Rudolf Otto
numineuze ervaringen

Vertaling: C. Julia Boulanger et al


Het spontane ontwaken van het numineuze gevoel (sensus numinis)


1. L. W. Hauer

2. Heinrichs

3. Tennyson

4. Tagore

5. Ruskin

6. Parker

7. Ontwikkelingstrappen in de jeugd en ontwikkelingstrappen bij schriftloze volken

Het spontane ontwaken van het numineuze gevoel (sensus numinis)

Om te kunnen begrijpen hoe religie ooit in de geschiedenis is ontstaan moet ons uitgangspunt de aanwezigheid van mens en zijn gemoedsleven zijn. ‘Je inleven in de geest van de aapmens, de pithecanthropus, is een hopeloze aangelegenheid’. We moeten erop vertrouwen dat de schriftloze mens voor ons nog te begrijpen is wanneer we zijn gevoelsleven kunnen volgen en voorzover dit gevoelsleven verklaarbaar is in termen van gemoedsbewegingen die wijzelf ook kennen. Deze emoties zijn voor ons van groot belang omdat ze ook in onze tijd als spontane, oorspronkelijke, dus zo los mogelijk van overlevering en opvoeding, uitingen van numineuze ervaring kunnen ontstaan en niet direct herkend worden als iets dat vroeger onder religie werd verstaan, of in duidelijk contrast daarmee, als volstrekt oorspronkelijke oerervaring wordt beseft.

In West-östliche Mystik heb ik in bijlage 3, Der intuitus mysticus als primitiv-elementares Erleben, een voorbeeld gegeven uit de streek van Santa Fe, van een ervaring die al heel duidelijk de trekken vertoont van een nog onontwikkelde eenheidsgedachte, ekatā-darshanam. In de eenzaamheid van New Mexico hadden de bewoners echter geen enkele notie van enige mystiek en eenheidsvisies.*) Maar bijzonder belangrijk zijn vooral voorbeelden die tegelijkertijd spontane religieuze ervaringen uit de kindertijd laten zien.

Sinds het onderzoek van Jänsch is de aandacht van de psychologen steeds meer gericht op capaciteiten die spontaan vanuit het kindergemoed opwellen. Deze kwaliteiten blijven in het latere leven door gemis aan vorming of om andere redenen bedekt of gaan zelfs verloren.

Geldt dat ook voor de religieuze talenten? Als dat zo is, dan zou dat de spontane zelfstandige religieuze ervaring bijzonder goed aanschouwelijk maken.
Zo’'n soort aanleg kan vandaag de dag, net zoals andere typische eigenschappen van het menselijke gemoed, spontaan uit de ziel opwellen en kunnen dus nog steeds in hun unieke karakteristiek gecontroleerd worden. Daarmee is dan meteen ook een aanzet gegeven om oorspronkelijke religieuze gevoelens, ook in de geschiedenis, als wezenlijke en bijzondere bronnen weer te herkennen en te erkennen. In deze uitgangspunten liggen uiteindelijk ook de wortels van religieuze voorstellingen en symbolen. Ook al zijn deze vermengd met of verborgen door plaatselijke inbreng of eigen fantasie. Ik laat hier graag enkele voorbeelden van zien.

*) 3. De intuitus mysticus als primitief-elementaire belevenis
Dat de mystieke ervaring, ondanks alle speculaties als een volstrekt eenvoudige directe belevenis, en tegelijkertijd als een heel spontane en oorspronkelijke ervaring overkomt, lijdt geen twijfel. Ik heb op andere plaatsen geprobeerd, om overeenkomstige voorbeelden speciaal uit jeugdervaringen te verzamelen. Een van de meest recente in dit opzicht is de autobiografie van Ankor Larssen: Bei offener Tür, en de helden in zijn beide verhalen Maria und Martha, en Die Gemeinde, die in den Himmel wächst leerrijk.
Hierover schrijft een jonge vriend mij het volgende:
“Ik had in het voorjaar een onderhoud met professor Longwell in Princeton (USA).
Ik vroeg hem uit te leggen, wat u (in casu Rudolf Otto) onder de Mystik des zweiten Weges verstond. Toen ik daarbij de uitdrukking Einheitsschau gebruikte, ging hij hier direct op in en vertelde van een fenomeen dat bij hem thuis, in de buurt van Santa Fe in New-Mexico heel bekend is. Hij noemde het the lure of the desert, “de verlokking van de woestijn”, een naam die het “fascinerende” ervan heel goed uitdrukt. Hij beschreef toen deze ervaring in termen, die precies weergeven, wat u (i.c Rudolf Otto) met de term Einheitsschau beschrijft: een zeldzame manier van terugdeinzen en in elkaar overgaan van voorwerpen, - just some sort of unity, “enkel een vorm van eenheid”. Daarbij was het karakteristieke ervan zo buitenredelijk, dat degene die het kennen het niet nodig vinden om het door woorden te zeggen, maar dat ze het aan een toevallig gebaar of aan de intonatie van een willekeurig woord van de ander herkennen. Op de vraag: ‘heb je wat gezien?’, antwoordt de ondervraagde alleen maar met zo’n soort gelaatsuitdrukking. Longwell vertelde dat hij zelf deze ervaring een keer gehad heeft, en dat dit heeft een diepe indruk op hem heeft gemaakt, ondanks het feit dat deze ervaring voor hem eenmalig bleef."

1. L. W. Hauer

L. W. Hauer schrijft in zijn boek: Die Religionen (Stuttgart, 1923, deel I, p. 37):

‘Een twaalfjarige jongen is helemaal alleen tijdens het aren lezen. Het is een schitterende zomerdag. Zijn dorstige blik omvat vanuit de hoogte de omgeving. Het diepe blauw van de hemel strekt zich in een verheven stilte uit over de gouden velden, ver over het land. Uit de verte hoor je af en toe het geroep van de maaiers of het knallen van de zweep. En bijna onwezenlijk, getemperd door de zonovergoten lucht, zweven, naar gelang het ritme van de uren, de slagen van de kerktorenklok de hoogte in. Dan komt de ziel van de jongen in beroering en voelt hij een zeer diep verlangen; vol aandacht en vol verwachting zit hij daar. De ontroering wordt sterker, zij groeit uit tot een bedwelmend akkoord. Reusachtig voelt hij het om zich heen zweven - hij heeft geen naam voor deze raadselachtige, indringende aanwezigheid, die ook niets gemeen heeft met alles wat hij over God gehoord heeft. Hij denkt er zelfs niet aan dit iets in verband te brengen met de ‘God’ die hij uit de heilige verhalen kent. Zijn voorstelling van God en datgene wat in deze ervaring doorwerkt, hebben niets met elkaar te maken. En nu stort het met volle drukkende kracht op hem neer, een huiveringwekkende vloed, een niet te vatten werkelijkheid. Angstig pakt hij zijn zakje met aren op, dat in het diepe wagenspoor ligt, en maakt dat hij wegkomt uit die benauwende situatie. Hij loopt of zijn leven er vanaf hangt, en komt buiten adem in het dorp aan waar hij zich ergens probeert te verbergen voor dit huiveringwekkende dat hem overspoelde. Thuisgekomen, zit hij na te denken voor de gesloten deur en is verbaasd over wat er gebeurd is - ja, hij schaamt zich bijna voor zijn dwaze gedrag ­maar hij komt er niet uit, zijn wonder blijft. Die aanwezigheid blijft roepen en zal hem nooit verlaten.’

Wat mij in eerste instantie aan deze ervaring – want dat het hier om een werkelijke ervaring gaat, werd door de schrijver bevestigd - interesseerde, is dat in hem bijna met de nauwkeurigheid van een wetenschappelijke proefneming zich precies die gevoelsmomenten openbaarden, die ik in mijn analyse van het numineuze zelf heb ontdekt. Zelfs op dezelfde manier zoals zich dat in het citaat duidelijk voordeed. In Das Heilige op bladzijde 145 heb ik het aangegeven: een voorbeeld van de zuivere begripsloosheid (‘buitenredelijkheid’) van het religieuze gevoel. Voor degene die het overkomt, zijn er geen vertrouwde categorieën aanwezig. Integendeel, het maakt zich als het pure mysterieuze, als het mirum zelf boven alle bevattingsvermogen uit, voelbaar.

Van belang is ook het spontane van de gebeurtenis, want de ervaring werd niet in verband gebracht met wat ooit is opgestoken of in lessen was geleerd, maar dat het bij vergelijking juist daarvan verschilde. Tot slot is het gegeven dat het hier om een jeugdervaring gaat van belang.

2. Ch. Heinrichs

Het volgende voorbeeld hoort er ook helemaal bij: Ch. Heinrichs vertelt (bijlage bij de Vossischen Zeitung nr. 229, 1925) een ervaring van een kind aan het zeestrand. Zij noemt het: Ontmoeting met mezelf. De inhoud is voelbaar verschillend van het eerste voorbeeld. Maar zeker voor wat de vorm betreft zou het ook onder ‘spontane mystieke ervaringen’ geschaard kunnen worden. De ervaring overkomt het kind op het einde van de vakantie, aan de rand van een meer.

‘Toen de allerlaatste dag aanbrak, zat ik rillend van de kou in de vochtige nevelige lucht aan het strand. Ik had een schip gebouwd van zand, hout en stenen, een schip, mooier en groter dan ik ooit gebouwd had. Het meer lag er stil bij alsof ze de winter in Antlitz al ervoer. De lucht droeg geen enkel geluid. Ik keek om me heen, omhoog naar ons vertrouwde huisje dat hoog aan de tuinrand stond. Het was er niet meer. Een muur van mist omringde mij zo, dat ik nog net het gele, natte loof van de onderste oeverbosjes kon zien. Ik was alleen met mijn schip, met de kleine inham van het onbeweeglijke meer. Toen drong het naar binnen. Als warme gestaag vallende vonken zonken de beelden die ik maandenlang begerig had geabsorbeerd vliegensvlug en piepklein in mijn innerlijk. Ze daalden af in mijn gemoed. Steeds sneller, talrijker en steeds dieper – allemaal, zonder er één over te slaan. En ze bleven daar liggen als onuitputtelijke voedingsbodem van mijn wezen, als een onverwoestbare schakel tussen de natuur en mij. Ik had mezelf een ogenblik lang temidden van de natuur, als onderdeel van de natuur zelf, gezien. Ik was mezelf in haar tegengekomen. De gedachte die mij toen uit de diepste regionen van mijn wezen vervulde was:

Dit is de mooiste tijd van mijn leven, zo mooi kan het nooit meer worden. Dit wijze inzicht van een kind heeft tot op de dag van vandaag gelijk gehad.’

3. Alfred Tennyson
Duidelijk verwant met deze belevenissen is wat Alfred Tennyson over zichzelf vertelde en wat ook hij tot in zijn jeugd herleiden kon:

‘Als ik helemaal alleen ben, dan ben ik vaak in een soort zwakke conditie. Dit overvalt mij doordat ik stilletjes mijn eigen naam herhaalde, tot alles plotseling, zo lijkt het, wegspringt uit de intensiteit van het persoonlijke bewustzijn. De persoonlijkheid zelf lijkt zich op te lossen en langzaam te vervagen tot een ongebonden staat. Het is geen verwarrende maar de meest heldere en veiligste staat die absoluut niet in woorden te vatten is. Een conditie waarin de dood een bijna lachwekkende onmogelijkheid was – het verlies van persoonlijkheid (als die er al geweest zou zijn) leek geen opheffing maar het enige ware leven – ik voel me beschaamd om mijn ontoereikende beschrijving. Maar heb ik het niet gezegd: mijn staat was onbeschrijflijk?’

Men vergelijke ook de paragraaf over Tennyson op blz. 252.:
Misschien laat zich datgene, wat Alfred Tennyson in zijn memoires over zichzelf vertelt zich vergelijken met de satori van zen, in het bijzonder met de ervaring van Bukko:
“Ik had de avond samen met twee vrienden in een grote stad doorgebracht. We hadden met elkaar gedichten en filosofische werken gelezen en besproken. Tegen middernacht gingen we uit elkaar. Ik had nog een lange terugreis voor de boeg. Mijn gemoed, nog diep onder invloed van de gedachtes, beelden en gevoelens,
die door het lezen en bespreken gevormd waren, was stil en vredig. Ik verkeerde in een toestand van rustig, bijna passief genieten. Welbeschouwd was ik niet aan het denken, maar liet ik gedachtes, beelden en gevoelens als het ware vrij door mijn gemoed stromen.
Plotseling, totaal onvoorbereid, bevond ik mezelf omhuld door een vlammenkleurige wolk. In eerste instantie dacht ik aan vuur, aan een mogelijke brand ergens in de buurt. Maar tegelijkertijd zag ik: het vuur was in mezelf. Terstond overviel mij een gevoel van jubel, van grenzenloze vreugde, vergezeld of onmiddellijk gevolgd door een onbeschrijfelijke openbaring van inzicht. Zo zag ik ondermeer, ik was niet alleen overtuigd, ik zag echt -, dat het heelal niet uit dode stof bestaat, maar integendeel, dat het een levende aanwezigheid (a living Presence) is; dat de wereldorde zodanig is, dat zonder enige uitzondering en zonder toeval alle dingen voor elkaar het beste werken. Het schouwspel duurde een paar seconden. Toen was het voorbij. Maar de herinnering bleef en het gevoel van werkelijkheid daarvan, van wat ze liet zien, zijn alle vijfentwintig jaar die daarna verstreken blijven bestaan.”
(Geciteerd uit C. Butler, Western mysticism, p. 332.)


Het verschil tussen een pure zenbeleving is hier in ieder geval, dat de inhoud van de ervaring van Tennyson veel meer het abstracte en benoembare benadert dan bij zen het geval is. Of tenminste schijnt te benaderen. Want de veel sterkere verstandelijke houding van de westerling vertroebelt misschien de ervaring zelf door de pogingen om achteraf verklaringen te zoeken.

4. Rabindranath Tagore

Net zo leerzaam zijn de memoires van Rabindranath Tagore over zijn jeugdervaringen. Ze zijn juist daarom zo interessant, omdat ze laten zien dat niet alleen numineuze gevoelens überhaupt in het jeugdige gemoed uitbreken, maar dat bij hen die er gevoelig voor zijn de typische mystieke inzichten zich volledig spontaan in de jeugdperiode voordoen.
‘Heel lang geleden, toen ik nog één was met de aarde en het groene gras me overdekte en ik overgoten werd door het herfstlicht, toen mijn weidse, groenschemerige lichaam in de zonneschijn de jeugdige geuren en warmte uit elke porie wasemde, toen ik het land en het water van verre landen en streken besloeg, lag ik stilzwijgend onder de heldere hemel. Ik voelde hoe in het herfstige zonlicht het wezen van de verrukking, een vitale levenskracht, zich in een intense, onuitgesproken, halfbewuste vorm in mijn uitgestrekte lichaam roerde met een acute, huiverende, uitgelezen golving - ik scheen me daar op dat moment iets van te herinneren! Het gevoel van de oeraarde, uitbottend, bloeiend en blij met haar beschermer, de zon. Het is alsof de bewustzijnsstroom in mij onmerkbaar en lang­zaam elke grasspriet, elke boomwortel, elke ader doordrenkt, in de golvende beweging die door de korenvelden trekt, pulserend in elk blad van de kokos­palm, dat trilt van levenslust.’

(Vertaald uit het Bengaals door Indu Dutt; Nederlandse vertaling: Julia Boulanger. Zie hierover ook Rudolf Otto, Rabindranath Tagore’s Bekenntnis, Tübingen 1931)

5. Een numineuze ervaring bij John Ruskin

Professor Deutschbein attendeerde mij op de volgende passage bij John Ruskin, waarin hij vertelt over jeugdbelevenissen die regelmatig bij hem terugkeerden. Het zijn zuivere numineuze ervaringen. Bijna alle momenten, die wij daarvoor gevonden hebben, keren bij hem heel spontaan terug.
‘Ten slotte: hoewel er geen welomlijnde religieuze gevoelens bij betrokken waren, toch was er een voortdurend beeld van heiligheid in de hele natuur. Van het kleinste voorwerp tot het meest immense – een instinctief ontzag, vermengd met verrukking; een onbestemde huivering zoals we die ons soms voorstellen om de nabijheid van een onstoffelijke geest aan te duiden. (Vergelijk Zinzendorf: ‘zoals iemand ’'s avonds huiverig wordt op het land’.) Ik kon het alleen maar door en door aanvoelen als ik alleen was. Dan deed het vaak mijn hele lijf huiveren van vreugde en ontzag. Het overkomt me als ik enige tijd niet in de heuvels was geweest en ik allereerst naar de oever van een bergrivier ging waar het bruine water rond de steentjes cirkelde, of wanneer ik voor het eerst de toppen van ver land tegen zonsondergang zag, of de eerste lage gebrokkelde muur bedekt met bergmos.

Ik kan amper het gevoel beschrijven, maar denk niet dat dit aan mij ligt of aan de Engelse taal. Ik ben bang dat geen enkel gevoel goed te beschrijven is. Als we het gevoel van lichamelijke honger zouden moeten uitleggen tegenover iemand die nooit honger heeft gehad, zouden moeite hebben het onder woorden te brengen. Het lijkt alsof de vreugde voor de natuur mij overkomt als een soort hartstochtelijk verlangen, gestild door de nabijheid van een grote en heilige Geest.

Dit gevoel bleef in zijn volle heftigheid bij me tot mijn achttiende of twintigste jaar. Toen mijn bedachtzaamheid en praktische kracht toenamen, en de ‘zorg van deze wereld’ op mijn schouders rustte, ebde het langzaam weg zoals Wordsworth beschreef in zijn Intimations of Immortality


Ik wijs hier op het volgende:

  • 1Geen welomlijnde religieuze gevoelens waren erbij betrokken’. Geen bepaald religieus gevoel dat hem bekend voorkwam uit het godsdienstonderwijs, ook geen bepaalde, concrete afzonderlijke voorstelling van traditionele dogmatiek vermengd zich hiermee, of is de aanleiding.
  • 2Amper te beschrijven’ dat wil zeggen dat het niet tot een concreet begrip terug te brengen is.
  • 3 Tegelijkertijd is het ‘een gevoel’, net zo uniek, zelfstandig en door niets anders te vervangen, of weer te geven als welk ander elementair gevoel van onze geest dan ook.
  • 4 Het is geen wezenlijke esthetische beleving van schoonheid of van iets ‘verhevens’ maar dat van een volstrekt andere (das ganz andere) ‘heiligheid’.
  • 5 Het is ‘instinctief’, wat wil zeggen dat het niet uit overdenking ontstaat (integendeel, het vervluchtigde ‘toen mijn bedachtzaamheid toenam’). Het is echter instinctmatig zonder tussenkomst, gevoelsmatig uit de diepte van de ziel opgeroepen als een inzicht, helemaal a-priori, zonder eerste oorzaak.
  • 6Huivering’ en ‘ontzag’ zijn de kenmerkende gevoelens van mysterium mirum ac tremendum, wat zich uitte als een ‘huivering over het hele lijf’.
  • 7 Met vreugde en ontzag’, de rilling, die tegelijkertijd verrukt en vreesaanjagend is, het mengsel van fascinatie met het tremendum ac stupendum.
  • 8 Ruskin ervoer een ‘nabijheid’ als een geestesangst, de aanwezigheid van een onstoffelijke geest. Maar tegelijk op een veel hoger niveau lijkt het alsof ‘een grote en heilige Geest’ nabij is, een schimmige, spookachtige, maar met grandeur en heiligheid, tegelijkertijd echter blijkbaar ontrokken aan elke vorm van beschrijving.
  • 9 Het treedt aan het daglicht als ‘een soort hartstochtelijk verlangen’. Het komt voort uit de stille ‘mystieke drijfveer’ waarover Heinrich Suso en Augustinus spreken en uit de neiging naar geheimzinnige waarden, waarnaar wij zoeken in religieuze onrustgevoelens, totdat hij zich laat vinden als een openbaring, en waar we niet naar zouden kunnen zoeken of verlangen als we niet in de duisternis al iets van zijn aanwezigheid geweten zouden hebben.
  • 10 Niets esthetisch, niets moralistisch en niets doelmatigs dringt zich op. De ervaring is puur numineus. En de natuurkenmerken die Ruskin noemt, en die in hem opkomen, dat zijn juist degene die wij bij de numineuze natuurbeelden tegenkomen, die boven de rede uitstijgen - buitenredelijk zijn. Bijzondere aandacht verdient: de indruk van een veraf gelegen land bij zonsondergang, deze wijde leegte, versterkt door de stijging aan de horizon en door de gevoelens van wijde grenzeloosheid die alleen al door het wegzinkende zonlicht zo sterk kunnen worden opgeroepen.

Friedrich Schleiermacher noemt zo’n ervaring zoals Ruskin die had,intuïtie en gevoel voor het oneindige. Ik noem het divinatie (zienersgave, hogere ingeving, inzicht in het verborgene, profetie). Schleiermacher had gelijk toen hij opwierp dat divinatie in de sfeer van geschiedenis zelfs groter is dan al deze divinatie uit de natuurlijke sfeer. Zal iemand zoals Ruskin niet opgaan in het hemelse en het buitenredelijke en het numineuze karakter van onze eigen tijdvak onthullen?

[Ruskin, John (1819 – 1900), Brits dichter, essayist en sociaal hervormer, studeerde in Oxford. In 1843 verscheen anoniem het eerste deel van zijn Modern painters, een verdediging van Turner. Kunst was voor hem vooral een zaak van ethiek en moraal. In The seven lamps of architecture (1849) noemde hij het offer, de waarheid, kracht, schoonheid, leven, herinnering en gehoorzaamheid de zeven grondslagen van de kunst. In The stones of Venice (3 dln., 1851–1853; door hemzelf geïllustreerd) betoogde hij dat aan de ware kunst altijd een religieuze bezieling ten grondslag ligt. Ruskin kantte zich sterk tegen de toenemende mechanisering en propageerde een terugkeer tot het ambachtelijke. Zijn colleges als kunsthistoricus te Oxford bewogen zich zowel op het gebied van de sociologie als op dat van de kunst. Ruskins invloed in Engeland en daarbuiten (o.a. op Marcel Proust) is zeer groot geweest.]

6. Theodor Parker, Ten sermons of Religion

Theodor Parker, Ten sermons of Religion, Boston 1853, bladzij 142 e.v. verhaalt van spontane jeugdervaringen die nauw verwant zijn aan die van Ruskin. Vooral zijn bewering over de verhoogde numineuze aanleg bij kinderen, en die meteen het numineuze gebied afbakent en al vooruitloopt op de termen die wij menen daarvoor te kunnen vormen:

‘Het religieuze gevoel (werkzaamheid) begint vroeg bij kinderen. Maar net zoals bij alle bezigheden is ze aanvankelijk onbewust. Onbewuste capaciteiten herinneren we ons niet. We herinneren ons alleen wat we bewust met ons volle verstand ervaren hebben. We kunnen ons hoogstens vaag herinneren wat al vaag en duister of sluimerend in ons aanwezig is, terwijl de uitwerking (in ons gemoeds- en wilsleven) voor ons verdere vergankelijke leven blijvend kan zijn.

Je kunt zien dat baby’s instinctmatig en onwillekeurig mondbewegingen maken, zoekend naar hun natuurlijke borstvoeding. Zo tast in onze kinderjaren het gevoel al zoekend naar de oneindige God. En bij kunstmatige voeding wordt het kind vaak genoeg alleen maar tevredengesteld met een aftreksel van de godheid die de mond vult en dus uithongering voorkomt.

Worden sommigen niet herinnerd aan een tijd, waarin er een vermoeden was - het was meer een gevoel dan een gedachte - van een vaag, duister geheimvol iets, een oergrond boven alles verheven, om alles en in alles, dat niet begrepen kan worden maar je toch zeker niet kon zijn ontgaan?. Je lijkt er een deel van te zijn, of het van jou. Je was verwonderd, dat je het niet met je ogen kon zien, of kon beluisteren met je oren, of met je handen kon aanraken terwijl je het wel kon voelen en waarnaar je streefde met zo’n wonderlijke onduidelijkheid. Soms kon je het niet anders dan liefhebben, soms boezemde het vrees in. Je mag het geen naam geven. Wanneer je dat zou willen, dan zou geen enkel woord als naam voldoen voor zoiets afwisselends. Je verbindt het met alles wat vreemd en buitengewoon is. Soms zou het hoogt beminnelijk zijn, dan weer bijna lelijk door zijn onbestemdheid en vormloosheid. Kom je in een nieuwe plaats terecht, dan zou het er eerst niet zijn. Maar al snel zou het er weer zijn, als een permanente reisgenoot.

Niet iedereen zal zich zulke ervaringen herinneren, waarschijnlijk alleen diegene, bij wie het religieuze bewustzijn vroeg ontlook. En toch zijn we allemaal door zo’n nevelachtige periode van onze religieuze ontwikkeling heengegaan, waar de ziel door gevoelens bewogen werd. Een gevoel waarvoor het verstand geen passende begrippen kan vormen.

Dezelfde gebeurtenis vind je op het grote toneel van de geschiedenis van oude volken, waarvan de gedenktekens nog steeds getuigen van deze vroegere bewustzijnsfeiten. En je vindt nu nog complete volken die zich in deze nevelige religieuze episode bevinden. Sfinxen en piramides zijn versteende resten van zulke bewustzijnsfeiten, zoals u en ik ze vroeger in de kinderjaren hebben gehad. De schriftloze volken hebben nu eenmaal een zekere naïviteit, tastend naar God, steeds in verleiding gebracht om met hun reagerende verstand datgene uit te drukken (in mythe en ritueel), wat hun eerst eens in de vorm van rechtstreeks gevoel gegeven werd. Waar de taal nog een te grof stuk gereedschap is voor een verfijndere uitdrukking wordt geprobeerd uit steen te vormen wat de taal nog niet tot kan uitdrukken.

Dit vage, geheimenisvolle, bovenmenselijke iets, nog voordat het hard geworden is en zich verstevigd heeft tot ‘godheid’, wil ik numen (het goddelijke) noemen. Wat het is, dat weet de schriftloze mens niet. ‘Het is niet mezelf. Wat is het dan ? Misschien iets van buiten?’ Dus nemen ze dat ding van buiten, wat hun wonderbaarlijk toeschijnt, misschien een reptiel, een dier, een vogel of een insect. Of een gedeelte van de natuur, de wind, de bliksem, de zon, de maan, een planeet of een ster. Zo objectiveert zijn gevoel zich in en aan deze uiterlijkheden.’

[Theodore Parker (1810-1860) was een Amerikaans unitarisch theoloog en predikant in Boston. Hij was beïnvloed door De Wette. Parker erkende geen bovennatuurlijke openbaring en ging geheel uit van de intuïtieve ervaringen van het menselijke gemoed. Parker heeft, net zoals de quakers, zich beijvert voor de afschaffing van de slavernij.]

7. Ontwikkelingstrappen in de jeugd en ontwikkelingstrappen bij schriftloze volken

Het zou een belangrijke taak voor de godsdienstpsychologie en -pedagogiek zijn, dit feit van spontane mystieke gevoelens uit de kinderlijke ervaringswereld te onderzoeken en aan te wijzen waarom het meestal in het verdere leven weer teloorgaat. Dit kan dan vergeleken worden met het onderzoek van de Marburgse psycholoog en grondlegger van de eidetiserende integratiepsychologie Erich Jaensch (1883-1941) over het vermogen om het in de kindertijd waargenomene, en dat in dezelfde mate vervolgens vaak weer verloren gaat of beperkt wordt, opnieuw helder voor de geest te krijgen zodat het beeld het karakter van een waarneming krijgt. Deze onderzoeken laten zien dat de kinderlijke geest überhaupt in aanleg veel rijker is dan die van volwassenen, en dat volwassenen veelvuldig gelijktijdig een verlies van mogelijkheden ondergaat.

Bijzonder belangrijk zijn zulke inzichten voor de vraag naar de oorsprong van religie. Misschien zullen de oude mythen, door een oorspronkelijk rechtstreeks contact tussen mensen en goden, ooit op zo’n manier nog eens bevestigen dat het numineuze gevoel niet een pas in een later stadium in de cultuurgeschiedenis optredend moment is maar – integendeel – dat het voorafging aan alle cultuur. Dat de menselijke begintoestand in ieder geval niet het wilde halfdier was zoals de darwinisten zich dat voorstellen. Maar een royaal met aanleg en mogelijkheden toegeruste ‘kinderjarenleeftijd’, die veel weg heeft van de kinderleeftijd. Een tijd om te leven die rijk was aan mogelijkheden en vooral zoveel rijker was in de gevoelsaanleg dan bij hen in de ‘kracht van hun leven’. De verklaring die Parker voor het religieuze ontwaken aangegeven heeft, wijst warempel in deze richting. Het ‘cultuurproduct’ heeft vaak genoeg in het geestesleven van volken werkelijk gewoonweg dezelfde rol gespeeld als die van de intellectualisering in de persoonlijke levensloop. Namelijk, dat het een oorspronkelijk rijkere gevoelsaanleg sterk in kracht doet verminderen. Met de ‘visuele aanleg van het kind’ is dit inderdaad overtuigend het geval geweest. Het vermogen om beeldend te zien is geen later product van een ontwikkelde cultuur maar moet bij de virtuozen uit de IJstijd in verbazingwekkende kwaliteit aanwezig geweest zijn. Het is nog steeds een menselijke eigenschap bij de schriftloze culturen en wel in hogere mate dan het geval is binnen de gecultiveerde leefwereld. En zoals nog vandaag de dag het specifieke numineuze gevoel van het wonderbaarlijke, het ijzingwekkende, het ontzag, maar ook van de aandachtigheid het sterkst en meest spontaan naar voren treedt in de kinderziel en bij de naïeven, zo moeten wij het ook veronderstellen in de begin- en schriftloze tijd van de mensensoort. In ieder geval is staande te houden dat een tijdperk dat een zweem van wonderbaarlijk ‘bezielen’ kent, of dat de ongelooflijk wonderlijke gedachte van het mana, de mysterieuze kracht die in alle dingen aanwezig is, maar in verschillende graad, en orenda, de magische macht of goddelijke kracht die in alle dingen aanwezig is, konden voortbrengen, zonder twijfel en veel eerder en veel beter in staat waren om gevoelsreacties zoals wij ook hebben, te beschrijven.

Rudolf Otto: Das Gefühl des Überweltlichen (Sensus Numinis);
Fünfte uns sechste, vermehrte Auflage von Aufsätze, das Numinose betreffend, Teil 1. München 1932