net in Saoedi-Arabië. Hier zou de in New York geladen zware lading worden gelost. Dit werd gedaan met de laadbomen van het schip; de twee rood gekleurde tanks werden op een lichter geplaatst voor verder vervoer naar het vaste land. Deze klus werd snel geklaard, zodat we op dezelfde dag koers konden zetten naar onze volgende haven Khor al-Mufattah, dat weer in Kuwait ligt. Ook hier was de lading er snel uit en vertrokken we niet lang daarna richting Khorramshahr aan de Shatt al-Arab. Het lossen van de zware deklading te Ras al Khafji Ik was benieuwd of het vrouwtje in het café op het haventerrein, die mij tijdens mijn Alwaki-reis haar brief liet lezen, er nog was. Ze bleek toen de waarheid te hebben gesproken, want ze was naar haar vriend in Nederland vertrokken. Gelukkig voor ons lag het zusterschip “Alamak” voor de kant, zodat we twee dagen en een nacht druk konden buurten op een schip met een goed werkende A.C. Er waren zelfs mensen die er bleven slapen, maar dat deed ik niet, want om daarna weer in die verschrikkelijke hitte te moeten slapen zou extra hard aankomen.
Na zo’n twee dagen Khorramshar vertrokken we naar onze volgende bestemming, het eiland Kharg, om diepgevroren garnalen voor de States te laden. Omdat de meesten wel van die grote garnalen lustten, werd dit een gewild artikel, en omdat de Europeanen en Amerikanen aan boord van dat garnalen fabriekschip wel sterke drank lustten (maar dit niet hadden), werd dit een gewild artikel. Zodoende onstond er een levendige ruilhandel. Een fles whisky “deed” drie pakken garnalen, andere sterke drank twee pakken en wijn één pak. Denk niet dat dit zó maar ging, want de wetten van Kuwait (waaronder deze fabrieksschepen vielen) waren zeer streng op dat gebied. Alcohol was absoluut verboden en op het bezit ervan stond gevangenisstraf en ontslag. Niettemin lukte het de meesten van ons op uiterst geheimzinnige wijze enkele flessen drank te versjacheren. De pakken garnalen gingen met de naam erop in de diepvries van de chef-kok voor latere consumptie. Intussen ging ik druk door met fotograferen; allerlei mooie en interessante dingen en voorvallen in de P.G. met zijn havens werden op de gevoelige plaat gezet. Aangezien ik een halfkleinbeeld camera had gekocht met een rolletje van 36 dia’s, moest ik 72 keer klikken. Tijdens een van mijn dagelijkse visuurtjes raakte ik nog gewond aan mijn hand door een gevangen vis verkeerd te pakken. Er werden voornamelijk “baggers ofwel strontbaggers” gevangen, een soort catfish met een venijnige, giftige stekel op zijn rug. Ik greep vol in de stekel en in no time had ik een dikke, rode hand die erg pijn deed. Na een paar uur werd de hand minder dik en de volgende dag was het over.
‘s Middags na het verlaten van Ras Tannurah werd ik tijdens m’n middagdutje opgeschrikt door het afgaan van mijn A.A.T., gevolgd door een op de 500 kHz aan de Alkes gericht spoedbericht: XXX PCMK de HZY = XXX = you are entering a dangerous drilling field stop leave this area immediately or you will be stopped by force fullstop = Saudi Arabian Military Authorities ++ Dit bericht was van een dusdanige importantie, dat de kapitein uit zijn middagdutje moest worden gehaald. Samen renden we naar de brug en waren net op tijd om enkele boortorens recht voor ons te zien opduiken, die tot dan toe aan het oog werden onttrokken door een deken van warme mist. Controle van de (bijgewerkte) zeekaart van dat gebied wees uit, dat het olieveld eigenlijk officieël niet bestond, dus – eigenwijs als hij was – besloot de kapitein niet te reageren en koers te houden. Door een samenspel van radar, een inderhaast opgetrommelde uitkijk op de voorplecht, een roerganger en twee uitkijken op de brug was het eigenlijk peanuts vrij van de boortorens te blijven. We hebben hierover later nooit meer iets vernomen van de Saudi-Arabische autoriteiten. Voor de zekerheid verzond ik mijn OBS’en maar niet meer naar Ras Tannurah Radio/HZY, maar naar Bahrain Radio of Kuwait Radio/9KK. HZY is trouwens alleen maar te gebruiken voor OBS’en, want dit door Aramco gerunde kuststation wisselt – buiten OBS’en - alleen verkeer met Aramco schepen. Het door Ras Tannurah Radio uitgezonden spoedbericht moest – volgens de voorschriften – in het radiodagboek worden vermeld. Het origineel had ik uiteraard in alle haast op een stuk papier geschreven, dat ik de kapitein ter hand had gesteld. Toen ik het nodig had om in het radiodagboek te kopiëren, was het papiertje verdwenen. Net voordat een bediende de kaartenkamer zou schoonmaken kon het bericht, dat in de prullenmand was beland, worden gered. Door de voortdurend heersende hitte en de kapotte A.C.
had ik een metalen windhapper in één van de patrijspoorten gedaan en vanaf daar
een soort tunnel van draden en handdoeken naar het matras, dat ik uit de kooi
had gehaald en midden in mijn hut op de grond had gelegd. Op deze manier
probeerde ik nog wat koelte op mijn matras in te krijgen om nog enigszins te
kunnen slapen. ‘s Morgens om ca. 06.00 uur schuifelde ik dan uitgedroogd naar
de pantry om een glas ijskoud water met lime-juice te halen om het verloren
gegane vocht weer wat aan te vullen. Het tekort aan zout, wat een moe en
lamlendig gevoel veroorzaakt, werd tegelijkertijd bestreden door enkele
zouttabletten in te nemen. Hierna strompelde ik weer terug naar de hut om door
middel van een koude douche weer wat bij m’n positieven te komen. Als we op
volle zee waren, kwam vóór het douchen het toppunt van de dag, nl. een duik in
het met heerlijk fris zeewater gevulde zwembad! Aan stuurboord achter de
midscheeps was een aantal hoekijzers op dek gelast, bestemd om er een zwembad
te bouwen d.m.v. ijzeren staven waarin houten luikdelen pasten, zodat er een
houten kooi ontstond. In deze kooi werd de presenning gedaan en dit geheel volgepompt
met zeewater; zodoende ontstond er een “zwembad” van zo’n 4 x 4 m. en 2 m.
diep. Luikdelen zijn vierkante houten delen, die het open luikhoofd afdekken. Hierover wordt een enorm zeildoek gespannen, de zg. presenning, om het geheel waterdicht te maken. Alle beslommeringen van de voorgaande dag en nacht verdwenen door dit frisse bad tussen half zeven en zeven uur. De werkdag kon weer beginnen na een frisse douche en een goed ontbijt. Vóór pikheet was je dan alweer kletsnat. Om elf uur schreeuwde het lichaam alweer om vocht en werd het eerste biertje genuttigd. Aan boord waren twee soorten bier, Hollands bier en Holland Beer. Het eerste was Heineken en slechts voor passagiers en staf; het tweede was in New York gestored en was voor de rest van de bemanning. Waarom dit bier Holland Beer heette, is mij nooit duidelijk geworden, want het was van zo’n afgrijselijke kwaliteit dat het alleen maar ijskoud gedronken kon worden. Ongekoeld stonk het gewoon en sommige dozen waren overjarig, want in de meeste flesjes liepen draden vanaf de bodem omhoog. Dit was weer duidelijk een deal tussen hofmeester en scheepshandelaar, terecht scheepszwendelaar genoemd. Hierdoor ontstond een eerste bekoeling in de relatie met de hofmeester. Als je op goede voet stond met de bediende van de passagierspantry kon je soms een Heineken versieren. Dit heb ik slechts één keer gedaan, want na die overheerlijke Heineken duurde het dagen vóór je enigszins “gewend” was aan die ijskoude bocht uit de U.S.A.
Tijdens de tocht naar Europa vroeg één voor één de chef kok om zijn pak garnalen om deze op de een of andere manier te bereiden. Mijn pakken gingen op in de Rode Zee; op de brugvleugel werd het kookplaatje uit de kaartenkamer op de hoge stoel van de brug gezet en in een grote koekenpan bakte ik ze met veel knoflook. Ze werden meestal gebakken op die dagen dat er aan tafel niet zoveel bijzonders was en een man of drie, vier bleven dan op de brugvleugel garnalen eten onder het genot van een pilsje (behalve de stuurman van de wacht natuurlijk). Omdat ik aan boord relatief weinig te doen had, maakte ik haast geen overwerk. Dit in tegenstelling tot de matrozen, stuurlieden, machinisten en elek. Sommigen hadden dagelijks enkele uren overwerk en dat leverde natuurlijk behoorlijk wat duiten op. Bij mij bleef het beperkt tot een incidenteel half of heel uurtje als ik eens slechte verbindingen had of tengevolge van een reparatie aan een apparaat, zodat ik de 8 uren overschreed. Ik besloot hier iets aan te gaan doen door tijdens een binnenlig wat aan de radar te sleutelen, zodat de radar niet geheel of geheel niet functioneerde. Uiteraard moest ik komen opdraven nadat bij het proefdraaien vóór vertrek een gebrek aan de radar aan het licht kwam. Ik zocht dan quasi ongerust naar de fout en kon na geruime tijd melden, dat de radar het weer goed deed. Iedereen blij natuurlijk; ik dus niet in de laatste plaats, want zo’n reparatie betekende een knappe overschrijding van mijn 8 uren en ik kon overgaan tot het invullen van m’n overwerkstaat. Na de Rode Zee en het Suezkanaal zetten we koers naar Genua, de eerste van de twee Europese havens die wij zouden aandoen. Op schepen die geruime tijd in de Perzische Golf waren geweest, gebeurde meestal iets vreemds met sommige opvarenden zodra Europa werd aangedaan. Sommigen reageerden zich af door abnormaal gedrag aan de wal. De één dook dagen onder in een bordeel en de ander richtte vernielingen aan na het teveel nuttigen van alcohol tijdens het passagieren. In Genua werd ons groepje van drie (vierde stuurman Kobus, elek Cor en ik) uitgebreid tot vier in de persoon van bootsman Willem Noordzij. Kobus en Cor dollen aan dek in Genua Midscheeps tjetten i.v.m. overdracht in Marseille
|








































