BLUBJE (2008)
Nederlands

BLUBJE, een waar meesterwerk met de origineelste titel ooit verzonnen! :-)

Dit verhaaltje is geen hoogstaande literatuur maar het is / was vooral leuk om eraan te schrijven. Dit verhaaltje heb ik compleet zonder de intentie om het online te zetten met mijn vriend, Domien De Groot, geschreven tijdens de lessen die we samen hebben. Het was de bedoeling dat we om de beurt een stuk van een verhaal zouden schrijven. Dat hebben we ook gedaan en het is een beetje de absurde kant op gegaan. De stukken werden ook steeds langer en het verhaal uitgebreider. Het staat nu al online maar het is nog niet af. Degenen die geboeid zijn, zullen snel het vervolg kunnen lezen want morgen hebben we weer drie uur les samen. ;-) Het verhaal komt een beetje traag op gang, wat een gevolg is van de manier waarop het is ontstaan. Maar het is ontzettend ontspannende (en toch ook een beetje spannende) lectuur. Ik zou zeggen: leun achterover en leef mee met Blubje op zijn avonturentocht!

Het lettertype is een beetje vreemd uitgevallen omdat ik deze tekst gekopieerd heb uit een word document. Soms is de grootte van de letters een beetje verstoord. Maar de verschillende stukjes zijn nog duidelijk afgescheiden. De normale tekstjes zijn van Domien en de cursieve zijn die van mij. De tussentiteltjes heb ik achteraf toegevoegd om er wat meer structuur in te brengen.

Het Verhaal van

BLUBJE

 

PERSONAGES:

 

Blubje

Prinses Asha(shaxarahamdaba) / Wibra

Koning Koi

Viva

Jos

Mboko

Smolk

(Grootmaarschalk) Rosbiv (met hamervis)

Memnon (De Grote) / Igor (De Verschrikkelijke)

Bwooark

Fons de Spons

Zeeman

Casa

Bewaker

Alfred, de Kwakzalver

Daffy

100000 soldaatvissen

Vis Leterme

Thérèse Kabbeljauw

Nationale Sidderalenpolitiebrigade

Michel de Forel

Saddam Woestijn

 ***

 

DE ONTMOETING

Er was eens een moedig goudvisje genaamd

 

Blubje. Hij zwom in de vijver van Maarten rond en ontmoette

 

daar een prachtig Koi-meisje. “Hallo”, zei Blubje,

 

ken ik je van ergens? Heb ik je niet ontmoet op het zeewierfeest?”

 

Oh nee, dacht het Koitje, en ze rolde met haar bolle oogjes – weer zo’n versierder – en dan nog en goudvis ook! Beseft die niet dat ik een KOI ben en veel te goed voor hem?

 

Maar ze wist niet dat de goudvis eigenlijk de zoon was van de eerste minister.

 

“Wat is je naam?” vroeg Blubje vriendelijk.

“Mijn naam is Ashashaxarahamdaba” zei het koitje, “maar jij mag me gerust… mevrouw Ashashaxarahamdaba noemen hoor” voegde ze eraan toe.

 

Ik ga je toch maar Ashje noemen, zei Blubje en hij kuste teder haar sierlijke vin.

 

“Hou je van me?” vroeg Ashje. “Oh ja!” riep Blubje uit, al kwispelend met zijn oranje staart. “Bewijs het dan voor me” zei Ashje. “Ik heb een belangrijke queeste voor je.

 

Ten eerste moet je voor mij een gouden ring en een parel zoeken in het zwarte zeewierwoud...

 

“Dat is niet erg” zei Blubje. “En vervolgens…” ging Ashje verder, “zul je de verschrikkelijke Monti moeten wegjagen, het enorme landmonster dat soms in onze vijver springt.”

 

“Je laatste opdracht zal zijn...” - Hier moest Ashje een beetje grinniken. Die laatste opdracht is onmogelijk, dacht ze, dat haalt die loser nooit! – “Je moet”, vervolgde ze, “ de reuzensprong wagen uit de vijver in het zwembad en terug. Dan pas ben ik de jouwe.”

DE VIN VAN ASHA

 

Maar Blubje slaagde erin om elke opdracht te vervullen en kwam toen terug. “Wil je nu met me trouwen?” vroeg hij hoopvol.

 

“Verdomme,” dacht Ashje. “Nu moet ik trouwen met die armoezaaier. ’t Is niet omdat hij een laagje nepgoud over zijn schubben heeft dat hij goed genoeg is voor een klasse-koi als ik!!! Wat moet ik nu doen?!”

 

“Vertel eens eerst, Blubje” vroeg ze, “hoe heb je al die opdrachten vervuld?”

 

Blubje glunderde. “Wel,” zei hij. “Eerst ben ik naar het zwarte zeewierwoud gegaan. Het was er erg donker en ik was bijna mijn weg kwijt. Maar toen zag ik een vaag wit licht.

 

Dat bleek het zonlicht te zijn dat op een diamanten ring viel. Het was een zilveren. Daarna vond ik ook een gouden ketting maar dat was nog niet wat je had gevraagd. Maar toen zag ik iets goudkleurigs schijnen van onder het schild van een waterschildpad. Het was de gouden ring. De parel vond ik in een schelp. Ik heb alle vier de objecten meegebracht”, zei Blubje trots.

 

“Maar je andere opdrachten…” begon Ashje.

“Ja, die heb ik ook vervuld”, zei Blubje. “Nadat ik de voorwerpen gevonden had zwom ik uit het Zwarte Wierwoud. Plots stond er een enorme harige boomstam voor me die er eerst niet was. Het was de poot van Monti! Voor ik het wist kwam er een gigantische roze tong op me af! Het reusachtige monster likte me op en spuwde me uit. Ik vloog uit zijn mond door de lucht en belandde in het zwembad! Het was de meest angstaanjagende ervaring die ik ooit had gehad!

 

Ik wist dat ik zo ver niet terug kon springen en ik had nog steeds het Montimonster niet verslagen. Maar ik kon wel op de luchtmatras springen. Monti zag me en sprong er ook op, vlak naast me. En toen vloog het ‘tsoepke’ eruit. De luchtmatras vloog door de lucht met mij erop en Monti volgde me en wou bijten. Ik zoefde terug richting vijver. Ik zette me af en sprong vlak naast een boom weer in de vijver. Montimonster knalde tegen de boom en ziet nu nog steeds sterretjes.

 

 

En zo vond ik de richting terug… naar jou, mijn lieve Koitje!”

 

Met een trotse glimlach toonde Blubje de juwelen die hij had gevonden.

“Hmmm…” zei Ashje. “Misschien val je nog wel mee… Maar dat betekent niet dat we kunnen trouwen! Want eerst moet mijn vader, Koning Koi, je officieel mijn vin schenken!”

 

Dus gingen ze samen naar de koning Koi. Ashje dacht: Mijn vader zal toch nooit goedkeuren dat zijn ‘beeldschone’, ‘aanbiddelijke’ dochter met een doodgewone goudvis trouwt.

De koningstroon was gebouwd op een reusachtig anker. Koning Koi zag zijn dochter in de verte aanzwemmen. Wat was ze toch beeldschoon! Ze leek natuurlijk op haar vader! Even leek hij in diepe verontrustende gedachten verzonken toen hij Blubje opmerkte. Wat voor een prullenvisje zwom er nu naast haar?!

 

 Koning Koi trok woedend aan zijn lange dunne snorretje toen Ashje met een zucht vertelde dat Blubje ‘per se’ met haar wou trouwen. “Wie mag dit aquariumscharminkel dan wel zijn?!” bulderde de Koning. –“Blubje, zoon van Vis” zei het goudvisje. “Vis?” herhaalde de koning, “toch niet Vis Leterme, de premier van de vijver?”

 

“Jawel, oh machtige heer, mijn vader is Vis, premier van de vijver”.

Ahsje’s mond viel open. “Ja!” zei ze. “Ik zie de gelijkenis! Je bent minstens even knap! Oh paps! Mag ik met hem trouwen?! Mag ik? Mag ik?! Tooeeee?!”

 

“Natuurlijk mijn schatje!” riep de koning uit. Ashje pakte Blubje vast en gaf hem een dikke zoen. Maar Blubje begon te twijfelen. Plots drong het tot hem door dat Ashje eerst niks van hem moest hebben, tot ze te weten was gekomen dat zijn vader de premier was. “Ashje…” vroeg hij, “hou je écht van me…?”

 

VIVA

 

“Natuurlijk!” zei Ashje, “ik speelde gewoon ‘hard to get’, zoals alle vrouwen!” Ze haalde haar zoetste glimlach boven en knuffelde Blubje: “Mijn lieve premiertje” zei ze, “ik hou van je!” Op dat moment kwam Viva binnen, de kuisvis van het paleis.  Ze was vuil van kop tot teen, droeg een lelijke schort maar had prachtige ogen. Haar zilverblauwe schubben trokken de aandacht van goudgeel Blubje Leterme.

Meteen begon de koning Viva uit te lachen en Ashje gebood haar om terug te keren naar haar kamer. “Die ‘viesvis’ hoort niet thuis in onze koninklijke living”, riep ze uit

 

, “vind je niet Blubje?”

Maar Blubje antwoordde niet. Enkel hij had de traan in Viva’s oog gezien (wat overigens niet gemakkelijk was onder water) toen ze tussen de koralen was verdwenen.

“Ik… moet even weg, Ashje” zei hij, en hij zwom snel Viva’tje achterna. Hij vond haar stilletjes wenend in de lege schelp van een hoornslak. “Viva?” vroeg hij zachtjes.

 

Viva keek in zijn waterachtige groene oogjes – ah ja want ze zaten onder water- en herkende Blubje plots. Ze hadden samen in de kleuterklas gezeten. Viva was toen een keer haar lunch vergeten en Blubje had toen zijn overheerlijke viskorrels met chocolade met haar gedeeld. Toen herkende Blubje haar ook. Zij was het met wie hij altijd had gespeeld. En hij had altijd haar prachtige kleurpotloodjes mogen gebruiken. Ze glimlachten naar elkaar. “Blubje?” vroeg Viva aarzelend. “Viiiivaaaaah!” zei Blubje met een robotachtig stemmetje. “Wat doe jij hier?” vroeg Viva. “Ik had hier een ‘directive’” zei Blubje. Hij vond het nu jammer dat hij Viva uit het oog was verloren al die jaren. Viva vertelde dat de koning haar ouders onterecht in de gevangenis had geworpen en haar voor een glasscherf per maand in dienst had genomen op haar 7de verjaardag.

 

“Wat?!” riep Blubje uit. “Dit kán echt niet! Viva, laat me je helpen!” “Hoe kan je me helpen?” snotterde Viva. “Ik ben verloofd met de prinses!” riep Blubje. “Misschien kan ik haar overtuigen om je mama en papa te bevrijden!”

 

“Dat zal je nooit lukken”, zei Viva. “Wie zal dan al het werk doen? De prinses is trouwens de reden dat mijn ouders nu in de gevangenis zitten!” “Hoezo?!” vroeg Blubje. En Viva deed haar verhaal:

 

“Koning Koi is onvruchtbaar, Blubje, en prinses Asha is eigenlijk mijn zusje, Wibra. Maar toen ze geboren werd was ze al zo mooi dat de koning haar wou adopteren. Mijn mama en papa wilden zusje niet afstaan, en daarom gooide de koning hen in de gevangenis!” Blubje was in de war. “Maar… hoe kan dit?!” vroeg hij zich af.

 

“Koning Koi had Asha wijsgemaakt dat ze zijn natuurlijke dochter was en dat mijn ouders smerige boeren waren die haar hadden gestolen. Zij  is 5 jaar jonger dan ik dus zij was pas 2 toen ze gestolen werd. Zij herinnert zich niets meer van haar kidnapping. Ik heb haar de waarheid proberen vertellen maar het was te laat. Ze was al zo verwend en vervelend dat ze riep: “Rot kreng!” en een bloempot naar mijn hoofd smeet (die ik gemakkelijk kon ontwijken voor die door het water mijn hoofd kon raken).”

 “Dan…” verzuchtte Blubje, “is er maar één oplossing. We zullen je ouders moeten bevrijden uit de gevangenis!” Maar de gevangenis van Koning Koi heette de Mosselgevangenis en alle gevangenen werden er in onopenbare schelpen gehouden.

 

Maar Blubje had een plan. Hij nam Viva mee naar de plaats waar hij de ringen en de parel had gevonden. Misschien konden ze er daar nog meer vinden. Een onopenbare schelp opende enkel wanneer haar een parel werd voorgehouden. Dus probeerden Viva en Blubje samen twee parels te vinden, één voor de moeder en één voor de vader van Viva. Na uren zoeken, hadden ze er samen één gevonden, wat niet genoeg was want de schelp zou de parel meteen inslikken. Ze kwamen nog één parel te kort. “Terwijl de schelp de parel inslikt moeten we als de bliksem telkens een van je ouders naar buiten trekken” zei Blubje “en natuurlijk hebben we telkens maar één kans, dus we moeten met zekerheid weten in welke schelpen ze gevangen zitten. Maar eerst moeten we een tweede parel zien te vinden.” Ondertussen werd Asha ongeduldig en ging ze woest op zoek naar haar plots weg gezwommen verloofde.

DE WRAAK VAN ASHA

 

“Ik weet waar we nog een tweede parel kunnen vinden” zei Viva’tje. “Ja?” zei Blubje. Viva staarde hem even aan en aarzelde. “Blubje…” zei ze toen, “diep op de bodem van deze verrassend grote vijver leeft… de Zeekomkommerdraak, Smolk! Hij bewaakt een enorme schat en het mooiste juweel van die schat is de Mirmasil, de zuiverste parel ooit… maar we geraken nooit voorbij die draak…” “Ach,” zei Blubje moedig “ik ben voorbij Monti geraakt dus ik geraak ook wel voorbij Smolk!” Maar terwijl Blubje en Viva praatten, wisten ze niet dat Asha hen al had gevonden en hen, verstopt achter een koraal, had afgeluisterd. Een duister plan begon te groeien in haar hart.

 

Terwijl Blubje nadacht over hoe hij Smolk zou verslaan, ging Viva’tje naar de bewaker in de gevangenis om informatie los te krijgen over de gevangenen en haar ouders. Ze kende de bewaker goed omdat ze elke week de cellen moest schoonmaken. De gevangenen zelf had ze nog nooit gezien. Ze had geen idee waar die heen werden gebracht wanneer de cellen werden schoongemaakt…

 

Ondertussen had Asha een Roggenstaartslijmplant gevonden met een sterk gif. Ze viste de parel die ze van Blubje had gekregen van tussen haar schubben en smeerde hem met een blad in met het giftige Roggenstaartslijm. Dan toverde ze haar liefste glimlach boven en kwam vanachter een rots tevoorschijn. “Hey Blubje!” sprak ze enthousiast. “Ik hoorde toevallig dat jullie van plan zijn om de gevangenen te bevrijden en ik wil jullie graag helpen! Je hoeft Smolk helemaal niet te verslaan. Ik heb de parel nog die jij voor me hebt gezocht.” Ze glimlachte en haalde de parel vanachter haar rug op een blad. Blubje was verrast.

 

Het viel hem op dat Ashje zulke vreemde handschoenen, sorry, vinschoenen droeg. “Ashje,” begon Blubje “ik moet je iets vertellen…” “Ik zal luisteren, Blubje, maar ik wil je eerst de parel geven.” Blubje stak zijn vin uit en … nam de parel aan. Onmiddellijk drong het gif in zijn lichaampje en hij viel in een diepe, droomloze slaap. Met  een stukje spons maakte Asha de parel schoon en nam hem weer mee naar huis. Even later kwam Viva terug. “Blubje, ik heb… BLUBJE?!” riep ze. Maar Blubje dreef roerloos in het water. “Blubje!!!” … Stilte.

 

Toen kwam een lelijk bruin gevaarte op haar af. Het leek wel een grote onder water drijvende rots maar het bleek een strontspikkelvis te zijn. Viva schrok en deinsde terug. Maar de vis zei kalm: “Wees maar niet bang Viva. Ik ben Jos, een oude vriend van je vader. Ik waak al over je sinds je ouders zijn opgesloten, maar in mijn eentje kan ik niet veel ondernemen. Ik kwam hier net iets vroeger aan dan jij en wat ik zag, heeft me diep geschokt.” Toen vertelde hij wat er zonet was gebeurd. Viva schrok. Dat had ze nooit verwacht van haar zusje! “Ik ook niet,” zei Jos, de strontspikkelvis. “Je zusje is niet slecht van nature, maar Koning Koi heeft haar zo opgevoed! “ zei hij boos. “Als baby was ze net zo vrolijk en lief als jij!” Plots begon Viva te huilen. “Gaat Blubje nu dood?!” vroeg ze in paniek. “Ik vind hem zo lief!” “Niet als we snel zijn!”, zei Jos kordaat. “Hij moet zich prikken aan de stekel van de stekelstaartmurmel. De adrenalinestoot zal het gif verdringen uit zijn lijfje en hem weer bij bewustzijn brengen …”

 

“Okee, we gaan er onmiddellijk heen!”, riep Viva’tje. “Waar is dat mormeldink?” “In de Ravijn des Doods”, zei Jos “Daar leeft een stam van verwilderde, kannibalistische vissen. Zij aanbidden hun afgod, een monster: half plant, half dier. Dit monster is de stekelstaartmurmel. Hij kan zich niet verplaatsen want zijn wortels zitten vast in de bodem van het allerdiepste, donkerste stuk van heel de vijver. Hij heeft twintig stengels. Vijf daarvan zijn lichtgevende ogen, drie zijn gigantische monden met tientallen scherpe tanden, twee zijn grote klauwen, negen zijn kleine klauwen en één ervan is de enorme stekelstaart. De klauwen en monden zijn dodelijk. Enkel de staart kan Blubje redden.” “Oei…, is er echt geen andere manier?”, vroeg Viva’tje.

DE STEKELSTAARTMURMEL

 

“Ja,” zei Jos “hij kan ook gewoon dit wonderzeewierpilletje nemen.” Hij voelde met zijn vin tussen zijn stinkende schubben en haalde een donkergroen pilletje tevoorschijn. Viva stak haar vin uit om het aan te nemen. Maar toen floepte het uit Jos’ vinnen en viel het in het zand. Meteen begon hij met Viva in het zand te graven op zoek naar het pilletje, maar het was verloren. Dus trokken ze naar de Ravijn des Doods. Ze droegen Blubje mee bij zijn vinnen.

 

Toen ze in de Ravijn des Doods kwamen, zagen ze een stok met een vissenkop op. “Dat is een symbool.” zei Jos “We zijn in het gebied van de kannibalen gekomen. Voorzichtig zwommen ze verder. Het was stil en eenzaam in de Ravijn… Maar plots hoorden ze achter zich een stem: “Boegoeboegoe!!!” Jos draaide zich om. “Yo, Mboko!” zei hij. “Jos!” riep de kannibaal uit. “Ik had u niet herkend!” De twee vissen gaven elkaar een knuffel. “Kennen jullie elkaar?” vroeg Viva. “Ah ja!” riep Jos enthousiast.” Want

 

mijn vorig lief was ook een kannibaalvis. Viva’tje keek Jos wantrouwig aan. “Ik eet alleen uitwerpselen van vissen en stukken rots, maak je maar geen zorgen.” zei Jos. “Gmoekoeblabibaliwan!” zei Mboko, de kannibaalvis. “De kanibaalvissen eten enkel andere vissoorten die ze niet kunnen uitstaan. Mij lusten ze niet dus zijn we vrienden geworden en mijn vrienden zijn hun vrienden. Ze willen ons zelfs helpen om de andere stengels van de stekelstaartmurmel af te leiden terwijl wij ons bezighouden met de stekelstaart” vertaalde Jos. “Heeft hij dat allemaal gezegd in één woord?!” vroeg Viva verbaasd. “Ja.” zei Jos. “Kannibaalvissen spreken maar een beetje Vis’. Ze spreken vooral Mbaloeboeloegees, de rijkste synthetische vissentaal in deze vijver.”

 

“Straf zeg!” zei Viva. Mboko verzamelde wat vrienden en vertrok naar de murmel voor hun ochtendlijke gebedsdienst. “Oh Murmelman; Padme Hum” mompelden ze. Gevleid keek het beestplantding de kannibalen aan. Intussen prikten Jos en Viva Blubje voorzichtig tegen de staart aan. Onmiddellijk sprongen de oogjes van Blubje open. “Viiivaaa!” riep hij uit. “En Jos!” “Blubje!” riep Jos. “Kennen jullie elkaar?” vroeg Viva verbaasd. “Natuurlijk” zei Blubje “want

SMOLK, DE DRAAK

 

Jos is de raadgever van mijn vader, premier Vis Leterme.” “Wat een toeval” zei Viva. “De vijver is toch klein he! Jos is ook een vriend van mijn vader. Misschien kent jouw vader de mijne ook dan?” -“Wie weet.” zei Blubje. “Wat is er eigenlijk gebeurd daarnet? Ik herinner me dat ik aan het ijsbeerzwemmen was en nadacht over hoe ik Smolk zou verslaan maar ik herinner me verder niets.” Jos en Viva vertelden hem van de smerige streek van Asha. Blubje was serieus op zijn vin getrapt. Hij besloot meteen terug te gaan om Smolk te verslaan en de Mirmasil of Regenboogparel te bemachtigen. “Jammer dat we niet alle gevangenen kunnen bevrijden” zei Viva. Ik ben te weten gekomen van de bewaker dat slechts één inktvis terecht in de gevangenis zit. Alle andere gevangenen zijn onschuldige vijverburgers!” Blubjes mond viel open. “En mijn ouders…” vervolgde Viva “zitten in de strengst bewaakte schelpen in de kelders van de gevangenis. Ze worden bewaakt door Bwooark, de Kwal des Doods.

 

“Maar ik help jullie wel” zei Mboko. “Goed!” zei Viva. “We shall be the Fellowship of the Blub!” En zo gingen Blubje, Viva, Jos en Mboko samen naar de Grot Van Vuur, waar Smolk leefde. Want in de vijver waren er grotten en één van die grotten gaf uit op een vulkaan. En daar, badend in het rode licht van de magma, lag Smolk op zijn schat. Het was gloeiend heet in de grot. “Okee… Wie gaat er binnen?” vroeg Jos. “Ik!” riep Blubje uit. “Dan ga ik mee!” zei Viva vastberaden en ze gaf Blubje een knuffel. De warmte die ze toen voelden, kwam niet enkel uit de vulkaan.

 

De vijverdraak lag briesend te spartelen op zijn schat (hij sliep en had kennelijk een spannende droom) en ons viertal had al snel door dat dit beest zich niet zomaar zou laten verslaan. Blubje haalde een hoop lianen en deelde ze uit. “Als we allemaal een van de vier poten vastbinden en heel hard trekken, dan kan iemand het monster met een rots op zijn kop kloppen.” Maar Viva merkte terecht op dat ze maar met vier waren. Wie zou er op zijn kop kloppen? “Ik denk dat het tijd is om hulp te roepen” zei Jos. “Mbalabala”, zei Mboko bevestigend. Jos nam zijn Swimmie Talkie en toetste de geheime emergency code in. Dan deed hij een oproep, die grootmaarschalk Rosbiv meteen beantwoordde. Het laatste dat hij zei tegen Jos was: “Ik kom er meteen aan buddy! … En ik breng een puntige hamervis mee. Dat komt harder aan! OVER EN OUT!”

 

Maar op dit moment werd Smolk wakker. Viva zwom net vlakbij zijn enorme oog toen het onverwachts open ging. In het diepe zwart van zijn pupillen zag Viva haar spiegelbeeld en ze gilde van angst. De draak gilde ook: “Iiiiiii!!!” In een verwijfd stemmetje zei hij angstig: “Enge vissen! Wat doen jullie hier?” “Euhm…” Blubje bloosde. “Wij zijn eigenlijk zo’n beetje … aan het inbreken.” Hierop begon Smolk te huilen. “Waarom doen jullie toch zoiets? Wat heb ik jullie ooit misdaan?” “Maar wij hebben de Mirmasil nodig”, zei Jos. “Boehamoegoebwaba”, bevestigde Mboko. Smolk snoot in zijn gigantische rode bolletjeszakdoek. “Maar als jullie het gewoon hadden gevraagd, dan had ik hem wel gegeven!” riep Smolk. “Maar, arm draakje toch!” zei Viva’tje vol medelijden. Nat op dat moment kwam Grootmaarschalk Rosbiv binnen.

 

“Whaah!” riep hij en hij begon al vervaarlijk te slingeren met zijn puntige hamervis. “Waar zit da beest?!” “STOOOP!!!” riep Blubje. Deze draak doet ons geen kwaad. Hij wil ons de parel gewoon geven! Hij is lief. “Oooooh,” zei Rosbiv “ik dacht dat de Grote Revolutie was begonnen. En ik had er net zo’n zin in! Ik dacht misschien kunnen we deze gemene draak aan onze kant krijgen nadat hij terug bij bewustzijn is gekomen na mijnen ‘toek’ op zijn kop, maar met zo een janet kunnen wij Koning Koi niet afschrikken.” “Maar Smolk heeft me intussen de parel gegeven” zei Jos. “Dat is het belangrijkste! Nu moeten we wachten tot het donker is en dan trekken we naar de gevangenis!”

DE MOSSELGEVANGENIS

 

Smolk keek Rosbiv boos aan. “Maar ik bén geen janet!” riep hij uit. Er kwam rook uit zijn neusgaten. “Ge zijt zélf een janet, JANET!” brulde hij en hij stak zijn lange tong uit naar Rosbiv. “Och joenge, seut!” sprak Rosbiv verheven. “STINKSCHEET!” riep Smolk. “Pissebed!” – “Kakameneer!” … En zo bleef de discussie maar duren. “Genoeg!” riep Blubje toen. “Okee Blubje, sorry”, zei Smolk. “Maar ik wil graag mee met jullie King Koi gaan verslaan!”

- “Zo zij het!” zei Jos. “Rosbiv? Ga jij ook mee?” vroeg hij. Rosbiv haalde zijn schouders op. “Okee dan…”

 

De inmiddels zes vrienden besloten dat Viva de parels mocht meedragen om haar ouders te bevrijden. Het was Rosbivs voorstel geweest, want lasten dragen was vrouwenwerk, vond hij. De anderen verspreidden zich om ongewenste bezoekers op afstand te houden. Toen de kust veilig was, ging iedereen mee naar binnen om Viva te helpen bij het volgende obstakel: Bwooark, de Kwal des Doods. Ze drongen dieper de gevangenis in en kwamen daar de hoofdbewaker tegen: Memnon De Grote, de sterkste en meest gerespecteerde bewaker, met zijn trouwe zeeduivel, Igor De Verschrikkelijke.

 

“Wat mag dit wel voorstellen?” vroeg Memnon. “Wie zijn jullie?” – “Ik ben Blubje, zoon van de Premier” zei Blubje. “En wat komt u hier doen met al uw vrienden?” – “Wel,” begon Blubje… “Ik … ben … eigenlijk … ook professor! Ja … professor Blubje, heheh, en … ik ben professor in de … criminologie! En dit zijn mijn studenten. Ik wil hen wat rondleiden in de gevangenis, ja, dat is het. Echt waar!” – “Ah, okee dan” zei Memnon. “Ga maar verder… Maar wacht eens!” voegde hij er onverwacht aan toe. “Waarom is er dan een enorme draak bij jullie?! Ik vertrouw dit niet! Alaaarm!!!” – “Sorry kerel, maar je vraagt erom” zei Smolk en met het vuur uit zijn neusgaten herleidde hij Memnon tot een aangebrand barbecueworstje. “Oef! Dank je!” riep Igor plots uit. “Door Memnon te doden heb je me bevrijd uit mijn betovering!” – “Huh?!” sprak Rosbiv wijselijk. “WTF?!”

 

“IK ben Memnon” sprak Igor (of Memnon dus blijkbaar). “De koning vond dat ik als zeeduivel niet genoeg gezag uitstraalde dus heeft hij ¾ van mijn geest laten overbrengen in het lichaam van een stevige maar hersendode bewakersvis terwijl ¼ in mijn eigen zeeduivellichaam bleef. Nu mijn bewakerslichaam dood is, ben ik weer helemaal mijn oude vertrouwde zelf! Wat jullie ook van plan zijn, ik sta aan jullie kant! Ik wil jullie helpen!” – “Hoeraaah!” riep Blubje. Nu hebben we een duivel onder ons!

 

En toen gingen Blubje, Viva, Jos, Mboko, Smolk, Rosbiv met de hamervis en Memnon samen verder op weg. Nog één monster was te verslaan: de verschrikkelijke Bwoooark. Onze Fellowship trok door een lange tunnel tot ze in een grote, ronde kamer kwamen. De grond was slijmerig … héél slijmerig. Plots zonk Rosbiv weg in de slijmerige bodem, wat normaal niet kon aangezien ze een eind boven de bodem aan het zwemmen waren. Maar wat bleek… De grond was helemaal geen grond. Het was de bovenkant van Bwooark! En Rosbiv zat nu in de KWAL! “Rosbiv! Neeeee!!!” riep Jos uit, maar het was Smolk die met zin grote klauw in de kwal greep en Rosbiv hoestend en sputterend eruit haalde. “Smolk…” zei Rosbiv. “Jij hebt mij gered en ik was nog zo grof tegen je toen ik je ontmoette … Ik … Ik heb je onderschat!” – “Het is nikske” knipoogde Smolk. “Vrienden?” – “Vrienden!” En ze schudden de vin en klauw. Maar Bwooark was nog niet verslagen!

Ondertussen was Blubje op onderzoek gegaan in de bewakerskamer. Hij had daar zakken vol mosterdzaad gevonden en vond dat vreemd. Hij nam een zak mee naar de anderen en vroeg aan Memnon-Igor of hij een idee had waar dat voor diende. “Natuurlijk!” riep deze uit. Bewakers gebruiken altijd een handvol mosterdzaadjes om Bwooark even ziek te maken zodat ze bij de gevangenen kunnen komen. Hey, maar wacht eens… Als we nu eens al die zakken uit de bewakerskamer naar hier haalden! En we gieten die allemaal uit over Bwooark! Misschien is hij dan veel langer dan tien minuten uitgeteld! Dat vond iedereen een fantastisch idee. De zakken werden gehaald en ze werkten samen om ze allemaal over Bwooark uit te gieten. De Kwal kreeg gele en paarse uitslag en moest vréselijk niezen. De kracht was zo enorm dat hij ontplofte! De muren plakten vol met stukjes Kwal.

 

Na dit walgelijke gebeuren konden onze vissen (en draak) verder zwemmen en zo kwamen ze uiteindelijk aan in een ruimte waar verschillende schelpen lagen. “Wel, één van deze schelpen bevat mijn mama en één mijn papa” zei Viva. “Maar hoe kunnen we ooit raden welke schelpen de juiste zijn?” vroeg Blubje.

DE BEVRIJDING

 

“Niet” zei Viva. “Ik vind het erg vreemd … Volgens de bewakers vallen de cellen van mijn ouders heel erg op omdat ze als enige extra bewaakt zijn.” Op dat moment hoorden ze Memnon (die door zijn verward gezelschap en de al even verwarde auteurs van dit verhaal nog steeds geregeld Igor werd genoemd) een beetje verder roepen: “Joehoe!” Ze gingen op het geluid af en vonden Smolk bij een grote gouden kooi. De tralies van de kooi waren opgevuld met stevig onbreekbaar kristalglas, behalve waar het reusachtige slot zat. Het sleutelgat was groot, maar natuurlijk niet groot genoeg voor de leden van de Fellowship of the Blub om erdoor te zwemmen. In de kooi zag Viva twee gouden schelpen. “Dit is hopeloos!” huilde ze. “Nee!” zei Igor. “Dit is een klus voor mijne vriend, Fons de Spons! Ik ben namelijk een janet, zie je! Mijne Fons die wringt zich letterlijk in élk gat! Hij woont in de Korale Driehoek, niet ver hier vandaan en hij is zeer snel!” – “Hoera!” riep Blubje “We zijn er bijna!” – “Maar nog niet helemaal…” zei Rosbiv. “Kalamallafricadella…” zei Mboko somber.

 

Op dat moment kwam Fons de Spons eraan. Hij was klein en geel en floot vrolijke nummers zoals “Prrrt Twiet Twiet!” en “Twiiiet prrrrr Twiet”. Maar ondanks zijn janettigheid was hij supermoedig en snel. “Ik ontving een sms’je van Igor en kwam meteen ter hulp!” zei Fons. “Voor mijne schat doe ik alles!” En met die woorden kuste de gele fluitspons de vers geëxorceerde zeeduivel, wat overigens een zin is die niemand ooit eerder heeft neergeschreven!  Maar goed, de schelpen die Memnon had aangewezen, moesten wel de cellen zijn van Viva’tjes ouders. Het werd tijd voor het grote parelritueel!

 

Zichtbaar opgewonden haalde Viva de twee parels van tussen haar schubben. Ze had er nu lang genoeg mee rond gezeuld! Fons, de held van de operatie, stopte ze tussen zijn sponzige huidplooien. Voor onze vrienden hem succes konden wensen, zat de spons al in de dichte lichte kooi (niet te verwarren met lichtekooi) van kristal en goud. Hij nam de eerste parel en onmiddellijk opende de eerste schelp zich. Ze hoefden verder niets te ondernemen want Viva’s vader kwam bliksemsnel uit de schelp gezwommen. Onmiddellijk sloot de schelp zich weer. Dan nam Fons de tweede parel, de Mirmasil. Hij bewonderde een laatste maal de prachtige kleuren van deze bijzondere parel en hield hem voor de tweede schelp. Deze opende zich meteen. “Mama!” riep Viva blij, terwijl haar vader nog op adem kwam. Viva’s moeder begon meteen te zwemmen en Fons trok uit alle macht aan haar linkervin, maar haar rechtervin zat vast. Uiteindelijk moest Fons opgeven. Het was te laat. De schelp had zich intussen weer gesloten en had de parel opgeslokt. Viva was erg blij haar vader terug te zien, ook al zat hij nog vast in de kooi. Maar ze beseft dat het lot van haar moeder verloren was, maakte haar verdrietig. Toch besloten Smolk en Blubje dat ze niet mochten opgeven! Plots kreeg Memnon een vreemd idee: “Zing Fons!” zei hij. “Zing in je hoogste janettenstem!”

 

En Fons zong: “Fwiiiiiiiiiiiii!!!!!” Hij zong zo hoog en luid dat het niet meer hoorbaar was. En toen verschenen er barstjes in de schelpen. “Krrrrrak” hoorden ze en de schelpen vielen uit elkaar in duizend stukjes: Viva’s mama was vrij! Terwijl Fons uitgeput neerviel begonnen Rosbiv en Blubje meteen te zoeken naar een manier om de gouden kooi te openen.

 

De moeder van Viva had intussen de Mirmasil opgeraapt en besloot hem te houden. De anderen zwommen naar de kooi om het sleutelgat te bestuderen maar Igor stond ervoor. “Ga es opzij vriend” zei Rosbiv kordaat. “Ssst” zei Igor “Ik zit met mijn staart in het slot. Ik probeer het open te krijgen.” Hij probeerde tien minuten maar het lukte niet. Toen kwam Viva aangezwommen. “Kijk eens wat ik in het bureau van een bewaker heb gevonden: deze prachtige glitterende roze schelp!” – “Ooooh, rozeeeh!” sprak Igor enthousiast en hij haalde meteen zijn staart uit het slot. Vanachter de tralies stotterde Viva’s vader (die blijkbaar echt moeite had om te bekomen van zijn gevangenschap): “M…m…maar dat is… DAT IS…!” Zijn mond was opengevallen en zijn ogen waren opengesperd. Aangezien hij er verder niks meer kon uitbrengen, besloot Viva hem de schelp te geven. Ze duwde haar in het slot. Ze kon er maar nauwelijks door… Maar toen plots…

 

kroop de unieke Sleutelneusslak uit de schelp. Deze slak was een extreeeeem zeldzame diersoort in die zin dat er maar één was. Ze had een neus, en die neus had de vorm van een sleutel die op elk slot past. Maar de ongewervelde deugniet was ook supersnel en nu zijn huisvrede verstoord was, vluchtte hij gauw weg en zocht de veiligheid ergens anders op.

 

Viva’s vader besefte wat het verlies van de slak betekende en vond uiteindelijk de verbale kracht om het uit te leggen. Meteen begonnen onze vrienden de zeebodem af te zoeken. Ze keerden elk steentje om en keken achter elke zandkorrel, maar er was geen spoor van de sleutelneusslak. Het was dan ook een bliksemsnelle slakkensoort. Na uren zoeken, gaven ze het op. Viva drukte haar vissenneusje tegen het kristalglas van de kooi en huilde. Ook haar moeder en vader lieten traantjes rollen. Alleen Blubje had het opgemerkt. “En ik had nog wel zo’n hoop vandaag!” zei Viva’s vader. “Ik ook” zei haar moeder “Ik dacht dat we eindelijk weer naar huis zouden kunnen gaan.” – “Ja,” zei Viva’s vader “zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens!” – “Ooost Weeest Thuuis beeest!” huilde Viva’s moeder bitter. Bij die woorden begon de slak, die ver weg naast een bewakersbureau achter een anemoon verstopt zat, heimwee te krijgen naar haar huisje. Ze voelde zich naakt en flink gegeneerd. Ze wikkelde zich in de anemoon en kwam steeds dichterbij, tot ze vlak bij onze droevige vrienden stond…

 

“Piep!” zei ze en Smolkje riep: “Iii! Een eng beest!” Maar Rosbiv antwoordde: “Maak je geen zorgen, vriend” en hij raapte de slak op en ramde haar teder met haar snuit in het slot. Zo werd de deur van de kooi geopend en konden Viva’tjes ouders ontsnappen. Het weerzien was kei-emotioneel. Na veel geknuffel konden ze vertrekken uit de gevangenis. Onderweg vroeg Blubje aan Viva’tjes ouders wat hun namen eigenlijk waren. “Mijn naam is Zeeman” zei Viva’s papa. “En ik ben Casa” zei de mama. Nu begreep Blubje waarom Viva’s zusje eigenlijk Wibra heette in plaats van Asha. Zeeman, Casa en Wibra waren immers mythologische figuren uit de vissenwereld.

 

En zo werd ook duidelijk waarom Viva’s ouders tijdens hun gevangenschap zo naar huis hadden verlangd. ‘Casa’ betekent immers ‘huis’ en ‘Zeeman’ betekent eigenlijk ‘huisman’ want voor de vissen is de zee hun thuis. Het weerzien was een belangrijk moment voor Viva, Casa en Zeeman. Viva en haar ouders hadden elkaar al erg lang niet meer gezien. Maar dan werd dit innige moment van geluk verstoord door onaangenaam bezoek. Terwijl Jos zijn oude vriend zeeman knuffelde, stond hij plots oog in oog met een woeste Koning Koi en zijn venijnige gestolen dochter Ashawibra.

HET LEGER VAN KONING KOI

 

En wat nog erger was: achter hen stond een gigantisch leger van 100000 vissen (Maartens vijver is heel groot). Blubje slikte en nam bevend Viva’s vinnetje in de zijne. “Pfhuh!” bracht Asha uit. “Typisch! Meneer heeft al een ander vriendinneke!” – “Ashje, je moet iets belangrijks weten. Je bent niet wie je denkt dat je bent!” zei Blubje. “Jij ook niet, Blubje!” riep Koning Koi verwijtend. “Je bent een verrader die zijn verloofde in de steek laat en inbreekt in de gevangenis!” – “En jij bent een leugenaar, Koi! Jij bent niet Asha’s vader!” zei Viva. De 100000 soldaatvissen achter de koning verhieven gelijktijdig allemaal één wenkbrauw.

 

Toen sprak Casa: “Je bent mijn dochter Asha! En eigenlijk heet je Wibra.” – “Wat is dát voor een goedkope naam?!” onderbrak Asha bits. “Koning Koi heeft je GESTOLEN toen je nog te klein was om te beseffen wat er gebeurde!” vervolgde Casa. Ze pinkte een traan weg, maar niemand had het gezien want ze zat onder water (en dan is het moeilijk om tranen te zien he). “Mboeloeboeloe?” vroeg Mboko. Toen werd Casa nog ondeugender: “Koning Koi was als Grote Koning niet eens in staat om de kleine kaviaartjes van zijn vrouw te bevruchten! Hij is niet alleen een leugenaar en een bedrieger, maar ook een ‘dikke prutser’! Nadat hij ons dochtertje had gestolen, kon zijn vrouw het helemaal niet meer aan en stierf van miserie!” Zeeman keek trots zijn vrouw aan en hield nog meer van haar dan voor en tijdens al die jaren dat hij haar kwijt was geweest in de gevangenis, ook al was ze eigenlijk vlakbij geweest. Koning Koi had al een tijdje gezwegen nu. Hij besefte dat hij naïef was geweest: een geheim als dit had hij nooit voor eeuwig kunnen verborgen houden. Maar Asha sprak nu wel: “WAAAT?! Wat insinueer jij wel mevrouwtje? Dat ik een doodgewone vis ben, de dochter van twee criminelen en geen PRINSES?!”

 

“Niet helemaal…” zei Viva plots. Alle aanwezigen keken haar aan. “Het is tijd om mijn geheim te onthullen… Zie je, koning Koi is eigenlijk niet de rechtmatige opvolger van de vorige koning, Clo-Vis. Want mijn papa, Zeeman, is de oudere broer van Koi, en dus hoort hij op de troon te zitten … en Asha, aangezien jij eigenlijk mijn zusje, Wibra, bent, ben je dus wél een prinses … alleen geen kroonprinses, want dat ben ik.” Asha zweeg.

“Maar… zelfs ik wist niet dat ik de oudere broer van Koi ben”, zei Zeeman “dus hoe kun jij het dan weten, Viva’tje?” – “Ik heb ooit een geheim gesprek afgeluisterd in het paleis van koning Koi (mijn oom dus)” legde Viva uit “en dat ging als volgt:”

 

Nu deed Viva iets heel Postmoderns. Ze maakte gebruik van een flashback:

Bewaker: “Het geneeskrachtige zeewier werkt niet majesteit.”

Koning Koi: “Dat is mijn probleem niet!”

Bewaker: “Maar hij is ziek! Je broer is ziek majesteit!”

Koning Koi: “Net goed! Als hij een natuurlijke dood sterft, zal niemand argwaan hebben! Trouwens, slechts een schelpvol vissen weten dat hij mijn broer is. Toen onze ouders stierven op jonge leeftijd, heb ik hem als peuter achtergelaten bij bodembouwers en hem in het ‘ongevisse’ gelaten.”

Bewaker: “Maar hij kan gemakkelijk genezen worden! Hij heeft slechts een zware vorm van vinfluenza! Men zal het toch verdacht vinden?!”

Koning Koi: “Stuur dan Alfred, de Kwakzalver! Dan geef ik toch een béétje de indruk dat ik bekommerd ben om zijn gezondheid.”

Bewaker: “Goed majesteit!”

(in het heden)

Viva: “Ik volgde de wachter tot achter een rots en zag dat hij zijn schelpmobieltje nam. Hij broebelde duidelijk iemand op en sprak:”

(flashback)

Wachter: “Daffy? Ik moet je om een gunst vragen: Kan jij je vermommen als je neef Alfred? Die is toch twee weken op vakantie naar het  Zwembad. Kom dan onmiddellijk naar hier en breng je krachtigste medicijn mee. Onze goede vriend Zeeman is doodziek en zijn eigen broer Koi wil hem zomaar laten wegkwijnen!”

(in het heden)

Viva: “Daffy zei blijkbaar nog iets. Dan zette de bewaker zijn schelpmobieltje uit en zwom weg met een bezorgde blik. En zo wist ik het.”

 

Blubje had gespannen geluisterd en was nu helemaal verward: Dus Asha en Viva zijn zusjes en Koning Koi, die geen koning is, is hun oom… “En dat is niet de enige verrassing voor jou vandaag, Blubje” klonk plots een stem. Verbaasd zag Blubje zijn vader Vis Leterme en zijn moeder Thérèse Kabeljauw. Thérèse sprak: “Wij moeten je ook iets vertellen, Blubje: jij bent als een echte zoon voor ons, maar eigenlijk was je een vondeling. Heb je je nooit afgevraagd waarom je niet tot dezelfde vissoort behoort als ik en je vader? Wij zijn kabeljauw en jij een goudvis.”

 

"THE COURSE" & THE BATTLE

 “Mama…papa… Wat doen jullie hier plots?” vroeg Blubje. “Wij hebben gezien hoe het leger van Koi vertrok en zijn erachteraan gegaan. En nu weet je het geheim … Wij zijn niet je echte ouders.” – “Maar dat wist ik al” zei Blubje “want zie je… ik heb ook een geheim. “Jeezes!” riep Fons uit. “Wie heeft er hier geen geheim zeg! Amai mijn voeten, euh, vinnen!” – “Het zit zo” ging Blubje verder. “Toen ik twaalf jaar was, werd ik opgezocht door een oude wijze inktvis genaamd Blubbi-Wan Kalamari. Hij zei dat ik eigenlijk een Jevis ben, een soort magische ridder, en dat mijn papa ook een machtige Jevis was, die al was gestorven. Maar in elk geval moest ik wachten tot ik oud genoeg was om dan te doen wat de profetie altijd al had voorspeld: “Mijn grootste vijand doden…of door hem gedood worden…” – “Wacht!” zei Fons… “Ik weet het al. Het is Koi! Blubje moet Koi verslaan in een duel!” – “Zwijg toch eens efkes, schat” zei Igor.

 

“A nondedju!” riep Rosbiv plots “Hoeveel visgraten gaan hier nog uit de kast komen gevallen?!” – “Er zijn nog nooit zo veel visverstanden aan het licht gekomen op één dag, denk ik” grapte Smolk. “Mboboliba Amajjakroketwasda-ammel?” trad Mboko hem bij. “Ik moet gebruik maken” vervolgde Blubje “van de kracht die in dit meer alles doordringt. Het is een beetje vergelijkbaar met ‘de adem’ van deze tuin. Hier onder water noemt men het ‘de Course’. Die kracht zal mij helpen om konink Koi te verslaan!” – “Niet zo snel!!!” brulde Koi. Plots ging het leger van 100000 vissen als één vis voor Koning Koi staan (naar wie intussen werd verwezen met ‘de dikke prutser’). “Als jullie onze koning willen pijn doen” zei een lelijke zalmsoldaat “zullen jullie eerst voorbij ONS moeten geraken! Want een goed scenario zit altijd vol obstakels, zo schrijft de filmnarratologie voor.” Dat lieten onze vrienden zich geen twee keer zeggen. Het was tijd voor de ontknoping en dus voor de ultieme confrontatie tussen de protagonist en de antagonist. Ze waren sterk in de minderheid maar ze hadden ‘de Course’ van het meer mee. “For Aslan!” brulde Grootmaarschalk Rosbiv. “Voor wie?” vroeg Blubje. “Wie is Aslan?” – “Geen idee” zei Rosbiv “maar in aquariumfilms roepen ze ook altijd zoiets cool  voor ze beginnen vechten. “For England!” riep Viva. “For Spartaaaa!” riep Smolk. “For Frodo!” riep Fons. En nadat iedereen zich verbaal had uitgeleefd, viel de Fellowship of the Blub aan.

Met een zinderend geluid trokken ze hun zwaarden (die door ‘de Course’ recht in hun vinnen waren gevallen). Een panoramisch wide shot toonde hoe onze helden en het gigantische leger met elkaar in de clinch gingen. Epische koormuziek weerklonk terwijl Blubje en zijn vrienden met hun zwaarden een weg baasden door de massa vissen. “Blubje, pas op!” riep Rosbiv. Blubje bukte zich en ontweek zo net een hellebaard van een enorme stekelbaars. De barbaarse baars duwde Blubje op de grond met zijn staartvin en ging net zijn wapen planten in de borst van onze held toen hij plots voor Blubje in twee stukken uiteen viel. Achter het lijk stond Viva met een stoere blik in haar ogen en een bloederige sabel in haar vinnen. Blubje hield nog meer van haar dan ooit te voren. Een moment lang verdween het gevecht om hen heen terwijl ze kusten en enkel nog een aanzwellend liefdesthema van Hans Zimmer hoorden. Maar het geluk was van korte duur want ‘de dikke prutser’ Koi greep Viva’tje vast en dreigde met zijn rijkelijk versierde gulden sabel haar delicate vissenkeeltje over te snijden. Rondom hen hadden Rosbiv, Fons, Igor, Smolkje, Leterme, Casa, Zeeman, Jos, Mboko en wie ik nog vergeten ben het pad vrijgemaakt zodat het leger Blubje en Viva niet kon raken. Maar de andere leden van de Fellowship waren te druk bezig om het leger op afstand te houden en konden niet helpen. Enkel Blubje kon nu nog zijn Viva’tje redden.

 

Met de vastberadenste vastberadenheid die een vastberaden vis kan hebben, zwom Blubje op zijn doel af. Hij stak zijn rechtervin in de hoogte waaruit meteen een gouden lichtstraal kwam. Hij richtte de straal op zijn vijand ‘de dikke prutser’ en meteen ontstond een luchtbel rondom Koi. De soldaten staakten het gevecht met hun fishsticks en keken verbaasd om. Blubje gebruikte al zijn kracht om de luchtbel op dezelfde grootte te houden zodat Viva niet geraakt zou worden. Hij zwom door de soldatenmassa naar Viva en greep haar beet. Op dat moment had hij zijn kracht niet meer onder controle… De bel groeide exponentieel op enkele seconden en iedereen die in de buurt stond, werd omver geblazen. Blubjes vrienden stonden net buiten het bereik van de luchtbel maar alle soldaten waren omver geblazen en lagen bewusteloos op de grond en ook… Viva. Blubje was compleet over zijn vijverwater. Intussen had Jos de Nationale Sidderalenpolitiebrigade van de vijver gebeld om heel het leger in te rekenen. Viva lag nog steeds bewusteloos in het zand. Toen kwam de bewaker van de gevangenis aangezwommen: “Dat ziet er niet goed uit, Blubje. De Course was ultra-krachtig vandaag. Er is maar één manier om haar te redden. We moeten haar naar de Waterwoestijn of Calamareswoestijn brengen! Daar woont Woestijnvis, de oudste vis van deze vijver. Hij weet alles van zeekruiden. Hij is de enige die de merische kennis heeft om Viva terug bij bewustzijn te brengen. We hebben hem uiteindelijk ook stiekem moeten raadplegen toen Zeeman zo ziek was. Viva was te dicht bij de kern van de luchtbelexplosie!” – “Maar Koning Koi zat middenin de luchtbel, dan moet hij…” – “Koning Koi is dood, naar ’t schijnt” zei Jos, die plots naast hen was komen zwemmen. “Hij kon niet meer worden gered.” Toen voegde ook Smolk zich bij het gezelschap: “De Sidderalenbrigade is gearriveerd” zei hij. “Ze zijn met een enorm aantal.” – “Ik blijf hier om hen te assisteren” zei Bewaker “maar ik stuur de kapitein van de brigade, Michel de Forel, met jullie mee naar de woestijn. Die zal jullie beschermen tegen de beruchte woestijnterrorist Saddam Woestijn. Ik heb al kamelen besteld voor de lange tocht!” (Kamelen kunnen ook op de bodem van de zee leven eens ze zijn verdronken. Door dat water in hun bulten zakken die direct naar beneden.)

 

*WORDT VERVOLGD!!!*