Kleinere paardenrassen die volwassen een schofthoogte van minder
dan 148 cm hebben. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld de paardenrassen
Arabier, IJslanders, Haflingers en Fjorden. Deze blijven doorgaans
onder de 147,3 cm, maar worden wel paardenrassen genoemd.
Omdat het paard als een 'edel dier' wordt beschouwd, worden door
paardenliefhebbers zoals ruiters en koetsiers altijd de termen "hoofd",
"mond" en "benen" gebruikt in plaats van "kop", "bek" en "poten".
Algemeen
Het paard behoort tot de onevenhoevigen (perissodactyla) en heeft
per been slechts één teen. Van oorsprong heeft een paard vijf tenen
waarbij de hoef feitelijk de vergrote nagel van de middelvinger is.
Andere overblijfselen van de tenen zijn de griffelbeentjes (ring- en
wijsvinger), de zwilvrat (duim) en het spoortje (pink).
Paarden
zijn planteneters (herbivoren), maar geen herkauwers. De voortanden
gebruiken ze om gras en dergelijke mee af te rukken, waarna dit door de
kiezen vermalen kan worden. Zowel hun gehoor als hun reukvermogen zijn
bijzonder goed ontwikkeld. De manen, het lange haar op de bovenzijde
van de hals, zijn vermoedelijk ontstaan als bescherming tegen
roofdieren zoals katachtigen, die het paard op de rug springen en in de
nek bijten. Door dan de aanvaller met bokkende bewegingen van zich af
te schudden, verliest het paard enkel wat van zijn manen. De staart
wordt gebruikt om insecten te verjagen.
Paarden hebben in het
totaal 20 of 18 tanden.Een hengst (mannelijk paard) heeft 2 extra
tanden tussen de snijtanden en voorkiezen: de haaktanden. In de boven-
en onderkaak hebben een hengst en een merrie : 6 snijtanden, (2)
hoektanden, 6 voorkiezen en 6 kiezen. Tussen de snijtanden (voortanden)
en de kiezen zitten de tandeloze kaakranden (diasteem), ook wel De
Lagen genoemd. Hier ligt het bit op tijdens het rijden.
De
grootte (hoogte) van een paard wordt traditioneel gemeten bij de
schoft. Bij een schofthoogte tot 1,47m spreekt men van een pony, bij
een schofthoogte van 1,47m tot 1,57m spreekt men van een klein paard
(ook wel E-pony, of 'damespaard' genoemd) en bij een schofthoogte van
1,57m en hoger spreekt men van een paard.
De schofthoogte van
volwassen paarden varieert sterk: de Falabella (een miniatuurpaard) is
slechts zo'n 60 cm hoog, terwijl andere rassen bijna twee meter kunnen
halen. Het grootste paardenras is de Shire. Een 19e eeuwse Shire ruin
genaamd Sampson houdt het record grootste paard ter wereld met in 1850
een schofthoogte van ruim 219 cm (en een gewicht van 1524 kilo,
eveneens een wereldrecord). Dit ras wordt voornamelijk als werkpaard
gebruikt. De vacht kan zowel effen gekleurd als bont zijn. Veel
voorkomende kleuren zijn bruin (met zwarte manen en staart), zwart,
voskleurig (bruin-rood), geel en "vaal" (geel-grijs, soms neigend naar
bruin of blauw). Het paard is een kuddedier en kan zo'n dertig jaar oud
worden.
De maximale snelheid die bij een bereden paard ooit is
gemeten is 89 kilometer per uur. ("About the Horse". First Timers
Guide. American Quarter Horse Association. Retrieved on 2008-09-16.) De
meeste paarden halen ongeveer 60 kilometer per uur.
Paarden
leven in kuddeverband. Hun belangrijkste verweer tegen roofdieren is
vluchten. Ze werken samen om roofdieren zo snel mogelijk te kunnen
ontvluchten. Paarden communiceren met lichaamstaal, in stilte. Hinniken
doen wilde paarden alleen in uiterste noodsituaties. De 'familiekudde'
wordt geleid door een oudere, ervaren merrie. De kudde telt ongeveer
twaalf volwassen merries met hun veulens en een paar dekhengsten. Het
merendeel van de puberende hengstveulens komt in de zogenaamde
hengstenkuddes terecht.
De draagtijd is 11 à 12 maanden, maar
ook 13 maanden komt voor. De draagtijd is langer als het paard in het
voorjaar moet bevallen, maar ook bij paarden die voor het eerste een
veulen krijgen of bij paarden die veel weidegang krijgen. Waardoor de
draagtijd zoveel varieert is nog niet duidelijk. Wel is duidelijk dat
het veulen er geen nadeel van ondervindt. Het veulen probeert al direct
na de geboorte te gaan staan en kan zich na een paar uur al redelijk op
de been houden. Dit heeft te maken met het feit dat het paard
oorspronkelijk op de open vlakte leefde, waar de kudde snel moest
kunnen vluchten. Het is belangrijk dat het veulen binnen enkele uren
kan drinken bij zijn moeder.