Het spontane
ontwaken van
het numineuze
gevoel (sensus
numinis)
1. L. W. Hauer
2. Heinrichs
3. Tennyson
4. Tagore
5. Ruskin
6. Parker
7. Ontwikkelingstrappen in de jeugd en ontwikkelingstrappen bij schriftloze volken
Het spontane ontwaken van het numineuze gevoel (sensus numinis)
Om te kunnen begrijpen hoe religie ooit in de geschiedenis is ontstaan moet ons uitgangspunt de aanwezigheid van mens en zijn gemoedsleven zijn. Je inleven in de geest van de aapmens, de pithecanthropus, is een hopeloze aangelegenheid. We moeten erop vertrouwen dat de schriftloze mens voor ons nog te begrijpen is wanneer we zijn gevoelsleven kunnen volgen en voorzover dit gevoelsleven verklaarbaar is in termen van gemoedsbewegingen die wijzelf ook kennen. Deze emoties zijn voor ons van groot belang omdat ze ook in onze tijd als spontane, oorspronkelijke, dus zo los mogelijk van overlevering en opvoeding, uitingen van numineuze ervaring kunnen ontstaan en niet direct herkend worden als iets dat vroeger onder religie werd verstaan, of in duidelijk contrast daarmee, als volstrekt oorspronkelijke oerervaring wordt beseft.
In West-östliche Mystik heb ik in bijlage 3, Der intuitus mysticus als primitiv-elementares Erleben, een voorbeeld gegeven uit de streek van Santa Fe, van een ervaring die al heel duidelijk de trekken vertoont van een nog onontwikkelde eenheidsgedachte, ekatā-darshanam. In de eenzaamheid van New Mexico hadden de bewoners echter geen enkele notie van enige mystiek en eenheidsvisies.*) Maar bijzonder belangrijk zijn vooral voorbeelden die tegelijkertijd spontane religieuze ervaringen uit de kindertijd laten zien.
Sinds het onderzoek van Jänsch is de aandacht van de psychologen steeds meer gericht op capaciteiten die spontaan vanuit het kindergemoed opwellen. Deze kwaliteiten blijven in het latere leven door gemis aan vorming of om andere redenen bedekt of gaan zelfs verloren.
Geldt dat ook
voor de
religieuze
talenten? Als
dat zo is, dan
zou dat de
spontane
zelfstandige
religieuze
ervaring
bijzonder goed
aanschouwelijk
maken.
Zo'n soort
aanleg kan
vandaag de dag,
net zoals
andere typische
eigenschappen
van het
menselijke
gemoed,
spontaan uit de
ziel opwellen
en kunnen dus
nog steeds in
hun unieke
karakteristiek
gecontroleerd
worden. Daarmee
is dan meteen
ook een aanzet
gegeven om
oorspronkelijke
religieuze
gevoelens, ook
in de
geschiedenis,
als wezenlijke
en bijzondere
bronnen weer te
herkennen en te
erkennen. In
deze
uitgangspunten
liggen
uiteindelijk
ook de wortels
van religieuze
voorstellingen
en symbolen.
Ook al zijn
deze vermengd
met of
verborgen door
plaatselijke
inbreng of
eigen fantasie.
Ik laat hier
graag enkele
voorbeelden van
zien.
*) 3. De
intuitus
mysticus
als
primitief-elementaire
belevenis
Dat de mystieke
ervaring,
ondanks alle
speculaties als
een volstrekt
eenvoudige
directe
belevenis, en
tegelijkertijd
als een heel
spontane en
oorspronkelijke
ervaring
overkomt, lijdt
geen twijfel.
Ik heb op
andere plaatsen
geprobeerd, om
overeenkomstige
voorbeelden
speciaal uit
jeugdervaringen
te verzamelen.
Een van de
meest recente
in dit opzicht
is de
autobiografie
van Ankor
Larssen: Bei
offener Tür,
en de helden in
zijn beide
verhalen
Maria und
Martha, en
Die
Gemeinde, die
in den Himmel
wächst
leerrijk.
Hierover
schrijft een
jonge vriend
mij het
volgende:
Ik had in het
voorjaar een
onderhoud met
professor
Longwell in
Princeton
(USA).
Ik vroeg hem
uit te leggen,
wat u (in
casu Rudolf
Otto) onder de
Mystik des
zweiten Weges
verstond. Toen
ik daarbij de
uitdrukking
Einheitsschau
gebruikte, ging
hij hier direct
op in en
vertelde van
een fenomeen
dat bij hem
thuis, in de
buurt van Santa
Fe in
New-Mexico heel
bekend is. Hij
noemde het
the lure of the
desert, de
verlokking van
de woestijn,
een naam die
het
fascinerende
ervan heel goed
uitdrukt. Hij
beschreef toen
deze ervaring
in termen, die
precies
weergeven, wat
u (i.c
Rudolf Otto)
met de term
Einheitsschau
beschrijft: een
zeldzame manier
van
terugdeinzen en
in elkaar
overgaan van
voorwerpen, -
just some
sort of unity,
enkel een vorm
van eenheid.
Daarbij was het
karakteristieke
ervan zo
buitenredelijk,
dat degene die
het kennen het
niet nodig
vinden om het
door woorden te
zeggen, maar
dat ze het aan
een toevallig
gebaar of aan
de intonatie
van een
willekeurig
woord van de
ander
herkennen. Op
de vraag: heb
je wat
gezien?,
antwoordt de
ondervraagde
alleen maar met
zon soort
gelaatsuitdrukking.
Longwell
vertelde dat
hij zelf deze
ervaring een
keer gehad
heeft, en dat
dit heeft een
diepe indruk op
hem heeft
gemaakt,
ondanks het
feit dat deze
ervaring voor
hem eenmalig
bleef."
1. L. W. Hauer
L. W. Hauer schrijft in zijn boek: Die Religionen (Stuttgart, 1923, deel I, p. 37):
Een
twaalfjarige
jongen is
helemaal alleen
tijdens het
aren lezen. Het
is een
schitterende
zomerdag. Zijn
dorstige blik
omvat vanuit de
hoogte de
omgeving. Het
diepe blauw van
de hemel strekt
zich in een
verheven stilte
uit over de
gouden velden,
ver over het
land. Uit de
verte hoor je
af en toe het
geroep van de
maaiers of het
knallen van de
zweep. En bijna
onwezenlijk,
getemperd door
de zonovergoten
lucht, zweven,
naar gelang het
ritme van de
uren, de slagen
van de
kerktorenklok
de hoogte in.
Dan komt de
ziel van de
jongen in
beroering en
voelt hij een
zeer diep
verlangen; vol
aandacht en vol
verwachting zit
hij daar. De
ontroering
wordt sterker,
zij groeit uit
tot een
bedwelmend
akkoord.
Reusachtig
voelt hij het
om zich heen
zweven - hij
heeft geen naam
voor deze
raadselachtige,
indringende
aanwezigheid,
die ook niets
gemeen heeft
met alles wat
hij over God
gehoord heeft.
Hij denkt er
zelfs niet aan
dit iets in
verband te
brengen met de
God die hij
uit de heilige
verhalen kent.
Zijn
voorstelling
van God en
datgene wat in
deze ervaring
doorwerkt,
hebben niets
met elkaar te
maken. En nu
stort het met
volle drukkende
kracht op hem
neer, een
huiveringwekkende
vloed, een niet
te vatten
werkelijkheid.
Angstig pakt
hij zijn zakje
met aren op,
dat in het
diepe
wagenspoor
ligt, en maakt
dat hij wegkomt
uit die
benauwende
situatie. Hij
loopt of zijn
leven er vanaf
hangt, en komt
buiten adem in
het dorp aan
waar hij zich
ergens probeert
te verbergen
voor dit
huiveringwekkende
dat hem
overspoelde.
Thuisgekomen,
zit hij na te
denken voor de
gesloten deur
en is verbaasd
over wat er
gebeurd is -
ja, hij schaamt
zich bijna voor
zijn dwaze
gedrag maar
hij komt er
niet uit, zijn
wonder blijft.
Die
aanwezigheid
blijft roepen
en zal hem
nooit
verlaten.
Wat mij in eerste instantie aan deze ervaring want dat het hier om een werkelijke ervaring gaat, werd door de schrijver bevestigd - interesseerde, is dat in hem bijna met de nauwkeurigheid van een wetenschappelijke proefneming zich precies die gevoelsmomenten openbaarden, die ik in mijn analyse van het numineuze zelf heb ontdekt. Zelfs op dezelfde manier zoals zich dat in het citaat duidelijk voordeed. In Das Heilige op bladzijde 145 heb ik het aangegeven: een voorbeeld van de zuivere begripsloosheid (buitenredelijkheid) van het religieuze gevoel. Voor degene die het overkomt, zijn er geen vertrouwde categorieën aanwezig. Integendeel, het maakt zich als het pure mysterieuze, als het mirum zelf boven alle bevattingsvermogen uit, voelbaar.
Van belang is ook het spontane van de gebeurtenis, want de ervaring werd niet in verband gebracht met wat ooit is opgestoken of in lessen was geleerd, maar dat het bij vergelijking juist daarvan verschilde. Tot slot is het gegeven dat het hier om een jeugdervaring gaat van belang.
2. Ch. Heinrichs
Het volgende voorbeeld hoort er ook helemaal bij: Ch. Heinrichs vertelt (bijlage bij de Vossischen Zeitung nr. 229, 1925) een ervaring van een kind aan het zeestrand. Zij noemt het: Ontmoeting met mezelf. De inhoud is voelbaar verschillend van het eerste voorbeeld. Maar zeker voor wat de vorm betreft zou het ook onder spontane mystieke ervaringen geschaard kunnen worden. De ervaring overkomt het kind op het einde van de vakantie, aan de rand van een meer.
Toen de allerlaatste dag aanbrak, zat ik rillend van de kou in de vochtige nevelige lucht aan het strand. Ik had een schip gebouwd van zand, hout en stenen, een schip, mooier en groter dan ik ooit gebouwd had. Het meer lag er stil bij alsof ze de winter in Antlitz al ervoer. De lucht droeg geen enkel geluid. Ik keek om me heen, omhoog naar ons vertrouwde huisje dat hoog aan de tuinrand stond. Het was er niet meer. Een muur van mist omringde mij zo, dat ik nog net het gele, natte loof van de onderste oeverbosjes kon zien. Ik was alleen met mijn schip, met de kleine inham van het onbeweeglijke meer. Toen drong het naar binnen. Als warme gestaag vallende vonken zonken de beelden die ik maandenlang begerig had geabsorbeerd vliegensvlug en piepklein in mijn innerlijk. Ze daalden af in mijn gemoed. Steeds sneller, talrijker en steeds dieper allemaal, zonder er één over te slaan. En ze bleven daar liggen als onuitputtelijke voedingsbodem van mijn wezen, als een onverwoestbare schakel tussen de natuur en mij. Ik had mezelf een ogenblik lang temidden van de natuur, als onderdeel van de natuur zelf, gezien. Ik was mezelf in haar tegengekomen. De gedachte die mij toen uit de diepste regionen van mijn wezen vervulde was:
Dit is de mooiste tijd van mijn leven, zo mooi kan het nooit meer worden. Dit wijze inzicht van een kind heeft tot op de dag van vandaag gelijk gehad.
3.
Alfred Tennyson
Duidelijk
verwant met
deze
belevenissen is
wat Alfred
Tennyson over
zichzelf
vertelde en wat
ook hij tot in
zijn jeugd
herleiden kon:
Als ik
helemaal alleen
ben, dan ben ik
vaak in een
soort zwakke
conditie. Dit
overvalt mij
doordat ik
stilletjes mijn
eigen naam
herhaalde, tot
alles
plotseling, zo
lijkt het,
wegspringt uit
de intensiteit
van het
persoonlijke
bewustzijn. De
persoonlijkheid
zelf lijkt zich
op te lossen en
langzaam te
vervagen tot
een ongebonden
staat. Het is
geen
verwarrende
maar de meest
heldere en
veiligste staat
die absoluut
niet in woorden
te vatten is.
Een conditie
waarin de dood
een bijna
lachwekkende
onmogelijkheid
was het
verlies van
persoonlijkheid
(als die er al
geweest zou
zijn) leek geen
opheffing maar
het enige ware
leven ik voel
me beschaamd om
mijn
ontoereikende
beschrijving.
Maar heb ik het
niet gezegd:
mijn staat was
onbeschrijflijk?
Men vergelijke
ook de
paragraaf over
Tennyson op
blz. 252.:
Misschien laat
zich datgene,
wat Alfred
Tennyson in
zijn memoires
over zichzelf
vertelt zich
vergelijken met
de satori van
zen, in het
bijzonder met
de ervaring van
Bukko:
Ik had de
avond samen met
twee vrienden
in een grote
stad
doorgebracht.
We hadden met
elkaar
gedichten en
filosofische
werken gelezen
en besproken.
Tegen
middernacht
gingen we uit
elkaar. Ik had
nog een lange
terugreis voor
de boeg. Mijn
gemoed, nog
diep onder
invloed van de
gedachtes,
beelden en
gevoelens,
die door het
lezen en
bespreken
gevormd waren,
was stil en
vredig. Ik
verkeerde in
een toestand
van rustig,
bijna passief
genieten.
Welbeschouwd
was ik niet aan
het denken,
maar liet ik
gedachtes,
beelden en
gevoelens als
het ware vrij
door mijn
gemoed stromen.
Plotseling,
totaal
onvoorbereid,
bevond ik
mezelf omhuld
door een
vlammenkleurige
wolk. In eerste
instantie dacht
ik aan vuur,
aan een
mogelijke brand
ergens in de
buurt. Maar
tegelijkertijd
zag ik: het
vuur was in
mezelf.
Terstond
overviel mij
een gevoel van
jubel, van
grenzenloze
vreugde,
vergezeld of
onmiddellijk
gevolgd door
een
onbeschrijfelijke
openbaring van
inzicht. Zo zag
ik ondermeer,
ik was niet
alleen
overtuigd, ik
zag echt -, dat
het heelal niet
uit dode stof
bestaat, maar
integendeel,
dat het een
levende
aanwezigheid (a
living Presence)
is; dat de
wereldorde
zodanig is, dat
zonder enige
uitzondering en
zonder toeval
alle dingen
voor elkaar het
beste werken.
Het schouwspel
duurde een paar
seconden. Toen
was het
voorbij. Maar
de herinnering
bleef en het
gevoel van
werkelijkheid
daarvan, van
wat ze liet
zien, zijn alle
vijfentwintig
jaar die daarna
verstreken
blijven
bestaan.
(Geciteerd uit
C. Butler,
Western
mysticism,
p. 332.)
Het verschil
tussen een pure
zenbeleving is
hier in ieder
geval, dat de
inhoud van de
ervaring van
Tennyson veel
meer het
abstracte en
benoembare
benadert dan
bij zen het
geval is. Of
tenminste
schijnt te
benaderen. Want
de veel
sterkere
verstandelijke
houding van de
westerling
vertroebelt
misschien de
ervaring zelf
door de
pogingen om
achteraf
verklaringen te
zoeken.
4. Rabindranath Tagore
Net zo
leerzaam zijn
de memoires van
Rabindranath
Tagore over
zijn
jeugdervaringen.
Ze zijn juist
daarom zo
interessant,
omdat ze laten
zien dat niet
alleen
numineuze
gevoelens
überhaupt
in het jeugdige
gemoed
uitbreken, maar
dat bij hen die
er gevoelig
voor zijn de
typische
mystieke
inzichten zich
volledig
spontaan in de
jeugdperiode
voordoen.
Heel lang
geleden, toen
ik nog één was
met de aarde en
het groene gras
me overdekte en
ik overgoten
werd door het
herfstlicht,
toen mijn
weidse,
groenschemerige
lichaam in de
zonneschijn de
jeugdige geuren
en warmte uit
elke porie
wasemde, toen
ik het land en
het water van
verre landen en
streken
besloeg, lag ik
stilzwijgend
onder de
heldere hemel.
Ik voelde hoe
in het
herfstige
zonlicht het
wezen van de
verrukking, een
vitale
levenskracht,
zich in een
intense,
onuitgesproken,
halfbewuste
vorm in mijn
uitgestrekte
lichaam roerde
met een acute,
huiverende,
uitgelezen
golving - ik
scheen me daar
op dat moment
iets van te
herinneren! Het
gevoel van de
oeraarde,
uitbottend,
bloeiend en
blij met haar
beschermer, de
zon. Het is
alsof de
bewustzijnsstroom
in mij
onmerkbaar en
langzaam elke
grasspriet,
elke
boomwortel,
elke ader
doordrenkt, in
de golvende
beweging die
door de
korenvelden
trekt,
pulserend in
elk blad van de
kokospalm, dat
trilt van
levenslust.
(Vertaald uit het Bengaals door Indu Dutt; Nederlandse vertaling: Julia Boulanger. Zie hierover ook Rudolf Otto, Rabindranath Tagores Bekenntnis, Tübingen 1931)
5. Een numineuze ervaring bij John Ruskin
Professor
Deutschbein
attendeerde mij
op de volgende
passage bij
John Ruskin,
waarin hij
vertelt over
jeugdbelevenissen
die regelmatig
bij hem
terugkeerden.
Het zijn
zuivere
numineuze
ervaringen.
Bijna alle
momenten, die
wij daarvoor
gevonden
hebben, keren
bij hem heel
spontaan terug.
Ten slotte:
hoewel er
geen
welomlijnde
religieuze
gevoelens bij
betrokken waren,
toch was er een
voortdurend
beeld van
heiligheid
in de hele
natuur. Van het
kleinste
voorwerp tot
het meest
immense een
instinctief ontzag,
vermengd met
verrukking;
een onbestemde
huivering
zoals we die
ons soms
voorstellen om
de nabijheid
van een
onstoffelijke
geest aan te
duiden.
(Vergelijk
Zinzendorf:
zoals iemand
's avonds
huiverig wordt
op het land.)
Ik kon het
alleen maar
door en door
aanvoelen als
ik alleen was.
Dan deed het
vaak mijn
hele lijf
huiveren
van vreugde
en ontzag.
Het overkomt me
als ik enige
tijd niet in de
heuvels was
geweest en ik
allereerst naar
de oever van
een bergrivier
ging waar het
bruine water
rond de
steentjes
cirkelde, of
wanneer ik voor
het eerst de
toppen van ver
land tegen
zonsondergang
zag, of de
eerste lage
gebrokkelde
muur bedekt met
bergmos.
Ik kan amper het gevoel beschrijven, maar denk niet dat dit aan mij ligt of aan de Engelse taal. Ik ben bang dat geen enkel gevoel goed te beschrijven is. Als we het gevoel van lichamelijke honger zouden moeten uitleggen tegenover iemand die nooit honger heeft gehad, zouden moeite hebben het onder woorden te brengen. Het lijkt alsof de vreugde voor de natuur mij overkomt als een soort hartstochtelijk verlangen, gestild door de nabijheid van een grote en heilige Geest.
Dit gevoel bleef in zijn volle heftigheid bij me tot mijn achttiende of twintigste jaar. Toen mijn bedachtzaamheid en praktische kracht toenamen, en de zorg van deze wereld op mijn schouders rustte, ebde het langzaam weg zoals Wordsworth beschreef in zijn Intimations of Immortality.
Ik wijs hier op
het volgende:
- 1Geen welomlijnde religieuze gevoelens waren erbij betrokken. Geen bepaald religieus gevoel dat hem bekend voorkwam uit het godsdienstonderwijs, ook geen bepaalde, concrete afzonderlijke voorstelling van traditionele dogmatiek vermengd zich hiermee, of is de aanleiding.
- 2Amper te beschrijven dat wil zeggen dat het niet tot een concreet begrip terug te brengen is.
- 3 Tegelijkertijd is het een gevoel, net zo uniek, zelfstandig en door niets anders te vervangen, of weer te geven als welk ander elementair gevoel van onze geest dan ook.
- 4 Het is geen wezenlijke esthetische beleving van schoonheid of van iets verhevens maar dat van een volstrekt andere (das ganz andere) heiligheid.
- 5 Het is instinctief, wat wil zeggen dat het niet uit overdenking ontstaat (integendeel, het vervluchtigde toen mijn bedachtzaamheid toenam). Het is echter instinctmatig zonder tussenkomst, gevoelsmatig uit de diepte van de ziel opgeroepen als een inzicht, helemaal a-priori, zonder eerste oorzaak.
- 6Huivering en ontzag zijn de kenmerkende gevoelens van mysterium mirum ac tremendum, wat zich uitte als een huivering over het hele lijf.
- 7 Met vreugde en ontzag, de rilling, die tegelijkertijd verrukt en vreesaanjagend is, het mengsel van fascinatie met het tremendum ac stupendum.
- 8 Ruskin ervoer een nabijheid als een geestesangst, de aanwezigheid van een onstoffelijke geest. Maar tegelijk op een veel hoger niveau lijkt het alsof een grote en heilige Geest nabij is, een schimmige, spookachtige, maar met grandeur en heiligheid, tegelijkertijd echter blijkbaar ontrokken aan elke vorm van beschrijving.
- 9 Het treedt aan het daglicht als een soort hartstochtelijk verlangen. Het komt voort uit de stille mystieke drijfveer waarover Heinrich Suso en Augustinus spreken en uit de neiging naar geheimzinnige waarden, waarnaar wij zoeken in religieuze onrustgevoelens, totdat hij zich laat vinden als een openbaring, en waar we niet naar zouden kunnen zoeken of verlangen als we niet in de duisternis al iets van zijn aanwezigheid geweten zouden hebben.
- 10 Niets esthetisch, niets moralistisch en niets doelmatigs dringt zich op. De ervaring is puur numineus. En de natuurkenmerken die Ruskin noemt, en die in hem opkomen, dat zijn juist degene die wij bij de numineuze natuurbeelden tegenkomen, die boven de rede uitstijgen - buitenredelijk zijn. Bijzondere aandacht verdient: de indruk van een veraf gelegen land bij zonsondergang, deze wijde leegte, versterkt door de stijging aan de horizon en door de gevoelens van wijde grenzeloosheid die alleen al door het wegzinkende zonlicht zo sterk kunnen worden opgeroepen.
Friedrich Schleiermacher noemt zon ervaring zoals Ruskin die had,intuïtie en gevoel voor het oneindige. Ik noem het divinatie (zienersgave, hogere ingeving, inzicht in het verborgene, profetie). Schleiermacher had gelijk toen hij opwierp dat divinatie in de sfeer van geschiedenis zelfs groter is dan al deze divinatie uit de natuurlijke sfeer. Zal iemand zoals Ruskin niet opgaan in het hemelse en het buitenredelijke en het numineuze karakter van onze eigen tijdvak onthullen?
[Ruskin, John (1819 1900), Brits dichter, essayist en sociaal hervormer, studeerde in Oxford. In 1843 verscheen anoniem het eerste deel van zijn Modern painters, een verdediging van Turner. Kunst was voor hem vooral een zaak van ethiek en moraal. In The seven lamps of architecture (1849) noemde hij het offer, de waarheid, kracht, schoonheid, leven, herinnering en gehoorzaamheid de zeven grondslagen van de kunst. In The stones of Venice (3 dln., 18511853; door hemzelf geïllustreerd) betoogde hij dat aan de ware kunst altijd een religieuze bezieling ten grondslag ligt. Ruskin kantte zich sterk tegen de toenemende mechanisering en propageerde een terugkeer tot het ambachtelijke. Zijn colleges als kunsthistoricus te Oxford bewogen zich zowel op het gebied van de sociologie als op dat van de kunst. Ruskins invloed in Engeland en daarbuiten (o.a. op Marcel Proust) is zeer groot geweest.]
6. Theodor Parker, Ten sermons of Religion
Theodor Parker, Ten sermons of Religion, Boston 1853, bladzij 142 e.v. verhaalt van spontane jeugdervaringen die nauw verwant zijn aan die van Ruskin. Vooral zijn bewering over de verhoogde numineuze aanleg bij kinderen, en die meteen het numineuze gebied afbakent en al vooruitloopt op de termen die wij menen daarvoor te kunnen vormen:
Het religieuze gevoel (werkzaamheid) begint vroeg bij kinderen. Maar net zoals bij alle bezigheden is ze aanvankelijk onbewust. Onbewuste capaciteiten herinneren we ons niet. We herinneren ons alleen wat we bewust met ons volle verstand ervaren hebben. We kunnen ons hoogstens vaag herinneren wat al vaag en duister of sluimerend in ons aanwezig is, terwijl de uitwerking (in ons gemoeds- en wilsleven) voor ons verdere vergankelijke leven blijvend kan zijn.
Je kunt zien dat babys instinctmatig en onwillekeurig mondbewegingen maken, zoekend naar hun natuurlijke borstvoeding. Zo tast in onze kinderjaren het gevoel al zoekend naar de oneindige God. En bij kunstmatige voeding wordt het kind vaak genoeg alleen maar tevredengesteld met een aftreksel van de godheid die de mond vult en dus uithongering voorkomt.
Worden sommigen niet herinnerd aan een tijd, waarin er een vermoeden was - het was meer een gevoel dan een gedachte - van een vaag, duister geheimvol iets, een oergrond boven alles verheven, om alles en in alles, dat niet begrepen kan worden maar je toch zeker niet kon zijn ontgaan?. Je lijkt er een deel van te zijn, of het van jou. Je was verwonderd, dat je het niet met je ogen kon zien, of kon beluisteren met je oren, of met je handen kon aanraken terwijl je het wel kon voelen en waarnaar je streefde met zon wonderlijke onduidelijkheid. Soms kon je het niet anders dan liefhebben, soms boezemde het vrees in. Je mag het geen naam geven. Wanneer je dat zou willen, dan zou geen enkel woord als naam voldoen voor zoiets afwisselends. Je verbindt het met alles wat vreemd en buitengewoon is. Soms zou het hoogt beminnelijk zijn, dan weer bijna lelijk door zijn onbestemdheid en vormloosheid. Kom je in een nieuwe plaats terecht, dan zou het er eerst niet zijn. Maar al snel zou het er weer zijn, als een permanente reisgenoot.
Niet iedereen zal zich zulke ervaringen herinneren, waarschijnlijk alleen diegene, bij wie het religieuze bewustzijn vroeg ontlook. En toch zijn we allemaal door zon nevelachtige periode van onze religieuze ontwikkeling heengegaan, waar de ziel door gevoelens bewogen werd. Een gevoel waarvoor het verstand geen passende begrippen kan vormen.
Dezelfde gebeurtenis vind je op het grote toneel van de geschiedenis van oude volken, waarvan de gedenktekens nog steeds getuigen van deze vroegere bewustzijnsfeiten. En je vindt nu nog complete volken die zich in deze nevelige religieuze episode bevinden. Sfinxen en piramides zijn versteende resten van zulke bewustzijnsfeiten, zoals u en ik ze vroeger in de kinderjaren hebben gehad. De schriftloze volken hebben nu eenmaal een zekere naïviteit, tastend naar God, steeds in verleiding gebracht om met hun reagerende verstand datgene uit te drukken (in mythe en ritueel), wat hun eerst eens in de vorm van rechtstreeks gevoel gegeven werd. Waar de taal nog een te grof stuk gereedschap is voor een verfijndere uitdrukking wordt geprobeerd uit steen te vormen wat de taal nog niet tot kan uitdrukken.
Dit vage, geheimenisvolle, bovenmenselijke iets, nog voordat het hard geworden is en zich verstevigd heeft tot godheid, wil ik numen (het goddelijke) noemen. Wat het is, dat weet de schriftloze mens niet. Het is niet mezelf. Wat is het dan ? Misschien iets van buiten? Dus nemen ze dat ding van buiten, wat hun wonderbaarlijk toeschijnt, misschien een reptiel, een dier, een vogel of een insect. Of een gedeelte van de natuur, de wind, de bliksem, de zon, de maan, een planeet of een ster. Zo objectiveert zijn gevoel zich in en aan deze uiterlijkheden.
[Theodore Parker (1810-1860) was een Amerikaans unitarisch theoloog en predikant in Boston. Hij was beïnvloed door De Wette. Parker erkende geen bovennatuurlijke openbaring en ging geheel uit van de intuïtieve ervaringen van het menselijke gemoed. Parker heeft, net zoals de quakers, zich beijvert voor de afschaffing van de slavernij.]
7. Ontwikkelingstrappen in de jeugd en ontwikkelingstrappen bij schriftloze volken
Het zou een belangrijke taak voor de godsdienstpsychologie en -pedagogiek zijn, dit feit van spontane mystieke gevoelens uit de kinderlijke ervaringswereld te onderzoeken en aan te wijzen waarom het meestal in het verdere leven weer teloorgaat. Dit kan dan vergeleken worden met het onderzoek van de Marburgse psycholoog en grondlegger van de eidetiserende integratiepsychologie Erich Jaensch (1883-1941) over het vermogen om het in de kindertijd waargenomene, en dat in dezelfde mate vervolgens vaak weer verloren gaat of beperkt wordt, opnieuw helder voor de geest te krijgen zodat het beeld het karakter van een waarneming krijgt. Deze onderzoeken laten zien dat de kinderlijke geest überhaupt in aanleg veel rijker is dan die van volwassenen, en dat volwassenen veelvuldig gelijktijdig een verlies van mogelijkheden ondergaat.
Bijzonder belangrijk zijn zulke inzichten voor de vraag naar de oorsprong van religie. Misschien zullen de oude mythen, door een oorspronkelijk rechtstreeks contact tussen mensen en goden, ooit op zon manier nog eens bevestigen dat het numineuze gevoel niet een pas in een later stadium in de cultuurgeschiedenis optredend moment is maar integendeel dat het voorafging aan alle cultuur. Dat de menselijke begintoestand in ieder geval niet het wilde halfdier was zoals de darwinisten zich dat voorstellen. Maar een royaal met aanleg en mogelijkheden toegeruste kinderjarenleeftijd, die veel weg heeft van de kinderleeftijd. Een tijd om te leven die rijk was aan mogelijkheden en vooral zoveel rijker was in de gevoelsaanleg dan bij hen in de kracht van hun leven. De verklaring die Parker voor het religieuze ontwaken aangegeven heeft, wijst warempel in deze richting. Het cultuurproduct heeft vaak genoeg in het geestesleven van volken werkelijk gewoonweg dezelfde rol gespeeld als die van de intellectualisering in de persoonlijke levensloop. Namelijk, dat het een oorspronkelijk rijkere gevoelsaanleg sterk in kracht doet verminderen. Met de visuele aanleg van het kind is dit inderdaad overtuigend het geval geweest. Het vermogen om beeldend te zien is geen later product van een ontwikkelde cultuur maar moet bij de virtuozen uit de IJstijd in verbazingwekkende kwaliteit aanwezig geweest zijn. Het is nog steeds een menselijke eigenschap bij de schriftloze culturen en wel in hogere mate dan het geval is binnen de gecultiveerde leefwereld. En zoals nog vandaag de dag het specifieke numineuze gevoel van het wonderbaarlijke, het ijzingwekkende, het ontzag, maar ook van de aandachtigheid het sterkst en meest spontaan naar voren treedt in de kinderziel en bij de naïeven, zo moeten wij het ook veronderstellen in de begin- en schriftloze tijd van de mensensoort. In ieder geval is staande te houden dat een tijdperk dat een zweem van wonderbaarlijk bezielen kent, of dat de ongelooflijk wonderlijke gedachte van het mana, de mysterieuze kracht die in alle dingen aanwezig is, maar in verschillende graad, en orenda, de magische macht of goddelijke kracht die in alle dingen aanwezig is, konden voortbrengen, zonder twijfel en veel eerder en veel beter in staat waren om gevoelsreacties zoals wij ook hebben, te beschrijven.
Rudolf Otto:
Das Gefühl des
Überweltlichen
(Sensus
Numinis);
Fünfte uns
sechste,
vermehrte
Auflage von
Aufsätze, das
Numinose
betreffend,
Teil 1. München
1932