Geschiedenis

Het boerenmeeuwtje was eeuwenlang een bekende verschijning op vele boerenerven in Nederland. Het leek toen nog het het meest op de huidige Vlaanderse Smierel. Na de oprichting van de Oud-Hollandse Meeuwclub in 1938 ging het snel bergopwaarts met het ras. Er werd een standaard ontwikkeld en er werden clubkeurmeesters opgeleid om deze standaard uit te dragen. De meest bekende was wel de  heer H. Th. Moezelaar, die tevens de belangrijkste initiator van de Oud-Hollandse Meeuwclub was.
Doordat overal dieren vandaan werden gehaald, was de variatie in uiterlijk in het begin enorm en de genetische variatie groot. Het was eerst zaak om te komen tot dieren die zoveel mogelijk de standaard benaderden. De belangrijkste onderdelen waren daarbij de horizontale stand en de breedte en diepte van de borst. Veel van het uitgangsmateriaal was van het veldduiventype en deze dieren kenmerkten zich door een lange en smalle lichaamsbouw en een afhellende stand. Vervolgens richtten de pijlen zich op de kopvorm, waarbij een brede en lange schedel werd verlangd. Een belangrijk onderwerp was daarbij de snavel, die over het algemeen te spits was. Ook ontbrak het vaak aan een ononderbroken overgang van de bovensnavel in de voorhoofdsbelijning. Vooral “springsnavels” waren een veelvoorkomend verschijnsel waarop streng moest worden geselecteerd. De eerste foto’s van Oud-Hollandse Meeuwen die een redelijke gelijkenis vertoonden met de Oud-Hollandse Meeuw van nu, dateren van begin jaren 60 uit de vorige eeuw. Men was toen dus al ruim 2 decennia aan het vervolmaken! De volgende jaren kenmerkten zich door het kruisen met andere sierduivenrassen. Er werden bijvoorbeeld

schildmeeuwen gebruikt om de kleur te verbeteren, schoonheidspostduiven voor krachtiger snavels, Antwerpse Smierels voor langere schedels
en Oosterse Meeuwen voor bredere schedels. Dat kruisen zorgde voor allerlei nieuwe creaties,
die soms al zeer snel werden tentoongesteld. De hoogste predicaten werden toen vaak behaald door
dieren die op bepaalde onderdelen opvielen tussende andere dieren. Extremen werden vaak hoog gewaardeerd, waardoor de eenheid in het ras ver te zoeken was. In de jaren zeventig en begin jaren tachtig ontwikkelde de Oud-Hollandse Meeuw zich tot een relatief grote duif, met in de regel een lange achterpartij en een enorme kop. Helaas had men destijds minder oog voor de voedstercapaciteiten, waardoor veel dieren hun eigen jongen niet meer groot konden brengen en sommige fokkers moesten terugvallen op voedsterduiven. Ook keerden verschillende fokkers het ras de rug toe, omdat het niet meer de charmes had van het meeuwtje van weleer en het ras daardoor geen nostalgische gevoelens meer opriep. Medio jaren tachtig kwam de grote ommekeer. Het ras moest van zijn plompe imago worden ontdaan en terugkeren naar zijn fraaie, adellijke verschijnsvorm. Kruisingen met andere rassen werden nauwelijks nog gemaakt en voedsterduiven werden massaal van de hand gedaan. Met de genetische variatie die door het vele kruisen was ontstaan, kon worden geselecteerd op sjieke dieren die hun eigen jongen groot konden brengen. En met resultaat! Anno 2008 is de Oud-Hollandse Meeuw een kokette vogel in de kooi, die gratie uitstraalt en waarvan alle onderdelen met elkaar in harmonie zijn.