Woordenlijst

bij De wil om te geloven door William James 

Acksenzeit Lees hierover ook: Rudolf Otto, Religieuze overeenstemming; parallellen in de godsdienstgeschiedenis, Amsterdam 2005 en Karen Armstrong, De grote transformatie; het begin van onze religieuze tradities, Amsterdam 2005.

agnosticisme, standpunt in de wijsbegeerte dat het voor de mens onmogelijk is om theoretische kennis te hebben van een werkelijkheid die boven de ervaring uitgaat. Maar anders dan het scepticisme, dat de mogelijkheid van alle ware kennis in twijfel trekt, spreekt een agnosticus zich niet uit over het bestaan van een dergelijke werkelijkheid.
De term werd in 1869 door T. H. Huxley in de filosofie ingevoerd.

Adamieten gnostisch-ascetische sekte in Noord Afrika (2e-3e eeuw); bepaalde groepen Waldenzen en Broeders des Vrijen Geestes; sekte in Moravië en Bohemen (15e eeuw); scheldnaam voor de Amsterdamse Wederdopers (1535).

Autogeen vanzelf plaatsvindend

Balfour, Arthur James, Lord (1848 –1930), Brits staatsman, bezocht de universiteit te Cambridge, werd in 1874 lid van het Lagerhuis, was van 1874 tot 1880 particulier secretaris van zijn oom, de markies van Salisbury, en vergezelde deze naar het Congres van Berlijn (1878).

eclecticisme [filosofie], het kiezen van gedachten uit verschillende stelsels als bouwstenen voor het eigen standpunt.

eclecticisme [godsdienst], term gebruikt voor de pogingen elementen uit vele godsdiensten samen te voegen tot een nieuwe heilsleer.

egotistisme overdreven gevoel van eigenwaarde, zelfvergoding, manie om gedurig over zichzelf te spreken.

empirisme, wijsgerige richting die, zich afzettend tegen het 17de-eeuwse rationalisme, alle kennis wil funderen in de ervaring. Vertegenwoordigers ervan zijn de Engelse denkers John Locke, David Hume en John Stuart Mill.

De sceptische school, traditioneel gegrondvest door Pyrrho van Elis (ca. 360-270), betoogt dat geen enkele kennis zeker is, en dat daarom zich van een vaste mening onthouden (epochè) de enige juiste houding is. In wezen is alles onbewijsbaar, en dus ook alles onverschillig, al was niet elke scepticus zo consequent als Pyrrho, die volgens de anekdotes tijdens wandelingen door zijn leerlingen moest
worden bijgestuurd om niet in het verkeer om te komen: het maakt immers niet uit waar je loopt.

gnosticisme of gnostiek, (v. Gr. gnosis = inzicht, kennis), verzamelnaam voor een pluriforme godsdienstig-wijsgerige stroming, die vooral in de eerste eeuwen n.C. grote betekenis had, maar ook later momenten van herleving kende. Bepaalde gnostische grondelementen vindt men in de huidige tijd in bewegingen als de theosofie, de antroposofie, het Broederschap der Rozekruisers en in de new age-beweging. De kennis van de oude gnostiek is door de vondst van gnostische geschriften in de Koptische taal bij Nag Hammadi in Egypte belangrijk verdiept. Vroeger waren de bronnen voor de kennis van de gnostiek hoofdzakelijk citaten uit de werken van de gnostici bij de kerkvaders, die hen bestreden.

Fichte, Johann Gottlieb (1762 –1814), Duits wijsgeer. Toen hij de filosofie van Immanuel Kant leerde kennen, was hij daardoor zozeer gegrepen, dat hij het plan opvatte Kant in Koningsbergen te bezoeken.
Als introductie voor zichzelf bij Kant schreef hij in zeer korte tijd een godsdienstfilosofisch werkje, dat hem op slag beroemd maakte doordat het bij verschijnen voor een werk van Kant werd gehouden. Fichte werd zeer spoedig daarna, in 1794, benoemd tot hoogleraar in de filosofie te Jena. Aan de filosofisch uiterst vruchtbare periode in Jena kwam een ongelukkig einde door de Atheismusstreit. Fichte werd van atheïsme beschuldigd doordat hij God als de zedelijke wereldorde definieerde.

Aanvankelijk stelde Fichte zich tot taak, aan de leer van Kant een alomvattend fundament te verschaffen, waarbij hij te werk ging volgens een geheel eigen, nieuwe methode, die wel als een ‘a-priorisch-dialectische’ methode is aangeduid. Deze hield in dat Fichte van één absoluut uitgangspunt uitging, een volledig a-priori, om van daaruit in tegenstellingen en opheffen van die tegenstellingen voort te gaan.
De grote kracht van Fichte school in de wijze waarop hij zijn toehoorders (en lezers) opriep tot bewust leven en zedelijk handelen. Uitgaande van de vrijheid, die ieder slechts ter wille van de ander mag beperken, legde hij alle nadruk op de eigenwaarde van ieder mens in het Geheel en in het bijzonder op de plaats en de taak van de geleerde.
Ondanks de grote directe invloed van Fichte heeft hij geen eigenlijke leerlingen gehad, omdat de wijsgerige ontwikkeling in Duitsland via Friedrich von Schelling en Georg Wilhelm Friedrich Hegel een andere richting uitging. In het algemeen wordt Fichte dan ook, overigens ten onrechte, alleen als schakel in de ontwikkeling van Immanuel Kant naar Hegel gezien.

hermeneutiek leer van de regels en hulpmiddelen die bij de uitlegkunde gebruikt worden; de theorie van de exegese; interpretatie van fenomenen als tekens

Heuristiek de leer van het vinden, de wetenschap die langs methodische weg tot ontdekkingen of uitvindingen leert komen; tegenovergesteld aan dogmatisch.

Hume, David (1711 –), Schots filosoof, historicus en letterkundige,.
Tussen 1726 en 1736 ontstond A treatise of human nature, waarin Hume naar het voorbeeld van Isaac Newton ook de wetenschap van de mens en zijn vermogens op empirische grondslag wilde vestigen.
Van zijn belangstelling voor de godsdienst getuigen The natural history of religion (1757) en vooral de Dialogues concerning natural religion (1779).
In de kennisleer huldigt Hume een radicaal empirisme.
In het algemeen neigt hij tot een gematigd scepticisme, dat evenwel gecompenseerd wordt door de meer irrationele kanten van de menselijke natuur en de praktische eisen van het dagelijks leven.
Op ethisch gebied is Hume van mening dat de rede alleen nooit tot handelen drijft. Zedelijke uitspraken zijn niet louter theoretisch, maar eerder uitdrukking van een gevoelen van goedkeuring of afkeuring dat reageert op het aangename of nuttige in de objecten van ethische waardering..
In de godsdienstfilosofie bestrijdt Hume de opvatting dat het bestaan van God a-priori bewezen zou kunnen worden.
Reacties op Humes empirisme en scepticisme zijn vooral te vinden in de Schotse school van de ‘common sense’ en bij Immanuel Kant.

Huxley, Thomas Henry (1825 – 1895), Brits bioloog en filosoof, grootvader van Julian Huxley en Aldous Huxley.
Huxley wees op de tegenstelling die bestaat tussen een gedrag dat algemeen als moreel goed en hoogstaand wordt gekwalificeerd en een dat tot resultaten voert in de ‘cosmic struggle for existence’.
Huxley noemde zich agnosticus, een term die hijzelf in de wijsbegeerte heeft geïntroduceerd en door hem speciaal toegepast op de leer van Herbert Spencer. Wel meende hij de waarheid door onderzoek te kunnen benaderen. Vanuit dit standpunt wordt zijn belangstelling voor het evolutionisme duidelijk en zijn stellingname tegen alle dogmatiek begrijpelijk.
‘Ik kan niets anders denken dan dat de verbondenheid met een goede gedragswijze, samen met ontzag en eerbied – die geen verwantschappen hebben met fundamentele angst – waar we mee geconfronteerd worden bij iedere poging ons door de oppervlakte der dingen, of die nu van materiele of van geestelijke aard zijn, heen te boren, de kwintessens uitmaakt van wat in religie de een of andere statische werkelijkheid heeft.’
Door zijn vorm kan deze definitie geen aanspraak maken op algemeenheid, maar is van belang omdat hij een van de eerste pogingen tot een psychologische interpretatie is.

hypothese (v. Grieks hupothesis = [ver-]onderstelling), een stelling of aanname die op basis van voorafgaande kennis een stand van zaken, structuur of proces doorlicht en mogelijk verklaart zonder dat deze bewezen is of rechtstreeks kan worden waargemaakt. Hypothesen worden aangewend om bestaande gegeven feiten te kunnen verklaren, hun wetmatigheden te ontdekken en het natuurverloop zodoende te leren voorzien.

Intrinsiek

Newman, John Henry (1801 –1890), Brits theoloog, kardinaal, van huis uit anglicaan, maakte in 1816 onder calvinistische invloed een eerste, diepe bekeringservaring door, werd in 1822 fellow (in 1826 tutor) van Oriel College te Oxford en in 1828 vicar van de universiteitskerk St. Mary's aldaar. In 1833 werd hij, samen met J. Keble, E. Pusey e.a., leider van de Oxfordbeweging, die door middel van Tracts (vandaar ook de benaming tractarians) de strijd inzette tegen het opkomend religieus liberalisme.

Mimeses

monisme [filosofie], een eenheidsleer, d.w.z. elk wijsgerig systeem dat in tegenstelling tot dualisme en pluralisme uiteindelijk één, een samenhang verlenend principe aanneemt ter verklaring van het geheel van de werkelijkheid. Soms worden wijsgerige onderzoeken naar één zinverlenend principe ook monistisch genoemd.

Monolitisch lett.: uit één stuk steen gehouwen; hecht, consistent en zonder variatie

postulaat [logica], een stelling die, ofschoon niet bewezen of bewijsbaar en evenmin in zichzelf of onmiddellijk evident, toch wordt aangenomen als vereist voor de opbouw van de kennis (theoretisch postulaat) of het naleven van de zedenwet (praktisch postulaat). In deze uitgave ook wel vertaald als vooronderstelling.

Met religie bedoelde William James niet het vormelijke godsdienstige leven.
De kerkgang en de preken, de dogma’s en de doctrines, de professoraten in de theologie – dit alles is effect, geen motief. De werkelijke motiverende kracht ligt in de religieuze beleving, in stemmen en visioenen, in gebed en bekering, in ervaringen van extase, mystiek en verlossing. Liturgie en ritueel zijn het zichtbare deel van een verschijnsel dat zijn oorsprong heeft in mystieke lagen van de menselijke natuur. Met deze wending bracht James de religieuze ervaring binnen het domein van de psychologie. Hij werd daarmee de stichter van een nieuw vak, de godsdienstpsychologie.
(uit: Douwe Draaisma: William James; De stroom van het denken, 1992)]


David Friedrich Strauß protestantse theoloog (1808-1874), veroorzaakte met zijn werk Das Leben Jesu (1835-1836) een storm in de toenmalige theologische wereld, doordat hij de realiteit van de bijbelse grondslag van het christendom radicaal in twijfel leek te trekken. Zijn positie werd nog meer bestreden in de reactie tegen zijn latere werken, m.n. Der alte und der neue Glaube (1872).

Sursum corda De harten omhoog! Aan het joodse gebruik (hart = geest) ontleende oproep, van de priester in de mis aan het begin van het eucharistische gebed, tot eerbiedige aandacht. Het behoort tot de oudste elementen van de liturgie; vgl. Klaagliederen van Jeremia 3:41. Devies van Th. Morus.

syncretisme (waarschijnlijk van Gr. sugkrètizoo = tot eensgezindheid komen bij gemeenschappelijk gevaar [zoals bij de Kretenzers gebruikelijk was]), godsdiensthistorische benaming voor de vermenging en versmelting van godenfiguren en godsdienstige ideeën uit verschillende godsdiensten. Het is een verschijnsel dat in vele godsdiensten voorkomt.

teleologie doelmatigheidsleer

Triviaal

Verificatie Onderzoek naar de echtheid van iets; in het algemeen kan onder verificatie worden verstaan het vaststellen van de waarheidswaarde van een beweringsinhoud.

Winkler Prins Encyclopedie 2006
© 1993-2006 Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.