Hoe wordt er in andere kerken dan die van jou gepreekt? Hier vind je recente preken uit wisselende Amsterdamse kerken.
TIP ! : Op de website Komt een leek in de kerk brengt een jonge niet-religieuze Amsterdammer een jaar lang verslag uit van zijn bezoek aan steeds een andere kerk in de stad. Heel boeiend om te lezen hoe een 'leek' dat beleeft waar 'wij christenen' zo aan gewend zijn dat het vreemde ons niet meer opvalt. Vooral leuk wanneer jouw eigen kerk onder dit leken-licht komt. En leerzaam...! |
Geplaatst 24 mei 2012 06:09 door De Stadslamp Amsterdam
Zondag 13 mei. Voorganger: Ds. Jan Barendse. Bijbelgedeelte: Genesis 32: 9-32.
Van Jakob kunnen we een ding heel duidelijk vaststellen: hij was een gelovig man... maar dat betekende niet dat hij brandschoon was. Ook gelovige mensen hebben de neiging om dingen naar hun eigen hand te zetten en al het mogelijke te doen om hun doel te bereiken.
|
Geplaatst 13 apr. 2012 13:18 door De Stadslamp Amsterdam
VERKONDIGING in de Paasnacht van 2012 (7-8 april) in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam (Vredeskerk), door pastor Pierre Valkering. Gelezen: uit het boek Genesis (1, 1-2, 2), Exodus (14, 15-15, 1), de profeet Ezechiël (37, 1-14), de brief aan de Romeinen (6, 3-11) en uit het Marcus-evangelie (16, 1-8). “Veel plezier met God” – zei iemand die één van onze dopelingen zeer dierbaar is tegen de persoon in kwestie. “Veel plezier met God.” Oef! Wat een woorden zijn dat … Die kwamen bínnen bij de dopeling in kwestie – het doet er niet toe wie van de drie het was; -de woorden, terwijl ik ze uitspreek, raken jullie vermoedelijk alle drie. Ze raken een gevoelige snaar of zelfs een open zenuw … misschien wel bij ons allemáál. Want ze weerspiegelen een bepaalde manier van hoe er tegen ons, tegen de zogenaamde ‘gelovigen’, wordt áángekeken door mensen die dat geloof van ons niet helemáál of zelfs helemaal níet delen. “Veel plezier met God.” Daar zit in, althans in mijn verstaan van die woorden, ten eerste: distantie, in de zin van: “die God is ‘jouw ding’, jouw hobby. Je bent daar natuurlijk vrij in, als je maar weet dat ik daar heel anders tegenaan kijk. Ten tweede zit er in: spot. De spreker vindt ’t misschien ook een beetje een grap, die God. Maar in die spot zit, lijkt mij, ook een ondertoon van, ten derde: bitterheid en van, ten vierde: cynisme. De spreker ziet die stap van gedoopt worden van zijn of haar naaste misschien helemaal niet zitten. God, het geloof, de kerk … het is misschien een dwaalweg naar het gevoel en het idee van de spreker. Kijk maar uit! Je komt van een koude kermis thuis daarmee. Je raakt verloren op die weg. En: ik raak je misschien kwijt … Ja, dat zit er ook nog in, in die woorden, ten vijfde: vrees. De spreker ziet het misschien met lede ogen aan, de keus van onze dopeling. Hij of zij ziet die van zich wegdrijven als het ware … Dit is, dierbare dopelingen, gasten en parochianen; dit is wat ík er in hoor, in die woorden (“veel plezier met God”). Let wel: mijn verstaan is niet noodzakelijk het verstaan ervan door de dopeling tegen wie die woorden gesproken werden, laat staan dat van de spreker of spreekster van de woorden zelf - Ik laat het geslacht daarvan, u zult dat begrijpen, bewust in het midden. Ach ja, dierbare dopelingen, gasten en parochianen, geef hem of haar, die spreker of spreekster eens ongelijk … Neem de bijbelpassages die wij in deze Paasnacht hebben horen voorlezen. Zijn die niet bizar? Genesis, het scheppingsverhaal. Een God die in zes dagen de kosmos en speciaal de aarde en alles wat er zich op bevindt schépt door te spreken. Dat is toch een volkomen achterhaald wereldbeeld? Dat kun je toch niet menen? Dat kun je toch niet volhouden? Daar kan een weldenkend mens anno 2012 met goed fatsoen toch niet meer in gelóven? Dan Exodus, over de uittocht van het joodse volk uit Egypte. God die aan alle touwtjes trekt, die de farao “halsstarrig maakt”, die partij kiest vóór de Israëlieten, tégen de Egyptenaren. Al die arme soldaten, goeie jongens ongetwijfeld die ook maar worden gestuurd, kanonnenvlees, zoals in elke oorlog. Het strand ligt bezaaid met lijken. Wrede God, die zoiets doet. Het is net Al-Quaida. En dan Ezechiël, de profeet. Ook daar: lijken. Maar deze gaan weer leven. Als een grote puzzel komen alle stukjes weer goed op hun plek. Nou, geweldig natuurlijk. Een huzarenstukje. Maar ik zie het op Zorgvlied of op de Nieuwe Ooster nog niet zo gauw gebeuren. Tenslotte Marcus, het evangelie. Een in het wit geklede jongeman: “Schrik niet. U zoekt Jezus van Nazareth, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt” - ook al! “Hij is niet hier.” “Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien.” De vermoorde Jezus zien leven. Nou, lijkt me geweldig. Maar ja … Hoe kan dat? En, o ja, dan heb ik er nog wel een paar, nog een paar doden die ik terug wil zien. O, o dat geloof. Het is me toch wat. We zijn er toch maar mooi klaar mee. Of nee, dat is het juist: we zijn er dus níet klaar mee. Iedere keer worden we maar weer gedwongen om ons er mee bezig te houden, om erover na te denken … omdat zo’n Roy of Janne of Onno die we kennen, van wie we zelfs houden, omdat die er iets in ziet, omdat die erdoor geraakt is … Ach ja, Onno, Janne, Roy, wat moeten jullie en onze familieleden en vrienden met jullie en ons en dat geloof? Wat kunnen ze ermee – en niet? Wat willen ze ermee – en niet? Ik denk: het enige dat wíj kunnen doen is hen maar in alle eenvoud, zo helder en concreet mogelijk vertellen wat onze eígen gedachten en gevoelens zijn wat betreft de God die wij in de bijbel leren kennen en waarvan wij het idee hebben dat die ook elk van ons iets te zeggen heeft, en vooral: die ons ráákt …, die ook bij ons, in óns iets heeft aangeraakt …, een snaar, een gevoelige snaar … Genesis, de schepping: “De aarde was woest en leeg.” Ja, zo voel ik me ook wel eens: woest en leeg, “duisternis lag over de diepte”, ook mijn eigen diepte kan duister zijn, “en de geest van God zweefde over de wateren” – Ja! Die Geest van God kan óók over mij zweven. “Er moet licht zijn!” Licht! – ook in mij … Dat verlang ik en dat kan ik ook gelukkig soms ervaren. Exodus, de uittocht: “De Heer zal voor u strijden.” Ja, het leven, ook het mijne, is een strijd. Een strijd met anderen en nog vaker een strijd in en met mijzelf. Maar: “De Héer zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.” Dát zegt Mozes namens God tegen het joodse volk en wíj horen het opnieuw in deze nacht. lk hoor het ook. En ik sla een zucht van verlichting. In mij …, boven mij … is iets, nee, daar is lemand aanwezig die mijn strijd vóór mij strijdt; iets, Iemand, aan wie ik dat strijden zelfs helemaal mag en kan overlaten. God, interior intimo meo et superior summo meo zegt Sint-Augustinus, de grote zogenaamde “kerkvader” die in de vierde eeuw bisschop van de stad Hippo in Noord-Afrika was. God – intimior intimo meo et superior summo meo: innerlijker dan mijn diepste innerlijk en hoger dan mijn hoogste hoogte1. God strijdt in mij. Hij is vóór mij. Hij houdt van mij. En hij staat áchter mij. Ik denk: dit is de fundamentele ervaring van iedereen die in God gelooft. Ik ben niet alleen. En ik hoef het niet alleen te doen, helemáál níet zelfs. Ik laat gewoon God, Zijn Geest, in en voor en door mij heen werken. Ik hoef mij aan die Geest alleen maar over te geven … Ezechiël, de dorre beenderen. “Mensenkind, deze beenderen zijn het volk Israël.” Daar horen wij bij, als kerk, bij dat volk Israël. Wij borduren voort, als kerk, op wat bij en met Israël begonnen is. “Bij hen leeft de gedachte: “Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan.” Ja, zo voel ik me ook wel eens: dor, suf, ellendig, hopeloos, niet veel waard, een lor. “Het is met ons gedaan” – je zou de gelovigen eens de kost moeten geven die het met en in hun kerk helemaal niet meer zien zitten, onder andere in verband met die hele toestand in verband met dat seksueel misbruik of omdat er op zaterdagavond geen mis meer is. Mensen denken: die kerk, dat is voorbij. Die is niks meer waard. En dat wórdt ook niks meer. Het is over en uit. Er gaat geen dag voorbij of je krijgt in het tegenwoordige Nederland als gelovige en als kerklid díe boodschap. Je zou er soms bijna in gaan geloven óók. Er zijn best veel mensen geweest die zich in de afgelopen periode “hebben laten uitschrijven” zoals dat heet: mensen die zich hebben laten uitschrijven als lid van de kerk. Maar dan horen wij in deze nacht bij Ezechiël: “Zo spreekt de Heer God: ik ga uw graven openen; ik wek u in grote aantallen uit de dood op.” Kijk, veelgeliefden, dat geeft hoop. Dat geeft hoop en nieuwe moed. “Grote aantallen”, dat belooft wat. Die drie dopelingen in deze Paasnacht zijn pas het begin!
-En drie is trouwens drie keer zoveel als die ene, als Jezus, met wie het in de kerk allemaal begonnen is. “Hij is tot leven gewekt” hoorden we bij Marcus. Maar als het goed is, dan zijn en dan worden zodadelijk als ’t moment van de doop dáár is, ook Janne, Onno en Roy tot leven gewekt. Paulus, de apostel, uit wiens brief aan de christenen van Rome wij hebben horen voorlezen; Paulus schrijft: De doop maakt ons één met Jezus die gekruisigd werd, die begraven werd en die uit de doden is opgewekt. In de doop wordt je oude leven gekruisigd. Het sterft. En er begint een nieuw leven. In dat nieuwe leven is voor de zonde en voor de dood geen plaats meer. Dat nieuwe leven “heeft alleen met God van doen”. Natuurlijk ga je ook als gelovige, als christen, op een dag dood en doe je misschien ook nog wel eens iets stouts. Maar dat is bijzaak! De hoofdzaak is: God, Jezus, hun beider Geest, lééft in jou en niemand en niets, geen zonde en geen dood, neemt dat van je af.
Dus … dierbare dopelingen, gasten en parochianen: het is een goede, een prachtige, een geweldige wens. Ik kan het niet béter zeggen: Veel plezier met God. Amen
1 A. Augustinus, Confessiones (Belijdenissen), boek III, hoofdstuk 6. Vertaling: G. Wijdeveld.
|
Geplaatst 10 apr. 2012 04:57 door De Stadslamp Amsterdam
[
10 apr. 2012 05:15 bijgewerkt
]
Zondag 18 maart, '3e Zondag van de Grote Vasten, Kruisverering ", in de Russisch-orthodoxe kerk Heilige Nicolaas van Myra. Priester Hildo Bos Lezingen: Brief aan de Hebreeen 4:14 - 5:6, Evangelie van Markus 8:34 - 9:1 In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Diegenen die regelmatig het Evangelie lezen, weten hoe vaak onze Heer de meest alledaagse, gewone, zelfs banale voorwerpen gebruikt als beelden voor Zijn hemels Koninkrijk: water 1, brood 2, wijn 3, zaaigoed 4, zelfs geld 5. Al die dingen kunnen ineens beelden - metaforen - worden van Zijn Koninkrijk. Laten wij, nu wij vandaag het feest van het Kruis vieren, proberen op eenzelfde simpele en alledaagse manier te kijken naar het grote mysterie van Zijn Kruis. Diegenen die van ver naar deze kerk komen (en waarschijnlijk alle anderen ook) weten hoe lastig en hoe duur het is om in deze stad je auto neer te zetten, vooral in deze wijk. We weten ook, dat Г ls je dan besluit om je auto ergens neer te zetten waar het eigenlijk niet mag of om niet te betalen, het risico groot is dat er snel zeer actieve en ijverige beambten op een brommer langskomen om - in het beste geval - een bon op de voorruit te plakken en - als je pech hebt - ook nog een wielklem te plaatsen om te zorgen dat je niet wegrijdt. Laten we ons voorstellen hoe je je voelt als je op weg moet naar een kantoor aan de andere kant van de stad om daar te betalen. Laten we ons voorstellen met hoeveel ergernis, boosheid en irritatie je daar wel niet naar toegaat - met die speciale ergernis en irritatie die je voelt als je weet dat je eigenlijk zèlf schuldig bent, als je best weet dat je het zelf had kunnen voorkomen en dat je het aan je zelf te danken hebt. Als we iets slechts doen, is het immers zò lastig om de schuld op ons te nemen, en zò makkelijk om de schuld van ons te werpen, dat we waarschijnlijk op weg naar dat kantoor al bezig zijn om de meest giftige zinnen te formuleren waarmee wij die boosheid en irritatie zullen uitstorten over de medewerker achter het loket, hoewel we weten dat die medewerker er niets mee te maken heeft en hoewel we weten dat we daarmee die irritatie doorgeven, dat de kans groot is dat hij of zij die irritatie ook weer doorgeeft aan collega's, vrouw of kinderen. Hoewel we dus weten dat wij daarmee onszelf in dienst stellen van een soort vicieuze cirkel van kwaad, ergernis en irritatie. Stelt u zich nu eens voor dat u binnenkomt op dat kantoor en daar te horen krijgt: "Weet u, er is zojuist iemand langsgekomen, en die heeft alles betaald." Hoe sta je daar dan? Met verbazing, met blijdschap - maar ook een beetje met schaamte, omdat in je oren de zinnen nog weerklinken die je wilde gaan uitspreken... En ineens sta je daar, verbijsterd, en loop je langzaam terug naar je auto. Het papiertje in je hand is al niet meer de schuldbrief van je overtreding, maar het teken van iemands genade en iemands gulheid. Op een onvergelijkelijk hoger niveau is dit een beeld van wat Christus met ons en vóór ons aan het Kruis heeft gedaan. Al millennia lang, sinds de tijd van Adam en Eva, zat de mensheid opgesloten in een dergelijke vicieuze cirkel van geweld, van irritatie van bloed en van dood. En het is Christus geweest die deze cyclus, deze keten heeft willen doorbreken 6 door Zelf de prijs te betalen, door deze prijs te betalen met Zijn lichaam, Zijn bloed en Zijn leven 7. Hij heeft aan het Kruis voor ons betaald, voor diegenen die al gekomen waren en voor diegenen die na Hem zouden komen. Hij heeft de schuldbrief genomen, het papier met onze fouten en zonden, en aan het Kruis verscheurd 8. En vandaag horen wij wat Hij vervolgens tegen ons zegt. Hij zegt: "Kom, volg mij 9. Ik heb de wielklem van je ziel afgenomen. Je bent vrij, je kunt gaan. Kom dan Mij achterna. En ja, je zult jezelf moeten verloochenen; en ja, je zult het Kruis op je moeten nemen, maar kom toch maar, volg Mij. De weg leidt inderdaad via Golgotha, via het Kruis; maar kijk waar die weg verder naar toe leidt. Naar Mijn Opstanding; tot boven de hoogste hemelen 10 en uiteindelijk tot aan de Troon van Mijn genade en barmhartigheid 11. En als we dan onderweg moe worden? Laten we dan even uitrusten, zoals vandaag, gezeten in de schaduw van het Levenschenkend Hout 12 dat vandaag in de kerk ligt. Amen. |
Geplaatst 12 mrt. 2012 12:47 door De Stadslamp Amsterdam
[
12 mrt. 2012 13:05 bijgewerkt
]
 Zondag 11 maart (derde zondag van de veertigdagentijd).
Eucharistieviering vanuit de St. Nicolaaskerk te Amsterdam. Voorganger en predikant: pastor Joop Stam.
Lezingen: Exodus 20:1-17, 1 Korintiërs 1,22-25, Johannes 2,13-25.
|
Geplaatst 11 mrt. 2012 12:41 door De Stadslamp Amsterdam
Zondag 11 maart 2012. (3de zondag van de Veertigdagentijd) Pater Ambro Bakker s.m.a., Deken van Amsterdam (Rooms-katholieke kerk) Lezingen: Exodus 21:1-17 en Johannes 2:13-25
De eerste lezing gaat vanmorgen over de "Tien Geboden". Ik kwam dat woord als kind voor het eerst tegen, toen mijn moeder zei: "Eet toch niet met je 10 geboden, je hebt toch een vork en een mes!" Later begreep ik waarom er 10 geboden zijn, want tien geboden kun je nog op je vingers natellen. Dat valt te overzien! Dan raak je de tel niet kwijt! Eigenlijk is het niet juist dat we spreken van de 10 geboden. Want het zijn geen geboden, maar richtingaanwijzers. Ze wijzen je de richting aan. We hebben deze woorden losgemaakt van wat er voor staat: "Ik ben de Heer uw God, die u weggevoerd heb uit het slavenhuis Egypte." God geeft aan Mozes op de berg Sinaï 10 woorden. Het zijn richtingaanwijzers, grenspaaltjes. Als je daarbinnen blijf, zal alles goed gaan. Het is te vergelijken met een automobilist die 's nachts in diepe mist over de weg rijdt en zich dan laat leiden door de reflecterende paaltjes en reflectiestrepen. Zo zijn de 10 geboden eigenlijk 10 Bepalingen, omdat ze ons uitnodigen de weg van God te gaan. De enige weg die leidt naar het Beloofde Land. Als je de 10 Woorden opvat als geboden, kun je flink de mist ingaan. Dan gebruiken we de Tien Woorden voor onze eigen karretjes. Een paar voorbeelden:
In het 4de gebod staat "Eer je vader en je moeder". En we hebben dat gebod uitgelegd door te zeggen dat we hen en onze overheden blindelings moeten gehoorzamen. Maar willen we het vierde gebod goed verstaan, dan moeten we veel ballast over boord gooien. Het eren van je ouders heeft te maken met het feit dat zij je iets kunnen leren over Gods bevrijdende daden. Zij geven je 't Woord van God door dat zij weer van hun ouders hebben ontvangen. Dat is hun zwaarte, hun gewicht (kabod): de oudere generatie geeft de Thora, Gods Wet, door aan de generatie na hen. Zij leren je dat je geen afgodsbeelden mag maken. En er zijn wat afgodsbeelden in onze tijd (geld, carrière, seksuele ontremmingen, het benadrukken van je eigen ik). Ze leren je dat je de sabbat moet onderhouden. Wij zeggen dat je op grond van dit woord naar de kerk moet gaan. Dat staat er niet (hoe blij ik ook ben dat er vanmorgen weer mensen zijn die de weg naar de kerk hebben gevonden!) We mogen de jeugd leren dat het leven uitloopt op een feest, als we goed omgaan met God en met elkaar.
We leren hen dat je Gods naam niet mag misbruiken. Wij hebben er van gemaakt: je mag niet vloeken! Nu is vloeken nooit netjes. En we moeten dat natuurlijk afleren. Maar is God nu zó geraakt dat zijn naam gebruikt wordt als je met een zware hamer op je vingers slaat? Moet je dan roepen: "Gompie, gompie, grote grutjes, wat doet dat een pijn!" Natuurlijk vloeken is de andere kant. Dat kun je maar beter achterwege laten. Staat ook netter! Maar 't misbruiken van de naam van God heeft vooral te maken met het feit dat we Zijn Naam voortdurend gebruiken voor onze eigen wensen en idealen. In de naam van God worden oorlogen uitgevochten en verkopen politieke partijen en omroepen hun partijprogramma.
Als ik mensen hoor zeggen "Dat wil God van ons", denk ik vaak: wil God dat nou of de mens die voor me staat? Wat mensen zeggen over God zegt vaak meer over henzelf dan over God. Zo kunnen angstige mensen nauwelijks geloven in een bevrijdende God, maar alleen in een strenge en rechtvaardige God. Ook ontmoet je ook mensen die over God praten, alsof ze bij hem in de klas gezeten hebben! Ze gooien het straks met God met een knipoog wel op een akkoordje! Onderhouden wij de 10 Woorden in ons leven? Natuurlijk, wij hebben niemand doodgeslagen. We hebben de deur van onze buurvrouw en buurman keurig voorbij gelopen. Sterker nog: we gaan geregeld naar de kerk en betalen op tijd onze bijdrage voor de Derde Wereld. Wat wil een mens nog meer?!
Jezus treedt daar hard tegenop. Hij wil dat we doorstoten naar het hárt van de Wet. Want doden kun je ook met blikken. Je kunt net doen alsof je mensen niet ziet staan. En heb je geen overspel gepleegd, weet dan dat erger dan de hand die slaat, de hand is die niet streelt! Erger dan bijten is, dat je elkaar niet wilt kussen. Natuurlijk zijn wij geen verkrachters, maar durven we ook met elkaar het spel van de liefde te spelen? Natuurlijk zullen we niet doden, maar laten we elkaar ook in leven?
Er sterven meer mensen door onverschilligheid dan door haat. Mensen die ruzie hebben communiceren nog met elkaar, hebben nog contact. Maar mensen die elkaar ijskoud laten, lijden een doods en bevroren bestaan. Nergens is de eenzaamheid zo groot dan waar mensen samenleven onder één dak, maar die elkaars vrijwel niets meer te vertellen hebben. Jezus vat de 10 Woorden samen in Twee Woorden. Hij zegt: dat Wereldfeest, die eeuwige Sabbat, die droom die jullie doorgeven van vader op dochter en van moeder op zoon, die kun je bereiken als je van God houdt en je naasten bemint als jezelf. Dan onderhoud je Mijn 10 Woorden. Dan zul je het Beloofde Land bereiken!
Vandaag horen we ook hoe Jezus de tempel ingaat. Jezus weet dat zijn Vader eigenlijk niet zo'n voorstander is van die tempel. Hij wil liever met mensen meetrekken in een tent, onder mensen wonen. Ook wij maken van onze prachtige kerken soms meer een doel dan middel. Niet het kerkgebouw is heilig, hoe mooi die ook kan zijn, het zijn de mensen, u en ik, die dit kerkgebouw kunnen maken tot een heilige ruimte. Want God wil onder mensen wonen. Hij komt tot leven waar ouders aan hun kinderen leren wat er in zijn Evangelie staat. "Waar er twee of drie bijeen zijn in Mijn Naam, daar ben Ik hun midden", zegt Jezus. Daarvan getuigt Johannes: "Deze tempel zal worden afgebroken, maar de tempel van Jezus' lichaam zal in drie dagen weer worden opgebouwd." De omstanders begrijpen 't niet, worden zelfs woest, voelen zich aangevallen in het hart van hun godsdienst.
Niet in de tempel ligt de eerste plaats van de Godsontmoeting, maar je komt Hem tegen op de weg van Jeruzalem naar Jericho, waar een mens langs de weg ligt, uitgeschud door rovers. En tot de dag van vandaag laat God zich vooral ontmoeten waar mensen in de knel raken. Door te luisteren naar Gods woord, door het in praktijk te brengen, wil God onder ons verblijven. Het gaat niet om een stenen gebouw, maar om "mensen die zich als levende stenen willen laten invoegen in een geestelijk gebouw, het gebouw van God" (2 Petrus 5:1)
|
Geplaatst 26 feb. 2012 10:47 door De Stadslamp Amsterdam
Noorderkerk Amsterdam, 26 februari 2012. predikant: Ds. Plezier.
Bekijk de kerkdienst hier.
|
Geplaatst 20 jan. 2012 05:43 door De Stadslamp Amsterdam
Verkondiging op Zondag 15 januari 2012 00:00 in de Jeruzalemkerk te Amsterdam door Bas van der Graaf -Bijbellezing: -Jesaja 62:1-11 -Johannes 1:29-34 en 2: 1-11 Gemeente, gasten in ons midden, We hebben vanmorgen twee bijzondere gedeelten uit het Evangelie van Johannes gelezen. Het zijn twee gedeelten die, volgens een oude traditie in de kerk, op de zondagen na Kerst worden gelezen. En op dat Nieuwjaar dit keer op een zondag viel, kwamen beide lezingen dit jaar op deze zondag terecht. En dat is bijzonder, want de eerste lezing gaat over de doop van Jezus en tweede over het eerste teken dat Jezus deed, op de bruiloft in Kana. Het zijn twee gedeelten die meteen een paar hele grote dingen zeggen over Jezus. Over wie hij is en over zijn missie in deze wereld. En het bijzondere is, dat het in beide gedeelten - net als in deze dienst -draait om een teken. Een teken dat aan Jezus gebeurt en een teken dat hij doet. Twee tekenen, die iets zichtbaar maken van het grote geheim van Jezus, de Zoon van God, die in de wereld kwam voor ons. Ook in deze dienst hebben we een teken gezien. Het teken van de doop. Een heel eenvoudig teken eigenlijk: een beetje water, vergezeld van een paar woorden. Op het eerste gezicht niets bijzonder. Maar uit de woorden die voorafgaand aan de doop klonken werd wel duidelijk dat dit eenvoudige teken verwijst naar een veelheid aan diepe betekenissen en geheimen van God. Of, zoals iemand van jullie tijdens het doopgesprek maandag zei: ik besef tijdens deze bespreking opeens weer, dat de doop echt over de kern van het christelijk geloof gaat. En zo is het precies. Na alles wat we dus al gezien en gehoord hebben in deze dienst staan we nu nog een moment stil bij de teksten die we vanmorgen hebben gelezen. Wat zeggen ze over de Vader, de Zoon en Geest, in wiens naam Lars, Marie, Pien en Mats vanmorgen gedoopt werden? Wat zeggen ze over de beloften die vanmorgen aan hen, maar ook aan ons allen werden gegeven en bevestigd? Laten we maar eens kijken. *We kijken om te beginnen naar 1:29-34. Het is een stukje uit de beschrijving van het optreden van Johannes de Doper. Johannes de Doper was, kort gezegd, de voorloper van Jezus. Hij was ge-roepen om met zijn preken en met de doop van mensen in de Jordaan de weg te banen voor het werk dat Jezus in Israël zou doen. In vers 30 zegt hij het zo: 'Na mij komt iemand die meer is dan ik, wan het was er vóór mij.' Een wat cryptische zin, maar dat laatste betekent dat Jezus de eeuwige Zoon van God is die mens geworden is in de tijd. Maar daarmee vallen meteen al wel een paar hele grote woorden en Johannes maakt duidelijk dat het ook voor hem nogal wat voeten in de aarde had om te ontdekken wie Jezus nu werkelijk is. 'Ook ik wist niet wie hij was', zegt hij in vers 31. En zo is het ook voor ons en onze kinderen: wij weten niet zomaar vanzelf wie Jezus is, wie hij werkelijk is. We moeten hem leren kennen en als het ware worden ingewijd in zijn geheim. Dat geldt voor onze kinderen, maar het geldt ook voor ieder die Jezus of wil leren kennen. Welnu, wanneer gebeurde dat bij Johannes de Doper? Dat vertelt hij in vers 34, waar hij dit zegt: 'Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft (dat is dus God, de Vader) om met water te dopen, zei tegen mij: 'Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dát degene die doopt met de heilige Geest.' En dan laat hij er op volgen: 'En dat héb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.' Dat héb ik gezien, zegt hij. Wanneer dan? Wel, op het op het moment dat Jezus naar hem toe kwam om zich door Johannes te laten dopen. Op dat moment - zo lezen we elders in de Evangeliën - klonk er een stem uit de hemel die zei: dit is mijn Zoon, die ik lief heb. En vervolgens daalde de Geest van God in de gedaante van een duif op hem neer. En dat zag er dan ongeveer zó uit: (plaatje 1). Dit moment was voor Johannes het beslissende moment waarop hij Jezus leerde kennen als Zoon van God die in de wereld is gekomen. *Goed, dat hád Johannes de Doper dus gezien. En nu, op een later moment, komt Jezus opnieuw naar de Jordaan, waar Johannes aan het preken en dopen is. En op het moment dat Johannes hem ziet zegt hij: 'Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.' Dat is dus blijkbaar het eerste wat hij van zijn kennis over Jezus wil delen, dat hij het lam van God is dat de zonde van de wereld wegneemt. Maar wat bedoelt hij hiermee? Het is duidelijk dat het beeld van een lam dat schuld wegneemt uit de offercultus van Israël komt. In de tempel van Jeruzalem werden allerlei soorten dieren geofferd ter verzoening van menselijke schuld. Nu is het probleem van het beeld van een lam dat de zonde wegdraagt dat het niet precies herkenbaar is uit de offercultus. Dieren die geslacht werden waren meestal volwassen en het dier dat op symbolische wijze de woestijn werd in gestuurd met de zonden van het volk op hem gelegd was geen lam maar een volwassen geit. Het ziet er dus naar uit, dat Johannes hier zelf een beeld heeft geschapen waarin al andere betekenissen zijn opgenomen. En dit beeld is blijkbaar zo krachtig, dat het in de christelijke liturgie en beeldcultuur een diep spoor heeft getrokken. Zoals bv op het beroemde schilderij va van Eyck, Het lam Gods. (Plaatje 2). Maar belangrijker dan de oorsprong van het beeld is de betekenis voor ons. Van Jezus wordt dus gezegd, dat hij de zonde van de wereld wegneemt. Zonde. Enkelvoud. Dat wil zeggen: alle zonden van alle mensen worden als het ware op één hoop gegooid en door dit lam weggedragen. Het is een duizelingwekkende gedachte: al het kwaad van de wereld dat door een kwetsbaar lam wordt weggedragen. En dus ook het kwaad dat in mij zit en waar ook onze kinderen - zo hoorden we daarstraks, in dat heikele zinnetje- niet vrij van zijn. Het kwaad zit diep en reikt ver in deze wereld, maar het goede nieuws van Jezus is dat hij, als lam van God, dat kwaad wil wegdragen. Dat zijn Vader in de hemel hém tot allesbeslissend offerlam heeft gemaakt in zijn sterven aan het kruis. *Nu hoor ik iemand denken: dat is mooi makkelijk. Wij mensen maken er een zootje van, maar Jezus lost alles op. Wat moet ik daarmee, als ik denk allerlei voorbeelden van schuld en kwaad van mensen? Zo simpel kan het toch niet zijn? Dat is natuurlijk een logische vraag, die duide-lijk maakt dat het nauw luistert met dat beeld van het lam van God. Eén ding staat in elk geval wel vast: dit beeld betekent niet dat God alles zomaar automatisch door de vingers ziet en dat er sprake is van een soort alverzoening. En dát dit zo is blijkt in elk geval uit die uitdrukking in ver 33, dat Jezus niet alleen het lam van God is maar ook degene die doopt met de Heilige Geest. Johannes doopte met water - net als wij vanmorgen - maar Jezus doopt met de Heilige Geest. Dat betekent: Jezus wil mensen voor hij als lam van God stierf ook laten delen in de Geest van God, die ons levend maakt en vernieuwt. En precies hier zit het spannende punt, want die doop met de Heilige Geest is onlosmakelijk verbonden met het geloof in Jezus. Je kunt alleen met de heilige Geest gedoopt worden als je gelooft in degene die die Geest schenkt, namelijk Jezus. En het is precies ook dát geloof dat nodig is, om de verzoening die Jezus als lam van God bewerkte persoonlijk te kunnen ontvangen en er in te delen. Met andere woorden is dat precies wat vanmorgen bij de doop van die vier kindjes is gezegd. Eerst klonk er de stellige belofte, dat God hun Vader wil zijn. Toen klonk de stellige belofte dat Jezus ook stierf voor hun zonden, die ze nu nog niet of nauwelijks kunnen doen, maar die wel gaan komen. En daarna klonk de belofte van de Heilige Geest, wil inwonen in hun hart, maar daarvoor wel vraagt om binnen te mogen komen. En daarmee hebben we precies het spanningsveld van het geloof te pakken: God heeft in Jezus in principe alles volbracht, maar we krijgen er deel aan door het geloof en de Heilige Geest van God. Het gaat niet automatisch, maar is wel een groot geschenk. Jezus wil deze gedoopte kinderen ook dopen met zijn Geest, zodat ze delen in de vergeving en het nieuwe leven dat hij brengt. En wil hij ook geven aan ons allemaal. *Het zijn allemaal wel heel grote woorden hé, als je ze zo hoort, maar ik kan ze ook niet kleiner maken. In het Evangelie van Jezus gáát het nu eenmaal over zulke grote dingen, over de grote vragen van schuld en vergeving, van geboorte en wedergeboorte, van doop met water en Geest. Maar Jezus zelf helpt ons wel om het allemaal concreter te krijgen, als hij, na zijn doop, eenmaal met zijn werk begint. Een mooi voorbeeld daarvan is het eerste teken dat hij doet, op een bruiloft. Op de plek dus, waar het gewone leven in alle verwondering en vreugde geleefd en gevierd wordt. Een vergelijk-bare gebeurtenis als de geboorte van een kind. Op die bruiloft raakt op een bepaald moment de wijn op, waardoor het feest in het water dreigt te vallen en het jonge echtpaar te schande zal worden. Jezus hoort ervan en doet zijn eerste teken: hij verandert water in wijn. En niet zomaar een beetje, vaten vol. De bruiloft is gered, maar Jezus laat met dit teken ook iets zien aan ons: hij toont daarmee, lezen we in vers 11, zijn grootheid en laat zien dat hij is wie Johannes zei dat hij is: de Zoon van God. En bovenal laat hij zien, dat hij ons vreugde wil geven in ons leven van elke dag. Die grote woorden van verzoening en doop met de Heilige Geest maakt hij zelf klein door ze in het gewone leven - in huwelijk en gezin maar ook in single-zijn of weer alleen zijn- tot vervulling te brengen. Wie met de ogen van het geloof leert kijken ziet dat het vol wonderen om ons heen is. De doop van vier kinderen en het evangelie wat we vanmorgen hebben gelezen richten ons oog Jezus, de Zoon van God. Hij is het lam, dat de zonde van de wereld wegneemt. Hij is het die ons doopt met de Heilige Geest. Hij is het die vreugdewijn schenkt in ons leven, overvloedige vreugde. Deze Jezus roept ons, onze kinderen, ja de wereld tot geloof, tot een leven met hem die leven geeft. Verzoend leven. Vernieuwd leven. Vreugdevol leven. Echt leven. Amen |
Geplaatst 9 dec. 2011 08:38 door De Stadslamp Amsterdam
Zondag 4-12-2011. Onafhankelijke Baptistengemeente Amsterdam. ds. Oscar Lohuis.
Gelezen: uit het Evangelie van Matteus, hoofdstuk 18. Wat betekent het om 'in de naam van Jezus' samen te komen? Een zich met elkaar verzoenende gemeenschap De tweede keer dat wij het woord 'gemeente' tegenkomen in het Nieuwe Testament is in Matteüs 18. Het woord 'gemeente' wordt gebruikt in de directe context van de tucht: “Als hij niet naar hen luistert, zeg het dan tegen de gemeente. En als hij ook niet naar de gemeente luistert, laat hij dan voor u als de heiden en de tollenaar zijn” (vers 17). De bredere context spreekt echter duidelijk over genade en vergeving. Voorafgaand aan het gedeelte over de tucht gaat het over het ene afgedwaalde schaap, waar de herder de negenennegentig andere schapen voor achterlaat om het afgedwaalde schaap te zoeken. Er is grote blijdschap over het weer vinden van dat ene schaap. Na het gedeelte over de tucht gaat het over het tot zeventig maal zeven maal vergeven, naar aanleiding van Petrus vraag aan Jezus: “Heer, hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?” Matteüs 18 wordt wel de gemeenterede van de Here Jezus genoemd en we moeten het hoofdstuk in zijn geheel lezen. Dan rolt dit er uit: Samenkomen in Jezus naam ('waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn' vers 20) vindt plaats waar vergeving en verzoening plaatsvindt. Het heeft geen zin om aan het begin van de dienst te danken dat 'we in Uw naam hier bij elkaar zijn en dat U naar uw belofte in ons midden bent' als we niet doen waar 'in de naam van Jezus bij elkaar komen' op slaat. Je doet dat als je van harte je broeders en zuster vergeeft en liefhebt, zoals Jezus ook met jou heeft gedaan. Als we dat doen mogen we rekenen op de belofte: “daar ben Ik in hun midden” (vers 20). We bewegen ons ieder in de richting van Christus, en omdat jij en ik dat allebei doen komen we ook dichter bij elkaar. Het bij ons zijn van Jezus is niet individualistisch. Het is onmogelijk om alleen Christen te zijn. Het individualisme van onze tijd doet ons dat soms wel geloven en we zijn geneigd om van het geloof een privé aangelegenheid te maken. Het probleem is dat velen in de kerk zitten als consument om te nemen wat ze willen en te laten liggen wat hun niet aanstaat. Maar in de ideale gemeente hebben de leden een band met elkaar, die is ontstaan met vallen en opstaan. Juist wanneer het heeft gebotst is de blijdschap over de vergeving en de verzoening, wanneer die wordt bereikt, groot. Juist wanneer een schaap is afgedwaald is de blijdschap over het weer terugvinden van het schaap groot. Juist wanneer een broeder heeft gezondigd en daarna vergeving heeft gevraagd en heeft ontvangen is de blijdschap over de relatie groot. Daarom ontstaat de ideale gemeente ook niet in één dag. Het zijn de lange en soms taaie processen waar een gemeenschap doorheen moet om te komen tot het werkelijke samenkomen in de naam van Jezus, in de gezindheid van Jezus. Velen lopen vanwege conflict te snel weg uit hun gemeente, waardoor ze de kans om juist tot bijzondere ervaringen van vergeving en verzoening te komen laten liggen. Het Heilig Avondmaal is door de Heer gegeven om de verzoening te vieren. Ten eerste de verzoening met God. Christus gaf Zijn leven om ons met God te verzoenen. Christus is zelfs gestorven, zodat God ons kon vergeven. Ten tweede verzoening met elkaar. Om niet heb je Gods liefde ontvangen, om niet deel je daarvan uit aan je onvolmaakte broeder en zuster. In “de gelofte van liefde” van Balthasar Hubmaier (1480-1528), een gelofte die werd voorgelezen ter voorbereiding op de avondmaalsviering, komen we ook deze zinnen tegen: “Als je je naaste wilt liefhebben en dienen met daden van broederlijke liefde, je leven voor hem geven en je bloed voor hem laten vloeien, …....., laat dan ieder persoonlijk zeggen: “Ik wil”. "Als je broederlijke vermaning toepast op je broeders en zusters, vrede en eenheid onder hen bewaart, en je verzoent met allen die jou hebben gekwetst, alle afgunst, haat en kwade gedachten naar een ieder loslaat, vrijwillig elk gedrag dat anderen schade of nadeel berokkent staakt, ook je vijanden liefhebt en het goede doet, en allen uitsluit overeenkomstig de Regel van Christus, die weigeren aldus te doen, laat dan ieder persoonlijk zeggen: “Ik wil”. [1] De gemeentetucht komen we in deze gelofte ook tegen, namelijk ten overstaan van degenen die weigeren een verzoenende houding aan te nemen. Gemeentetucht behoorde ook volgens Calvijn tot essentiële kenmerken van het gemeente-zijn (zonder tucht is er geen gemeente). In Matteüs 18 vinden we de basis daarvoor. Deze is bedoeld om er voor te zorgen dat onderlinge relaties worden gekenmerkt door zowel liefde en genade, als ook waarheid en gerechtigheid. De tucht is altijd bedoeld als middel om een broeder of zuster weer te herstellen tot de gemeenschap. Amen. [1] Balthasar Hubmaier, De gelofte van liefde. Gelofte werd uitgesproken bij het avondmaal in de gemeenschap van de anabaptisten te Nikolsburg in Moravië (Mikulov in Tsjechië) waar Hubmaier voorganger was (1526-1528). Meer van Oscar Lohuis op www.goednieuws.info |
Geplaatst 3 dec. 2011 12:43 door De Stadslamp Amsterdam
27 november 2011, 1ste zondag van de Advent. RK kerk St. Franciscus Xaverius (De Krijtberg), Norbert Halsema SJ Gelezen: Marcus 14.
Advent is de tijd van wachten en verwachten. Vandaar dat het evangelie ons vandaag oproept tot waakzaamheid. De leerlingen, de deurwachter, wij allen, worden door Jezus aangespoord om klaarwakker te zijn voor als “het ogenblik daar is.” Over welk ogenblik heeft Jezus het hier eigenlijk? Van dit bewuste ogenblik zegt hij dat “niemand weet wanneer die dag of dat uur zal komen (...), alleen de Vader weet het”, het moment van de lang verwachte maar toch onvoorspelbare komst van de Mensenzoon [v.26]
Advent is de tijd van het uitzien naar de geboorte van onze Verlosser. Hij die geboren gaat worden in de eenvoud van Betlehem is dezelfde als die aan het eind der tijden in volle glorie zal komen. Begin en einde roepen elkaar op: zijn komen-in-ONZE-tijd, zijn aanstaande geboorte, opent het vergezicht naar zijn komst-in-GODS-tijd. Daar attent op zijn, zorgen dat je dáár bij bent, is de boodschap van vandaag.
Wij leven in een tijd van collectieve waakzaamheid. Elektronische ogen houden ons nauwkeurig in de gaten. Beveiligingscamera’s, alarminstallaties, elk verdacht teken van onraad wordt onmiddellijk geregistreerd. Al die spiedende ogen zijn een signaal dat er in onze maatschappij iets grondig mis is. We zijn in de greep van een haast paranoïd wantrouwen. Argwaan en angst beklemmen ons leven. In 1948 schreef de Britse auteur George Orwell, zijn beroemd geworden boek Nineteen Eighty Four waarin hij zijn visie geeft op de westerse wereld anno 1984, een wereld waarin de enkeling ten onder gaat in een volkomen kansloze strijd tegen een totalitair bewind. Overbekend is de uitspraak Big brother is watching you. Hij, de nooit geziene, almachtige leider van het totalitaire systeem controleert alles en allen. Anno 2011 hebben we het dan over een wereld die uitgeleverd is aan de absolute macht van het geld als hoogste norm, ons pensioen, de schaamteloze gouden handdruk, onze bankrekening, de wankele euro, obligaties en hypotheken. Een zichzelf verslindend economisch stelsel waarvan we nu de wrange vruchten plukken.
Gebukt onder deze bedreiging is acute waakzaamheid geboden om te overleven. Deze vorm van waakzaamheid zou ik defensief willen noemen. Achterdocht voor de vijand die overal op de loer ligt. Jezelf krampachtig vastklampend aan wat je hebt, en je niet te laten afpakken wat je met zoveel inspanning hebt verworven. De waakzaamheid waartoe het evangelie oproept is van een geheel andere orde. Geendefensieve, maar een proactieve. De oproep om de oriëntatie op wat komen gaat niet te verliezen, een onbevangenheid voor Hem die komen gaat. Niet met hand en tand verdedigen van wat achter ons ligt, maar er actief aan meewerken om deel te krijgen aan dat wat vóór ons opdaagt. Niet langer een grijze sluier van wantrouwen en verlies, maar een horizon vol vertrouwen en voldoening. Opmerkelijk genoeg, eindigt Marcus zijn evangelie vandaag met een voor hem ongebruikelijke breedsprakigheid wanneer hij aan zijn oproep tot waakzaamheid omdat ge niet weet wanneer de heer des huizes komt, een viervoudige tijdsbepaling toevoegt als hij zegt: “‘s avonds laat of midden in de nacht, bij het hanengekraai of ‘s morgens vroeg.” En hier kan ons een licht van herkenning opgaan. Met deze zorgvuldig toegevoegde momenten, trekt Marcus namelijk een parallel met vier centrale gebeurtenissen uit het lijdensverhaal van Jezus dat volgens exact hetzelfde tijdspad verlopen: (1) die van het Laatste Avondmaal dat plaatsvindt toen het avond geworden was[14,17], vervolgens (2) het moment midden in de nacht waarop Jezus gevangen genomen wordt in de hof van Getsemane en voor berechting wordt weggevoerd [14,53] dan (3) het derde bij het hanengekraai, het tijdstip waarop zijn vertrouweling Petrus hem voor de derde maal verloochent [14,72], en tenslotte (4) ’s morgens vroeg als Jezus naar Pilatus wordt gebracht om tot de dood aan het kruis veroordeeld te worden [15,1] Zo koppelt Marcus de wederkomst-in-heerlijkheid met Jezus’ Lijden en Dood. ‘s Avonds laat, midden in de nacht, bij het hanengekraai of ‘s morgens vroeg. Laat het dan alleen de Vader zijn die weet wanneer het tijdstip is, maar wíj weten minstens Wie wij moeten verwachten: de lijdende en gestorven Heer die het beheer van zijn huis aan ons heeft toevertrouwd totdat hij terugkomt. De zorg voor elkaar in lief en leed totdat de dood ons scheidt. Onze waakzaamheid is dan niet langer een passief afwachten, maar een actief proces van intiemere kennismaking met Hem. Een herkennen van de lijdende Christus in elkaar, wordt voorwaarde om Hem te kunnen ontmoeten in het Licht van de Verrijzenis waarin ook wij bij Zijn komst in heerlijkheid worden uitgenodigd. Mij dunkt, reden genoeg om waakzaam te zijn om dát moment niet te missen! Uitzien naar Hem, begint met het uitzien naar Zijn geboorte. Advent nodigt ons uit om in de donkerste tijd van het jaar een nieuw licht te durven zien. Gaan we zo deze Adventstijd binnen.
Norbert Halsema SJ
|
Geplaatst 3 nov. 2011 08:21 door De Stadslamp Amsterdam
 2 november 2011 (Allerzielen), in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede ( Vredeskerk) te Amsterdam, door pastor Pierre Valkering.
Gelezen: Uit de profeet Jesaja (25, 6-9), de Openbaring van Johannes (21, 1-7) en uit het Johannes-evangelie (11, 1-44).
Rijk de Gooijer is ook dood. Vandaag gestorven. Op deze tweede november, Allerzielen - precies zoals die baby, een meisje, dat getroffen werd, samen met haar moeder, in een zwembad in Tilburg, vandaag gestorven is. Rijk is vijfentachtig geworden, dat meisje maar vijf maanden. Een zeven jaar geleden op deze dag werd Theo van Gogh vermoord: óók op Allerzielen. Rijk de Gooijer, Theo van Gogh, dat kleine meisje ... alle drie dood. Net als de mensen met wie wij in gedachten naar hier zijn gekomen, naar de kerk op Allerzielen.
Allerzielen, dat zijn er héél veel ... We zijn dus nu met zeven miljard mensen op aarde. Met z'n zeven miljarden zouden we schouder aan schouder in de provincie Utrecht passen zeiden ze op het journaal. Dat klinkt leuk, solidair, dat "schouder aan schouder". Maar je moet er niet aan denken dat we het daadwerkelijk zouden moeten doen. Zeven miljard mensen als haringen in een ton. Arme kinderen. Arme oude mensen. Arme iedereen - in zo'n situatie. Je denkt dan meteen aan een concentratiekamp. Dus niet zo'n prettig gedachtenexperiment ... dat dan alleen nog maar op de levenden betrekking heeft. Denk daarbíj dan nog eens aan alle doden, aan alle levende zielen die er doorheen de geschiedenis geweest zijn. Horen de dieren daar ook bij? Ook mijn lieve poes Koetje is het afgelopen jaar gestorven. Waar is ze nu? "Egidius waer bestu bleven? Mi lanct na di, gheselle mijn"1. "Egidius, waar ben je gebleven? Ik verlang naar je makker ...".
Ja, zo is het: onder die talloos veel miljarden zijn er voor jou een paar, of is er misschien maar één, die er uitspringt of -springen. In je gedachten, in je geest licht éven, of af en toe, of geregeld, of voortdurend dat éne gezicht op. Of nu eens dít en dan weer dát gezicht. Ik moet zeggen, dat vind ik wel het mooie van zo'n speciale Allerzielendag: die nodigt daartoe toch uit. Die nodigt de doden uit om langs te komen. Allerzielen nodigt ons uit om naar ze uit te kijken. Allerzielen, dat zijn er ontiegelijk veel, niet te vatten zoveel. Terwijl het bij ons, hier, nu, vooral om die éne gaat, of die paar.
Ondere
andere dát vind ik dan ook zo mooi aan de evangelietekst die ik zoëven heb voorgelezen,
en die ik gráág voorlees. Want ze komen zó dichtbij, voel ik dan: Jezus en
Martha en Maria en Lazarus. Je kunt ze bijna aanraken. Het gaat in deze tekst
om één enkele dode, met een naam en een gezicht. Het gezicht kennen we niet, de
naam wel: Lazarus. "God heeft geholpen" betekent die naam. Ja, zeg
dat wel! God heeft geholpen. Hém wel. "Jezus hield veel van Martha, haar
zuster en van Lazarus" hoorden we. Dat is gewoon góed om te horen vind ik:
dat Hij, Jezus, blijkbaar een bijzonder gevoel vóór en een speciale band mét
deze mensen had. Hij hield van ze. Het waren vrienden.
Jezus
begint ook te huilen als Hij bij het graf komt. Huilen, net als wij - als je 't
kunt, huilen ... Dan ben je een begenadigd mens, als je dat kunt. Dan heb je
"de gave der tranen" ontvangen. "Zalig zij die treuren, want ze
zullen getroost worden" zegt Jezus in de Bergrede2. "Hij moet wel
veel van hem gehouden hebben" zeggen de mensen dan ook tegen elkaar als ze
Jezus zien huilen.
Jezus
laat zich niet weerhouden door het gegeven dat Lazarus al vier dagen in het graf
ligt. Hij laat zich niet weerhouden door de afschuwelijke stank die
ongetwijfeld uit een vers graf opstijgt als je het opent. "Lazarus, kom
naar buiten!" En Lazarus kómt nota bene naar buiten. En dan denk jij aan
die ene, aan jouw Lazarus, dan denk jij aan jouw mens of mensen die God ook wel
mag helpen, naar wie je zielsveel verlangt misschien. O, als hij of zij toch
eens uit de dood weerom zou kunnen komen ...
Ja.
Wij
moeten het doen met het verhaal lieve mensen. Wij moeten het doen met Lazarus,
met "God heeft geholpen". Maar vandáág nog, nota bene vandaag nog,
zei mij iemand uit eigen ervaring: "Als je het goede nastreeft, als je het
echt wilt, dan helpt God je, dat weet ik zeker." Een kwestie van geloven.
Of nee, volgens degene met wie ik sprak dus van zeker weten. Helpt God jouw
dode, jouw doden? Helpt Hij jóu met jouw doden? Helpt God Allerzielen? "De
Heer God vernietigt de dood, en veegt de tranen van alle gezichten"
hoorden wij in de eerste lezing deze avond, uit de profeet Jesaja. En in de
Apocalyps, de Openbaring van Johannes klonk het: "Hij zal alle tranen uit
hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen
smart zal er zijn, want al het oude is voorbij." Stoere beloftes. En in
het evangelie huilt Jezus zelf. En Hij helpt. Hij overwint de dood.
Veelgeliefden,
snáppen doe je het niet. Je vinger erachter krijgen kún je niet. Ons verstand
kan er niet bij. En misschien wordt het wel op z'n plaats gezet, dat verstand van
ons. Want je voelt, zowel bij Jesaja als bij Johannes, zowel in zijn Apocalyps/Openbaring
als in zijn Evangelie: Hier worden geen grappen gemaakt. Het is hen ernst.
Jesaja en Johannes. Al spreken zij in geheimtaal, het zijn geen bedriegers,
geen charlatans. Ze sjoemelen niet met data. Ze zuigen het niet uit hun duim -
zoals professor Diederik Stapel, de sociaal-psycholoog. God helpt. Hij heeft geholpen.
En Hij zal opnieuw helpen. Jezus zegt: "Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven,
toch zal hij leven". Laten wij derhalve de namen van onze doden hier
klinken zoals de naam van Lazarus hier geklonken heeft. Ontsteken wij voor hen
onze kaarsen in het licht van het geloof dat Jesaja en Johannes en dat Jezus
zelf in ons hebben verlangd te ontsteken. Amen.
1 Begin
van het Egidiuslied, een Middelnederlands rondeau. Auteur onbekend. 2 In het
Mattheüs-evangelie 5, 4. |
|