Valt het ons niet op? We gebruiken termen als “evolutie” en “spiritualiteit” alsof het de normaalste zaken van de wereld zijn. Natuurlijk speelt ‘de evolutie’ zich af, vanzelfsprekend, al vanaf de Big Bang immers. En natuurlijk verkeren ook ons geestelijke leven en onze spiritualiteit continu ‘in evolutie’. Alles is ‘in evolutie’, de kosmos, de natuur op planeet aarde, de menselijke soort, dus ook de menselijke geest en haar geloofsleven.
Maar na de Big Bang was er nog lang geen ‘sprake’ van spiritualiteit. Die is pas ontstaan met de komst van de ‘spraakzame’, zelfbewuste homo religiosus. En dat is nog maar zéér recent als we het op de tijdlijn zetten. Zet je die tijdlijn uit op de schaal van één vol jaar, dan leeft de moderne mens pas in de allerlaatste seconde, de ene, laatste seconde van 31 December. De tijd die verstreek na de Big Bang bedraagt dan inmiddels 13,7 miljard jaar! Omgerekend in seconden……
Dus nog even naar het begrip ‘evolutie’ op de tijdlijn: ongeveer 4,5 miljard jaren ‘geleden’ ontstond onze planeet Aarde. Op de tijdlijn bekeken is die 4,5 miljard jaar, vergeleken met die 13,7 miljard jaar dus eigenlijk nogal recent. Nog véél recenter ontstonden mensachtigen: slechts een paar miljoen jaren geleden. [Een miljoen is één duizendste van een miljard] Die mensachtigen zijn nog pas 1 miljoen jaar geleden een aparte ‘menselijke’ soort geworden. Maar pas 100.000 jaar geleden kon je pas echt van de ‘homo sapiens’ spreken, de mens die bewuste taal begint te ontwikkelen en weet hoe creatief hij zijn abstracte kennis kan gebruiken. En pas 35.000 jaar geleden werden wij ‘homo sapiens sapiens’, de mens die taal heeft vastgelegd voor communicatie met anderen èn… met zichzelf, dus de mens die zelfreflectief wordt, en daarmee bewust wordt van het feit dat hij geestelijk leeft, religieuze symbolen hanteert en religieuze culturen ontwikkelt. De menselijke soort, als ‘homo sapiens sapiens’, leeft dus nog maar op een micro-fractie van de tijdlijn, 35.000 jaar. En als je naar het punt op de tijdlijn kijkt waar onze huidige moderne mens leeft, en je zet die tijdlijn uit op de schaal van één vol jaar, januari t/m december, dan leeft de moderne mens pas “minder dan één seconde vóór middernacht van 31 december”… Zie het overzicht HIER.
De tijdlijn (het tijdsverloop) is hieronder visueel uitgezet:
! Jan Feb Mrt Apr Mei Jun Jul Aug Sep Okt Nov Dec
|____|____|____|____|____|_____|____|____|____|____|____|___=| mens
↑<Big Bang ↑<Aarde - - - - - - - Dino’s>↑
De mensheid, zoals wij haar kennen, is dus nog maar net aan haar eigen evolutie begonnen!
De ‘darwinistische evolutie’ beperkt zich uitsluitend tot de 2e helft van december:
Op 19 december ontstaan de eerste vissen en gewervelde dieren
Op 23 december de eerste reptielen
Op 24 december verschijnen de dinosaurussen
Op 26 december verschijnen de zoogdieren
Op 27 december verschijnen de vogels
Op 28 december sterven de dinosaurussen uit
Op 31 december, pas om 22.30 uur betreedt de mensachtige het toneel, en de ‘echte mens’ beheerst de menselijke taal pas 5 minuten vóór middernacht.
De piramiden in Egypte verrijzen om 23.59 uur en 50 seconden.
Om 3 seconden voor middernacht wordt Christus geboren!
Om 1 seconde voor twaalf wordt in Europa de Renaissance ingeluid. De geboorte van de moderne mens, dat is een kwestie van…de allerlaatste seconde van December.
Heel de geschiedenis van onze eigen eeuw vindt plaats op het streepje van 24:00 uur, exact middernacht.
Al vanaf het ontstaan van de huidige menselijke soort, homo religiosis, gebruiken we religieuze symbolen. Sporen van religie vinden we zelfs vroeger terug in de geschiedenis. Zo'n 100.000 jaar geleden gaf homo sapiens grafgeschenken mee aan de doden: een eerste indicatie voor het geloof in een hiernamaals? Maar iedereen begrijpt wel dat de spiritualiteit van 100.000 jaar geleden erg simpel was, archaïsch, natuurmagisch, verbonden aan bliksemende goden, bergen, bomen, dieren, rivieren als goden, de zon als oppergod, etc.
De eerste mensen waren überhaupt niet zo spraakzaam, en in elk geval spraken zij niet in termen en categorieën van ‘onze spiritualiteit’, of ‘onze esoterie, mystiek, metafysica en theologie’. Ze beleefden hun religies geheel vanzelfsprekend, als werkelijkheid, onder leiding van de stamoudsten, wijzen, sjamanen, waarzeggers, vuurmakers, magiërs, medicijnmannen en machtige heersers. Het was (per stam) een stabiele religieuze orde. Geen verwarringen, geen chaos. Die kwamen pas later, bij de confrontaties met andere tribale wereldordes.
Het zelfkritische nadenken binnen intellectuele begripskaders als ‘spiritualiteit’, ‘metafysica’, ‘mystiek’ en ‘religieuze systemen’ kwam nóg veel later in de evolutie van het menselijke geloofsleven tot ontwikkeling. En het begrip ‘evolutie van de spiritualiteit’ drong wéér veel later tot ons door, eerst in verband met de spiritualiteit van die ‘andere volkeren’ (die natuurlijk nog niet zo ver waren als ‘ons volk’), en pas later daagt dan het besef dat wellicht ook ‘onze eigen tradities’ verder ontwikkeld zouden moeten worden.
De evolutie van de religiositeit van de menselijke soort leverde een schitterend scala van zeer uiteenlopende godendiensten. Te veel om hier op te noemen. Ze zijn trouwens grotendeels weer verdwenen. Maar dan, in de periode van ongeveer 800 vóór Christus tot 800 ná Christus gebeurt er iets wonderlijks. De Eerste Axiale Periode (of ‘Spiltijd’) binnen de religieuze evolutie van de mensheid gebeurt. Het gaat dan om het tijdperk waarin de grote pre-moderne religies ontstonden, van 800 v.Chr tot 200 v.Chr, een opmerkelijk korte periode eigenlijk. Maar als je het ontstaan van het christendom en de islam – als vrucht van die Spiltijd – daarbij wil insluiten, kom je natuurlijk op een langere periode uit, grofweg van 800 v.Chr tot 800 n.Chr. Karen Armstrong bouwt in haar boek voort op werken zoals van Karl Jaspers[1] en vele andere representanten van de Tweede Axiale Periode die in de Moderniteit na de Verlichting ontstond.
In die Eerste Spiltijd ontstonden o.a. het monotheïsme, het confucianisme, het taoïsme, het hindoeïsme, het boeddhisme, maar ook het Grieks filosofisch rationalisme (de Ionische Verlichting). Historici spreken van de Spiltijd vanwege de centrale rol die deze inneemt in de spirituele ontwikkeling van de mensheid. Het is in deze unieke periode dat zich voor het eerst een collectief geloof vestigde in de Ene, de Alles-Overkoepelende (‘De Transcendente’), de absoluut onkenbare Ultieme Werkelijkheid, Oppermacht of Godheid. Die nieuwe religieuze notie genereerde een enorm verenigende kracht onder stammen, volkeren en culturen die voorheen met elkaar streden om de overwinning van de eigen godheid (of van hun diverse goden) boven die van de anderen.
Frits de Lange[2], een uitgesproken ‘kind van de Tweede Axiale Periode’ en tegelijk een ethicus in het christelijk serieuze Kampen, schrijft over de Eerste Axiale Periode dat de legitimatie van menselijke macht vanaf die tijd ‘Boven’ lag, en niet beneden bij het volk dat ze regeerden. “De holistische samenlevingscultuur was tot ongeveer 1000 voor Christus dominant. Daarna - in de periode tussen 800 en 200 voor Christus, door Karl Jaspers de ‘Achsenzeit’ genoemd - staan de stichters van de grote religies op (Lao Tse, Boeddha, de profeten van Israël, Zarathustra). Zij zijn de initiators van dé ultieme transcendentie. Met het geloof in een transcendente Schepper-God wordt er een eerste bres geschoten in het gesloten blok van de metafysisch gelegitimeerde machtsordening. God en wereld vallen niet meer samen, maar zijn van elkaar gescheiden; er ontstaat (na het natuurlijke holisme van destijds) een ontologisch ‘dualisme’. Er ontwikkelen zich vormen van monotheïsme die de gesloten eenheid van de politiek-sacrale orde doorbreken - op pregnante wijze in de profetische kritiek - in naam van de persoonlijke Gans Andere.”
De huidige, Tweede Axiale Periode
Maar vanaf de 18e/19e eeuw leeft de mensheid nu in de turbulentie van de Tweede Axiale Periode, een pijnlijke, veel onschuldige slachtoffers eisende, maar in elk geval unieke (en voor de eerste keer een mondiale en universele) herbezinning op ‘het verschijnsel religie’ in verhouding tot de Verlichting, de wetenschap annex technologie, de globalisering en de moderniteit, de evolutietheorie en de zogenoemde 'nieuwe wetenschappen’ (kwantumtheorie, de wetenschappen van de complexiteit, de systeemwetenschappen, de evolutiewetenschappen, de informatiewetenschappen, etc).
Nu wordt de mensheid als geheel(!)gedreven tot een wereldwijde herdefinitie, niet alleen op ‘het verschijnsel religie’, maar ook tot een herdefinitie van “God”, een universele heroriëntatie in de verhouding van homo religiosus tot de ultieme Transcendentie. Deze ‘herbronning’ maakt het wellicht mogelijk om de naam “God” gaandeweg te zien als een mensheid-omvattende soort meta-naam, ter aanduiding van ons Eeuwige Mysterie, die Onkenbare Essentie Zelve, het Eeuwig Opperwezen, die Ultieme Werkelijkheid, de Tao, de Transcendente, de Bron, de Here der Heerscharen, de Here der Heren, de Schepper, de 'Ik-Ben', Allah, Jehova, YHWH, Elohim, Brahman, Ein-sof, de Alziel, Al Dath, El Sjaddai, de Enige Absolute, de Einöde, Hari, de Boeddha, de Dharmakaya, Krishna, Shiva, G’d, Adonai, Vishnu, Heilige Vader, Ahura Mazda, Hakadosj Baroech Hoe, Odin, Tloque Nahuaque, Rama, Hasjem of welke naam wij ook voor de/het Transcendente gebruiken. De Griekse naam voor de Godheid is Theos, maar Theos blijkt nu – in onze Tweede Axiale Periode – als immanente transcendentie werkzaam, of als transcendente immanentie. In plaats van een eenzijdig omhoog gerichte, verticale transcendentie is er steeds meer sprake van een vorm van horizontale transcendentie of een benedenwaarts gerichte dieptetranscendentie.
Het huidige wetenschap/religie-debat/dialoog stimuleert intrareligieuze heelwording en volwassenwording, en maakt vervolgens de interreligieuze harmonie en samenhang mogelijk. De menselijke soort, ‘homo religiosus’, steeds sterker vertegenwoordigd als ‘civil society’, ontwikkelt nu gaandeweg een universele basisreligie, een ‘civil religion’. Maar binnen de civiele religie heeft zich inmiddels ook het ‘civiele sciëntisme’ ontwikkeld, het geloof bij de gewone burger dat het de wetenschap is die uiteindelijk alles te weten komt en zelfs uitsluitsel gaat verlenen omtrent zingeving, ethiek en beschaving.
Wat mij in eerste instantie boeit is het feit zelf dat we überhaupt in staat zijn tot zo’n historisch overzicht van de religieuze evolutie van de mensheid. Dit historiserende vermogen, en vooral de groeiende bewustwording van onszelf als ‘gelovige soort’ in een religieuze evolutie is één van de belangrijkste kenmerken van de Tweede Axiale Periode waar we sinds de Verlichting in terecht gekomen zijn. Karen Armstrong is kind van de Tweede Axiale Periode, net zoals wij allemaal dat zijn. Bewustwording van jezelf als religieus wezen en het bijbehorende zelfkritische vermogen heeft velen in staat gesteld om de nodige psychologische afstand te beoefenen tot het eigen geloofsleven. Bij Karen Armstrong resulteerde die psychologische afstand zelfs in een compleet loslaten van een christelijke zelf-identificatie. Eén van de aspecten van de Tweede Axiale Periode is dan ook het secularisatieproces, met name vanuit West Europa. Mensen verlaten hun traditionele en collectieve geloofsverband in een verlangen naar een dogmavrije individuatie. Het aantal seculiere christenen groeit, zoals er al een groot percentage seculiere joden bestaan. En vandaag de dag verschijnt in het openbaar het eerste cohort seculiere moslems. Er is sprake van een sterk toenemende bevrijding, ontgrenzing en ontremming van persoonlijke religiositeit. En in dat kader van de individualisering en individuatie(!) van religie ontstaat er ook een democratisering van de spiritualiteit.
De uitspraak “De transcendentie van God wordt immanent. God, oneindig van de wereld gescheiden, ontledigt zich. Hij onderwerpt zich in vrijheid aan de condities van de menselijke wereld. Het menselijke leven als woonplaats van God krijgt een glans van heiligheid”, wordt gebruikt om van de al te letterlijk gebruikte verticale dimensie af te zijn, en om van “De Grote Baas Boven”, daarginds, boven de wolken, oneindig van de mensen gescheiden, voorgoed af te zijn. Díe God is immers een God van een kwalijk spiritueel materialisme.
De neurotheologie als kruispunt tussen wetenschap en religie
Het spiritueel materialisme is op een natuurlijke manier aan de aftocht begonnen door de opkomst en invloed van de onafhankelijke wetenschap. En die wetenschap zoekt ‘de woning van God’ binnen het neurofysiologische cerebrum van de mens: het menselijke brein.
Spiritualiteit en religiositeit, die vermogens zitten in de hersenen structureel ingeschapen, ‘hard-wired to connect’, zeggen sommigen dan in computertermen. Hard-wired to connect: dus met hardware en software gebouwd en geprogrammeerd om zich te verbinden, zich verbonden te beleven; met het andere, met de ander, maar ook met het ware, het schone, het goede, het goddelijke, de autoriteit, de rechtvaardigheid, de goddelijkheid. Begonnen werd al met de beleving van de vrije wil, het bewustzijn, verantwoordelijkheidsgevoelens, individualiteit, etc. Binnen de wetenschappelijke poot van de neurotheologie worden deze zelfervaringen, inclusief religieuze ervaringen in de hersenen meetbaar gemaakt in MRI-scans.
In de wereld van de premodern georganiseerde religies, compleet met hun autoritaire gezags- en machtsstructuur, overheersen de mannen! Kijk maar om je heen, over de hele wereld. Je ziet overal het brein van mannelijke religieuze leiders. Overheerst het hormoon van de testosteron bij al die mannelijke leiders tegenover de submissiviteit van vrouwelijke hormonen? Gechargeerd gezegd: Hebben religieuze leiders meer een S-brein met een vergrote hypothalamus?
Heb je een S-brein of een E-brein? Rare vraag. Iedereen heeft natuurlijk eenzelfde brein. Maar het S-brein heeft door een hormonale dominantie van testosteron zijn systematische, analytisch-rationele hersenstructuren overmatig ontwikkeld ten koste van hersenstructuren voor de empathische, sociaal-emotionele kwaliteiten van het E-brein. Een S-brein komt dan ook het meest voor bij rigoureus autisme, bij hoogbegaafden, genieën en savants. Vele ICT-Whizzkids vinden een uitstekende carrière in Silicon Valley. Zij scoren zeer gebrekkig op het emotionele quotiënt EQ. Het empathische, vrouwelijke E-brein wordt meer gevormd door de hormonen oestradiol, oestrogeen, progesteron en oxytocine (in de behoefte aan hechting).
Het feit dat bij afwezigheid van testosteron de hersenen zich vrouwelijk ontwikkelen betekent dus dat de hersenen eigenlijk geprogrammeerd zijn zich vrouwelijk te ontwikkelen, tenzij (!) er een extra signaal komt (in dit geval testosteron): zo'n soort proces noemen we een 'default'-ontwikkeling ("als er geen invloeden van buitenaf aanwezig zijn, dan..."). Eigenlijk is in de autist het mannelijke S-brein tot in het extreme doorgeslagen. Het vrouwelijk E-brein brein is vooral uitgerust voor empathische relaties. Het mannelijke S-brein is vooral uitgerust voor het begrijpen, ontwerpen en bouwen van logisch/rationele systemen. Geen wonder dus dat mannen ‘oplossingen’ aandragen waar vrouwen hen alleen vragen om een beetje medeleven. Een aantal gebieden van de hypothalamus, een orgaantje dat zich middenin het brein bevindt en verantwoordelijk is voor allerlei autonome en hormonale processen, is bijvoorbeeld bij mannen groter dan bij vrouwen. De blauwdruk voor het mannen- of vrouwenbrein wordt al in de baarmoeder gemaakt. En de rol die het hormoon testosteron daarin speelt, lijkt cruciaal. Bij vrouwen lopen veel meer vezels tussen de linker- en rechterhersenhelft, en dat maakt ze gedifferentieerder. Vrouwen systematiseren ook wel, maar anders dan mannen. Waar mannen vooral feiten verzamelen en op basis daarvan op zoek gaan naar verbanden, beleven vrouwen in eerste instantie verbanden en gaan op basis daarvan op zoek naar de feiten. De reactie op gevaar of onveiligheid is ook verschillend. Mannen proberen die te beteugelen door strategisch ‘in het geweer te komen’ ter uitschakeling van dat gevaar. En vrouwen beteugelen angst door zorg: ze leggen zoveel mogelijk relaties met hun omgeving, proberen aardig gevonden te worden, waardoor ze eerder hulp ontvangen. Of ze trekken zich terug in de slachtofferrol, want ook die biedt kans op bescherming.
Het brein is evolutionair verschenen als een soort superieur orgaan. In de slaapkwabben, en daartussen is het mogelijk om een specifieke zone aan te wijzen voor religieuze beleving. Bij onderdrukking van deze zone wordt waarschijnlijk een andere zone in de voorhoofdskwab actief, die dan de religieuze ervaring ‘veroorzaakt’. Opvallend is dat deze zone vlak naast de zone ligt waar ons zelfbesef is gelokaliseerd. Maar ook andere onderzoeken laten vermoeden dat er in de hersenen een basis voor religieuze ervaringen terug te vinden is.
Bestaat er een genetische oorsprong voor holistische visie, spiritualiteit, religie en godsdienst? Gezien het verbreide voorkomen van onze betekenisvolle Heelbeelden met een religieuze gevoelslading, moet dit genetisch gecodeerd zijn om tot ontwikkeling te komen in de hersenen. Onderzoek bij identieke tweelingen die apart opgroeiden, toont aan dat vijftig procent van het geloof in god genetisch bepaald is. Vanuit het darwinisme is dit ook te verklaren. Het kan te maken hebben met een ‘evolutionair voordeel’. De oorspronkelijke homo sapiens leefde in een kleine clan, de clans bestreden elkaar voor voedsel. Door mutatie zou in een clan bij wijze van spreken een ‘moreel gen’ zijn ontwikkeld dat niet langer toeliet onderling te vechten. Zo werd die clan groter en meer opgewassen om andere clans te domineren, en dat leidde tot de verdere verspreiding van het eventuele morele gen. Op dezelfde manier kunnen in latere fasen hele religieuze systemen zijn ontstaan, met godheden als bovennatuurlijke rechters.
Maar strikt genomen hoef je bij die wetenschappen dus niet een empirische aanwezigheid van iets bovennatuurlijks nodig te hebben om het ontstaan van religie of godsgeloof te verklaren, omdat deze mogelijk al worden ‘veroorzaakt’ door de manier waarop onze hersenen evolutionair zijn ‘gebouwd’. Overigens zegt al dat hersenonderzoek natuurlijk niets over de waarde van religiositeit zelf. Vergelijk het met pijn of verliefdheid, ook dat kun je perfect in de hersenen lokaliseren. De gevoelens zijn daarom niet meer of minder waardevol. Het onderzoek zegt natuurlijk ook niets over de vraag of god al dan niet echt ‘bestaat’.
Op een recent congres daarover zei Anton de Wit over neurotheologie: “In ieder geval is de relatie tussen wetenschap en religie door nieuwe neurologische inzichten opnieuw aan herziening toe.” Maar, zei theoloog Tjeu van den Berk “Als het onderzoekers gaat om het lokaliseren van God, dan heb ik daar grote vraagtekens bij.” Hij schreef onder meer het boek Het mysterie van de hersenstam, waarin hij fysieke basisfuncties als ademen, slapen en eten in het middelpunt van de menselijke spiritualiteit plaatst. Zeker, lichaam en hersenen bevatten sporen van religiositeit, maar “een wetenschapper die denkt God te vinden of te verklaren omdat hij toevallig DNA-structuren kan ontcijferen, is fout bezig”, vindt Van den Berk. “Dan zeg je eigenlijk: alle grote denkers en kerkvaders waren stumpers, want die kenden dit ene hersenkwabje niet. Hebben ze dan niets geleerd van de wetenschappelijke ontwikkeling in de twintigste eeuw? Kijk naar de kwantumfysica: hoe dieper men door weet te dringen in atomen, hoe groter het mysterie wordt. Trouwens, vergelijk de mens met een radio of TV. Daar komt van alles uit dat er niet in zit. Natuurlijk zitten er elektronische onderdelen, draadjes en een antenne in golven op te vangen. Maar de zenders zijn niet in het apparaat zelf te vinden. Het bestaan van God, ziel en geest kan door de neurotheologie noch bevestigd, noch ontkend worden.”
De voornaamste kritiek die Palmyre Oomen heeft op de neurotheologie zoals die aanvankelijk beoefend werd, gaat echter over de manier waarop religie gedefinieerd wordt. “Als je alleen ‘mystieke ervaringen’ onderzoekt, krijg je een erg eenzijdige uitsnede van religiositeit. Weinig gelovigen hebben mystieke ervaringen. Meestal is het geloof veel gewoner en alledaagser. Het is net als een partner hebben. Dat is ontzettend belangrijk. Het vervult je bestaan; en hoe indringend dat is, zie je wanneer de relatie door overlijden of scheiding verbroken wordt. Maar wat zou zich daarvan tonen in je hersenen? Haast niks. Zo laat zich, denk ik, ook de kern van de religiositeit – het in relatie staan tot God – niet neurologisch betrappen, en beperkt men zich noodgedwongen tot aandacht voor die uitzonderlijke religieuze ‘ervaringen’ die zo weinig van doen hebben met wat geloven betekent.”
Van den Berk is sceptisch over onderzoeksconcepten als vrije wil, bewustzijn, verantwoordelijkheid, individualiteit, etc. “Wanneer men de vrije wil opvat als een absoluut autonoom iets, dan durf ik het bestaan ervan te betwijfelen. Vrije wil en bewustzijn zijn uiteindelijk slechts (kleine) aspecten van ons menszijn. Ik zie vrijheid niet als een vrij zijn van, maar als een vrij zijn in. Wat wij bewust willen, daar zitten zoveel onbewuste krachten achter. Ben je soms vrij om iets mooi te vinden? Of verliefd te worden? Onze ratio merkt de verliefdheid op en kan met bezwaren komen, maar de verliefdheid is daarmee niet weg.”
De neurotheologie is niet de enige wetenschap die zich bezig houdt met de fysieke aspecten van religie, maar wellicht wel één van de meest tot de verbeelding sprekende. Het menselijke brein is nog grotendeels onontgonnen terrein; vandaar dat de Amerikaanse neurotheologen Andrew Newberg en Eugene d’Aquili vorig jaar flink opzien baarden door te suggereren ‘het goddelijke’ gelokaliseerd te hebben in de hersenen. Door radioactieve vloeistoffen in te spuiten bij Tibetaanse monniken en franciscaanse zusters, konden zij de hersenactiviteit tijdens respectievelijk de meditatie en het gebed in kaart brengen. Zij ontdekten dat op het toppunt van religieuze extase, de zogeheten pariëtaalkwab aanzienlijk minder gestimuleerd werd. Newberg en d’Aquili wezen erop dat daar het associatie- en oriëntatievermogen geregeld wordt, wat kon verklaren dat mensen met een mystieke ervaring het gevoel hebben ‘op te gaan in het grote geheel’. Overigens is deze ‘ontdekking’ niet onomstreden. Zo situeert de Canadese neuropsycholoog Michael Persinger ‘het mystieke’ in de slaapkwabben; een conclusie die hij baseert op proeven met elektromagnetische velden. James Austin vermoedt op zijn beurt dat er niet één deel van de hersenen verantwoordelijk is voor spirituele ervaringen, maar tenminste drie. Hij noemt behalve de pariëtaalkwab en de slaapkwabben ook nog de amygdala.
Hoewel bij iedereen onder bepaalde omstandigheden spontane ontladingen in de slaapkwab kunnen optreden, zijn er mensen bij wie dat een ziekelijke vorm aanneemt: temporaal-epileptici. Zij lijden aan een vorm van epilepsie waarbij ze regelmatig overvallen worden door ‘mystieke ervaringen’. Deze zijn vaak zo ingrijpend, dat het leven van de patiënten er drastisch door kan veranderen: ze raken volkomen geobsedeerd door religie. Het bestaan van temporaal-epilepsie is voor Persinger een belangrijke aanwijzing voor het verband tussen slaapkwab en spiritualiteit.
De slaapkwab is erg gevoelig voor onder meer tekort aan zuurstof en toevoer van bloed - dat zou kunnen verklaren waarom mystieke ervaringen vaak optreden bij uithongering, operaties, zuurstofgebrek of onder invloed van bepaalde drugs. De meeste mystieke ervaringen worden echter voorafgegaan door persoonlijke stress, zoals hevige angst voor de dood. Volgens Persinger is dat geen toeval: angst zou een doorslaggevende rol spelen bij het genereren van mystieke ervaringen.
Persinger denkt dat mystieke ervaringen mogelijk werden door de evolutionaire ontwikkeling van de hersenen. Oudere hersenstructuren als de amygdala (betrokken bij emoties) en de hippocampus (betrokken bij beelden, herinneringen en dromen) zijn tijdens de evolutie diep in de hersenen in de slaapkwab terechtgekomen. Verbindingen tussen deze evolutionair oude gebieden en de neocortex - de 'nieuwe' hersenen - zouden er volgens Persinger voor hebben gezorgd dat dit gebied mystieke ervaringen kon genereren. Persinger denkt dat de evolutionaire hersenontwikkeling die leidde tot het ontstaan van zelfbewustzijn, tevens het besef van de eigen sterfelijkheid tot gevolg had. De functie van de mystieke ervaring zou zijn dat het een gevoel geeft van rust en harmonie, dat stress vermindert en doodsangst afneemt. Zonder de geruststellende werking van deze ervaring zou de allesoverheersende angst voor de dood het gewonnen hebben van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Dit zou van groot belang zijn geweest voor de evolutie van de menselijke hersenen, en daarmee voor het voortbestaan van de soort.
Als je met een hamer in je hand zwaait, kan alles op een spijker gaan lijken
Recent las ik “Antwerpse artsen hebben het neuronale knopje gevonden waarmee ze een ‘out-of-the-body-experience’ (OBE) kunnen opwekken. U hoeft nu niet langer jaren te oefenen in meditatie en onthechting, een inplant tegen oorsuizingen, mits correct geplaatst en geprogrammeerd, kan u op elk gewenst moment een OBE geven. Plots zei hij dat het net was of hij uit zijn lichaam trad. Even keek neurochirurg Dirk De Ridder (UZA) zelf nog vreemd op bij die mededeling van zijn patiënt. Deze week toonde hij de eerste beelden van de hersenactiviteit van die buitenlichamelijke ervaring. Zijn verklaring? Een kortsluiting in de hersenen. 'Ook God kan volgens mij een constructie van de hersenen zijn. Ik ga dat testen. Je hebt geen God nodig om God te percipiëren. Voor mij is God een fantoomperceptie van je niet-zelf. Deze experimenten leveren geen wetenschappelijk bewijst dat God niet bestaat of wel bestaat. Ze zeggen alleen dat zijn bestaan niet noodzakelijk is om hem te kunnen waarnemen. Ik ben ongelovig, voor mij persoonlijk bestaat God niet. Over het bestaan van God kun je filosofische uitspraken doen. Maar met de huidige wetenschappelijke kennis kun je wel zeggen dat de hersenen in staat zijn een godsgevoel te creëren zonder dat God hoeft te bestaan. Soms noemen ze de neurowetenschap arrogant. Ik vind dat een neurowetenschapper die zich met zulke vragen bezighoudt dat niet op een eiland mag doen, maar het multidisciplinair moet aanpakken, samen met filosofen en theologen. Anders dreig je de juiste vraag op een foute manier te beantwoorden of vice versa."
"Als je met een hamer in je hand zwaait, kan alles op een spijker gaan lijken. Nu hebben we prachtige toestellen om de hersenen te onderzoeken. Maar dat zal niet volstaan. De neurowetenschap zit nog vast in het newtoniaanse denken. Wat we nog missen is een figuur zoals Einstein die het tot een ander niveau kan tillen. In elk geval: Met de huidige kennis kun je zeggen dat de hersenen in staat zijn een godsgevoel te creëren zonder dat God hoeft te bestaan."
Nee, ik vind ‘de neurowetenschappen’ niet arrogant, wetenschap is wetenschap, en die moet zo zuiver mogelijk beoefend worden. Ik vind bepaalde neurowetenschappers typerende voorbeelden van overenthousiaste ‘Boys and their Toys’. Zij blaken van naïviteit en een arrogantie die voortspruit uit een compleet gebrek aan intellectuele, filosofische en spirituele ontwikkeling.
Nee, ook neurotheologie vind ik niet ‘arrogant’, tenminste daar waar religie getoetst wordt door zuiver wetenschappelijk onderzoek van de neuronale basis van psychoreligieuze belevingen. Maar ik vind bepaalde neurotheologen meer neurotisch dan theologisch, en ik vrees dat dit voor veel theologen opgaat, ook die van de kwantumtheologie, de chaostheologie en andere theologieën die ontstaan zijn als gevolg van allerlei nieuwe wetenschapstechnologische ontwikkelingen.
Als je met een hamer in je hand zwaait,
kan alles op een spijker gaan lijken.
[1] Karl Jaspers: Vom Ursprung und Ziel der Geschichte, 1949. Maar meerdere denkers bevestigden die conclusies, bijvoorbeeld Bellah (Beyond Belief, 1976), Eisenstadt (The origins and diversity of axial age civilizations, 1986), Hick (An interpretation of religion, 1989), en vooral: Lambert (Religion in Modernity as a New Axial Age, 2000)
[2] Hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen. Hij publiceerde o.a. over de individualisering van de ethiek en de evolutie van de moraal. Zie http://home.hetnet.nl/~delangef

