Kwantumwerkelijkheid


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

Meer een geestelijke dan een dingmatige werkelijkheid......

 

Een uitleg, overgenomen uit een nieuwetijds boek[1] voor het brede publiek:

 

“Het universum is erg vreemd. Er schijnen twee stelsels van wetten te zijn die het universum regeren. In onze alledaagse, klassieke wereld (dat wil zeggen de wereld met ruwweg onze maatstaven van afmetingen en tijd) worden de zaken beschreven door bewegingswetten van Newton die honderden jaren geleden zijn opgetekend. Maar wanneer we de wereld van het kleine binnengaan, die van ‘de atomen’ zelf, neemt een ander stel wetten het over. Dat zijn de kwantumwetten.”

- Stuart Hameroff

 

[voor meer uitgebreide, wetenschappelijke uitleg kun je HIER websites vinden]

 

Wat de kwantumtheorie heeft onthuld is zo verbijsterend dat het meer op sciencefiction lijkt: deeltjes kunnen zich op twee of meer plaatsen tegelijk bevinden. (Bij een recent experiment bleek dat een deeltje op wel drieduizend plaatsen tegelijk kon zijn!) Een en hetzelfde ‘object’ kan zowel een deeltje blijken te zijn dat op een bepaalde plaats kan worden gelokaliseerd, als een golf die zich over ruimte en tijd uitstrekt.

 

Einstein zei dat niets zich kan verplaatsen met een snelheid groter dan die van het licht, maar de kwantumfysica heeft aangetoond dat subatomaire deeltjes onmiddellijk met elkaar communiceren en wisselwerken, over elke afstand in de ruimte, dus zonder tijdvertraging.

De klassieke fysica was deterministisch: gegeven een aantal beginvoorwaarden, zoals de positie en snelheid van een object, kon met zekerheid de baan ervan worden bepaald. De kwantumfysica is ‘probabilistisch’ (te achterhalen via een speciale kansrekening): je kunt nooit met absolute zekerheid weten wat er met een bepaald iets zal gebeuren, wel de mate van waarschijnlijkheid ervan bepalen.

 

De klassieke fysica was reductionistisch: ze was gebaseerd op de vooronderstelling dat alleen door de afzonderlijke delen te kennen, uiteindelijk het geheel kon worden gekend. De nieuwe fysica is meer organisch en holistisch; ze schetst een beeld van het universum als een samenhangend geheel, waarvan de delen onderling verbonden zijn en elkaar beïnvloeden.

Het belangrijkste is misschien wel dat de kwantumfysica de scherpe cartesiaanse scheiding tussen subject en object, de waarnemer en het waargenomene, dat de wetenschap gedurende vierhonderd jaar heeft gedomineerd, geheel ophief. In de kwantumfysica beïnvloedt de waarnemer het waargenomen object. Er zijn geen op zichzelf staande waarnemers van een op zich zelf staand mechanisch universum - alles participeert in alles van het universum.

 

Laten we eerst iets bij de kop pakken dat voor de meesten van ons bekend is. Een van de eerste barsten in het bouwwerk van de newtoniaanse fysica was de ontdekking dat atomen, de zogenaamde solide ‘bouwstenen’ van het stoffelijke universum, voor het grootste deel uit lege ruimte bestonden. Hoe leeg? Als we de kern van een waterstofatoom zien als een basketbal, dan zou het elektron dat eromheen draait zo'n 36 kilometer verder weg zijn - en alles daartussenin zou ‘leeg’ zijn. Dus als je om je heen kijkt, bedenk dan dat wat daar in werkelijkheid is, uiterst kleine puntjes materie zijn, omgeven door.. ‘niets’.

Hoewel: ook weer met helemaal. Die zogenaamde 'leegte' is helemaal niet leeg, het is eerder een soort ‘lege volheidsruimte’: ze bevat namelijk enorme hoeveelheden subtiele, krachtige energie. We weten dat de energie toeneemt naarmate we naar subtielere niveaus van de materie gaan (kernenergie is bijvoorbeeld een miljoen maal krachtiger dan chemische energie). Wetenschappers zeggen nu dat één kubieke centimeter ‘lege ruimte’ (ongeveer de afmeting van een knikker) meer energie bevat dan alle materie in het ons bekende universum. Hoewel de omvang van deze immense hoeveelheid energie niet rechtstreeks meetbaar is, zijn de effecten van deze ‘oceaan van onmetelijke energie’ wel vastgesteld. [2]

 

Deeltje, golf of golfdeeltje?

 

Niet alleen is er 'ruimte' tussen deeltjes, maar naarmate wetenschappers dieper in het atoom doordrongen, ontdekten ze dat ook de subatomaire deeltjes (de ‘bestanddelen’ van de atomen) niet ‘vast’ zijn, ook dat waren geen dingmatige ‘knikkertjes’. En… ze blijken tweeledig van karakter te zijn. Afhankelijk van hoe we ernaar kijken, kunnen ze zich of als ‘deeltjes’ of als ‘golven’ gedragen. Deeltjes kunnen mathematisch worden beschreven als afzonderlijke, vaste objecten met specifieke locaties in de ruimte. Golven, daarentegen, zijn niet op een punt te lokaliseren of vast, maar breiden zich uit, zoals geluidsgolven of de golven in water.

 

Als golven hebben de elektronen en hun fotonen (lichtdeeltjes) géén precieze locatie; ze bestaan als 'waarschijnlijkheidsvelden'. Wanneer ze optreden als deeltjes 'stort' het waarschijnlijksheidsveld 'ineen' (het 'collabeert') tot een vast ‘object’ dat op een bepaalde plaats en op een bepaald moment lokaliseerbaar is.

Vreemd genoeg blijkt het verschil te worden bepaald door hoe we ernaar kijken of hoe we meten. Niet-gemeten, niet-waargenomen elektronen gedragen zich als plaatsloze golven. Zodra we ze in een experiment aan waarneming onderwerpen, storten ze ineen als deeltjes en kunnen dan worden gelokaliseerd.

 

Hoe kan iets zowel een vast deeltje als een vervloeiende golf zijn? Wellicht is deze paradox op te lossen door eraan te herinneren wat we hierboven zeiden: atoomdeeltjes gedragen zich als golf òf massadeeltje. Maar ‘golf’ is alleen maar een vergelijking. Net zoals 'deeltje' een benadering is van onze alledaagse wereld. Het idee van een golf werd in de kwantumtheorie benadrukt door Erwin Schrödinger, die met zijn befaamde 'golfvergelijking' mathematisch de golfachtige waarschijnlijkheden van het deeltje van voor de waarneming uitdrukte. In een poging duidelijk te maken dat zij niet echt weten waar zij mee van doen hebben, maar dat zij nog nooit zoiets hebben gezien, hebben sommige fysici besloten het verschijnsel een wavicle (golf-deeltje) te noemen.

 

Kwantumsprongen en waarschijnlijkheid

 

Bij het bestuderen van het atoom ontdekten wetenschappers dat wanneer elektronen die rond de kern cirkelen van de ene baan naar een andere overgingen, ze zich niet door de ruimte verplaatsen zoals gewone objecten dat doen: ze verplaatsen zich onmiddellijk. Dat wil zeggen, ze verdwijnen van de ene plek, de ene baan, en komen in een andere weer tevoorschijn. Dit werd een kwantumsprong genoemd.

 

Alsof dat nog niet genoeg tegen de regels van de werkelijkheid van het gezond verstand zondigde, ontdekten de wetenschappers ook dat ze niet precies konden bepalen waar de elektronen tevoorschijn zouden komen, of wanneer ze de sprong zouden wagen. Het beste dat ze konden doen was de waarschijnlijkheden (Schrödingers golfvergelijking) formuleren van de nieuwe locatie van een elektron. ‘De werkelijkheid zoals we haar ervaren wordt elk moment nieuw gecreëerd vanuit deze verzameling van mogelijkheden,' zegt dr. Satinover, 'maar het raadselachtige hierbij is dat wat er in dat scala van mogelijkheden gaat gebeuren, wordt bepaald door iets wat geen deel uitmaakt van het stoffelijke universum!’ Of zoals dan vaak wordt gezegd: kwantumgebeurtenissen zijn de enige echt ‘willekeurige’ gebeurtenissen.

 

Het onzekerheidsprincipe

 

In de klassieke fysica kunnen alle eigenschappen van een object, met inbegrip van positie en snelheid, nauwkeurig worden gemeten, voor zover onze technologie dat toelaat. Maar wanneer je op het kwantumniveau een eigenschap meet, zoals snelheid, kun je andere eigenschappen, zoals locatie, niet meer precies bepalen. Als je weet waar iets zich bevindt, kun je niet weten hoe snel het beweegt. Als je weet hoe snel het beweegt, weet je niet waar het is. En hoe verfijnd of geavanceerd de technologie ook is, het is onmogelijk door deze sluier van (on)nauwkeurigheid been te komen. Het onzekerheidsprincipe (ook aangeduid als het principe van onbepaalbaarheid) werd geformuleerd door Werner Heisenberg, een van de eerste pioniers van de kwantumfysica. Het zegt dat hoezeer je ook je best doet, je geen precieze meting kunt krijgen van zowel de snelheid als de positie. Hoe meer we ons op het ene richten, hoe onzekerder de meting van het andere wordt.

 

Non-lokaliteit, EPR, Bells theorema en kwantumverstrengeling

 

Albert Einstein hield niet van de kwantumfysica (om het zacht uit te drukken). Hij reageerde onder andere op het genoemde random karakter met de befaamde uitspraak: ‘God dobbelt niet met het universum.’ Waarop Niels Bohr antwoordde: ‘Vertel God niet wat Hij moet doen!’

 

In een poging de kwantummechanica te verwerpen ontwierpen Einstein, Podolsky en Rosen (EPR) in 1935 een gedachte-experiment waarmee ze wilden aantonen hoe belachelijk die was. Zij lichtten heel slim een van de implicaties van de kwantumtheorie eruit waar in die tijd weinig begrip voor was: je neemt twee deeltjes die op hetzelfde moment zijn gecreëerd, dat wil zeggen dat ze verstrengeld zijn, oftewel in superpositie. Vervolgens schiet je ze in tegengestelde richtingen het universum in. Dan verander je iets aan de toestand van een van de deeltjes en wat zie je: het andere deeltje verandert ogenblikkelijk en neemt een overeenkomstige toestand aan. Onmiddellijk!

 

Einstein vond dit idee zo belachelijk dat hij dit een 'spookachtige werking op afstand' noemde. Volgens zijn relativiteitstheorie kan niets zich met een grotere snelheid voortbewegen dan met de lichtsnelheid. En hier ging het om oneindig snel! Verder was het idee dat een elektron instant-contact kon hebben met een ander elektron aan de andere kant van het universum in strijd met elke opvatting van het gezond verstand over de werkelijkheid.

 

Toen ontwierp John Bell in 1964 een theorie die de EPR-aanname correct verklaarde. Dat is precies wat er gebeurt; het idee dat een deeltje lokaal is, of op één plaats bestaat, is onjuist. Alle deeltjes is non-lokaal, niet-plaatsgebonden. De deeltjes zijn hecht met elkaar verbonden op een bepaald niveau dat tijd en ruimte overstijgt.

 

Sinds Bell zijn theorema publiceerde is dit idee in de loop der jaren keer op keer in het laboratorium geverifieerd. Probeer dit eens even te bevatten. Tijd en ruimte, de meest elementaire kenmerken van de wereld waarin we leven, worden in de kwantumwereld op de een of andere manier achterhaald door het idee dat alles voortdurend en onmiddellijk met elkaar in bepaalde wisselwerkingsrelaties staat. Geen wonder dat Einstein dacht dat dit het einde van de kwantummechanica betekende: het is onlogisch.

 

Niettemin lijkt dit verschijnsel een werkbare wet in het universum te zijn. In feite zou Schrödinger gezegd hebben dat verstrengeling niet een van de interessante aspecten van de kwantumtheorie was, maar hèt aspect. In 1975 noemde de theoretisch fysicus Henry Stapp het theorema van Bell ‘de meest opzienbarende ontdekking van de wetenschap.’ Merk op dat hij zegt: wetenschap, niet fysica.

 

Kwantumfysica en mystiek

 

Het is inmiddels makkelijker te begrijpen dat de twee gebieden fysica en mystiek elkaar raken: dingen zijn ogenschijnlijk gescheiden maar staan voortdurend met elkaar in verbinding (non-lokaal); materie blijkt  een golffunctie te hebben en slechts te 'collaberen', oftewel ruimtelijk ‘concreet’ te worden, wanneer ze wordt gemeten. Mystici lijken geen problemen te hebben met deze ideeën, waarvan de meeste dateren van voor de komst van de deeltjesversneller. Veel grondleggers van de kwantumtheorie hadden grote belangstelling voor spirituele zaken. Niels Bohr voerde het yin/yang-symbool in zijn familiewapen; David Bohm voerde lange gesprekken met de Indiase wijze Krishnamurti; Erwin Schrödinger gaf lezingen over de Upanishaden (het laatste deel van de veda's).

 

Maar ‘bewijst’ de kwantumfysica het mystieke wereldbeeld? Afgezien van door de wol geverfde materialisten, schijnt de consensus te zijn dat we in het stadium van de analogie verkeren. Dat de parallellen gewoon te verbazingwekkend zijn om te negeren. Dat de denkrichting waarbij van een paradoxaal wereldbeeld wordt uitgegaan, dezelfde is in de kwantumtheorie als in zen. Zoals dr. Radin zegt, die we eerder aanhaalden: ‘Er is de suggestie om op een andere manier naar de wereld te kijken; hij wordt aangeduid van de kant van de kwantummechanica.’

 

Vragen over wat de oorzaak is van de 'collaps' (ineenstorting) van de golffunctie tot een deeltje, en of kwantumgebeurtenissen echt willekeurig zijn, die vragen zijn nog grotendeels onbeantwoord. Maar hoewel het een uitdaging is om een waarlijk eensluidend concept van de werkelijkheid te vinden, dat noodzakelijkerwijs onszelf insluit en dat antwoord geeft op de raadselen van de kwantumwereld, maant de eigentijdse filosoof Ken Wilber ook tot behoedzaamheid: “Het werk van deze wetenschappers (Bohm, Pribram, Wheeler en anderen)  is te belangrijk om te worden belast met wilde speculaties over mystiek. En de mystiek zelf is te diepzinnig om in verband te worden gebracht met wetenschappelijk getheoretiseer. Laten ze elkaar in hun waarde laten en laat de dialoog en de uitwisseling van ideeën nooit ophouden... Mijn punt in het bekritiseren van bepaalde aspecten van het nieuwe paradigma is dan ook beslist niet bedoeld om de interesse in verdere pogingen de kop in te drukken. Het is veeleer een oproep tot precisie en helderheid bij het presenteren van kwesties die tenslotte buitengewoon ingewikkeld zijn.[3]

 

Conclusies

 

Conclusies? Je maakt zeker een grapje! Als je conclusies hebt, kom er dan alsjeblieft mee naar buiten! Hoe dan ook, wees welkom in de controversiële, stimulerende, raadselachtige, onthullende wereld van het abstracte 'denken. Wetenschap, mystiek, paradigma's, werkelijkheid - zie wat de mensheid heeft onderzocht, ontdekt en bediscussieerd.

Zie hoe de menselijke geest deze vreemde wereld waarin we ons schijnen te bevinden, heeft geëxploreerd. Dit is onze werkelijke grootheid.

 

Een commentaar van Dr. Palmyre Oomen (Radboud Universiteit, 1999) in haar toespraak “Theologie en exacte wetenschappen, een asymmetrische verhouding”:

De natuurwetenschap wordt 'vreemd'.

 

Er gebeurt in onze twintigste eeuw ten aanzien van de verhouding natuurwetenschap vs theologie iets merkwaardigs. Ten dele leeft bij natuurwetenschappers de deïstische zienswijze, ten dele verstaan ze natuurwetenschap als a‑ of antitheïstisch. Maar er treedt ook een merkwaardige transformatie op. De sinds de Verlichting gebruikelijke tweedeling van de heldere, objectieve, niet speculatieve maar empirische natuurwetenschap versus de onheldere, subjectieve, niet verifieerbare en wel speculatieve theologie, verliest haar plausibiliteit. En wel doordat de zogenaamde exacte wetenschappen even vreemd aan het worden zijn als de theologie, zo niet vreemder dan de theologie...

 

Wat hebben we in deze eeuw dan gehoord?

 

- De relativiteitstheorie ‑ de theorie waaraan de naam van Albert Einstein vastgeklonken is en die gaat over zeer grote snelheden ‑ heeft ons verteld dat de snelheid van het licht een absolute grens stelt aan bewegingssnelheid, dat daarom energie in massa omgezet kan worden en vice versa, en tijd niet onafhankelijk is van ruimte. Een van de gekke gevolgen laat zich als volgt vertellen: Van een tweeling reist zus A met een snelheid van bijna de lichtsnelheid naar een ster en retour. Wanneer ze terugkomt is er voor de thuisgebleven zus B intussen tien jaar verstreken, voor zus A is er echter maar één jaar voorbijgegaan, zij is dus in de tussentijd ook maar één jaar ouder geworden. Het lijkt wel science fiction, maar het is toch heus science !

 

- Of de veel besproken kwantummechanica ‑ de theorie van de zeer kleine deeltjes, de theorie waaraan onder meer de namen verbonden zijn van Max Planck, wederom Albert Einstein, Werner Heisenberg, Erwin Schrödinger, Max Born en Paul Dirac, en als meest filosofische en ' vader' van de groep: de fysicus Niels Bohr. De kwantummechanica is als formalisme tot nu toe zeer succesvol en in haar toepassingen alledaags, maar ze houdt al vijfenzeventig jaar de gemoederen bezig wat betreft haar interpretatie. De theorie houdt onder meer in dat elementaire deeltjes een golfkarakter hebben (en golven een deeltjeskarakter). Dat één deeltje daarom door twee spleten tegelijk kan gaan en gaat, of beter: dat een 'entiteit' dat doet, die pas een deeltjeskarakter krijgt als ze waargenomen wordt. Dit is een raadsel voor ons voorstellingsvermogen. Want vóór de waarneming was de betreffende 'entiteit' kennelijk nog tegelijkertijd in zowel de ene mogelijke toestand als de andere mogelijke toestand... en pas bij meting wordt dat verengd tot één werkelijke toestand. Waarom gebeurt dat bij meting? en wáár in het meetproces? Heisenberg heeft er daarbij op gewezen dat we nooit de plaats én de bewegingssnelheid van een deeltje kunnen weten. Naarmate je een van de twee preciezer meet wordt de onzekerheid van de andere vergroot. Bovendien blijkt dat meting aan identieke uitgangssituaties tot verschillende resultaten kan leiden, anders gezegd dat er effecten zijn zonder oorzaak. Dat kan niet, zei Einstein, dan móét er een verschil zijn in de uitgangssituatie dat we alleen nog niet ontdekt hebben (een 'hidden variable'). Deze voor de hand liggende reactie is intussen gelogenstraft. Er kunnen geen 'lokale verborgen variabelen' in het spel zijn blijkt uit proeven van Alain Aspect en anderen. Wat dan? Is er sprake van een wezenlijke onbepaaldheid op ontologisch niveau? Dat is de meest aangehangen interpretatie. Of zijn er vele werelden zodat iedere mogelijkheid een eigen wereld heeft waarin deze zich afspeelt? Of is er tóch een verborgen variabele, maar dan van 'niet‑lokale' of 'holistische' aard waardoor de indeterminisme‑these niet nodig is? En aansluitend bij dit laatste: of non-lokaliteit het indeterminisme nu wegverklaart of niet, op zich blijkt het te bestaan en dat is al raadselachtig genoeg, want het betekent dat er tóch snelheden mogelijk zouden zijn sneller dan licht (wat in strijd is met de relativiteitstheorie en derhalve onbegrijpelijk) of dat gebeurtenissen die geen causale invloed op elkaar kunnen uitoefenen wel als één gekoppeld geheel reageren. Een letterlijk holisme dus, dat met het geven van die benaming echter nog niet begrepen is!

 

Kortom:

- onvoorspelbaarheid,

- onzekerheid en

- onvoorstelbaarheid,

dat is het resultaat van een theorie die in mathematische beschrijving én in haar praktische toepassingen buitengewoon succesvol is.

 

‑ De vreemdheid bleef echter niet beperkt tot de fysica. In dezelfde periode (1931) kwam de wiskundige Kurt Gödel (1906‑1978) met het bewijs dat ieder voldoende complex axiomatisch wiskundig systeem onvolledig is, dat wil zeggen dat er binnen dat systeem altijd wel één propositie gesteld kan worden die niet binnen dat systeem bewezen of ontkracht kan worden. En als je denkt slim te zijn, en die ene propositie dan als axioma toevoegt aan de originele set van axioma's? Dan is ook dit nieuwe systeem op zijn beurt onvolledig. En dit ad infinitum. (Het is zoiets als het Droste-doosjes‑effect. Er is altijd een doosje of een zuster méér, hoever je ook doorgaat). Gödel bewees dus als wiskundige dat het onmogelijk is een bewijs te leveren voor alle ware uitspraken. De soort uitspraken die niet beslisbaar zijn lijken op de beroemde paradox van Epimenides ('Alle Kretenzers liegen, zei de Kretenzer'). Het is een gemathematiseerde versie van 'Deze propositie is onbewijs-baar'. Gödel leverde het wiskundige bewijs dat deze propositie binnen het systeem onbewijsbaar is, maar waar is. Anders gezegd, bewijsbaarheid en waarheid zijn verschillende zaken, en er zijn uitspraken die wel waar zijn, maar niet bewijsbaar zijn.

 

Voordat we aangeven wat dit betekent voor de relatie van de exacte wetenschap tot de theologie, is het goed nog even bij een bijzonderheid van dit voor niet‑insiders vreemde materiaal stil te staan. We zagen net dat de propositie die bij Gödel tot deze vreemde bevinding leidt, een propositie is die in zichzelf een verwijzing naar zichzelf heeft. In die zelf-referentialiteit zit de crux. In zekere zin is er ook iets dergelijks aan de hand bij de kwantummechanica: we willen kwanta meten, maar om die te meten hebben we kwanta nodig. Daarmee komt de meetverstoring in de orde van het te meten fenomeen, dat daardoor principieel voor ons onkenbaar wordt. Zelfreferentialiteit lijkt echter ook een rol te spelen in het laatste domein van de natuurwetenschap dat ik hier nog als revolutionair wil aanstippen, namelijk de nieuwe inzichten die er opduiken op het raakvlak van thermodynamica en biologie.

 

‑ De tweede hoofdwet van de thermodynamica geeft aan, globaal gezegd, dat processen verlopen in de richting van een minimale vrije energie, en daarmee veelal in de richting van meer wanorde ('entropie'). Desondanks vertonen met name levende organismen een grote mate van langere tijd in stand blijvende geordendheid. Gerard Bodifée illustreert het verschil met behulp van het beeld van een boom en een houten bank eronder. Terwijl de bank keurig doet wat je volgens de genoemde tweede hoofdwet ook verwacht ‑ hij rot langzaam weg en valt uit elkaar ‑, ondergaat de boom een ander lot ‑ hij groeit en blijft gedurende lange tijd in orde. Het probleem hoe dit typische kenmerk van leven te rijmen is met de thermodynamica, is tot op heden punt van debat. Een debat dat in de jaren veertig begonnen is naar aanleiding van werk van de (boven ook al genoemde) fysicus Erwin Schrödinger en waarin de laatste decennia ook Ilya Prigogine een rol speelt. Prigogine cum suis stellen dat er 'order out of chaos'  kan voorkomen bij die systemen die open zijn én die ver van een evenwichtstoestand gehouden worden (bijvoorbeeld door de zon). Er kunnen dan structuren ontstaan die in zichzelf orde opbouwen en handhaven, terwijl gekoppeld daaraan extern de wanorde toeneemt. Wat is hier voor nodig? Het reeds genoemde 'open zijn' en 'ver van een evenwichtstoestand gehouden worden' zijn noodzakelijk maar niet voldoende. Ook nodig is het in het algemeen, dat het systeem een bepaalde kritische waarde overschrijdt. Veelal hangt dit samen met het optreden van processen waarvan de resultaten op het proces zelf terugwerken, die dus zichzelf kunnen beïnvloeden (autokatalyse bijvoorbeeld), wat vaak gepaard gaat met niet‑lineariteit. Boven een bepaalde kritische waarde kan er dan een structuur ontstaan die zichzelf in stand houdt, waarbij wel voorspelbaar is dát er zo'n bepaalde ordelijke structuur zal ontstaan, maar veelal niet voorspelbaar is wélke (hier komt chaostheorie om de hoek kijken). In Santa Fe is er een bloeiend en  beroemd onderzoeksinstituut dat precies focust op deze samenhang van complexiteit en chaos, niet‑lineariteit en zelf‑organisatie, en dat binnen zeer uiteenlopende disciplines als onder meer economie, biologie, informatica, wiskunde, fysica.

 

Tot zover deze parade van vreemde en spannende ontwikkelingen in de exacte wetenschappen. Veelvuldig optredende begrippen hierbij waren: onvoorspelbaarheid, onbewijsbaarheid, enzovoort.

Deze omslag in de exacte wetenschappen heeft bij een aantal bètawetenschap-pers teweeggebracht dat ze hun vak niet langer verstaan in de eerder beschreven moderne a‑ of anti‑theïstische zin, maar dat zij opnieuw een parallel zien of zoeken met religieuze thema's en theologisch onderzoek. En de zaken die inhoudelijk aan de orde zijn als tijd, determinisme en vrijheid, ontstaan van de wereld, objectiviteit van de wereld, leven, geest, waarheid die bewijsbaarheid overstijgt, hébben natuurlijk ook onmiskenbaar meer of minder een religieuze lading.

 

Bovendien komt ook een zekere correlatie naar voren tussen theologie en natuurwetenschap juist met betrekking tot dat niet-kunnen: niet kunnen voorstellen, niet kunnen bewijzen, een altijd-wijkend object hebben. Waar de natuurwetenschap eerst 'gewoon' de materiële natuur tot object leek te hebben, wijkt dit object steeds verder terug. Wat leven uitmaakt is steeds minder 'iets' maar zoiets immaterieels als een zichzelf instandhoudend organisatiepatroon. De atomen zijn allang geen atomen meer, en de deeltjes waaruit ze bestaan worden steeds minder 'materieachtig'. Alles wat we ervan zeggen geldt meer niet dan wél: het is een deeltje maar gedraagt zich ook als niet‑deeltje, het heeft een golfkarakter behalve als je er naar kijkt... Met een dergelijk wijkend 'object' is de theologie zeer vertrouwd. Bij God kunnen we niet weten wat hij is, maar wat hij niet is, zegt Thomas van Aquino. En deze nadruk op het niet-weten is sterk uitgewerkt in de zogeheten negatieve theologie.

 

Deze onderlinge gelijkenis tussen natuurwetenschap en theologie biedt mogelijkheden, verrassende, uitdagende, onzeker makende mogelijkheden, en dat laatste vooral ook door de vele valkuilen die dreigen. René Munnik verwoordt die valkuilen met verve:

 

"Er is een specifiek gevaar verbonden met deze niet‑voorstelbaarheid van de betekenis van de parameters in de mathematische beschrijving. Dat is het gevaar van een zinloze speculatie omtrent hun betekenis, en de charme van allerlei paradoxen die het gevolg zijn van de koppeling van de mathematische beschrijving en de haar toegedichte betekenissen. ... Een goed deel van de aantrekkingskracht van wat men holisme of new age wetenschap ... pleegt te noemen, is het gevolg van dit rariteitenkabinet van inadequate voorstellingen, waarin omwille van de niet‑voorstelbaarheid de fantasie de vrije loop wordt gelaten en er dus van alles blijkt te kunnen. ... Listig wordt er gebruik gemaakt van het argumentum ad ignorantiam waarin verstandige theologen een rad voor ogen wordt gedraaid met een mathematisch formalisme dat ze niet kunnen doorzien, en waarin aan verstandige natuurwetenschappers, dwars door alle categoriefouten heen, uitermate versimpelde metafysische inzichten wordt aangeboden.

 

 

terug naar pagina 


[1] What the Bleep do we know!?, naar de film Down the Rabbit Hole, 2006, ISBN 10 90 213 8018 7

[2] Voor meer informatie hierover kun je zoeken naar 'vanderwaalskrachten' en het 'casimireffect'.

[3] Ken Wilber, The Holographic Paradigm. Shambhala, Boston 1985.