Woordenboek der religieuze termen

Een poging tot begripsverduidelijking

Hoe is het mogelijk dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 2006 kon melden dat 'God weer terug is in Nederland' en dat het recente onderzoek God in Nederland een volstrekt ander beeld schetst?
Hebben beide onderzoeken het wel over hetzelfde? Is er sprake van een Babylonische spraakverwarring of deugt één van de twee onderzoeken niet?
We mogen er van uitgaan dat beide onderzoeken deskundig en zorgvuldig zijn uitgevoerd, dus vanwaar dan toch die grote verschillen?

Het subkopje bij het artikel Leegloop van kerken zet flink door (Trouw 14 april 2007) meldt dat een op de zeven Nederlanders atheïst is, terwijl de WWR wist te melden dat meer dan 60% van de Nederlanders in 'iets' gelooft. Het wordt gebracht als een tegenstrijdigheid, maar als 60% zegt in iets te geloven en 14% is atheïst, dan versterkt dat het eerste cijfer: 86% is dus blijkbaar theïstisch. De kop zelf meldt, dat de leegloop van de kerken flink doorzet.

De kwestie is, dat als je geloof, of religieus vertrouwen, koppelt aan het kerkbezoek er inderdaad sprake is van een teloorgang. Opzienbarend is dat niet; misschien is het juist wel toe te juichen dat mensen zich onafhankelijker gaan opstellen tegenover het geïnstitutionaliseerde belevingspatroon en ook op religieus gebied hun eigen gang gaan.
Dit is een trend die na de Verlichting heeft ingezet en gewoon doorgaat. De Verlichting is het moment geweest dat mensen kritisch gingen kijken naar dat wat eeuwenlang vanzelfsprekend is geweest. De Verlichting is, hoewel dat soms ten onrechte wordt beweerd, geen afwijzing van het religieuze. Het was meer dat niet alles voor zoete koek werd geslikt zoals ook gebeurde tijdens de Hervorming, toen de Bijbel door vertalingen van Luther en Erasmus en dankzij de boekdrukkunst ook beschikbaar kwam buiten de religieuze elite.

De kern van het probleem lijkt te zijn, dat de Kerk niet meer aansluit bij de moderne geloofsbeleving. Als reactie daarop hebben vele kerken zich aangepast aan hun publiek en de opkomst van (evangelische) megakerken met voldoende parkeerplaatsen, kinderopvang en andere consumentvriendelijke zaken, is het bewijs dat de behoefte aan een levensbepalende, religieuze ervaring niet is afgenomen. Het is wat treurniswekkend dat de religieuze hoofdstromen daar geen echt antwoord op kunnen geven. De religieuze ervaring is bij de hoofdstromingen naar de achtergrond gedrongen, en hoewel dit perspectief nooit volledig is is verdwenen, lijkt er een koudwatervrees te zijn voor ontregelende, emotionele geloofsuitbarstingen die in de evangelische kerken niet wordt geschuwd.

Te lang hebben de protestantse kerken weggekeken van dit perspectief, ondanks het feit dat hun grootste theologen, denk aan Rudolf Otto, Paul Tillich e.a. erop gewezen hebben dat een loskoppeling van het protestantisme van het jodendom het heilige hart uit de kerk snijdt. Het stemt niet tot vreugde dat de Kerk de gepresenteerde rekening accepteert en zo zichzelf naar het door haarzelf gedelfde graf leidt. Maar dat hoort blijkbaar bij met wat je als de tweede Achsenzeit (spil- of kenteringstijd) kunt noemen.