Geinspireerd door een werk van Eva Melotte, Marleen van Tendeloo en Jacques Cornette, willen we in deze tekst wat meer vertellen over "Le Moulin de Belle Meuse" en zijn omgeving. We beginnen op het eerste gezicht wat ver door het te hebben over het ontstaan van de Ardennen, maar als je weet dat Bérismenil in het hartje ervan ligt... De Belgische Ardennen liggen volledig in de provincie Luxemburg. Ten noorden worden ze begrensd door de depressie van de Vesder, ten noordwesten door de Fange- Famenne. Naar het zuidwesten toe liggen de Ardennen over de Belgisch-Franse grens heen. In het zuiden en het zuidoosten worden ze begrensd door de lijn iets ten noorden van de lijn Florenville, Ettelbrück, Diekirch en Bitburg. De Ardennen lopen ook verder uit in het Groothertogdom Luxemburg en in West-Duitsland en bereiken bijna overal een hoogte van 400 meter en meer boven de zeespiegel. Ze vormen zeker geen gebergte, niet in absolute hoogte, en zeker niet in reliëf. Men vindt inderdaad geen enkele uitstekende top terug in heel de Ardennen, het volledige landschap is afgevlakt tot een plateau. Bij de Hoge Venen in het noordoosten bereikt dit een hoogte boven de 650 meter, om dan naar het zuidwesten toe af te hellen. Toch heeft de toerist, wanneer hij de wegen doorheen de Ardennen bewandelt, de indruk dat deze een bergachtig gebied vormen. Dit komt doordat in de loop van miljoenen jaren geschiedenis de rivieren zich soms tot meer dan 150 meter diep hebben ingesneden.
We zullen nu in het kort de vormingsgeschiedenis van de Ardennen schetsen.
Reeds miljoenen jaren geleden ontstonden de Ardennen op de bodem van een zee. Daardoor bevatten ze afzettingsgesteenten en op enkele uitzonderingen na geen stollingsgesteenten. De Ardense sokkel behoort tot de oudste in ons land bekende geologische formatie, namelijk het CAMBRIUM (600 tot 450 miljoen jaren geleden), waarvan de gesteentelagen werden afgezet in de Cambrische zee, bijna 500 miljoen jaren geleden. De Cambrische gesteenten worden bij boringen bijna overal in ons land aangetroffen. Het zijn leistenen en kwartsieten, soms ook kwartsleien.
Door een eerste grote plooibeweging wordt de met sedimenten bedekte zeebodem opgeheven, zodat de Ardennen voor de eerste maal in de geologische geschiedenis bergland worden. Het is de zogenaamde CALEDONISCHE PLOOIING (350 miljoen jaren geleden) waarvan de uitwerking zich het sterkst laat voelen in noordwest Europa van Ierland en Schotland tot Scandinavië. Aldus wordt het oppervlak van de Ardennen voor de eerste maal gemodelleerd. De Ardennen bevinden zich slechts aan de rand van het Caledonisch massief en worden weldra gesloopt en genivelleerd door de erosie om voor lange tijd opnieuw te verzinken in de ondiepe, warme Devoonzee. De periode van het CARBOON (350 tot 270 miljoen jaren geleden) is heel belangrijk voor het leven op aarde. Er wordt veelvuldig steenkool gevormd. We vermelden de verschijning van de eerste reptielen, de ontplooiing van de amfibieën, de ontwikkeling van de gevleugelde insecten en de sterke uitbreiding van de landflora waaronder een rijke ontwikkeling van de sporenplanten als varens, wolfsklauwen en paardenstaarten, en de verschijning van de eerste naaktzadigen.Op het einde van het CARBOON heeft de belangrijkste gebeurtenis van de hele geschiedenis der Ardennen plaats, namelijk de opheffing van een deel van Europa, van de Ardennen tot Bohemen, door de HERCYNISCHE PLOOIING (250 miljoen jaren geleden). Tijdens deze nieuwe periode van gebergtevorming worden de Ardennen een gebergte met toppen van 3000 meter en meer. We willen hier even opmerken dat bewegingen van de aardmaterie grootschalig zijn en zich niet beperken tot de Ardennen. De HERCYNISCHE PLOOIING bijvoorbeeld, die plaats had op het einde van het CARBOON en het daaropvolgende PERM (dus een periode van miljoenen jaren, niet zomaar plots), verspreiden zich over de hele aarde. Na deze tweede gebergtevorming van de Ardennen, begint echter dadelijk terug de afbraak door erosie. Het snel stromend water van de stortbeken en rivieren voert het afbraakmateriaal mee naar de MESOZOISCHE ZEE (secundair tijdperk) en naar de KENOZOISCHE ZEE (tertiair tijdperk), die daardoor geleidelijk worden opgevuld. Als gevolg van dit slopingswerk worden de Ardennen gereduceerd tot een grote vervlakking, een planatieoppervlak (PO) genoemd. Dit wordt nadien bij de transgressie van de BOVEN-KRIJTZEE (80 miljoen jaren geleden) die geheel België overspoelt, nog verder afgevlakt doordat de zee de nog overgebleven oneffenheden verder weg erodeert. | Tijdens het OLIGOCEEN (50 miljoen jaren geleden) vindt er in het noordelijk deel van Frankrijk en het zuidelijk deel van België de vorming plaats van een langgerekte opwelvingsrug. Ten gevolge van een verre terugslag van de Alpiene gebergtevorming wordt geheel zuidelijk België opgeheven, terwijl het niveau van Nederland een langzame daling ondergaat. De opheffing van de Ardennen wordt op 300 meter geraamd, en gaat nu nog door. In België gaat dit volgens de as Paliseul, Libramont, Bastogne en St-Vith. Daardoor is de kam van Bastogne het eerste gebied van het Ardense planatieoppervlak dat wordt opgeheven.Dat de kam van Bastogne aanvankelijk het hoogste punt van de Ardennen vormde, niettegenstaande hij op het huidige ogenblik bijna 200 meter lager ligt dan de Hoge Venen, wordt zeer mooi aangetoond door het hydrografisch patroon van de Ardense rivieren. De as van Bastogne vormt immers de  waterscheidingkam tussen de naar het noorden stromende rivieren (Houille, Lesse, Lomme, West-Ourthe, Salm, Amblève,...) die allen naar de Maas vloeien, en de naar het zuiden stromende rivieren die naar de Semois of de Moezel vloeien. Dat betekent meteen ook dat de hoge plateaus van St-Hubert, Tailles en Hoge Venen slechts zeer recent hun tegenwoordige hoogte bereikt hebben. Indien ze bij het ontstaan van het Hydrografisch net al zo hoog hadden gelegen, dan had de waterscheidingkam niet over de rug van Bastogne gelopen, maar wel over de as St-Hubert, Tailles, Hoge Venen. In het begin van het MIOCEEN (25 miljoen jaren geleden) vangt dan een algehele opheffing plaats van het hele Ardense massief. Deze opheffing gaat verder gedurende het PLIOCEEN (10 miljoen jaren geleden). Zij krijgt een nieuwe stoot bij de aanvang van het PLEISTOCEEN (kwartair tijdvak, geslepen steen),en duurt op dit ogenblik nog steeds voort. Men heeft aan de hand van nauwkeurige metingen uitgemaakt dat actueel het gebied der Hoge Venen stijgt met een millimeter per jaar, wat een erg hoge waarde is: op een eeuw geeft dit een stijging van 10 centimeter en op duizend jaar een stijging van een meter. Sinds het begin van het HOLOCEEN (10000 jaar geleden) zijn de Hoge Venen ongeveer 10 meter gestegen. Vanzelfsprekend is de stijging niet altijd even sterk geweest, anders zouden de Hoge Venen sinds het begin van het PLEISTOCEEN 2000 meter gestegen zijn, wat natuurlijk niet het geval is. De opheffing van de Ardennen kan men beschouwen als een neveneffect van de daling van de Rijnslenk in Duitsland, net over de grens. Bij het dalen van een slenk ontstaan aan weerszijden gebieden die opgeheven worden, omdat het inzakkende materiaal van de slenk een druk uitoefent op de gesteenten die er naast gelegen zijn. Van de Rijnslenk weet men dat ze in het KWARTAIR bijzonder actief was en aanzienlijk is gedaald. Zouden deze bewegingen iets te maken hebben met de recente aardbeving in ons land? Door de nieuwe opheffing werd de erosie versterkt en de rivierbeddingen werden diep uitgeschuurd. Waar de zachte gesteenten minder weerstand bieden aan de erosie, beschrijven de rivieren wijde bochten. De vallei is smaller waar de gesteenten hard zijn. De rivierbeddingen hebben een asymmetrisch profiel met een steile oever aan de bolle kant van de bochten, hier wordt de rotsachtige basis van de steile flank van het dal ondermijnd. Een vlakke oever krijgen we aan de holle kant, waar sedimenten door de rivier worden afgezet. Het hart van de Ardennen behoort tot het kleisteenachtig massief van het Rijnland. De V-vorm van de valleien wijst erop dat de erosie door de rivieren niet voltooid is. De ondergrond bestaat uit leisteen- en zandsteenrotsen, aan de oppervlakte verweert tot een dunne laag van koude kleibodems of arme zandgronden. Geen van beide zijn vruchtbaar. Het slopen van de Ardennen en andere gebergten heeft bijgedragen tot de vorming van de grote vlakten waaraan Europa zijn bloei en welvaart te danken heeft. Het resultaat van de lange geologische geschiedenis van de Ardennen is een harmonieus landschap met zacht, rijp reliëf, een golvend plateau, een schiervlakte, in delen gesneden door diepe rivierdalen, van Oost naar West: de Amblève, de Ourthe, de Lesse en de Maas. Om de landschappen en de plantengroei van de Ardennen te begrijpen en om inzicht te krijgen in het gebruik dat de mens er van de bodem maakt, is het nodig nog wat uit te wijden over het klimaat in de Ardennen. Op  de Ardense hoogvlakten valt wegens de hoogteligging veel neerslag. Het jaarlijks gemiddelde bedraagt zo'n 1200 mm. (zelfs 1400 mm. in de Hoge Venen), of bijna het dubbele van aan de kust. Men heeft hier te maken met stijgingsregens: de lucht koelt zowat 1° C af per 100 meter stijging, en koudere lucht kan minder waterdamp bevatten. De gemiddelde jaarlijkse temperatuur is hier 7° C (tegenover 9,5° C in Ukkel). Het vriest hier gemiddeld meer dan 100 dagen per jaar (tegenover 60 in Ukkel), van oktober tot soms in juni. Dit is allemaal ongunstig voor de akkerbouw want het is te koud en te nat, vandaar veel veeteelt en natuurlijk bosbouw. Het vee kan in de lange winter binnen staan. De toerist is er wel iets beter af: het regent in de Ardennen 20 dagen per jaar minder dan in Ukkel. Goed om weten is dat augustus en december de natste, maart en oktober de droogste maanden zijn.
|