Titus
Vaartijd: van 5 juli tot 29 oktober 1955.
Rederij: Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM)
Werf: Neptun Werft A.G., Rostock jaar 1930 bouwnr. 422
Tonnage: B. 1.777 D. 2.869
Afmetingen: L. 83,36 B. 13,02
Roepletters: PHZS
Machine: triple expansie stoommachine, 930 PK
Snelheid: 10 kn.
Radio: Hoofdzender TDE - noodzender NSF MZ-11 (vonkzender)
ontvangers BC-348 en H2L7U
Aantal passagiers: 8
Route: Middellandse Zee: o.a. Pozzuoli, Oran, Algiers, Tunis, Izmir, Istanbul, Piraeus, Volos,
Patras, Constantza, Beirut, Alexandrië
De Titus is in 1959 voor de sloop verkocht.
Kapitein: Spaans.
Dit schip was een echt stoomschip met een zg. triple expansie machine.
Alles was oud op dat schip. Wat wil je ook, ze (schip is vrouwelijk, weet je nog?) was zes jaar ouder dan ik zelf. De radiohut bevond zich aan stuurboord, achter de brug, met alleen een deur naar buiten. Fijn bij slecht weer!
Mijn slaaphut lag twee dekken lager, aan bakboord. Een pijpenla, met alleen het hoognodige: een kooi (bed), een tafeltje met een stoel, wastafel, “bank” en twee smalle kasten. De hut was zo smal, dat ik beide zijwanden met mijn vingertoppen tegelijk kon aanraken.
De messroom lag schuin tegenover mijn slaaphut: twee stappen ver; daar was goed over nagedacht. Spartaans ingericht: aan beide lange zijden een bank en een lange tafel daartussen. 4 personen aan de ene kant en 3 aan de andere. Het voordeel was wel, dat alles altijd binnen handbereik was.
In het gangetje achter de messroom was ook de ”bar”. Daar hield de hofmeester eens per dag “spreekuur”; je kon dan je biertje of je borreltje halen. Sterke drank lustte ik toen (nog) niet, en mijn rantsoen verdween in het keelgat van de kok. Dat was natuurlijk wel erg praktisch, want het was van groot belang om goede vrienden met de kok te zijn.
Na vertrek van de Levantkade in Amsterdam, en vóór we bij IJmuiden de sluizen ingingen, deden we eerst nog een haven aan: Buitenhuizen, aan het Noordzeekanaal dus. Daar was een munitiedepot van Defensie, waar we een lading munitie kregen met bestemming (als ik het goed heb) Piraeus. Dit werd op het voordek geladen; uiteraard werd er gefantaseerd wat er zou gebeuren als dat BOEM! zou doen........
Op een zekere dag, op volle zee, roept de bootsman vanaf het voordek (!): "BRAND - BRAND"!
In no time het hele schip in rep en roer; in gedachten hoorden we de knal al. Brandslangen werden uitgerold en iedereen was op zijn post, overeenkomstig de brandrol.
Achteraf was de kapitein zeer tevreden over het verloop van deze, niet van te voren aangekondigde, brandrol. Het bleek, dat alleen hijzelf, de eerste stuurman en de bootsman in het complot zaten.
In een van de haven(tje)s, die we aandeden, is een kat aan boord gekomen. Het beestje kreeg beter te eten dan de bemanning. Daar zorgden de kok en de hofmeester wel voor. In de gang aan bakboord lagen achter elkaar de hut van de hofmeester, idem van de marconist, en wat meer naar achteren, de hut van de chef-kok en de kombuis. Poes zat dus altijd aan bakboord! Meestal bij de hofmeester, want die is de baas van de kok, en een beetje slimme kat heeft dat natuurlijk meteen door. Op een gegeven moment was de kat zoek; maar ik had hem duidelijk in de hut van de hofmeester horen miauwen. Nee, dat was niet zo, zei de hofmeester, hij hoorde hem duidelijk in mijn hut. Na wat zoeken kwam poes tevoorschijn uit mijn kast, hij wilde eruit om naar de kombuis te gaan.
Het museumstuk in de radiohut was de nood- of reservezender. Dat was een blusvonkzender (klasse B voor de ingewijden), nauwelijks vermogen, maar een enorm storend vermogen. Een bandbreedte van hier tot Haarlem en een verschrikkelijk irriterend snerpend geluid. Door die grote bandbreedte blies je echter wel door alle storing van andere radiostations (QRM) heen.
Op een keer moest ik verbinding zien te krijgen met Algiers Radio/FFA op 500 kHz, maar dat lukte voor geen meter met mijn gewone zender. Dus dan maar de noodzender aangezet; in no time QSO (verbinding) – wel met het nodige commentaar van andere radiostations, die op een “nette” manier vroegen of ik op wilde rotten met die vonkzender. Op de werkfrequentie uiteraard weer met mijn gewone middengolf-zender verder.
Er woedde in deze jaren een onafhankelijkheidsoorlog in Algerije. Dit land was toen Frans gebied, en de overwegend islamitische bevolking wilde zelfstandigheid. Dit ging wel gepaard met bloedvergieten. Om te voorkomen dat deze rebellen, zoals de Franse ze noemden, van wapens zouden worden voorzien, werd er langs de kust gepatrouilleerd door Franse marineschepen en vliegtuigen. Het gebeurde meer dan eens, dat de stuurman van de wacht zich ‘s nachts te pletter schrok, als een laag overkomend patrouillevliegtuig de Titus vol in de schijnwerpers zette. Wij waren inmiddels op weg naar Oran, waar we, toen we eenmaal waren afgemeerd, werden vereerd met een bezoek van de zoekploeg van de douane. Ook de radiohut wilden ze controleren, natuurlijk. Dat zag er niet mooi uit, want mijn voorraadje sigaretten lag daar in een la. Ze waren daar echter totaal niet in geïnteresseerd; men zocht naar wapens. Nu lag in de radiohut, keurig in een houten kist, een reserve anker voor de dynamo voor de zender. Kijk, daar hadden ze nou wel belangstelling voor: uitpakken en vertellen wat dat voor moest stellen. Het leek namelijk verdacht veel op een bom of granaat. In mijn beste Frans en beide handen uitgelegd wat het was. Blijkbaar begrepen ze mijn verhaal, want met een slap handje namen ze afscheid.
25 oktober kwamen we in Amsterdam aan. Einde reis.
Op 1 november naar het hoofdkantoor Keizersgracht 562 (K562) ten eerste om bij de heer Postma van de afd. Boekhouding af te rekenen. Dat leverde nog ƒ 84,01 op. Bij de heer Schortinghuis (die “ging” over het varend personeel) had ik voorzichtig door laten schemeren, dat ik eigenlijk wel graag op een tanker zou varen, en het liefst bij de Shell.
Halverwege mijn verlof viel de brief op de mat die hieronder staat. Mijn wens was verhoord!

