Bussum


Vaartijd van 5 november 1957 tot 8 juni 1958. 

 

 


 

Rederij:         Stoomvaart Maatschappij "Oostzee"   (Vinke & Co.)

Werf:           Wilton Fijenoord, Schiedam               jaar   1955             

Tonnage:      B.   12.134          D.   17.735         

Afmetingen:   L.  167         B.   21         

Roepletters:   PDHU

Machine:       5 cil. Doxford, 5.500 PK

Snelheid:       13,5 kn.

Radio:           Philips SMZ

 

Route:               06.11.1957               Vertrek Schiedam

                        02 - 03.12.1957        Ras Tanura

                        01 - 15.01.1958        Rotterdam

                        10.02.1958               Ras Tanura

                        04 - 05.03.1958        Amsterdam

                        30.03.1958               Ras Tanura

                        23.04.1958               Amsterdam

                        15.05.1958               Ras Tanura

                        08.06.1958               Amsterdam 

 

 

Kapitein:                               Wedel

3e Stuurman:                         Reijnders (Cees)

 

In 1966 verkocht naar Liberia: “Elpis” (6ZJB)

In 1969 gesloopt in Kaohsiung, Taiwan.

 

 


 

Op dit schip lag de radiohut aan stuurboord, direct achter de kaartenkamer, met daarnaast, aan bakboord dus, mijn slaaphut.




                                             Radiohut                                                    Slaaphut
 

Zowel de radiohut (links) als min slaaphut (rechts) was behoorlijk groot en – zeer comfortabel – voorzien van airconditioning. Mijn eerst schip met een dergelijke luxe. Het enige wat ontbrak, was een privé badkamer. Om mijzelf grondig te kunnen reinigen, moest ik twee dekken lager zijn, waar ook de hutten van de stuurlieden waren en de rooksalon.

    



Rooksalon.


Op het dek daartussen, vlak onder het brugdek dus, was ook de accommodatie van de kapitein.



                                            
                                                         Zitkamer gezagvoerder.


De tweede stuurman had mij al ingefluisterd, dat de kapitein het niet wenste dat de marconist binnendoor naar de badkamer ging. Uiteraard ging ik voor de eerste keer wel binnendoor om te douchen. Beleefd groette ik de kapitein die achter zijn bureau zat en mij langs zag komen. “Sparks, kom es binnen; hebben ze je niet verteld dat je buitenom moet?” “Jawel kapitein, maar dan hadden ze dit schip maar anders moeten bouwen; ik ga niet over dek als ik moet douchen.” Tot mijn grote verwondering kreeg ik te horen: “Gelijk heb je, knul, maar die gozer die hier vorige reis op zat, deed het wel. Kom straks maar een borreltje halen.” Sindsdien waren de kapitein en ik dikke vrienden. Het was echt een kerel om voor door het vuur te gaan. Hij had nog op zeilschepen om Kaap Hoorn gevaren en was zo sterk als een beer. Zijn favoriete stunt was een koffiekopje in zijn enorme vuist nemen en het stuk te knijpen! Ik zat helemaal goed, toen bleek dat ik bij de scheepsdief een doos Remy Martin cognac had aangeschaft. Daar heb ik samen met de kapitein, Cees Reinders (de 3e stuurman) en de hofmeester lekker van zitten lurken die reis.

Zijn echtgenote, bij iedereen bekend als Tante Neel, werd door hem verafgood. Nu was kapitein Wedel gewend om dagelijks een teentje rauwe knoflook te eten, omdat dat zo goed was voor zijn gezondheid. Het hielp niet dat we hem vertelden dat we bijna kapot gingen van de verschrikkelijke stank die onder zijn neus vandaan kwam. Iemand maakte echter de gelukkige opmerking dat dat spul zeker een week in je bloed bleef zitten. Dus als hij tante Neel in Amsterdam onder ogen wilde komen, hij ná Port Said toch moest stoppen met die knoflook. De goede man geloofde dit onmiddellijk en – althans wat knoflook betreft – stond hij de verdere reis naar Nederland “droog”. Dat was precies de bedoeling, en vanaf vertrek Port Said “gebruikten” de stuurlieden, de hofmeester en sparks, dagelijks een teentje rauwe knoflook. “Wat stinken jullie toch allemaal uit je bek” vond de kapitein, die het toch niet aandurfde om weer aan de knoflook te gaan vanwege mogelijke sancties van tante Neel. Dit vond dus allemaal plaats op de terugreis, van Ras Tanura naar Amsterdam

Na vertrek Ras Tanura meldde ik me bij Dhahran Radio/HZA, waarop ik te horen kreeg: bedankt en goede reis. Waarop ik mijn collega in het Engels complimenteerde over zijn keurige Nederlands. Ik dacht, die gozer heeft natuurlijk een briefje met “thanks en good trip” in alle talen van de regenboog. Maar nee, hij bleek perfect Nederlands te spreken. Zijn naam was Henri Folkerts, Amerikaan van Nederlandse ouders, en chef van het radiostation HZA. Hij was ook met een Nederlandse getrouwd. Later bleek, dat hij behalve Engels en Nederlands, ook Frans, Duits, Noors, Maleis en Arabisch te spreken en te schrijven. Met recht een talenwonder. Of het al bekend was of we de volgende reis weer naar Ras Tanura zouden komen. Ja zeker, we zouden vier reizen naar Ras Tanura maken, dat stond al vast. We spraken daarop af om de volgende dag in de korte golf nog verbinding te maken. Nou bleken hij en zijn vrouw gek te zijn op Indisch eten, en of het mogelijk was om vanuit Nederland wat rijsttafelspullen mee te nemen, want die waren in Saoedi-Arabië niet te krijgen. Nou, dat leek me geen probleem. Hij zou een bestelling doorgeven aan de Bijenkorf in Amsterdam en die zouden zijn bestelling bij mijn ouders (ook in Amsterdam) afleveren. Dat liep allemaal gesmeerd, en in Amsterdam nam ik een grote doos mee van huis naar boord, waar mijn vriend de hofmeester ervoor zorgde dat het keurig in de koelcel werd bewaard.

Al een paar dagen voor we in Ras Tanura zouden aankomen verbinding gemaakt met HZA om het een en ander nader af te spreken, want het spul moest natuurlijk ook nog op een fatsoenlijke manier van boord (en langs de douane, die de reputatie had zeer wantrouwend te zijn).

Henri bleek inderdaad perfect en accentloos Nederlands te spreken. Zijn spullen waren inmiddels uit de koelcel en stonden in mijn hut. Samen met het pakket naar de douane, waar Henri in het Arabisch uitlegde dat dit een cadeautje was van zijn mama uit Nederland, en dat ik dat had meegebracht. Dat verhaal ging erin als koek, maar elk flesje ketjap en potje sambal moest toch wel even open om te ruiken of er geen alcohol in zat.

Na vertrek Ras Tanura had ik nog verbinding met Henri op HZA en dat ze – met dank van zijn vrouw Petra – lekker hadden gerijsttafeld. Ook op latere reizen naar de P.G. (maar niet naar Ras Tanura) had ik nog geregeld radiocontact met hem.

Op een terugreis van Ras Tanura waren wij in de Baai van Suez aangekomen, om daar voor anker op onze beurt te wachten voor het noordkonvooi door het Suezkanaal. Het schip was nog niet vrijgegeven en de gele seinvlag Q was nog gehesen. Er mocht dus nog niemand aan boord, maar op het achterschip klommen de kooplui wel al aan boord. Daar kon rottigheid van komen. Omdat ik toch niets beters te doen had, kreeg ik de opdracht van de kapitein om die lui van boord te jagen. Ik maakte nog een opmerking in de geest van dat ze misschien niet onder de indruk zouden zijn en niet van boord wilden. Geen probleem voor kapitein Wedel: die trok een la van zijn bureau open en haalde een pistool tevoorschijn. Als ze niet gaan, schiet je ze maar van dek (of woorden van die strekking). Ik heb dat pistool maar voorzichtig in mijn broekzak gestopt en ben naar het achterschip gegaan. Daar bleek dat ik dat stuk geschut niet nodig had, want toen ik had uitgelegd wat er aan de hand was, gingen die kooplieden weer in hun bootjes terug, en zouden wachten tot de Q-vlag weg was gehaald. Ik weer terug naar de midscheeps, "mission accomplished", en gaf het pistool aan de kapitein terug. "Is dat ding eigenlijk geladen?", vroeg ik nog. "Natuurlijk knul, wat heb je nou aan een ongeladen pistool?" was zijn verbaasde antwoord.

Tijdens de reis van Ras Tanura naar Suez kreeg kapitein Wedel een telegram dat zijn zoon een vrij ernstige operatie moest ondergaan en dat het beter zou zijn indien hij dan ook in Nederland zou zijn. Hij kon dan vanuit Suez naar Amsterdam vliegen. De operatie kon wel zo lang worden uitgesteld. Hij zat echt in de put. Niet alleen vanwege die operatie, maar ook omdat hij zou moeten vliegen. Dat vond hij verschrikkelijk. Ik heb hem toen maar een fles Remy Martin meegegeven om de vliegangst te verdrijven.

Toen we in Amsterdam aankwamen, kwam kapitein Wedel samen met tante Leen aan boord. De operatie was goed gegaan en zijn zoon knapte al weer op. De fles Remy Martin was al leeg voor het vliegtuig was opgestegen en van vliegangst heeft hij geen last gehad!