Geschiedenis

De geschiedenis van de N.S.P. is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van devliegpostduif. De postduif als ras is een Belgische creatie en als zodanig in het begin van de 19e eeuw in België ontstaan. Tal van sierduivenrassen zoals meeuwen, carriers, kroppers, Luikse barbetten, diverse tuimelaarsoorten etc. hebben aan de vorming bijgedragen.

Aan de nog steeds voorkomende jabots, bekousde voeten en een enorm scala aan oogkleuren is die heterogene afkomst ook nu nog vast te stellen. Aan het einde van de 19e eeuw waren uit deze smeltkroes een aantal types gevormd. Deze types waren ontstaan in en rond de grote steden en waren vooral van lokale betekenis.

  1. Zo kende men in Luik het zogenaamde Luikse type, deze dieren waren niet te groot, krachtig gebouwd, hadden een jabot en ronde koppen met krachtige snavels. De Luikse barbet, een ook nu nog bestaand ras, heeft duidelijk aan de wieg gestaan.
  2. Het Antwerpse type was meer op de carrier gebaseerd, deze duiven waren hoger gesteld en groter met opvallende grove neuswratten.
  3. Het Brusselse type was breed en kort met volle koppen en grove uitmonstering.
  4. Het Gentse type werd gevormd door kroppers die gekruist werden met de Luikse kortbekken.

Natuurlijk waren er nog meer types, maar de bovengenoemden worden als de grondleggers van de moderne postduif, zoals we die nu kennen gezien. Grove neuswratten die, vooral met regenweer, een grote handicap vormden zijn, door selectie, nu vrijwel verdwenen.

Door de opkomst van het openbare vervoer in de 20e eeuw en de massamotorisering na de Tweede Wereldoorlog zijn die oorspronkelijke lokale rassen opgegaan in een soort allround internationale postduif. Duitsland en vooral ook Nederland hebben in die ontwikkeling een grote rol gespeeld.

Na de eeuwwisseling werden er in meerdere landen pogingen ondernomen om, met behoud van de vliegcapaciteiten, tentoonstellingspostduivenrassen te creëren. Vooral omdat de nagestreefde kopvormen veelal te extreem waren, waren deze pogingen bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Toch hebben deze pogingen geleid tot het ontstaan van een aantal prachtige rassen. De toevoeging "Homer" bij de Engelse rassen heeft echter alleen nog een historische betekenis. Ook de Duitse "Schautaube" heeft niets meer met de "Brieftaube " gemeen. Ook bij de postduivenfokkers leefde het verlangen om mooi en goed te combineren. Dit leidde reeds in 1925 tot de oprichting van de Nederlandse groep van "Gediplomeerde Keurmeesters".


Hun eerste werk was het ontwerpen van een standaard waaraan de ideale postduif moest voldoen. Deze standaard is steeds bijgesteld naarmate de postduif evolueerde. De keuring vindt plaats door middel van een puntensysteem. Voor vijf onderdelen worden punten gegeven. Oude duiven kunnen maximaal 93, jonge duiven maximaal 92,5 en late jongen maximaal 91,5 punten behalen. Bij de overkoepelende organisatie van de postduivenfokkers (F.C.I.) zijn 36 landen en 700.000 liefhebbers aangesloten. Om de twee jaar wordt een zogenaamde Olympiade georganiseerd. Dit is een soort wereldtentoonstelling waarbij de beste prijsvliegers en de mooiste duiven van de deelnemende landen geëxposeerd worden.

Hoewel de standaard van de postduif vrijwel identiek is (voor wat betreft de lichaamsbouw) met die van de N.S.P. is er in de praktijk wel degelijk verschil. Bij de postduiven is de stand meer afhellend, de halzen zijn forser en naast een veel rijkere bepluiming zijn ze ook gespierder. Kort voor en na de Tweede Wereldoorlog was de Ronsenaar, Maurice Delbar praktisch niet te kloppen op de grote fondvluchten. Het predicaat mooi en goed was bij uitstek van toepassing op zijn duiven. De Delbars vielen op door hun kleur (merendeels) hele lichte blauwen met soms enkele witte pennen) mooi belijnde koppen en de eenheid en uniformiteit van type.

Nu meer dan een halve eeuw later voeren praktisch alle tentoonstellingspostduiven en ook de N.S.P. nog Delbarbloed. Als vliegduiven zijn ze inmiddels verdrongen door andere stammen. Ook de zwartkrassen van Corneel Horemans uit Schoten (België) stonden in die jaren bekend om hun prachtige type. De kleur was toch minder geliefd en zij hebben als tentoonstellingsduif nooit het succes van de Delbars kunnen benaderen.

Tot 1947 werden tentoonstellingspostduiven gekeurd volgens de standaard van de Nederlandse groep van gediplomeerde keurmeesters, in dat jaar werd de standaardcommissie door de N.B.S. ingesteld, hierdoor veranderde de situatie. De door de nieuwe standaardcommissie ontworpen standaard week op meerdere punten af van de bestaande, met als gevolg dat bijvoorbeeld aan de oogkleuren en kopbelijning andere eisen gesteld werden.

Achteraf kunnen we ons gelukkig prijzen dat in die beginjaren niet gekozen is voor een extreme kopbelijning. Met uitzondering van de Nederlandse schoonheidspostduif hebben alle schoonheidspostduivenrassen sedert hun omvorming tot tentoonstellingsras veel ingeboet aan vitaliteit en vruchtbaarheid. De N.S.P. daarentegen is een van de weinige rassen waarvan men ook nu nog kan zeggen dat het door en door "sound" is. Acht tot tien jongen per koppel per jaar is eerder regel dan uitzondering. Vooral deze vruchtbaarheid maakt het ras, ook als voedsterduif, zeer geliefd.