|
Figuur 1 - Elementen van een oppervlaktegolf Figuur 2 - Ontstaan van oppervlaktegolven Figuur 3 - Orbitale golven Figuur 4 - BMM voorspelling dd 07/02/2010 golfhoogte De Panne Figuur 5 - Ontstaan van de branding Figuur 6 - Overzicht van de Westhoekdijk Het water loopt tegen de Westhoekdijk op en gaat er overheen Deze foto is met telelens genomen vanop het hoogstrand ter hoogte van het einde van de Zeedijk, en laat duidelijk zien hoe een aansluitend hoogstrand voor de Westhoekdijk "ontbreekt". |
auteur: Noël Hoste De Panne, 9 februari 2010
Golven, branding, schuimend geweld. Wanneer je wandelt op het strand boeit het steeds weer als je die golven, rij na rij, naar je ziet toekomen, zich verheffen, overstorten, schuimend uiteenspatten, om dan het strand op te snellen, slechts een rimpel hoog, en voor je voeten uit te doven ... als je maar op tijd een paar stappen achteruit zet. Natte voeten – of erger – kun je wel halen wanneer je bij hoogwater over de Westhoekdijk loopt en een uitlopende golf er overheen snelt, waarbij je plots door schuimend water wordt omspoeld. Van waar dit verschil? Wat zijn golven trouwens, hoe ontstaan ze, en waar komen die kracht en snelheid vandaan waarmee ze op de kust komen aanrollen?
Golven, een natuurfenomeen dat ons als kustbewoners boeit, inspireert, en heel soms, vooral bij storm, beangstigt. Hieronder wil ik in kort bestek nagaan hoe golven ontstaan en hoe die golven schuimende branding worden wanneer ze onze kust bereiken. Om daarna even stil te staan bij de vraag hoe we ons tegen dit geweld kunnen beschermen. Ontstaan van golven Op zee kunnen verschillende soorten van golven ontstaan. De best bekende zijn de getijdegolven, met een periode die kan gaan van een dag tot enkele uren, tsunamis met een periode die meestal variëert van 60 tot 15 minuten en wind- of oppervlaktegolven waarvan de periode zich situeert tussen 10 en 1 seconde. Wij zullen het hier verder alleen nog over oppervlaktegolven hebben, de baren die na een lange of minder lange reis over zee ons strand zullen bespoelen. De golf heeft een sinusoïdale vorm, zie figuur 1, en wordt gekenmerkt door een golflengte L (= de afstand tussen twee kruinen of dalen), een golfhoogte h (= de hoogte tussen golfdal en –kruin), de snelheid V waarmee de golf zich verplaatst en de periode T (= de tijd die verloopt tussen de passage van twee opeenvolgende golven op eenzelfde punt). Tussen deze elementen geldt de verhouding V = L/T. Oppervlaktegolven ontstaan door de inwerking van wind op het wateroppervlak. Figuur 2 brengt dit zeer mooi in beeld. De wind die over het water scheert, voorgesteld door de golvende pijlen bovenaan, sleept het water mee waardoor de waterspiegel gaat rimpelen. De rimpels drukken de wind omhoog, van het watervlak weg. De voorzijde van de rimpel ligt in de luwte, daar ontstaat onderdruk en zo worden kleine draaikolken op gang gebracht tussen de rimpels. Deze draaikolken brengen hun beweging op het water over waardoor de rimpels steiler worden en het golfdal dieper. De draaikolken winnen aan kracht, en induceren een groeiend verschil in luchtdruk tussen voor- en achterzijde van de golf. De golf wordt hierdoor naar voor gedrukt en gaat uiteindelijk bewegen, mee met de windrichting.
1) de vooruitgeschoven ligging van secties 1 en 2, waardoor hier geen ruimte overblijft voor een hoogstrand; bij gemiddeld hoogwater ligt de teen van sectie 2 ongeveer 1 meter onder water; 2) het bovenpeil van de dijk ligt op 7.00 + TAW; dit is slechts 1,25 m boven de instroomdrempels van de slufters.
Wanneer de golven bij hoogwater deze dijk bereiken, zullen ze breken ter plaatse van of net boven de teen, omdat daar de helling[10] ten opzichte van het strand abrupt oploop, en dus de waterdiepte even abrupt afneemt. Toepassing van een bekende empirische formule[11] voor de oplopende stroom op een stenen dijk leert ons dat bij een golfhoogte van 1 meter het water ruim 2,5 meter hoog zal klimmen, vertikaal gemeten. Bij gemiddeld hoogwater bij springtij, dat voor De Panne tussen 4.00 en 5.00 + TAW ligt, gaat het water dus vlot de dijk over. Bij een lager hoogwaterpeil maar met hogere golven ingevolge storm ook. En de schade is telkens weer aanzienlijk: beschadiging van de betonbekleding door achterloopsheid van het overgespoelde water, afslag van de duinen die boven de dijk uitrijzen, maar ook ondergraving van de teen van de dijk. Door de sterke helling ontwikkelt de terugloopstroom van het water op het dijktalud een hoge snelheid, botst met grote kracht op het strand net voorbij de teen, en sleurt massaal zandkorrels mee.
De remedie? Ook daarover hebben we het al gehad. Slopen van dit gedeelte van de dijk, en een stuk kustafslag laten gebeuren waardoor ook in deze zone een hoogstrand zou ontstaan lijkt de meest logische oplossing, maar zal lokaal op veel weerstand stuiten. In navolging van de huidige voorkeur bij MDK afdeling Kust voor zachte zeeweringstechnieken is een goed alternatief een zandsuppletie voor de secties 1 en 2 van de Westhoekdijk, zodat de hoogwaterlijn wordt teruggedrongen en er een hoogstrand ontstaat. Zie ook de foto hiernaast die deze oplossing in feite suggereert. Dan mag verhoopt worden dat dit nieuwe strand hetzelfde effect zal bewerkstelligen als is gebeurd bij de verdere secties tot de grens, namelijk volop invangen van zand, zodat het strand zichzelf in stand houdt en het bij deze ene suppletie zou kunnen blijven. Duur? Jazeker, maar het eeuwige aanmodderen met het oplappen van een foeilelijke dijk kost ook een aardige cent, en lost uiteindelijk niets op. Weggegooid geld dus, zoveel is zeker. Het is uiteindelijk aan de beleidsmensen om hier keuzes te maken en oplossingen te bewerkstelligen. Ik ben heel benieuwd naar wat komen zal.
[1] Hierbij gelden volgende vergelijkingen: V = √ (g/2π) x √L (form. 1) en T = √(2π/g) x √L (form. 2) [2] De juiste formule luidt E = 1/8 x δw x h² x L (form. 3) [3] Deze afstand wordt ook de strijklengte genoemd, of Fetch. Een empirische formule die snel een idee kan opleveren over een te verwachten golfhoogte: h = 1/3 x √Fkm (form. 4) waarbij Fkm de strijklengte in km voorstelt. [4] BMM, zie http://www.mumm.ac.be/NL/Models/Operational/index.php . De Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en het Schelde-estuarium, kortweg BMM, is een departement van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). Op basis van het mathematisch model worden voorspellingen aangeleverd van getijden, golfhoogtes, wind, stromingen, enz voor 5 dagen, en toegespitst op een hele reeks locaties aan de kust en op zee. [5] Hier gaat een nieuwe formule de snelheid bepalen: V = √g (H + h/2) (form. 5), waarbij H staat voor de waterdiepte, gemeten ten opzichte van het stilstaande watervlak. [6] Dit gebeurt theoretisch wanneer de waterdiepte H gelijk is aan de golfhoogte h. Volgens formule 5 is de snelheid aan de basis dan √g (h/2 + h/2) = 3√h en aan de kruin √g (3h/2 + h/2) = 4.5√h [7] De golf breekt bij h = H. Een hogere golf breekt dus bij een grotere waterdiepte. [8] Zie het artikel “De storm … en daarna?” van José Decoussemaeker en mezelf, dat op 01 maart 2009 op DepanneBlogt WIKI verscheen; zie http://sites.google.com/site/depanneblogt/strand-en-duin/Home [9] Zie het artikel “De Westhoekdijk … zin en onzin” dat ik op 26 april 2009 op DepanneBlogt WIKI plaatste; zie http://sites.google.com/site/depanneblogt/strand-en-duin/de-westhoekdijk-zin-en-onzin [10] Het strand ligt onder een helling van 5 %, bij de dijk is dat ruim 30 %. [11] In zijn vereenvoudigde vorm luidt deze formule van het Hydraulisch Labo in Delft: z = 8/m x h (formule 6) waarbij 1/m staat voor de helling van de dijk |







