Over de rode handschoen...
of: een herhaalde confrontatie met de marginaliteit van Aalst

zaterdag 17  januari 2009

Eergisteren dacht ik: “Zaterdag ga ik met de trein naar Brussel, want Aalst is marginaal”. Gisteren dacht ik: “Morgen ga ik naar Aalst, dan kan ik mijn fietscapaciteiten nog eens op de proef stellen”. Vanmorgen dacht ik: “Verdomme, het regent”, en maakte een auto-uitstap naar Aalst. De logica zie ik zelf niet.

Tijdens het parkeren in de Wellekesstraat werd ik oplettend gadegeslagen door een hond + een heer van meer dan middelbare leeftijd die mij, nadat ik uitstapte, langdurig nafloot. Omdat ik niet wou weten waarom een heer van meer dan middelbare leeftijd naar mij fluiten wil – wie weet was ik wel tegen een paaltje, laat staan tegen zijn hond gereden zonder dat ik dat wist? – maakte ik mij haastig uit de voeten en dacht me te laten leiden door het toeval. Toen ik de Wellekesstraat uit was, hoorde ik het regelmatige getik van damesschoenen achter mij. Omdat het de hele Sint-Jozefstraat lang danig op mijn zenuwen werkte dat ik wel schoenen hoorde maar geen vrouw, deed ik even alsof de verkoop van het huis naast onze oude school mij uitermate interesseerde, en liet haar onwetend voorbijgaan. Bij gebrek aan beter besloot ik haar te volgen.

Bijgevolg belandde ik in de grote matenwinkel op de hoek. Ik verborg me met een paar kleurrijke rokken in het dichtstbijzijnde pashok en liet al dat vrolijks een voor een over mijn hoofd naar beneden vallen. Na zo’n vijf minuten was er ongeveer 500 euro over mijn lichaam gegleden; ik evalueerde de winkel als te duur en de maten als te groot.

De vrouw was al lang uit mijn oog+oor verdwenen, dus ik stapte de Kattestraat in, in gedachten knipogend naar de al lange tijd verdwenen Meneer Wafel. Toen ik de helaas nog steeds aanwezige Meneer Knor de Malpertus zag buitenstappen, begon ik op slag te zingen. Als je bang bent om aangesproken te worden, is het altijd goed te doen alsof je al in gesprek bent. Tussendoor kocht ik even een blouse met groene + blauwe streepjes = ruitjes en werd in de Pieter van Aelst vierkant uitgelachen door een bende pubers. Blijkbaar is mijn ontspannende vergaderhouding alias ‘het mondje’ geen goede gelaatsuitdrukking bij het flaneren. Ik had het moeten weten.

In de Bart Smit schaduwde ik een jongetje met een schetenkussentje in zijn hand. Hij dacht dat hij plezant was, met zijn schetenkussentje, maar ik vond mijzelf veel plezanter, met mijn minuscule dictafoontje. *snood*. In de Sleghte probeerde ik een goocheltruc te snappen maar gaf het op. In de Hema ging ik een half uur in een pashok zitten met een boek van Jip en Janneke, omdat ik het écht te warm kreeg met die muts op, maar die muts niet af durfde te zetten in het openbaar omdat ik vermoedde dat de vettigheidsgraad van mijn haar nog wel driemaal zo lachwekkend zou zijn als mijn ontspannende vergaderhouding. Omdat ik het alleen maar warmer kreeg, sloeg een voorraad bh’s in en begon die te passen. Daarbij stelde ik vast dat pashokconversaties bijzonder interessant kunnen zijn. Het pashokje = de perfecte plaats om te controleren of de make up nog goed zit, om te achterhalen wat die kerel nu had gezegd toen hij belde en hoe het nu zit met uw lief, om mama te vragen of je écht geen twee badpakken mag kopen en papa wijs te maken dat het van mama mocht, om te roddelen over de dikke dame bij het behangpapier, alsook om bh’s te passen zonder muts, zo bleek. Tevreden botste ik bij het buitenkomen op een koppel dat ongelukkiger leek met elkaar dan met het feit dat ze zo lang hadden moeten wachten tot mijn hokje vrijkwam.

In die winkel waar vroeger United Colours of Benetton was, raakte ik gefascineerd door een duo dat zichzelf veel te serieus nam. Ze praatten een Aalsters van de platste soort, waren bijgevolg vreselijk luidruchtig, en werden “gralek ambetant op die één allé me eure stomme kop”, want “asse ni  een was gekommen attemen de johnny nog gezingj”. Toen het duo op weg was naar de pashokjes terwijl De Johnny in hoogsteigen persoon belde, grabbelde ik een hilarische rok vast en besloot die in een naburig hokje te passen. De Johnny wou zijn “meekes” duidelijk zien, want na een tijdje dat lang genoeg was om mij iets te laten voelen voor die buitengewone rok aan mijn lichaam, sprongen ze kakelend de winkel uit. Ik sprong ze niet achterna, maar betaalde de rok en ging in de Body Shop vragen of Hendrika er soms was en, indien niet, zij wisten wat er nu weer in de winkel lag dat buitengewoon goed bij mij zou passen. Veel geglimlach maar geen antwoord, dus ging ik kleren passen in de Pimkies. Veel kleren en veel gepas, maar geen passende, en bijzonder ongepast dat het vriendje van het meisje in het hokje naast mij keer op keer mijn gordijntje opentrok. Gelukkig naderde de sluitingstijd.

Sluitingstijd? “Mevrouw… mevrouw! De winkel is gesloten, ziededanie?” “Jamaar, ik kom mijn dochters zoeken, hebt ge die soms gezien? Doo-ooochterssss!” […] “Juffrouw, néé! De winkel is gesloten!” “Jamaar, ik denk dat mijn zussen hier zijn! Zuu-uuuusseeee-eeen!!” […] “Mevrouw… daarjuist was mijn mama hier toch? Hebdegij die zien buitengaan?” Omdat de verkoopster zich begon op te winden, kalmeerde ik haar met de woorden “Ach, Zaterdag = Familiedag!”. Ze kon er niet mee lachen dus ik verliet morrend het gebouw. Drieëntwintig passen verder merkte ik dat mijn rechterhand het bijzonder koud kreeg. Er hing dan ook geen handschoen meer aan. De Pimkies was helaas al gesloten, maar door de ijzeren rolluiken heen bemerkte ik een voorwerp voor de kassa op de grond. Ik ging op het trapje staan, zodat mijn gestalte toch ietwat dreigender zou overkomen, en keek geconcentreerd naar binnen. Het was onmogelijk om het voorwerp te identificeren, maar ik dacht te wachten tot de stofzuigende dame het terrein voor de kassa stofzuigen zou. Helaas blijkt in de Pimkies enkel de pashokjesruimte gestofzuigd te worden. Ik was dus genoodzaakt om mij met een paar obscene gebaren zichtbaar te maken.

Aan de reactie van de voorbijgangers te zien, was ik daar ronduit in geslaagd. Toch kreeg ik vanuit de Pimkies zelf nog steeds geen reactie. Ik zag honderden briefjes van 10 en 50 euro uit de kassa komen, ik zag truitjes van plaats verwisselen, maar ik wist nog steeds niet welk vreemd voorwerp er voor de kassa lag en of het, eventueel, mijn handschoen zou kunnen zijn.

Van achter de vele briefjes uit de kassa werd mij een terloopse blik toegeworpen, die, zoals te verwachten was, veel te kortstondig bleek om mij toe te laten duidelijk te maken dat ik mijn handschoen kwijt was en dat die, eventueel, voor de kassa op de grond zou kunnen liggen. Na vijftien minuten met mijn neus tegen de ijzeren rolluik gedrukt te staan, en dus een ijzeren rolluiken-motief in mijn neus rijker, zag ik de stofzuigende dame toch mijn richting uit komen. Ik deed mijn handschoen uit en wees ernaar, waarna ik wees naar de grond voor de kassa. De dame dacht waarschijnlijk dat ik doelde op het geld, of, nog erger, op haar collega, schudde het hoofd en ging haastig weg. Omdat ik noch het geld, noch de collega wou ruilen voor mijn handschoen, maar enkel wou weten wat daar op de grond lag, bleef ik staan en drukte voor de verandering mijn rechterkaak tegen de ijzeren rolluik. Op herhaaldelijke wantrouwige blikken na, werd ik ronduit genegeerd.

Ik sprong, ik wees, ik sprong opnieuw en ik bleef wijzen, ik wees met mijn rechterhand, ik wees met mijn linkerhand, maar niets hielp. Ze gaven geen kik. Toen de stofzuigster mijn richting uit kwam met een fout weggehangen truitje, kon ik me niet meer beheersen en riep haar, door de ijzeren rolluik en met een ijzeren rolluik geribbeld gezicht, toe: “WAT LIGT ER DAAR VOOR DE KASSA OP DE GROND???”. De stofzuigster bleef staan, begon bijna te trillen van woede, en schreeuwde terug: “EEN ZWART BALLONNEKEN!!!!”.

Natuurlijk werd ik hierna nog meer genegeerd. Maar ik gaf niet op! Toen mij, zes minuten later, bevolen werd weg te gaan omdat dat ik getuige aan het zijn was van hun omzet op een zaterdag, familiedag, kon ik er tussenwringen dat ik niets met zwarte ballonnetjes te maken had of zelfs maar wou hebben, maar dat ik dacht mijn handschoen verloren te zijn in de winkel. Ik kon ze zo ver krijgen om mijn telefoonnummer op te schrijven, waarschijnlijk enkel omdat dat de enige manier leek om mij van voor de ijzeren rolluik te krijgen.

Ik weet ook wel dat dat papiertje met mijn nummer intussen al lang in de vuilbak ligt…

Om troost te zoeken belde ik naar Lotje, maar kreeg meer groepswerk en taak dan troost, dus zocht ik mijn autootje op. Tijdens het wegrijdingsmanoeuvre werd ik nauwkeurig gadegeslagen door een man van meer dan middelbare leeftijd op de eerste verdieping van de woning recht tegenover mijn parkeerplaats. Of hij weer aan het fluiten was weet ik niet, want ik reed vastberaden daarvandaan, zonder handschoen aan mijn rechterhand.