ethiek (van het Grieks èthos of ethos = zede, gewoonte).
1. Algemeen
Ethiek is een tak van filosofie
die denkt over het morele handelen van mensen. Ethiek stelt de vraag:
‘Wat is rechtvaardigheid?’ In de geschiedenis draaide ethiek ook om de
vragen: ‘Hoe moet ik handelen?’ en ‘Wat is het goede?’ (het ging dan
bijvoorbeeld om leefregels die men hanteerde om als deugdzaam mens te
leven). De mens stelt deze vraag wanneer hij reeds een zekere afstand
heeft genomen van de feitelijke morele gemeenschap waarin hij leeft en
het naïeve vertrouwen daarin heeft opgezegd. De wijsgerige ethiek
veronderstelt dus weliswaar een concrete morele gemeenschap, maar is
tegelijkertijd een kritische bezinning daarop. In verschillende
perioden van de geschiedenis zien we dan ook dat mensen verschillende
opvattingen hebben over wat rechtvaardigheid of het goede is.
Aanvankelijk zocht men ethische regels in een ideaal van het schone of
het goede, later in een objectieve orde, zoals de goddelijke wet of de natuurwet.
Aan het begin van de moderne tijd gaat men ethiek funderen in het
redelijk inzicht van de mens zelf. Men vertrouwt op de menselijke rede,
om tot morele oordelen te komen. Ethiek kan gaan over de relatie tussen
mensen onderling, maar ook over de relatie tussen bijvoorbeeld landen.
2. Grondvragen en typen van de ethiek
Deze bezinning kent verschillende gradaties. Zij kan zich beperken tot
concrete morele vragen en daarin zoeken naar provisorische oplossingen.
Deze wijze van bezinning is aanwijsbaar in het essay, in de casuïstiek
en in vele handboeken van wijsgerige en theologische ethiek. De
oplossing van zulke vragen wordt dan toevertrouwd aan degenen die
gelden als de behoeders van de gemeenschap, de wijze, de priester, de
filosoof. Een meer kritische laag van ethische bezinning betreft de
normen en waarden waarmee mensen leven; deze reflectie nodigt uit tot
het zoeken naar een verantwoorde normatieve theorie. Vervolgens kan een
dergelijke bezinning op haar beurt weer meer radicale vragen uitlokken,
zoals: wat is het goede?, wat is rechtvaardigheid? Hiermee worden het
kentheoretische statuut en het waarheidsgehalte van ethische uitspraken
aan de orde gesteld. In het laatste geval spreekt men vaak van meta-ethiek.
In
iedere meer uitgebalanceerde wijsgerige ethiek zullen de drie niveaus
van vragen aanwezig zijn. Dat kan ook niet anders, omdat ethische
denkers zich steeds bewust zijn van de politieke, sociale, religieuze
en culturele structuur waarin zijzelf staan en van waaruit de vragen
naar de normen en waarden opkomen. Die voorgegeven structuur is als het
ware de premisse van de morele redenering. Dat bepaalt dan ook de
zekerheid die men kan verwerven in morele kwesties. Men spreekt van
morele zekerheid in onderscheid tot wetenschappelijke zekerheid c.q.
metafysische zekerheid. De situatie waarin de ethische vraag ontstaat,
de niveaus waarop de vraag gesteld kan worden, en het soort van
zekerheid die we kunnen verwerven, bepalen de verschillende typen van
ethiek.
Vooral
in de klassieke oudheid en de Middeleeuwen, maar ook in de
tegenwoordige tijd, houden veel denkers zich bezig met de eigen aard
van de morele of retorische logica. Zij zoeken naar de criteria voor de
verschillende vormen van overredingskunst en van zekerheid in morele
uitspraken. Maar het onderzoek naar de waarde van de morele logica zal
het niet kunnen stellen zonder een meer omvattende ethische theorie die
in staat is rekenschap af te leggen van het eigenlijk zedelijke in
onderscheid tot aanverwante gebieden zoals het religieuze, het
politieke en het esthetische. Bovendien biedt het antwoord op de vraag
wat het specifiek zedelijke is, een schakering van mogelijkheden.
Concentreert men zich op de vraag naar menselijke doeleinden, dan
ontstaat het type van een teleologische ethiek (v. Gr. telos = doel); wordt meer aandacht gegeven aan het plichtskarakter van het ethische gebod, dan is er sprake van een deontologische ethiek (v. Gr. deon
= dat wat behoort). Zulke typeringen en onderscheidingen hangen niet af
van de voorkeur van de denker die een bepaalde ethiek ontwerpt. Het is
de concrete morele constellatie zelf die noodt tot bepaalde antwoorden.
De ethische denker wordt zelf bepaald door de theoretische en
praktische modellen waarmee hij zijn problemen hanteert, en hoewel hij
er kritisch tegenover staat, zal hij zijn eigen perspectief steeds
ontwikkelen vanuit zijn situatie, zonder dat dit perspectief daarmee
samenvalt. Zo zal een denker die leeft in een tijd waarin de
samenlevingsvragen een grote rol spelen, bedacht zijn op het politieke
en sociale perspectief van de ethiek, terwijl in een periode waarin aan
het politieke en sociale geen ethische relevantie wordt toegekend, het
ethische denken op het spoor wordt gezet van een meer
individualistische ethiek. Wanneer vooropgesteld wordt dat de
wijsgerige ethische bezinning begint waar het naïeve vertrouwen in de
aanvaarde normen en waarden verloren raakt, betekent dit in feite dat
de concrete historische zedelijke gemeenschap niet meer in staat is om
een menswaardig bestaan, waarin het waarachtig goede kan worden
nagestreefd, te bieden en de uitbouw van menselijke mogelijkheden zelfs
verhindert.
Dat
leidt tot een centraal probleem en een gemeenschappelijk thema in alle
ethiek, nl. het probleem van macht en bevrijding. De geschiedenis van
de ethiek toont dat duidelijk aan. De ethiek stelt bijv. vanuit het
problematisch karakter van de macht van de feitelijke politiek en
retoriek de vraag naar de ware politiek en naar de woordkunst die tot
het ware inzicht voert. Aldus is gebeurd in de Griekse ethiek. Ofwel
zij stelt zich op tegen de onderdrukkende macht die soms de religie
eigen is. Zij kan zelfs de vraag stellen naar de macht van de moraal
zelf in zoverre ook deze de menselijkheid kan bedreigen en menselijke
mogelijkheden onderdrukken. In het laatste geval zal de ethiek het
karakter hebben van een wantrouwen tegen, en een ontmaskering van de
ethiek (Nietzsche, Freud, Marx).
3. Historisch overzicht
Een zekere historische reconstructie van de ethiek is mogelijk aan de
hand van het bovengenoemde thema van macht en bevrijding. In het oude
Griekenland is de deugdzame mens het ideaal van de ethiek (Grieks: ethica).
De deugd is een politieke kwaliteit: dapperheid in de oorlog en moed in
het leidinggeven aan de gemeenschap. De deugd is dus meer dan
gehoorzame opvolging van een morele code, zij streeft ernaar de
speelruimte van de menselijke mogelijkheden te vergroten.
De wijsgerige bezinning van Plato
begint als de Griekse samenleving van de polis reeds in verval is. Bij
hem wordt dan ook duidelijk dat het ware goed voor de mens wordt
bedreigd door de schijn van politieke argumenten, zoals die worden
geleverd door de sofisten met hun overredingskunst. De hoogste
zedelijkheid wordt bereikt in het schouwen van de eeuwige waarheid, die
dan een rechtvaardige samenleving moet normeren. Aristoteles
volgt in zekere zin Plato, maar hij is zich toch veel meer bewust van
de historische relativiteit van de zedelijkheid en van de worteling
ervan in de zedelijke gemeenschap. Vandaar dat hij het zedelijke ideaal
van het schone en goede leven weer binnen de politieke en sociale orde
trekt. Voor hem is de hoogste levenswijze de politieke, dwz. een leven
dat actief is en zich ontwikkelt in de politiek. Daarin bereikt de mens
zijn geluk (Gr. eudaimonia).
Het totale verval van de polis en de opkomst van de grote politiek (Alexander de Grote
en het Romeinse imperium) doen een nieuw type van ethiek ontstaan. De
ethiek wordt geheel losgemaakt van de politieke ordening en richt zich
op de algemeen menselijke natuur en de eeuwige ordening van de wereld,
die door de rede
kan worden gekend. Door deze redelijkheid wordt de mens bevrijd van
zijn passies en van de macht van de schijn en de retoriek. Het hoogste
zedelijk ideaal is in deze stoïcijnse ethiek dat van de apathie, het
vrij-zijn van aandoeningen.
In
de Middeleeuwen wordt de ethiek opgenomen in een filosofie en theologie
waarin God, de schepper van alle dingen, tevens het einddoel is van de
mens. De mens bereikt zijn hoogste geluk in de beschouwing of genieting
van God. Hoewel de middeleeuwse ethiek zich niet sterk heeft ontwikkeld
in discussie met de politiek, is theorievorming op dit gebied wel
enigermate aanwezig, nl. in de idee van de natuurwet waaraan alle
positieve wetgeving onderworpen moet zijn.
De moderne tijd, ingeluid met de filosofie van Descartes, wordt gekenmerkt door de wending naar het subject.
Voor de ethiek betekent dit dat geen beroep meer kan worden gedaan op
een objectieve, gegeven metafysische orde, maar slechts op het redelijk
inzicht van de mens zelf. Woorden als zelf-zijn, authenticiteit en
vrijheid gaan gaandeweg een grotere rol spelen. De redelijkheid wordt
als ideaal in stand gehouden, maar het wordt moeilijk om in te zien
waarin deze is gefundeerd. Als model van redelijkheid geldt
aanvankelijk de meetkunde. Spinoza
ontwerpt een ethiek ‘in meetkundige trant uiteengezet’, waardoor de
mens zich kan bevrijden van het knechtschap of de macht van de
aandoeningen. Maar tegelijk ontwikkelt zich, m.n. in de Engelse
wijsbegeerte, een ethiek die zich wil baseren op de ervaring; daarvoor
wordt een beroep gedaan op het onmiddellijke morele gevoel (moral sense). De meest consequente ethiek die de moderne tijd heeft opgeleverd is die van Immanuel Kant.
Deze fundeert de ethiek ondubbelzinnig in de autonomie en de vrijheid
van de mens. De vrijheid is grond en inhoud van de zedelijkheid.
Weliswaar bestaat de zedelijkheid in de gebondenheid aan de zedenwet,
maar in deze gebondenheid gehoorzaamt de mens alleen aan zichzelf als
een vrij en redelijk wezen. Ook in een ander opzicht betekent het
denken van Kant een vernieuwing. Hij formuleert niet zonder meer een
inhoudelijk zedelijk ideaal, maar ziet de ethiek als kritische en
uitzuiverende instantie ten opzichte van alle feitelijke zedelijkheid.
Het ethische denken na Immanuel Kant
wordt hierdoor sterk beïnvloed, hetzij doordat de positie van Kant in
verschillende richtingen wordt verdergedacht (zoals in het Duitse idealisme, m.n. dat van Fichte, en in het neokantianisme), hetzij doordat men zich tegen Kant verzet (zoals in de zgn. waardenethiek van Scheler en Hartmann).
4. Hedendaagse situatie
Martin Buber
De hedendaagse ethiek wordt voor een groot deel beheerst door de analytische filosofie.
De taalanalyse die door deze tak van filosofie gahanteerd wordt, wordt
toegepast op ethische uitspraken. Vooral het probleem dat uit
constateringen, die betrekking hebben op feiten, geen zedelijke
imperatieven kunnen worden afgeleid, speelt in de discussie een rol. De
voornaamste theorieën met betrekking tot de fundering van de ethiek
zijn het intuïtionisme, het naturalisme, het emotivisme en de gevoelsmoraal. Belangrijk blijft in de ethiek ook het existentialisme (zie existentiefilosofie), hoewel dat de laatste tijd wat op de achtergrond is geraakt (Sartre, Jaspers).
Hier ligt de nadruk op de keuze van het vrije, maar eindige subject.
Grote invloed is ook uitgegaan van de ethische bezinning die werd
ontwikkeld vanuit de Frankfurter Schule (Habermas,
Apel). Zij wil ethiek als normatieve theorie funderen in een
argumentatiegemeenschap die door een dialoog, die vrij is van alle
machtsrelaties, tot overeenstemming kan komen ten aanzien van de
ethische normen van alle discussiepartners.
Ten
slotte wordt een aparte richting gevormd door denkers die de ethiek
funderen op de eerbied voor de ander als ander. Deze ethiek, waartoe de
mogelijkheid reeds is vervat in de ethiek van Kant, werd fundamenteler
onderzocht door de joodse filosoof Martin Buber en heeft heden ten dage een heel specifieke vorm in de filosofie van Emmanuel Levinas.
De laatste twee denkers en ook de eerder genoemde existentialisten
bepleiten een absolute voorrang van de ethiek boven de politiek.