Harry
Heyink is beeldend kunstenaar en is bezig met de ontwikkeling van een
Europese academie ‘the European Exchange Academy Beelitz-Heilstätten in Duitsland.
‘Buiten mijn werk als beeldend kunstenaar houd ik mij steeds meer bezig
met het organiseren van manifestaties, tentoonstellingen en het
opbouwen van de academie. Ik haal er een grote voldoening uit: dat je
met mensen werkt die je met vallen en opstaan tot resultaat ziet komen.
De grootste uitdaging is dat je het resultaat ziet van jouw gedachte.
En mijn gedachte is, dat je confrontatie onderwijs in een isolement
heel goed kunt toepassen. Ik vind het interessant om me te omgeven met
vakgenoten, die worstelen met de vraag: hoe kan ik mijn stellingname
communicatief maken? Hoe kan ik bij het publiek de grijze hersencellen
in beweging brengen? Dat is voor mij interessant. Daar draait het bij
mij om. Ik vind het prettig om er dingen bij te leren of om andere
opinies te horen. Het brengt me heel veel, anders dan wanneer ik m’n
eigen werk maak.
Al
zo’n twaalf tot dertien jaar geleden ging ik altijd een paar weken op
reis naar het buitenland met een groep studenten van de Rietveld
Academie, om het isolement op te zoeken. In Nederland is het een te
kostbare zaak om dat te realiseren. Acht jaar geldeden kreeg ik in
Slowakije de beschikking over een stadskasteeltje in het plaatsje
Krenitza, een middeleeuws stadje gelegen aan de uitlopers van de
Karpaten. Daar heb ik een programma ontwikkeld. Een conceptplan dat ik
in de loop der jaren heb proberen te perfectioneren en dat heeft
geresulteerd in de ‘Europese Uitwisselingsacademie’. Dat is niet zomaar
gegaan, want omdat je met jonge mensen werkt - en ik maak ook wel eens
fouten natuurlijk - heb je daar tijd en ervaring voor nodig. Je kunt
niet van de ene op de andere dag een academie beginnen. Mijn ervaring
als kunstenaar, mijn levenservaring, maar zeker ook mijn leservaring op
de Rietveld Academieen op verschillende academies en universiteiten in
Amerika(waar ik nog steeds les geef), neem je mee naar zo’n instituut,
dat je aan het opbouwen bent.
Voorgeschiedenis Een
jaar of wat geleden heb ik in opdracht van Simon den Hartog voor de
Rietveld academie, die 75 jaar bestond, het ‘Park voor de Toekomst’
georganiseerd. Dat was een groot symposium op het
Westergasfabriekterrein met achthonderd studenten uit de hele wereld.
Ik ben een jaar bezig geweest om dat te organiseren. Dat is een groot
project geweest en aan de hand daarvan werd ik vanuit Duitsland
gevraagd om in het land Brandenburg iets met een kunstacademie te doen.
Het land Brandenburg -Duitsland is een federale staat - ligt rondom het
eiland Berlijn, dat nog altijd een stadstaat is met een eigen regering.
Brandenburg heeft geen eigen kunstacademies, zoals Berlijn, maar wil
die wel graag hebben. Ze hebben een heel beroemde filmacademie die in
Potsdam zit en ook zogenaamde Fachhochschulen, die qua opleiding tussen
een leraren en een grafische opleiding inzitten. Je leert er zelfs nog
verf maken op de oude manier. Niks mis mee. In Potsdam heb ik drie jaar
geleden een conceptplan geschreven voor zo’n academie. Daar heb ik
eerst met een paar mensen aan gewerkt, die nu niet meer aan het project
meedoen. Van het ministerie van onderwijs en cultuur en van de
burgemeester van Beelitz heb ik een pand toegewezen gekregen. Ik werk
daar samen met Gherd Ohligsla-ger. Hij is in Beelitz zoiets als een
stadssecretaris, de hoogste ambtenaar van een gemeente en de machtigste
man in de hiërarchie. Ik werk met hem samen aan dit project.
Beelitz-Heilstatten Het
mij toegewezen pand ligt in het voormalig Sperrgebied van de voormalige
t.b.c. klinieken Beelitz-Heilstatten, dat wil zeggen dat je er niet in
en uitkon zonder eerst in quarantaine te zijn geweest. Men begon aan
het eind van de 19e eeuw met het bouwen van deze klinieken rond
Berlijn, waarvan die in Beelitz-Heilstatten verreweg de grootste was.
Een selfsupporting gebied met een eigen energiecentrale en landerijen
om het eigen voedsel te verbouwen. Er zijn hele grote panden gebouwd,
een soort mastodonten en ik overdrijf niet. Ook werd een station
gebouwd en een spoorlijn aangelegd. Er werden bossen geplant van een
speciale samenstelling om de perfecte zuurstof te krijgen. Sinds 1993
staat het gebied op een paar gebouwen na leeg. Tijdens de oorlog is een
gebouw gebombardeerd en in de ruïne staan nog steeds bedden met van die
stalen frames. De bomen zijn er doorheen gegroeid. Dat ziet er
fantastisch uit. Studenten kunnen het soms ook helemaal niet vinden,
het is een soort oerwoud geworden. Het gebied is groter dan de
binnenstad van Amsterdam. Je loopt je de pleuris, om het zo maar eens
te zeggen.
Confrontatie Ik werk met
docenten en studenten die van verschillende academies komen, zoals de
Metropolytain University of Leeds,de St. Lucas academie uit Brussel,de
Rietveld Academie, de HKU uit Utrecht, Academie Weisensee uit Berlijn
en de UKD, Universitat der Deutsche Kunst. Dat is de opzet. Ook worden
mensen van de Fachhochschule uit Brandenburg daarin opgenomen. Ze komen
allemaal voor een bepaalde periode bij elkaar. Zowel docenten als
studenten zijn intern en wonen in een hotel, dat daarvoor ter
beschikking is gesteld en waarvan het personeel in deze periode afwezig
is. Het intern zijn is een belangrijke factor. Het is
confrontatie-onderwijs dat ik daar hanteer. De studenten worden
continue geconfronteerd met hun eigen zwakheden, tekortkomingen en hun
kwaliteiten. Je merkt dat de studenten vanuit hun verschillende
culturen daar anders op reageren. Als ze daar niet in zijn opgevoed,
hebben ze er problemen mee. Het is een pure school van ‘s ochtends
negen tot ‘s avonds vijf of zes uur. maar eigenlijk vierentwintig uur
per dag. Vluchten is dus niet mogelijk. Je kunt het voor veel studenten
en ook afgestudeerden een beetje beschouwen als de laatste kans om zich
af te vragen: ‘wil ik wel kunstenaar zijn; ben ik dat wel?’ Van elk
instituut zijn twee docenten er de hele periode: het vaste korps.
Daarnaast zijn er nog veertien gastdocenten, die niks weten van de
problematiek van de totstandkoming van een werk en die heel direct
kritiek kunnen geven zonder aanzien des persoon. De boze buitenwereld
komt even binnen. De vaste docenten zijn voor alle studenten
beschikbaar. Die komen hierdoor andere opvattingen en andere manieren
van werken tegen, ook qua tempo. Het is een gigantische, vreemde
mengelmoes van culturen en je ziet binnen de kortste keren kleine
clubjes ontstaan. Dat mengt snel. Er vormt zich weer een klein
maatschappijtje.
Programma Ieder
jaar stel ik een programma op, dat wordt samengesteld door de docenten
van de verschillende instituten, waar ik contact mee heb. De mensen
worden meer dan een jaar van te voren uitgenodigd om hier aan mee te
doen. Dat programma is een onderdeel van de Uitwisselingsacademie.
Doordat de docenten van verschillende instituten komen, hebben ze
andere filosofieën over kunst en het onderwijs. Dus ik leer er elk jaar
nog wat bij betreffende de verschillende opinies en meningen. Ik kies
echt niet alleen wat ik in mijn eigen straatje tegen kom; ik kies ook
voor mensen, die absoluut anders denken over onderwijs, om te kijken
wat dat extra brengt. De docenten die ik meeneem zijn van verschillende
disciplines. Zo is er altijd wel iemand bij die iets met performance en
theater doet, iemand die zich gespecialiseerd heeft in nieuwe
mediatechnieken of een docent die met geluid bezig is of met land-art.
Er wordt ook in veel verschillende disciplines gewerkt. Veel met video
en computer, maar ook beelden van beton tot en met dingen die van
veertjes zijn gemaakt. Brons wordt er ook gegoten, want ik heb in de
buurt een kleine bronsgieterij, een particulier die meewerkt. Er zit
een steenfabriek in de omgeving, die mee wil werken met keramiek. De
gemeenschappen in de buurt werken heel graag mee, omdat ze ook wel
weten dat het voor hen zeer aantrekkelijk zou zijn als die Europese
academie daar inderdaad blijft staan. We hebben verschillende
opdrachten in het programma, die als kleine gymnastiekoefeningen werken
voor de eerste twee weken. Er is een rooster gemaakt wanneer het een en
ander is en er is een bepaalde snelheid van werken:’s ochtends de
opdracht, ‘s avonds de reflectie. Sommige opdrachten lopen over een
langere periode. Na een bepaalde periode gaat de student bezig met zijn
eigen opdracht, wat dan resulteert in een eindwerk. Aan het onderwijs
zit ook een publiekstentoonstelling vast, waarin het eindwerk is te
zien. Ik wil niet overdrijven, maar vorig jaar hadden we op de opening
tussen de vijf en zevenhonderd mensen en tijdens de week, die de
tentoonstelling duurt, kwam er ook nog eens zo’n zelfde aantal kijken.
Het publiek is zeer geïnteresseerd. Ze hebben veertig jaar onder het
communisme geleefd, zonder enige vorm van vrije meningsuiting en ze
zien dan een groep Europeanen bij elkaar komen, vreemdelingen die even
in hun omgeving zijn, met wie ze graag willen communiceren. Je ziet nog
de oprechte behoefte van de bezoeker om te willen weten: waarom willen
die mensen dat zo graag uiten? Is die vrijheid oprecht die er getoond
wordt? Want ik heb het er vaak over met studenten; dat je vrijheid op
verschillende manieren kunt interpreteren, maar dat er maar één vorm
van vrijheid is in de beeldende kunst en dat is, dat je die vrijheid op
de een of andere manier begrenst. En in die begrenzing die jezelf
gemaakt hebt, zoek je je vrijheid, anders wordt het een
vrijblijvendheid. En dan zie je ze ook hun begrenzing zoeken en daar
erg goed in worden. Ik probeer de mensen aan het denken te zetten. Zo
hebben we dit jaar als thema landschapskunst in relatie met
geëngageerdheid. Er is net als ieder jaar een theorieprogramma: Utopia
en een van de onderdelen daarvan is de geëngageerde kunst. Ik heb zelf
op het ogenblik nogal kritiek op de geëngageerde kunst, waar iedereen
de mond van vol heeft. De oprechtheid kan ik niet altijd vinden. Daar
wil ik het met mijn theoriedocenten over hebben dit jaar: wat
oprechtheid is en wat niet. En of een kunstenaar enige inbreng heeft
als kunstenaar in de samenleving, om bepaalde problematiek aan de kaak
te stellen of om stelling te nemen. Want ik geloof zeker dat kunst een
stellingname is. Technische kennis is belangrijk, maar belangrijker
vind ik toch de filosofische gedachte, de stellingname, de intensiteit
waar mee gewerkt wordt. Heb je de geen durf om stelling te nemen of heb
je niet de intellectuele bagage; dan wordt het dus niks.
Europa Het
concept dat ik ontwikkeld heb, is ook weer te gebruiken door anderen.
Ik heb contact met een Turkse mevrouw, die in de buurt van Ankara een
voormalige middelbare school tot haar beschikking heeft gekregen, en nu
ook bezig is om mijn concept toe te passen. De Turken willen hier
volgend jaar ook heel graag meedoen. Ook ben ik in contact met Portugal
en vanuit Finland is er grote vraag. Al met al is het groeiende. Het is
een grote Europese gedachte. Het heeft veel met politiek te maken, met
geld en met doorzettingsvermogen; ik weet nog niet hoever ik daarmee
kom en of het me gaat lukken. Maar ik ben wel een van de weinigen in
Europa die op dit moment een instituut heeft, waar studenten uit
verschillende landen bij elkaar komen. De Rietveld heeft ook veel
studenten van verschillende nationaliteiten, maar is nog steeds een
Nederlandse school met Nederlands onderwijs. Ik probeer nu juist een
Europese school te hebben en doordat mijn docenten uit verschillende
landen komen, krijg je die vervlechting van identiteiten. Men ziet er
hier toekomst in. Alleen, hoe moeten ze dat inbouwen in hun begroting?
Daarin sta ik aan de zijkant. Mijn taak hierin is het schrijven van
heel veel rapporten om de mensen voor te lichten. Ik zit natuurlijk
niet voor niets in Beelitz-Heilstatten. Het is voor mij ook een
uitdaging om met beleidsmakers, subsidiegevers en sponsors te
overleggen.
Plato Er zijn studenten
die zeggen, als ze weggaan, dat ze in die korte tijd meer aandacht,
meer kritiek en reflectie hebben gekregen , dan in de jaren dat ze naar
de gewone academie zijn geweest. Dat ligt niet aan de wil van docenten
en studenten, maar dat ligt aan een overheid, die daar geen
mogelijkheden voor biedt. Als het Nederlands kunstonderwijs zo
doorgaat, geloof ik niet dat het nog lang bestaat. Het lijkt een soort
technische opleiding te worden, waar het individu niet gekoesterd wordt
en ik vind dat als je een talent hebt, dan moet je dat talent ook
koesteren. Op de academies zag je dat een paar jaar geleden nog wel
gebeuren. Ik vind ook dat de docent meer een coach is, die in de gaten
moet hebben wat bij een student meespeelt, zoals emoties, karakter,
gedachten enzovoort. Sommige dingen moet je koesteren, om zo iemand
zijn talent te kunnen laten ontplooien. Het verborgen talent, daar gaat
het om, dat moet de student zelf ontdekken en daar kan de coach bij
helpen. Hij kan niet voorschrijven wat dat is. Hij kan dat ook niet
direct benoemen, maar hij kan wel helpen. Het is een zakelijke
overeenkomst, maar desalniettemin bestaat er een vorm van vriendschap.
Het is een ideale gedachte. Die gedachte komt ook een beetje voort uit
de Plato-gedachte van de Utopische academie. Dat je een omsloten tuin
hebt en in die tuin staan mooie grote bomen. Daar lopen studenten en
docenten rond, die in alle rust in dialoog gaan met elkaar in de
schaduw van zo’n boom. Die gedachte heb ik in deze tijd proberen te
zetten en ik heb het ook mee laten werken in mijn gedachtegoed en mijn
concept van de Europese Uitwisselingsacademie. Het is er ook mogelijk,
hoewel de tijd daar te kort voor is. Ik zou graag van die academie een
tienmaandelijkse post-academische opleiding willen maken. Die kant wil
ik op. Maar dat is een dermate grote investering, die kan ik niet meer
overzien. Dat is niet mijn taak maar die van het ministerie van
onderwijs in Brandenburg. Dat zou het mooiste zijn, dat je ergens in
Europa nog een moment hebt, dat je die koestering van dat talent hebt.’